zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu
is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken
weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens
aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de
groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland
bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen
condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van
alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat
een zoo gelegen en onder zulke invloeden zich ontwikkelende macht de
beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht
behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee
verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het
Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel
der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen
invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest
dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche
beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden
passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst
duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper
af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een
Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch
Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche
graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben
uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken
in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken,
Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die
van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in
den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche”
Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooals von Löher
gedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen
gefranciseerden vader (die in Parijs zijn _hôtel de Hollande_ had zoo
goed als Jan zonder Vrees zijn _hôtel d'Artois_), weduwe van een
dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van
Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht
die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij
ooit zou zijn geworden. Hoe weinig Waalsch de overheersching van
Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten
opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland
had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze
zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate
bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland
was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal
hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu
nog zijn: een verwante, doch andere taal. „Die seind all de partibus
inferioribus Rheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht
versten muegen,” heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de
geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling
bijwonen, blijft al zeer weinig over.
Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke
Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische
rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische
invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een
Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van
Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de
landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie,
Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer
aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook.
Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar
te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de
vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische
verscheen.
Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog
te moeten varen was het hertogdom Gelderland. Het naderde veel meer tot
het normale type van den Nederduitschen territorialen staat dan Holland
ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tot het
uitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant,
Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423
komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt
hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap
op te vatten”[10]. Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die
evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen
tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat.
Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de
steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een
tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland
tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn
volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden
kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan.
Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de
Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw
nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de
Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.
[10] P. L. Muller in Gids 1885, Octobernummer („Middeleeuwsch
Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven
is).
Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan
de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale
eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden
aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het
economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig
centrum van handel en scheepvaart opwerkte tegen de Hanze in. De
merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte
Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland
was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke
ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering
ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude
Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf
staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het
lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.
Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus
Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de
tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of
mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij
in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland
en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn
geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd
zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland,
en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke
Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van
zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat
geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een
onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer
als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot
uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.
Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende
eeuw geldt, velen misschien paradoxaal zal lijken.
Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van
Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea, en aan de daarmede
samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te
schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang
is erkend.
De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk
en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong
afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen
is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen
beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien
zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en
een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den
ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen
tot St. Jans en Memling als tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de
verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen en Memling opmerkt,
al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil
in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het
verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het
latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is
daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot
Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen.
De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche
nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger
bestaand verschil hebben verscherpt.
Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil
daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen
Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken[11].
[11] Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde
zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid
verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr. Wilhelm Valentiner,
die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.
Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in
het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen
van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.
Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende
kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoe
natuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”.
Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem
verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve.
Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig
licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert
den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen
Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen,
van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd
schilderwerk bewaard is te Dijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van
de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in
plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen
afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan,
dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het
Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad
een lange ontwikkeling gehad.
De gansche 14{de} eeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel
gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest
gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die
eeuw op een dood punt geraakt. In de 13{de} eeuw daarentegen had zij
heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de
kunst in de 13{de} eeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht
zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren
trap dan die van elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van
Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met
de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims
zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen
gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de
komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche
koningen te St. Denis, uit het eerste begin der 14{de} eeuw. Wellicht
de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze
periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander, Jehan Pepin van Hoei,
„imaigier” van de gravin van Artois; het stelt haar zoon, Robert het
Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche
kunstenaars in Frankrijk. André Beauneveu van Valenciennes, Jean
Hennequin van Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning
Karel V; dezelfde Beauneveu, Jacquemart van Hesdin, Paul van Limburg in
dienst van hertog Jan van Berry; de Brabander Henri Bellechose, en
Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van
Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders
der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij
bedoelen Beauneveu en Paul van Limburg. Beauneveu genoot reeds in zijn
eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde.
Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest.
Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V te St. Denis laten
in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het
voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche
kunst der 15{de} eeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de
„Très riches heures” van den hertog van Berry (te Chantilly), waar
op enkele bladen, als dat waarop het bezaaien van den akker is
voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst
onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der
zegepralen is van de kunst der 15{de} eeuw, zoo goed gelukt schijnt als
nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van
Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden
waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche
getijden aantreffen.
Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde
kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische
hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster van
Champmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In
1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar
werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs
„imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem
arbeidde Claes[12] Sluter, die in een der teksten voorkomt met den
bijnaam „de Orlandes”. Onder Jean de Marville, die in 1389 stierf,
schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van
materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die
vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter
gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het
portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog
en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina.
Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg,
waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvan alleen het
voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven.
De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis
tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid,
gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde
het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat,
vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes
vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van
Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zacharia en Daniël zijn aangebracht.
Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op
de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden,
dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot
een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar
het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als
vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een
mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de
hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en
reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals
die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het
bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit
der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart
zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even
hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur
en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden
moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters
eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren
begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan
Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij dit beeld treft het
traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die
van hoofd en handen.
[12] Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van
het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een
Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover
nader.
Is Sluter een Hollander geweest? De bijvoeging „de Orlandes”,
voorkomende in de acte waarbij het kapittel van de St. Stevensabdij te
Dijon hem in 1404 zekere voorrechten verleent, wordt gemeenlijk niet
anders verklaard. Een van de verdere gronden die Busken Huet tot staving
van Sluters Hollanderschap meent te kunnen aanvoeren[13], heeft dunkt
mij al zeer weinig vastheid. In een Hollandsche grafelijkheidsrekening
van 1396, waarin Heer Garbrand van der Coulster, proost van Bergen in
Henegouwen, en Jorghel mijns heeren kamerling, verantwoording doen „van
tgeen sij ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Hollant, toter
reyze behoef van Oistvrieslant,” wordt een som vermeld als „ghegeven
Dirc die Sluter, om al rande provanci mede te copen van bussen, van
crude, van steen, van schutte...., des men behoeven soude in die grote
scepe, die in de Lauwers varen souden.” Huet nu trekt hieruit het gevolg
„dat er in Holland of Zeeland in de tweede helft der 14{de} eeuw eene
slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter
de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere
broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen
vervaardigen.... Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats
al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van
iemand met beeldhouwersgenie.” Deze gissing noemt hij „gerechtvaardigd
in zoover wij ons nauwelijks kunnen denken, dat zelfs een geboren
kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren,
zoo hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich
gevormd had in eene goede school.” De rekeningspost, het eenige waarvan
men kan uitgaan, kan echter het gestel van Huet's redeneering niet
dragen. Waar staat dat de som aan Dirc wordt ter hand gesteld om van hem
gekochte bussen enz. daarmede te betalen? Er staat duidelijk dat de som
hem gegeven is om er bussen voor te koopen. Dirc is niet de fabrikant,
maar de opkooper van het verlangde oorlogstuig.
[13] Land van Rembrand, I, 496.
Een tweede bewijs dat Sluter „in de provincie Holland of de provincie
Zeeland, of op de grens tusschen de eene en de andere” tehuis hoort,
ziet Huet in den naam van zijn neef, dien hij verklaart Claes van Voorne
te hebben geheeten. Voor zoover ik weet is niemand dan Huet op het
denkbeeld gekomen, de lezing van den tekst der rekeningen, waaruit
wij den naam alleen kennen, zóó te verklaren. De gedrukte tekst van
deze rekeningen, zooals die voorkomt bij de Saint-Mémin[14], geeft
afwisselend deze lezingen: Claes Vandeverbe, de Werne, de Wrne, de
Vuenre. „Hiermede wordt Voorne bedoeld”, verklaart Huet kort en
krachtig. Hoe kan de klank „van Voorne” ooit door een Franschman
wedergegeven worden met „Vandeverbe”? Ieder die het schrift van
den tijd, en tevens de willekeur kent waarmede de transcriptie van
middeleeuwsche teksten omstreeks 1847 gemeenlijk nog plaats had, zal
niet twijfelen of de gedrukte _b_, _n_, _n_ van de drie eerste boven
aangehaalde vormen staan voor geschreven _u_'s (het teeken voor _v_),
terwijl _Vu_ in „Vuenre” voor geschreven _uu_ (teeken voor _w_), en
_nr_ in hetzelfde woord voor geschreven _ru_ staan. Zoo er uit de boven
uitgeschreven lezingen een Nederlandsche geslachts- of persoonsnaam
moet worden opgemaakt, kan deze niet anders luiden dan van de Werve,
onmogelijk van Voorne. Huet's tweede bewijs is even waardeloos als het
eerste.
[14] Mémores de la Commission des Antiquités du département de la Côte
d'Or, II, 7 vv. (1847).
Er blijft dus over, dat Sluter in een te zijnen voordeele opgemaakt
bewijsstuk, niet in een meer of minder terloops geschreven rekeningspost
dus, uitdrukkelijk „Sluter de Orlandes” wordt genoemd. Zoo onder dit
woord niet Holland moet worden verstaan, wat dan? Vrij algemeen werd de
plaats dan ook reeds als een bewijs voor Sluters Noordnederlandsche
herkomst aanvaard, toen in 1890 een nieuw gewichtig document deze
meening kwam versterken: het teruggevonden grafschrift van den neef. „Cy
gist Claus de Werve de Hatheim, au comté de Hollande, tailleur d'imaiges
et varlet de chambre de monseigneur le duc de Bourgogne, qui trespassat
le jeudi VIII{e} jour d'octobre MCCCCXXXIX”[15]. Gansch Holland is geen
Hattem rijk, maar wel Hollands buurland, Gelder. Een merkwaardig
voorbeeld dus, hoe reeds in de 15{de} eeuw Holland in het spraakgebruik
buitenaf voor Noord-Nederland werd genomen. Doch de vondst van 1890 is
nog geen voldingend bewijs. Ook een niet-Nederlander kan een
Nederlandschen neef hebben.
[15] Gazette des Beaux Arts, 1890, p. 359.—Pirenne (II, 428) noemt
Sluter een Zeeuw; op welken grond weet ik niet, maar zoo hij aan
Huet's Claes van Voorne gedacht heeft, is de grond onvoldoende.
In 1899 bracht Henri Stein een tekst aan den dag, waaruit blijkt dat te
Bourges in 1385, in den dienst van hertog Jan van Berry, een bouwmeester
„Claus de Sleseurre, dit de Mayence” werkzaam was en stierf[16]; iemand
die blijkbaar vereenzelvigd moet worden met een in andere teksten
meermalen genoemden „Claux de Mayence.” Stein wil in dezen bouwmeester
den vader van den beroemden beeldhouwer zien[17].
[16] Bibliothèque de l'Ecole des Chartes, LX, 86.
[17] Wiens naam in de rekeningen voorkomt als Slustre, Celustre,
Celeustre, Celoistre, Celestre, Celeute, en de Selustre. Te Dijon
heeft men dus de klanken Sluter en Sluiter, niet Schlözer gehoord.
Vragen wij diens werk zelf om antwoord, dan treft zeer sterk en zeer
onmiddellijk het Germaansch, niet zoo sterk of onmiddellijk een
Nederlandsch karakter. Wel is er groote verwantschap met sommige
verschijnselen in de Noordnederlandsche kunst van de tweede helft der
15{de} eeuw. Dezelfde neiging tot bijna-karikatuurachtige realiteit
komt in de prentkunst uit van den „meester van Zwolle,” en in de
beulsknechten van Geertgen tot St. Jans. Doch het komt er op aan, de
verwantschap te bepalen van Sluter tot vóór hem geschapen werk. Nergens
is een zoo groote hoeveelheid sculptuur aangewezen, die overeenkomst
heeft met de zijne, en tegelijk van ouderen datum dan de zijne is, als
in den dom te Mainz[18]. Hier staat tegenover, dat vier zeer fraaie en
zeer Sluteriaansche beeldjes, te Utrecht gevonden, geacht worden eenige
bewijskracht ten voordeele van Noord-Nederland te hebben. Men schijnt
veilig dit te mogen zeggen, dat de Noordnederlandsche sculptuur der
14{de} eeuw met die van den Rijn enger samenhangt dan met de Vlaamsche;
en dat niet onwaarschijnlijk de aanzienlijkste in Noord-Nederland
aangetroffen beeldhouwwerken uit dien tijd door meesters van den Rijn
vervaardigd zijn. Het is zeer wel mogelijk, maar allerminst ~bewezen~,
dat een Mainzer Schlüter of Schlözer langen tijd in Noord-Nederland
heeft gewerkt, er gehuwd is en familiebetrekkingen heeft aangegaan, en
er een zoon gewonnen heeft, die later, al of niet in gezelschap van zijn
vader, naar Frankrijk is gekomen. Wat geen bewijs meer behoeft, is dat
Sluter te Dijon de stichter is geworden eener Bourgondische kunstschool,
die op de Fransche sculptuur der 15{de} eeuw een even grooten invloed
heeft gehad als op de Fransche schilderkunst van die eeuw het werk der
groote Vlamingen.
[18] Pit, La Sculpture hollandaise au Musée national d'Amsterdam
(Amsterdam 1902).
Doch er is, vóór het Gentsche altaar, door ontwijfelbaar Nederlandsche
handen een ander werk geschapen, dat de geboorte eener nieuwe kunst
nog meer onmiddellijk aankondigt, dan Sluters nog half gothisch
beeldhouwwerk dit doet. Het is een stuk miniatuurkunst: de Getijden van
Turijn.
Jammerlijker ongeluk kon de jonge studie van de oorsprongen der
Nederlandsche kunst niet treffen, dan de bibliotheekbrand, die onlangs
dit heerlijk kunstwerk zoo onherstelbaar geschonden heeft. Men kan van
de bladen, die algemeen met de kunst der van Eyck's werden in verband
gebracht, ja waarvan gedurig meer en gedurig bewuster geoordeeld werd
dat zij aan Huibert van Eyck zelven moesten worden toegeschreven, thans
nog slechts zich de reproductiën laten voorleggen. Is de toeschrijving
aan Huibert juist, dan heeft niet slechts Jan van Eyck, maar ook zijn
oudere broeder een tijdlang met het Beiersche hof in betrekking gestaan,
en zich in den Haag opgehouden. Blijkens de aanwijzingen van wapens
en banieren is het geen ander dan onze graaf Willem VI, die op het
wellicht fraaiste blad van alle in krijgsrusting en met riddergevolg
is afgebeeld, gelijk hij, aan het Hollandsch duin geland, uit Engeland
terugkeert; een stoet die in houding der personen en rossen, in
voorstelling van de beweging eener naderende ruiterschaar, in kleuren
en in detailteekening, als de voorproef verschijnt van het luik met de
ridders te Berlijn. Doch al wezen onmiskenbare teekenen onzen Willem VI
niet aan, geen oogenblik zou men kunnen twijfelen waar het zeestrand te
zoeken is, dat de stoet zooeven verlaten heeft, waar het duinlandschap,
dat zich achter hem ontrolt. Het terugwijken van den achtergrond is hier
reeds veel beter uitgedrukt dan in de getijden van Chantilly zelve;
ook een ander blad uit de Turijnsche getijden, een zee voorstellende,
is onvolprezen in het teruggeven der ruimte, en in de kunst, om de
voorgestelde stof, het water in beweging, realistisch af te beelden.
De middeleeuwen konden een dergelijk natuurmotief nog niet anders dan
symbolisch behandelen: een golvende lijn zou de illusie hebben moeten
opwekken, dat men zich tegenover de zee bevond[19].
[19] Nog zijn merkwaardig „het Landschap met den Kerktoren” en „het
Straatje”, afgebeeld bij Johanna de Jongh, Het Hollandsche
Landschap in Ontstaan en Wording (den Haag 1903).
Met het Gentsche altaar vervolgens is de Nederlandsche kunst als
zelfstandige beschavingsuiting als geconstitueerd te beschouwen. Een
groote technische overwinning werd tegelijkertijd door de van Eyck's
behaald: de kunst van het mengen der kleuren in olie, vóór hen bekend
maar slechts bij uitzondering en zonder gelukkig gevolg toegepast,
werd door hen zoozeer verbeterd dat zij dit procédé tot regel konden
verheffen. De kleuren kregen hierdoor een gloed, die aan de schilderijen
in temperverf geheel ontbreekt. Op de wereld hunner tijdgenooten heeft
de kunst der van Eyck's een diepen indruk gemaakt; zij werd ook hierdoor
van zoo nationale beteekenis, dat zij, hoezeer in Jan van Eyck nog
hoofsch van karakter blijvend, echter niet meer in den vreemde om brood
liep, maar zich localiseerde, en Gent en Brugge tot hoofdsteden ook der
artistieke productie verhief. Zoo ontstonden eerst in waarheid een
school en een stijl: het hoogst bereikte werd telkens uit de handen
der meesters zelven aan een jonger geslacht, dat zich ter oefening en
navolging om hen schaarde, overgeleverd. De kunstenaar, die in een
vroegere periode als aan de persoon van één bepaalden vorst gebonden
verscheen, wordt na Jan van Eyck een zelfstandige burgerlijke figuur.
Steken de van Eyck's boven allen uit, het is er verre van, dat zij den
eenigen roem zouden uitmaken der Vlaamsche schilderkunst in de 15{de}
eeuw. Onafhankelijk van hen heeft zich de Doorniker Roger de la Pasture
gevormd, die zich sedert 1436 te Brussel de positie van stadsschilder
verwierf, en er zijn naam verdietscht zag tot Rogier van der Weyden. Nog
anderen hooren in het Walenland thuis: Marmion van Valenciennes, en de
„meester van Flémalle” (Jacques Daret van Doornik?). Een Brabander van
geboorte is Petrus Cristus; een Gentenaar Huge van der Goes; van bij
Mainz weg komt Hans Memling. Bij groote overeenkomst, merkt men in de
kunst van deze onderscheiden meesters ook ettelijke verschillen op,
gevolg van verschil in talent, in tijd, in temperament, ook zeker
van verschil in gewest van herkomst. In geen enkel land en bij geen
enkele school ontbreken dergelijke verschillen; zij beletten niet de
overeenkomst te erkennen, die recht geeft hen tot ééne groep te brengen.
Hoe echter is het nu met de deelneming van Holland aan de
kunstvoortbrenging der 16{de} eeuw gelegen?
Vier groote meesters zijn uit Holland geboortig: Albert van Ouwater, uit
de plaats waarnaar hij is benoemd; Dirc Bouts, uit Haarlem, Gerard David
wederom uit Oudewater, Geertgen tot Sint Jans wederom uit Haarlem. Aan
den eerste wordt met volle zekerheid slechts één werk toegeschreven:
de opwekking van Lazarus te Berlijn. Het stuk blijkt bij den eersten
oogopslag van een meester te zijn, die middellijk of onmiddellijk
den invloed van Jan van Eyck heeft ondergaan, en wijkt, oppervlakkig
beschouwd, van het gemiddeld-Vlaamsche nog niet genoeg af, dan dat dit
werk alleen licht aanleiding zou hebben gegeven om van het bestaan eener
Hollandsche school in de 15{de} eeuw te spreken. Brengt men echter het
stuk met die der drie overige Hollanders in verband, dan bespeurt men
duidelijk den eersten aanzet tot iets zeer bizonders, dat tot het
innerlijkste wezen der Hollandsche kunst behoort, gelijk dit zich in
later eeuwen geuit heeft.
In de Vlaamsche kunst overweegt het plastische; de actie;—in de
Hollandsche het schilderachtige en passieve. De Vlaming zoekt de type
te benaderen, de Hollander geeft, zoo ruw of zoo fijn als het zijn mag,
het individueele. Bij den Vlaming der 15{de} eeuw, die nog onder den
invloed der sculptuur staat[20], staan de figuren nog in eenzelfde plat
vlak, als in een fries; Ouwater stelt ze in een halven cirkel op, naar
de diepte toe. De Vlaming zou licht den Christus in het midden der
voorstelling hebben geplaatst, om deze zooveel mogelijk monumentaal te
doen werken; bij Ouwater staat hij ter zijde. De figuren zien niet
eenmaal alle naar de plaats waar het lichaam van Lazarus zichtbaar
wordt, noch uiten zij hun aandoening in levendige gebaren; en toch is
de beschouwer geen oogenblik in twijfel, of zij allen zijn, ieder voor
zich, met niets anders dan met het wonder dat zij bijwonen, vervuld. Het
wezenlijk voorgestelde is niet de opwekking als actieve gebeurtenis,
maar de naar binnen werkende kracht van het wonder op de individuen die
het aanschouwen. De Christus is eigenlijk de eenige die naar Lazarus
toegewend is[21], en nauwelijks in de houding van een thaumaturg, maar
daarentegen met een uitdrukking van zoo rustige verzekerdheid in het
gelaat, als slechts uit het binnenste eener persoonlijkheid voortkomt.
De opstelling der figuren naar de diepte toe noodzaakt daarbij tot een
mate van eenheid van ruimte en licht, die in de gelijktijdige Vlaamsche
kunst nog te nauwernood is bereikt.
[20] Het duidelijkst Rogier en de meester van Flémalle (enge
verwantschap met de Doorniksche beeldhouwkunst).
[21] Zelfs hij niet geheel. Hij blikt althans niet recht op Lazarus
aan.
Heeft Ouwater te Haarlem gewerkt, Dirc Bouts is vroeg naar Leuven
getrokken. Er zijn geen werken van hem bekend, die nog te Haarlem
_moeten_ gemaakt zijn. Echter doet ook hij ten duidelijkste den
Hollander uitkomen in zijn phlegma, scherp onderscheiden als het is van
den Vlaamschen hartstocht; in zijn rustige compositie, waarbij de nadruk
gelegd wordt op de horizontale en vertikale lijnen, in tegenstelling tot
de diagonaal als hoofdrichtingslijn bij de Vlamingen, die van zooveel
levendiger, dramatischer werking is; in zijn ruimteontwikkeling en
grooter isoleering der enkele figuren in de ruimte; in zijn landschap
niet het minst, dat bij hem veel zelfstandiger behandeld is als bij de
Vlamingen.
Maar de hoofdmeester der Hollandsche school is Ouwaters leerling,
Geertgen tot Sint-Jans. Van hem noemt van Mander een groot altaarstuk,
dat hij voor de heeren van St. Jan te Haarlem geschilderd heeft, en
waarvan zich twee vleugels, een Nood Gods en een Verbranding van het
gebeente van Johannes den Dooper, thans te Weenen bevinden. Van deze
werken uitgaande, heeft men een aantal andere stukken als van zijn hand
erkend, waaronder de Aanbidding der Koningen te Praag, de Johannes de
Dooper te Berlijn, de Aanbidding van het Kind aldaar (verzameling-von
Kaufmann), de Heilige Familie te Amsterdam en de Passievoorstelling te
Utrecht de merkwaardigste zijn.
Geertgen is niet slechts de sterkste persoonlijkheid der Hollandsche
school van de 15{de} eeuw, maar van de gansche Hollandsche
schilderkunst vóór Rembrandt. Indien men zich rekenschap geeft van de
uitgebreidheid der schaal van menschelijke aandoeningen, die alleen
reeds in de genoemde werken door hem zijn doorleefd en tot een nu eens
aangrijpende, dan eens beminnelijke, dan weer naieve, steeds ongemeene
uitdrukking zijn gebracht;—indien men nagaat welke beloften er in zijn
werk liggen opgesloten, hoeveel Hollandsche bizonderheden der 17{de}
eeuw reeds in beginsel bij hem voorkomen, en men bedenkt dan dat deze
man gestorven is in den leeftijd van negen-en-twintig jaar, dan blijft
in het gemoed slechts bewondering en liefdevolle dankbaarheid over voor
dit groot en oer-Hollandsch genie. De uitdrukking van de smart der
Moeder op Geertgens Nood Gods behoort tot het aangrijpendste dat ooit in
penseel is bereikt; en te aangrijpender is deze smart, naarmate zij zich
minder in gebaren uit. De moeder kust het lijk niet, zij houdt het niet
omstrengeld; zij staart het met gevouwen handen aan. De enkele gebaren
die in anderen zijn aangegeven, dat waarmede de in de knie gezonken
Jozef van Arimathea den rand van zijn hoed omvat, dat waarmede Johannes
zijn in den mantel gewikkelde hand naar het oog brengt, zijn juist in
hun soberheid van een onbeschrijfelijke kracht, en brengen het gebaar
van Saul te binnen in Rembrandt's meesterwerk, op welks bezit het
Mauritshuis prat gaat. In het kleine paneel te Berlijn, dat ons den
Dooper voorstelt in eenzaamheid nederzittend, ligt een onpeilbare
diepte: het omsluit binnen zijn weinige vierkante duimen de beide
werelden van mensch en natuur. De strakheid van het voorovergebogen, op
de rechterhand neergezonken gelaat, de gesloten linkerhand, de over
elkander geschoven voeten, het heele zoo diep het kon ineengedoken
lichaam drukken den in zichzelf verloren zoeker uit, en rondom groent,
onaandoenlijk, de gansche rijkdom der geschapen natuur. Gelaat, handen
en geopende mond der Moeder op de Nativiteit bij von Kaufmann hebben
dezelfde kracht van uitdrukking. Het Utrechtsche passiestuk eindelijk
gaat in driestheid alles te boven. Opzettelijk zijn hier de figuren
buiten de natuurlijke ruimte gehouden; men ziet niet waar zij staan of
het kunnen doen. Niets dan het Lijden zelf, zooals het uit alle wonden
leekt, en de weerspiegeling er van in Johannes' tranen en Maria's
gebeden.
En dezelfde kunstenaar, die de uiterste concentratie weet voor te
stellen in zijn Berlijnschen Dooper, heeft een rijkdom van bijwerk
dat de gansche verscheidenheid der latere Hollandsche school reeds
voorspelt. Men vindt het genre bij hem: de vuuraanmakende beulsknechten
te Weenen, de hondjes op de Verbranding en op den Nood Gods, de
ruilebuitende kinderen op het stuk te Amsterdam. Het portret: twee
gansche regentenstukken, en reeds van een meesterlijke ordonnantie,
zijn midden in de Verbranding ingelascht (de Sint Jans ridders, in hun
plechtig zwart), en vertegenwoordigen in dit stuk van actie het element
der rust. Het architectuurstuk: de Amsterdamsche Heilige Familie is
feitelijk het met figuren gesierd portret eener Hollandsche kerk, en de
lichtwerking is er verwonderlijk fijn en juist in. Het clair obscur:
terwijl de afgenomen hoed en de knie van Jozef van Arimathea op den Nood
Gods sterk verlicht zijn, is het bovenlijf in het donker gehuld; een
verlichting die zich van de Vlaamsche onderscheidt, doordat zij het
licht als stijlmiddel gebruikt en op een bepaald punt te zamen trekt.
Het nachtstuk: de Nativiteit bij von Kaufmann is de eerste die werkelijk
in den nacht is voorgesteld; het licht straalt van het kindeke als bron
uit; een volstrekt nieuwe vinding, nagevolgd in onderscheiden scholen,
als bij Correggio en Rembrandt. Het landschap: dat rondom den Dooper is
zeker het zelfstandigste en zuiverst waargenomene, dat in de 15{de}
eeuw geschilderd is.—Bij zijn leermeester Ouwater staat Geertgen
slechts achter in zuiverheid van koloriet; in al het andere overtreft
hij hem.
Ook Gerard David is te Haarlem in de leer geweest. Van de stukken
die men van hem bezit zijn een zeker aantal nog daar ontstaan. In
toepassing van het clair obscur, in behandeling van het landschap toont
hij duidelijk de sporen van Geertgens invloed. Maar hij is niet, als
zijn groote tijdgenoot, de representatieve Hollander der 15{de} eeuw.
Hij is naar Brugge gegaan, en heeft er zijn Hollandsche eigenaardigheden
wel niet verloren, maar onder invloed van Memling, en later van
Matsijs, sterk gewijzigd. In hem, den laatsten grooten Nederlandschen
quattrocentist, verbindt zich Hollandsche met Vlaamsche ontwikkeling tot
een nieuw en zeer bizonder geheel[22].
[22] Alles wat tot dusver over Gerard David geschreven werd, is thans
verduisterd door het schitterend boek van von Bodenhausen, Gerard
David und seine Schule (München 1905).
De Hollandsche kunstenaar heeft, meer dan de Vlaming, oog voor het leven
in rust. Zich niet zoozeer uitputtend in actie en wil, houdt hij meer
frischheid over voor de waarneming van het zieleleven.
* * * * *
Wij hebben ons lang bij de Hollandsche primitieven opgehouden, doch
niet langer dan zij verdienen. Zie ik wel, dan is het voorkomen van
zóó diepgaand verschil bij zoo onloochenbare verwantschap, als tusschen
de Vlaamsche kunst der 15{de} eeuw en de Hollandsche bestaat, een
verschijnsel dat onze hoogste opmerkzaamheid tot zich moet trekken.
Wij leerden een Holland kennen dat, van de Vlaamsche kultuur nog in
veel opzichten afhankelijk, deze toch geheel zelfstandig verwerkt en tot
iets eigens omschept. Een eng verband met het Zuiden, geen gelijkheid.
Zoo is in de zestiende eeuw de verhouding gebleven, aanvankelijk veel
minder duidelijk echter, daar Vlaamsche en Noordnederlandsche kultuur
gelijkelijk onder het Italianisme als bedolven raakten. Eerst in de
verwerking van het ingezogene toont zich weder het verschil; reeds
vóór den tachtigjarigen oorlog! Niemand die de Hollandsche renaissance
met de Vlaamsche ooit verwisselen zal; niemand toch ook die hun engen
samenhang zal loochenen. Verschil bij verwantschap schijnt wel de ware
formule om de verhouding van Holland tot Vlaanderen op onderscheiden
levensgebied te vatten.
Ingewikkeld blijft het vraagstuk zeker, want niet in alles is het
onderscheid even groot als in de beeldende kunst. Geringer is het in
de letteren, geringer in de muziek, geringer in de wetenschap. In de
letteren blijft het Zuiden nog in de zestiende eeuw ten eenenmale
overwegend, nog meer zoo mogelijk in de muziek. In de wetenschap schijnt
het Noorden niet zoozeer qualitatief, als quantitatief de mindere. Doch
eer wij van dit onderwerp der geestelijke beschaving afstappen, moeten
wij nog een woord zeggen over een onderdeel daarvan dat, evenzeer als
de beeldende kunst, de kern der Noordnederlandsche persoonlijkheid
blootlegt: het godsdienstig leven.
Aan de groote mystieke beweging, die op de grens staat van middeleeuwen
en nieuwen tijd, hebben de Nederlanden een zeer groot aandeel
genomen. Dezelfde 14{de} en 15{de} eeuw die getuige waren van een zoo
schrikbarend zedenverval en van een toenemende verwereldlijking en
verwildering der Kerk, hebben het geloof zelf in den boezem van het
individu nieuwe en onsterfelijke zegepralen zien behalen. Ook in deze
beweging is het Zuiden voorgegaan, en heeft het Noorden zelfstandig
verwerkt. Geert de Groote heeft aan Ruysbroeck's voeten gezeten,
maar hij is een ander geworden dan de Noordnederlandsche Ruysbroeck.
Het denkbeeld, de ondeugd in de onkunde te bestrijden, was
Noordnederlandsch, Noordnederlandsch de toepassing van dit beginsel
in de broederschap des gemeenen levens. Aan de innigheid van het
geloofsleven deed dit streven zoo weinig afbreuk, dat uit de Zwolsche
omgeving de _Imitatio Christi_ is voortgekomen; tot de verlevendiging
der studiën heeft het zoozeer bijgedragen, dat Erasmus zelf, hoezeer
hij later (en, van zijn nieuw beklommen hoogte, terecht) op het
Noordnederlandsche klooster gesmaald moge hebben, niet denkbaar is
zonder zijn in die nationale school genoten opleiding.
Met Erasmus komen wij, van verschil, weder op verbinding terecht.
Het Noordnederlandsche dorperskind, oud-voedsterling van een
Noordnederlandsch klooster, is tevens de stichter van het _Collegium
trilingue_, den roem der Leuvensche hoogeschool. In de wetenschap der
zestiende eeuw, universeel van strekking als zij was, gaan Noord en Zuid
hand aan hand. Naast die van Busleyden, van Mercator, Ortelius,
Dodonaeus en Vesalius, bewaart de geschiedenis de namen van Paludanus,
van Dorpius, van Jemme den Fries.
* * * * *
Een volk dat aan Europa de Antwerpsche beurs en de Hollandsche
scheepvaart ten gebruike stelde, en dat daarbij aan den ingang der
nieuwe geschiedenis de van Eyck's en Thomas a Kempis, dat een eeuw later
Erasmus had voortgebracht, kon gezegd worden zijn plaats onder de zon
verdiend te hebben. Evenwel stond zijn staatkundige organisatie nog niet
op de hoogte van zijn stoffelijke en geestelijke beschaving. Er bestond
hier een volk, eer er een staat was.
De Bourgondiërs waren op weg dien te maken, maar 1477 bracht een
groote terugslag. En, op een dochter na, was het huis uitgestorven,
dat in korten tijd hier zooveel had bereikt. Een noodlottige
omstandigheid voor de Nederlanden. Maximiliaan herstelde hier wel de
orde, maar zijn huwelijk met Maria bracht noodzakelijkerwijs voor de
Nederlandsche wereld het gevaar met zich van al te enge verbinding aan
buiten-Nederlandsche belangen. Het was de staatkunde der Habsburgsche
huismacht, die Philips den Schoone een Spaansche prinses, zijn zuster
Margaretha een Spaanschen prins huwen deed. De gemaal van Margaretha
overleed kort na het huwelijk; eveneens overleed het eenig kind van de
zuster der gemalin van Philips den Schoone (20 Juli 1500). Zoo werd
Philips' zoon koning van Spanje; tevens volgde hij zijn grootvader op
in het keizerschap.
Aan een zoo machtig monarch te behooren, heeft de Nederlanden kwaad en
goed gedaan. Hun economische belangen hadden in Karel's Europeesche
macht een sterken steun. Het leenverband van Vlaanderen en Artois
werd losgemaakt; de verhouding tot het Rijk zeer in het voordeel der
Nederlandsche zelfstandigheid geregeld. Maar de vorst kon tegen de
Nederlanden optreden met een macht, die hij niet aan de Nederlanden
had ontleend. Zijn persoonlijke welgezindheid was de eenige waarborg
voor de handhaving der Nederlandsche belangen. Het was voldoende dat
op een Nederlandschen vader een in Spanje opgevoede zoon volgde, om
moeilijkheden te zien ontstaan waaruit het geweld alleen den uitweg
heeft gevonden.
Onder Karel V heeft Nederland het geluk gehad, door twee hoogbegaafde
vorstinnen te worden geregeerd; door Karel's moei en vervolgens door
Karel's zuster. Deze omstandigheid waarborgde de continuiteit en het
nationaal karakter der regeering: Margaretha van Oostenrijk zoowel als
Maria van Hongarije waren van opvoeding Nederlandsche prinsessen.
Persoonlijk heeft Karel zich in 1531, 1540, 1543 en 1549 met de
Nederlandsche zaken sterk bemoeid. In 1531 kwam onder zijn persoonlijke
deelneming de bestuursorganisatie tot stand, die zich in België
gehandhaafd heeft tot de Fransche omwenteling toe, en tevens de
oorsprong is geweest van een goed deel der instellingen van de Republiek
der Vereenigde Nederlanden. Als organen der centrale regeering treft
men sedert den Landvoogd of de Landvoogdes aan, den Raad van State als
adviseerend, den Geheimen Raad en den Raad van Financiën als besturende
lichamen; tevens werden de instructiën van den Grooten Raad van Mechelen
en van de provinciale hoven herzien, en kwam er een vaste orde tot stand
in de samenvoeging van bepaalde provinciën tot stadhouderschappen; de
stadhouders werden gebonden aan vaste instructiën. In deze maatregelen
lag een strekking tot strenge centralisatie, maar ook tot grooter
nationaliseering van het opperbestuur: de „kanselier van Bourgondië”
verviel, de hooge landsadel kreeg eenigermate een constitutioneelen
werkkring, al bleef de klem der regeering berusten bij de Landvoogdes en
den uit legisten (doch Nederlanders) samengestelden Geheimen Raad. In
1540 werd een laatste opflikkering der Gentsche demagogie door Karel met
geweld onderdrukt, en deze stad voor goed onder de heerschappij van het
gemeene recht gebracht; in 1543 werd het onmisbare Gelder ingelijfd bij
den gemeen-Nederlandschen staat; in 1549 werd Philips als troonsopvolger
gehuldigd en een uniform successierecht ingevoerd. In de inleiding van
de Pragmatieke Sanctie waarbij het nieuwe recht werd afgekondigd, wijst
de Keizer op het groote belang dat deze landen er bij hebben, om altijd
onder één vorst te blijven en door dezen bezeten te worden als een
geheel. Als over een geheel, stond Karel dan ook in 1555, ten overstaan
van de plechtige vergadering der Staten-Generaal, de regeering der
Nederlanden aan zijn zoon af.
Wel natuurlijk is het, dat de gedachten onzer historieschrijvers,
als zij aanvangen zullen van den tachtigjarigen oorlog te verhalen,
eerst bij de vergadering van 1555 plegen te verwijlen. Het is, in
de geschiedenis van Groot-Nederland, een der meest gedenkwaardige
oogenblikken; bovendien een dat de pen uitdaagt tot het ontwikkelen
der tegenstellingen, toen onder één dak bijeen. De eerste souverein
reeds over de ~zeventien~ Nederlanden zal tevens de laatste zijn, zoo
men dien ander niet mederekenen wil, nazaat van den man op wiens
schouder 's Keizers arm leunt, die wederom eerste en laatste zijn
zal in één. Tegenstelling: de populaire Gentenaar, nu gebogen en
afgeleefd, en de nurksche Spanjaard, die jong van jaren is maar niet
van hart; andere tegenstelling: de vorst en de aanstaande rebel; de
_auctor intellectualis_ van den moord, en het slachtoffer. Nog andere
tegenstelling: de bontgepluimde adel van het Zuiden, de effen tabbaarden
uit het Noorden, dat overwinnen zal....
Nietwaar, er zijn motieven te over voor een historieschilderij in
grooten stijl, gelijk Motley er een van heeft zoeken te maken. Of de
aanwezigen een voorgevoel gehad hebben van het geweldige dat gebeuren
zou? Bezwaarlijk. Nog was het godsdienstvraagstuk niet acuut, nog
Philips een onbekende. En een hevige orkaan voorwaar is het geweest,
die den groot-Nederlandschen staat geveld heeft. Een zwaren storm, dien
van 1477 en volgende jaren, had hij zegevierend doorstaan: het ontbrak
hem dus niet aan weerstandsvermogen. Wat er van zuiver staatkundig
particularisme nog leefde, zou, na 1555, nimmer bereikt hebben, waartoe
het in 1477 onmachtig was gebleken. Andere krachten moesten ontketend
worden, eer het werk der Bourgondiërs, arbeid niet ondernomen, maar
goedgekeurd door de natie, kon worden gesloopt.
Het is de hervorming en niets anders dan deze, die Noord en Zuid heeft
vaneengereten. De opstand zelf is zeker niet alleen door godsdienstige
motieven bepaald; wèl is aan het godsdienstverschil het mislukken
der centrale regeering na 1576, en de eindelijke splitsing der
Nederlanden in twee helften toe te schrijven. Dieper opgehaald, is
het godsdienstverschil een verschijningsvorm van het verschil in
geestelijken aanleg tusschen Noord en Zuid, verschil dat sinds lang
bestond, maar eerst doodelijk voor de staatkundige eenheid werd in een
tijd die de individualiteit tot oppersten rechter stelde over alle
menschelijke instelling, over alle banden van overlevering en van
dwingend recht. De staat der Zeventien Nederlanden kon alleen nog
bestand hebben in een religievrede, die onmogelijk was omdat hij een
wapenstilstand beduidde tusschen twee richtingen die beide nog in volle
groeikracht waren, het neo-katholicisme niet minder dan het calvinisme,
en die op verovering uitgaan ~moesten~, op straffe van ondergang.
Geen staat in Europa of hetzij het eene, hetzij het tegenovergestelde
levensbeginsel heeft er gezegevierd en het andere òf vernietigd, òf als
streng bewaakte uitzondering een kommerlijk bestaan doen leiden. De
„pariteit” is eerst een begrip der 18{de} eeuw, het eerst verwezenlijkt
in het Pruisen van Frederik den Groote. Doch een reeks van oorzaken
maakten in het Nederland der Gentsche Bevrediging het calvinisme te
sterk, om door het neo-katholicisme, het neo-katholicisme te sterk,
om door het calvinisme te kunnen worden onderdrukt. Nadat vreedzaam
samenwonen was beproefd en mislukt, werd scheiding de eenig mogelijke
oplossing.
De gang der hervorming in Nederland is zeer merkwaardig, en een nieuw
bewijs hoezeer deze landen van het Duitsche Rijk waren vervreemd. De
hervorming in haar bizonder-Duitschen vorm, het lutheranisme, sloeg
hier weinig in. Ten tijde harer grootste uitbreiding heeft het er nooit
naar uitgezien, of de lutherij Nederland mede zou sleepen. Ook ditmaal
zou, gelijk zoo dikwijls, de bevruchting uit het Zuiden komen. Het
calvinisme, uit Frankrijk ingevoerd, tastte het eerst de Waalsche
steden aan: Valenciennes, Doornik. Het verbreidde zich snel, haast
als een Fransche mode, over het Zuiden; niet zoo snel over het Noorden,
maar de zielen die het daar won, hield het vast. De hagepreek
en de beeldenstorm van 1566 zijn in hoofdzaak Zuidnederlandsche
verschijnselen, de _Biencorf_ een Zuidnederlandsch boek. Het is weer een
geschiedenis van Vlaamsche ontvlambaarheid en actie, van Hollandsche
stugheid en rust. Het ondiepe water wordt het felst bewogen, maar de
hooge golven die er gaan breken ook het eerst.
Weinig geleerden hebben den geest der beweging van 1566 zoo gelukkig
getroffen, als, in zijn onopzettelijkheid, de romanschrijver Charles de
Coster in zijn _Tijl Uilenspiegel_, en dat hij dit gedaan heeft, is door
niemand zoo goed gevat en zoo fraai uitgedrukt als door den
Noordnederlandschen criticus Busken Huet.
„Als mengsel van goed en kwaad is Tijl een merkwaardige type. Hij heeft
het diep gevoel van regt, hetwelk een volk op den duur het despotisme
haten doet. Hij lijdt mede met den kleinen burger, tot wiens stand hij
behoort. Hij is dapper, vindingrijk, en edelmoedig; een poorter met
de gevoelens van een ridder. Zijne ligtzinnigheid zelve heeft iets
elegants......” Maar de keerzijde! „Wanneer Tijl de guitestreken zijner
vlegeljaren achter den rug heeft, dan zweert hij wel, bij het lijk zijns
vaders, een ernstig man te zullen worden, een echte Geus; doch hij doet
zijn eed niet gestand. Alleen bij tusschenpoozen ontwaakt in hem de
volksheld. Zijne doorgaande levenswijze blijft die van den zigeuner, den
onverbeterlijken pretmaker, den man naar het hart van Jan Steen. Er is
in zijne vrijheidsliefde, hoe vurig ook, iets negatiefs. Hij wil den
koning weghebben, de priesters, de inquisitie, de regters die met de
geestelijkheid heulen, de landvoogden die door belastingen het volk
uitzuigen. Maar met welk doel? Dit begrijpt men niet, of te weinig. Wij
gevoelen alleen dat Uilenspiegel in zijn regt is, wanneer het instinkt
van zijn landaard hem zegt dat het leven de moeite niet loonen zou,
zoo elke kermisvreugde er uit gebannen werd.....” De Hollanders, die
volhielden, „hebben zich moeten onderwerpen aan de noodzakelijkheid,
een vreugdeloos kalvinistisch leven te leiden. Het bestaan der
hoogere standen werd in Noord-Nederland zoo saai dat de schilders,
tenzij in konventionele schuttersmaaltijden, in sombere regente-
en regentessestukken, geen kans zagen het op doek te brengen. Het
afbeelden van gemeene drinkgelagen, in gemeene herbergen, moest als
veiligheidsklep der onderdrukte vrolijkheid dienst doen; gelijk aan
de bruiloftsmaaltijden door schuinsche liedjes het puritanisme zich
schadeloos stelde, of in de schouwburgen voor een keer het hart ophaalde
aan eene uit de goot afkomstige klucht. Maar onderwijl werd in Europa de
strijd tegen Spanje krachtig en glansrijk voortgezet; werd in Indië een
groot overzeesch rijk gesticht; werden Amsterdam de schatten verzekerd,
die Antwerpen derven moest, en verrezen er, tot eer der wetenschap,
beroemde hoogescholen.—België heeft voor zijn meerderen levenslust,
zijn krachtiger artistieken zin, gedurende meer dan twee honderd jaren
met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet. Dit is een harde
straf geweest. Maar ook Holland is niet vrijgeloopen. Om zich te
kunnen handhaven heeft het zich moeten afzonderen, in zichzelf moeten
opsluiten. Het is buiten de algemeene beschaving geraakt; is in de
achttiende eeuw allengs eene europesche kuriositeit geworden. En eene
wormstekige kuriositeit bovendien! Toen de kalvinistische republiek
tweehonderd jaren bestaan had, is zij op een kouden winterochtend van
het jaar 1795 roemloos ineengezonken. In het begin der negentiende
eeuw hadden Holland en België elkander niets te verwijten, niets te
misgunnen. Beiden waren van de kaart van Europa geschrapt, en fransche
wingewesten geworden.... Het is niet alles deugd geweest, wat in den
strijd tegen Spanje de Hollanders heeft doen zegevieren; niet alles
ondeugd, wat de Belgen heeft doen bezwijken. Aan de eene zijde zijn
niet enkel voordeelen behaald, aan de andere zijde is niet enkel
schade geleden. De Belgen hebben integendeel iets overgehouden wat de
Hollanders zich nog eigen moeten maken: ik weet niet welken zin om het
leven te verfraaijen, de alledaagsche zorgen voor een keer van zich af
te schudden, onbekrompen in de beurs te tasten...... Ongetwijfeld zouden
de Belgen zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij in de 16{de} eeuw, ter
wille van het kalvinisme, dien natuurlijken aanleg hadden onderdrukt. En
nog verkeerder zouden zij heden ten dage handelen, zoo zij, ter wille
van hun fatsoen of uit menschevrees, er te weinig van lieten
blijken”[23].
[23] Litt. Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.
Er zijn op deze geestige bladzijde eenige aanteekeningen te maken.
Ongetwijfeld zouden ook de Hollanders zeer verkeerd gehandeld hebben,
zoo zij, ter wille van de kermisvreugde, tegen de uiterste consequenties
van den strijd hadden opgezien. Zij hadden meer dan een staatkundige,
zij hadden een geestelijke zelfstandigheid te verdedigen, en het
verstrekt hun een adelbrief, dat zij zich aan die gewetenstaak niet
hebben onttrokken. De Zuidnederlanders van 1576 stonden op om de
staatkunde, niet langer om den godsdienst: zoodra hun, onder Parma,
zekere staatkundige waarborgen werden geboden, konden zij zonder
hun karakter te verloochenen den strijd opgeven. Niet aldus de
Noordnederlanders, die intusschen op het calvinisme hun eigen
stempel hadden gedrukt, en het als tot hun eigenste bezit gemaakt.
„België heeft met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet”. Is deze
voorstelling juist? Niet ten volle. Wij bezien, zoo sprekende, het lot
van België door een Noordnederlandschen bril. Om een onafhankelijkheid
te verliezen, moet men haar bezeten hebben, en wanneer is dit, in den
hier blijkbaar bedoelden zin, vóór den tachtigjarigen oorlog het geval
geweest? Immers nooit. „Onafhankelijkheid” in den zin van 1830 was geen
ideaal der Belgische beweging van 1576. Men kwam in opstand tegen
vreemde krijgsknechten en voor het behoud van nationale instellingen en
voorrechten, die door Parma bij de reductie van het Zuiden gewaarborgd
zijn. De voorstelling, als zou België sedert den val van Antwerpen
in een toestand van slavernij hebben verkeerd, is onhistorisch. De
regeering van Albertus en Isabella bij voorbeeld was langen tijd
populair, en ontzag 's lands gerechtigheden evenzeer of meer als die van
Karel V ooit gedaan had. Nog aan den vooravond der Fransche omwenteling
vloog het volk in de wapenen voor het behoud der overgeleverde
instellingen, die het sedert Parma onverkort had bezeten. Waar blijven
bij deze feiten de „eeuwen van verdrukking”, waarvan het volkslied van
1830 spreekt? De Belgen zijn over het geheel in de zeventiende en
achttiende eeuw geregeerd zooals zij het verlangden. Ook is het niet
waar dat zij, zooals hetzelfde volkslied zegt, in 1830 „hun vaandel”
heroverd hebben. Een vaandel, symbool eener internationaal erkende
zelfstandigheid als die van de Vereenigde Nederlanden na 1648, hebben de
Belgen voor 1830 nooit bezeten, en konden zij dus ook niet heroveren.
Een zoodanige voorstelling, bestemd om den roem der mannen 1830 te
verhoogen, verkleint dien inderdaad. Zij hebben niet hersteld, maar
geschapen.
En toch, hoe begrijpelijk in haar ontstaan is de in haar algemeenheid
ongetwijfeld onjuiste voorstelling die wij gispten. De slavernij, die
men te vergeefs zoeken zal in het binnenlandsch bestuur, bestond in de
verhouding tot het buitenland, tot Noord-Nederland in het bizonder. Een
Noordnederlandsch staatsman[24] heeft eenmaal gezegd, dat in 1648 de
koning van Spanje „het land redimeerde voor de zee, die hij cedeerde aan
de Republiek.” Liever dan alle krachten in te spannen tot de verovering
van het Zuiden, dat men, als Roomsch land, toch kwalijk zou kunnen
regeeren, liet men het aan Spanje „met een bezwaarden eigendom.” België
was tot de rol van bolwerk voor Noord-Nederland vernederd, tevens
afzetgebied voor den Noordnederlandschen handel. De grootheid van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden was op den ondergang van Antwerpen
gebouwd. Zoodra de Zeven Provinciën bevrijd en door de verovering van
eenige buitenwerken bezuiden de groote rivieren versterkt waren, liet
men België gaarne aan zijn lot over. Wat zoude men er ook mede hebben
uitgericht? De ervaring van 1632, toen men zonder gevolg het Zuiden
tot afval van Spanje had opgeroepen, was leerzaam; niet minder
teekenend was, jaren na dien, de impopulariteit van het Nederlandsch
tusschenbewind tijdens den Spaanschen successie-oorlog[25]. De
voorwaarden zelf van den voorbeeldeloozen bloei der Republiek
verhinderden, dat zij zich voor het ideaal van een Groot-Nederland
verdienstelijk zou hebben kunnen maken. Zonder de vernedering van België
was die bloei niet denkbaar.
[24] Van de Spiegel (zie zijn papieren door Vreede II, 394).
[25] Gachard, Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave,
1706–1713 (Bull. Acad. Royale, 1876).
Het Noorden dankte intusschen aan het Zuiden onnoemelijk veel. Om
dit te erkennen, is het voldoende de lange lijst na te gaan der in
Zuid-Nederland geboren personen, die de kerk, de wetenschap, de letteren
en den handel der Republiek geïllustreerd hebben. Opmerkelijk is hierbij
weder de veel grooter zelfstandigheid van het Noorden in de beeldende
kunst dan in de letteren. De taal van den Statenbijbel en die van Vondel
is vol bewijzen van Zuidnederlandschen invloed; Vondels verbeelding
zelf is geheel Zuidnederlandsch. Daarentegen komt het gansche verschil
tusschen Noord en Zuid, behalve in het godsdienstig en burgerlijk
leven, in onmiskenbare trekken in de schilderkunst uit. Gelijk vroeger
Brugge, beleefde thans Antwerpen nog een tijd van grooten kunstbloei
na den ondergang van zijn handel. Wel mag België de gedachtenis eeren
van Rubens en van Dyck: zij zijn de laatste standaarddragers eener
beschaving, wier reddeloos verval een gevoelig verlies werd voor Europa.
In hen neemt het oude, groote België, dat in een arbeid van eeuwen was
opgebouwd, afscheid van de wereld. Voortaan zal slechts een geheel ander
België mogelijk zijn, dat zich niet onmiddellijk aan de traditiën van
het oude vastknoopen kan. Na den vrede van Munster geraakt België buiten
den stroom der Europeesche geschiedenis; de Fransche omwenteling is
noodig om het daar weder in te stooten.
Doch is het lot Noord-Nederland veel gunstiger geweest? Immers neen.
Het rijst, in de eerste twintig, dertig jaren na den val van Antwerpen,
met een verbazingwekkende snelheid omhoog. Dan volgen een zestig,
zeventig jaren van majestueuze grootheid, maar die toch geen stevigen
grondslag had. Het land dankte te veel aan voorbijgaande omstandigheden.
Ligging en volksaard verzekerden Noord-Nederland een aandeel in
den wereldhandel, zij verzekerden het geen handelsmonopolie. Als
zeemogendheid kon het zijn rang niet ophouden, zoodra Engeland zich
er toe zette van zijn rijker natuurlijke hulpmiddelen ten volle partij
te trekken. Daarbij was, te land, de jonge mogendheid zeer kwalijk
bevestigd. In 1672 kwam de waarschuwing, aan welke gevaren een
geïsoleerd Noord-Nederland in de wereld blootstond. De Republiek moest,
om bondgenooten te vinden, haar fabelachtigen rijkdom dienstbaar maken
aan belangen die haar slechts van terzijde aangingen. In stede van in
een veroverende, stond zij voortaan ten opzichte van de buitenwereld in
een verdedigende positie. Alle uitbreiding was haar ontzegd, te land als
over zee. Den schijn te redden werd voortaan haar steeds moeilijker
wordende taak. Tegelijk verschrompelde haar geestelijk bestaan, dat
gedurende korten tijd een licht der wereld was geweest. De val van
Rubens tot de Belgische achttiende eeuw is niet grooter dan die van
Rembrandt tot.... ja tot wien? Men is zelfs verlegen een naam te noemen.
Toch bleef er, in beider verval, groot onderscheid tusschen Noord en
Zuid. Hoe ondermijnd dan ook, was de Republiek toch nog een zelfstandige
staat en herbergde zij een meer zelfstandige kultuur dan het Zuiden.
Kenmerk van het Zuiden was geweest de eigenaardige versmelting van
Waalsche en Dietsche beschavingelementen. In de uitoefening dezer
historische functie trad door de ongenade der omstandigheden een
voor België's toekomst noodlottige stilstand in. De Fransche kultuur
katholiciseerde en centraliseerde zich meer en meer: zij werd de
kultuur van het tijdvak van Lodewijk XIV. Aan de andere zijde
protestantiseerde zich de Dietsche beschaving, waarin België thans
geheel door Noord-Nederland werd overvleugeld. België nu had, thans
als immer, taalgemeenschap met beide aangrenzende landen, maar
geloofsgemeenschap alleen met Frankrijk, en geloofsgemeenschap was
in dezen tijd een oneindig machtiger factor dan taalgemeenschap.
En dit was niet alles: ten gevolge van den ondergang des handels en het
schrikbarend verval der Belgische steden nam de beteekenis van den adel
en van de geestelijkheid in de Belgische maatschappij zeer toe: een
maatschappij die in bouw veel meer op die van Frankrijk dan op die van
Noord-Nederland ging gelijken. Terwijl dus de monarchale, katholieke,
aristocratische Fransche beschaving vrijen toegang had, stuitte de
republikeinsche, protestantsche, burgerlijke van het Noorden tegen een
ondoordringbaren muur. Het gevolg was dat het evenwicht tusschen Waalsch
en Dietsch werd verbroken in zulk een mate, dat vijftig of zestig jaren
Vlaamsche beweging het toen vernielde nog niet weer hebben kunnen
opbouwen. Er had langen tijd op Belgischen bodem geen bevruchting van
Romaansche door Nederduitsche beschaving en omgekeerd meer plaats, en
dus ook geen eigenaardig Belgische productie meer. Eenerzijds verviel
de Nederlandsche taal in België tot een staat van boerschheid, het
katholicisme in Vlaanderen tot een staat van bijgeloof; andererzijds
werd de beschaving van Parijs en Versailles, zonder oponthoud aan eenig
tusschenstation, regelrecht naar Brussel ingevoerd, waar zij als een
geleend pak werd gedragen. Naarmate de toon te Parijs veranderde,
veranderde de weerklank in de beschaafde kringen van België. Deze
maakten in de achttiende eeuw de zwenking van Bossuet naar Voltaire
mede. Iemand als de Brusselsche markies du Chasteler (1744–1789)
is een volmaakter type van den „philosophe à la mode” dan er in het
Noord-Nederland van denzelfden tijd één is voorgekomen. Er kwam door de
Belgische samenleving een scheur te loopen, dieper dan het verschil in
taal er ooit door getrokken heeft: een scheur door den geestelijken
samenhang der onderscheiden klassen van het volk, waarvan de beschaafden
als tot een ander rijk behoorden als de massa.
In dit opzicht was het in Noord-Nederland veel beter gesteld. Het
land lag voor allerlei geestelijken invoer open, maar het ingevoerde
bleef er zelfstandig verwerkt worden tot een product van onmiskenbaar
Nederlandsch karakter. Niet dat dit product altijd even groote waarde
had, doch dit behoeft ook niet om in de geschiedenis van een volk die
mate van continuiteit te verzekeren, waardoor de overlevering eerst
tot een eigen, levende kracht wordt gemaakt. Het is deze meerdere
continuiteit die Nederland nog altijd iets op België vóór doet hebben.
In vergelijking tot België zijn wij tegelijkertijd een veel jonger en
een veel ouder land. Veel jonger: om dit te erkennen is het voldoende
de middeleeuwsche geschiedenis van Vlaanderen naast die van Holland te
leggen, of eerst Dordrecht, Leiden en Amsterdam, daarna Gent en Brugge
te doorwandelen. En in anderen zin herkent men in Nederland toch weer
een veel ouder land, als men niet de zaken opzoekt die tot louter
historische bezienswaardigheden zijn geworden, maar zich rekenschap
geeft van den ouderdom der organen van het nationale leven gelijk zij
nog heden ten dage in werking zijn. Wij zijn in meerdere mate ons
zelf gebleven, en dus jonger dan het historische, maar ouder dan het
hedendaagsche België.—Een overeenkomstig verschijnsel leveren Noord- en
Zuidduitschland op. Gelijk in de Nederlanden, heeft ook in Duitschland
de Fransche omwenteling een veel grooter opruiming in het Zuiden dan in
het Noorden gehouden; juist wijl in het Zuiden het bestaande ouder en
meer verouderd was, heeft het minder goed den storm doorstaan, en is er
meer noodzaak geboren tot geheel nieuwe constructie.
Hoewel onmiskenbaar bestaande, is toch de voorsprong die Nederland
aldus op België behouden heeft, niet zeer groot. Lang zoo groot niet
als die van Pruisen in Duitschland. Pruisen, dat een schepping der
Hohenzollern's was van den Grooten Keurvorst tot Frederik den Groote,
en dus meer dan een eeuw jonger dan de Republiek, die van Willem van
Oranje en Oldenbarnevelt dagteekent;—Pruisen heeft van de Fransche
omwenteling niet meer dan een heilzamen stoot ontvangen, aanleiding tot
de volksbeweging van 1813, die het weder aan het hoofd der ontwikkeling
van Duitschland stelde. Jena maakt in de geschiedenis van Pruisen bij
lange na niet een zoo diepe insnijding, als het jaar 1795 in die van
Noord-Nederland. Pruisen is in de dagen zijner diepste vernedering
nimmer van de kaart van Europa verdwenen; het had een veel grooter
prestige tegenover de landen die het in 1815 verkreeg, als Nederland
het hebben kon tegenover België. De taak waarvoor Pruisen zich in de
Rijnprovincie gesteld zag, is in menig opzicht bij de taak van Willem I
in België te vergelijken. Maar Pruisen was beter toegerust; ook gingen
zijn oude provinciën in omvang en bevolking de nieuwe verre te boven,
hetgeen in de Nederlanden niet het geval was. Pruisen heeft veel
verricht, maar heeft het geleidelijk kunnen doen; in 1815 zag het een
stuk van Duitschland aan zijn leiding onderworpen, in 1866 een tweede,
in 1871 een derde stuk. En het verdient zeker de aandacht, dat Pruisen
er niet in geslaagd is de Duitsche eenheid tot stand te brengen zonder
Oostenrijk uit te sluiten, de half-Duitsche macht. Wat onder Pruisens
leiding gesteld werd, was telkens zuiver Duitsch gebied, en telkens
ook in oppervlakte en bevolkingsgetal zeer de mindere van de oude
provinciën. Hoeveel moeilijker was de taak van Noord-Nederland in 1815.
Ware het Willem I gelukt, een groot-Nederlandsche eenheid te stichten,
hij zou, op verkleinde schaal, niet hetzelfde als Bismarck, maar
veel meer dan Bismarck hebben bereikt. Een dergelijk resultaat zou
gelijkwaardig zijn geweest niet aan de aantrekking van Beieren en
Wurtemberg tot den Noordduitschen staat, maar bijna aan de assimilatie
van Oostenrijk zelve.
* * * * *
Wij eindigen deze voorafgaande beschouwingen, die ten doel hadden
ons te binnen te brengen hoezeer Noord- en Zuid-Nederland vóór de
vereeniging van 1815 in samenstelling, in aanleg, in lotgevallen hadden
verschild. Aan den tijd van de zestiende tot de achttiende eeuw hebben
wij daarbij zeer in het kort kunnen herinneren: de geschiedenis van het
uiteengaan in den tachtigjarigen oorlog, en de groote tegenstelling
tusschen het Noorden in den tijd van zijn hoogsten bloei, het Zuiden
in den tijd van zijn diepste verval, zijn bekend genoeg. Doch wij
meenen te hebben aannemelijk gemaakt, dat het verschil niet enkel of
niet voornamelijk zijn oorsprong heeft in de groote gebeurtenissen der
zestiende eeuw. Ook daarvóór waren Noord en Zuid twee werelden, en
bestond veeleer een tegenstelling tusschen deze beide, als tusschen
een Dietsche wereld (Noord met inbegrip van Vlaamsch-België) en
een Waalsche. Maar even onloochenbaar als dat Noord en Zuid veel
verschilden, is het dat zij grooter overeenkomst met elkander hadden dan
met welk ander land van Europa ook. Het was slechts de vraag, of sedert
de zestiende eeuw de lotgevallen beide helften niet zoodanig van
elkander hadden vervreemd, dat hereeniging onmogelijk zou blijken.