EERSTE HOOFDSTUK.

België en Nederland vóór de Vereeniging.

België vormt, ondanks zijn tweetaligheid, in veel hooger mate een

eenheid dan men het zich dikwijls voorstelt. Om die eenheid te begrijpen

moet men de geschiedenis van België raadplegen.

De oudste geschiedenis van België, waar die te vinden? Langen tijd heeft

men haar inderdaad niet weten voor te stellen, en de oudste geschiedenis

der Belgische gewesten voor geschiedenis van België gegeven. Tot Pirenne

het meesterlijk boek schreef, waarvan de voltooiing voor Noord en Zuid

beide van zooveel gewicht zijn kan. Een goede geschiedenis van België

toch zal ons helpen, onze eigene beter te verstaan.

België geeft moeilijkheden genoeg. Half Waalsch, half Dietsch; half leen

der Fransche kroon, half Rijksleen. Een horizontale linguistische, een

vertikale politieke scheidslijn. En toch moet dit België een nationale

geschiedenis hebben gehad, aangezien het eene natie is geworden.

De naam wijst tot Caesar's tijden terug. Toen waren de Belgen de

noordelijkste Kelten op het vasteland, ongeveer van de Marne en de

Moezel tot het eiland der Bataven wonend. Hun geheele gebied werd

ingelijfd in het Romeinsche rijk; het vormde er het uiterste grensland

van, dat het eerst weder verloren is gegaan. Ten gevolge der aanhoudende

oorlogen met de volken van over den Rijn raakte het Noorden van het

tegenwoordige België, tot den grooten heerweg van Keulen over Maastricht

en Tongeren naar Doornik en Boulogne, nagenoeg geheel ontvolkt en werd

door Germanen ingenomen. Ten Zuiden van de lijn Maastricht–Boulogne

handhaafde zich de Keltoromeinsche bevolking in zoodanige dichtheid, dat

de ook hier als enkele individuen, niet meer als volksmassa gevestigde

Germanen, de taal der Keltoromeinen overnamen. Deze taalgrens in België,

ontstaan omstreeks het jaar 430, heeft zich tot den huidigen dag zeer

weinig verschoven.

Gelijk de taal, was ook de godsdienst van het laat-Romeinsche rijk uit

het Noorden van België verdwenen. Niettegenstaande de bekeering van hun

koning Clovis, bleven de Salische Franken heidensch in het land waar

zij de eigenlijke bevolking van uitmaakten: aan den benedenloop van

Schelde en Maas. Deze streken moesten later voor het Christendom worden

teruggewonnen. Het is betrekkelijk laat geschied: de stichting van de

eerste kerk, op de plaats waar later Gent verrees, door St. Amand is van

610, en dit was eerst het begin. De christianiseering van het geheele

gebied van het huidige België was eerst omstreeks een eeuw later

voltooid. Een feit van niet te onderschatten beteekenis nu voor de

vorming der Belgische nationaliteit is het geweest, dat in het

Germaansche Noorden geen zelfstandig bisdom ontstond. De noordelijkste

bisdommen, welke voor den val van het Romeinsche rijk bestaan hadden,

reconstitueerden zich eenvoudig en namen elk hun moot van het inmiddels

Germaansch geworden Noorden terug: Tongeren (Maastricht, Luik) het land

tot de Dijle, Kamerijk (Atrecht) dat tusschen Dijle en Schelde, Noyon

(Doornik) dat van de Schelde tot het Zwin en de Noordzee, Terwaan het

dal van de Yser. M. a. w. de bisdommen, die in hun traditiën teruggingen

tot den Romeinschen tijd, zochten de grenzen op der oude Romeinsche

provinciën en _civitates_: Tongeren besloeg het gebied van de gewezen

_civitas_ der Tungri en ressorteerde, als weleer die _civitas_, onder

de provincie _Germania inferior_, m. a. w. onder Keulen;—Kamerijk,

Noyon[1] en Terwaan vertegenwoordigden elk een van drie vroeger bestaan

hebbende _civitates_ der provincie _Belgica secunda_ (die der Nervii,

Menapii en Morini) en ressorteerden onder het aartsbisdom dier

provincie: Reims. De kerkelijke indeeling weerspiegelde dus, tot 1559

toe, die van den Romeinschen tijd, hoewel de oude stammen, wier grenzen

de Romeinsche indeeling gevolgd had, lang verdwenen waren. Nu lagen al

deze vier bisschopszetels bezuiden de taalgrens: m. a. w. de hoofdsteden

van de aanvankelijke beschaving der gezamenlijke Zuidnederlanders lagen

in Franschsprekend gebied. Dáár verrezen hun kathedraalkerken, dáár werd

hun geestelijkheid opgevoed, dáár bevonden zich de grootste abdijen[2].

Elke diocees, van uit Waalsch gebied bestuurd, had zoowel Dietschers als

Walen onder hare geloovigen. Hierdoor werden de Dietsche Belgen als uit

de Germaansche volkerengemeenschap afgescheiden en met hun aangezicht

naar het Zuiden getrokken, of liever, zij werden in die laatste houding,

welke zij op het oogenblik der christianisatie, als uit het Noorden

gekomen veroveraars, uit den aard der zaak innamen, voor goed in de

geschiedenis vastgelegd. Geheel anders is het uitgangspunt der

geestelijke ontwikkeling van het Noorden geweest. Daar ontbrak de

mogelijkheid, bij overleveringen uit den Romeinschen tijd aan te

knoopen, en vormde Utrecht een locaal en tegelijkertijd nationaal

middelpunt.

[1] In 1146 werd Doornik afgescheiden uit Noyon. In 1093 was Atrecht

afgescheiden uit Kamerijk. De oude bisschopszetel van Tongeren was

eerst overgebracht naar Maastricht en sedert het begin der 8ste

eeuw gevestigd te Luik.

[2] Pirenne I, 19.

Wij hebben hier met een inderdaad gewichtig verschil tusschen de

ontwikkeling van Noord en Zuid te doen, een verschil dat uit oude,

grootendeels aardrijkskundige oorzaken is te verklaren.

De 's-Heerenbergsche, Veluwsche en Nijmeegsche hoogten vervullen in de

geschiedenis van Groot-Nederland een belangrijke rol. Zij noodzaken Maas

en Rijn die richting naar het Westen te nemen, die beider delta doet

samenvallen met die der Schelde, en aldus het geheel van Noord-Nederland

tegen het Zuiden door breede wateren afsluit. Hadden Maas en Rijn hun

oorspronkelijke richting behouden, ware alzoo de Maas bij Emmerik in den

Rijn, de Rijn, zonder delta te vormen, bij het Vlie in zee geloopen, er

zou wel geen afzonderlijke Noordnederlandsche geschiedenis bestaan

hebben. Groot-Nederland zou ten tijde van Caesar Keltisch zijn

geweest, en na hem Romeinsch. De natuur heeft echter deze streken tot

verbrokkeling en verscheidenheid voorbeschikt. De Germanen, die ten

tijde der Merovingers het grootste deel van de gezamenlijke bevolking

der latere zeventien provinciën uitmaakten, waren deels op oud-Romeisch,

deels op oud-Germaansch gebied gezeten, en een groot stroomstelsel

scheidde beide helften vaneen. Terwijl de noordelijke helft zich

geheel als Germaansch gebied ontwikkelen kon, zag het Zuiden zich

door de historie tot taak gesteld, uit verschillende bevolkings- en

beschavings-elementen een harmonie op te bouwen.

Dit Zuiden, land van overgang tusschen de Romaansche en de Germaansche

nationaliteit, werd het tegelijk tusschen twee politieke werelden. De

Neustrisch-Austrasische grens, die meer naar het Zuiden in hoofdzaak

met de taalgrens samenviel, sneed deze laatste in België rechthoekig,

zoodat de diocesen van Kamerijk, Noyon en Terwaan, m. a. w. België

bewesten de Dijle, aan Neustrië bleven. Een grens die herleefde na Karel

den Groote, met deze wijziging, dat ditmaal het land tusschen Dijle en

Schelde aan Lotharingen kwam, zoodat alleen Vlaanderen en Artois tot

het Westfrankische rijk bleven behooren. Maar ook deze tweede, naar

het Westen verlegde, staatkundige grens sneed de onveranderd gebleven

taalgrens rechthoekig. Zoowel de Vlaamsche als de Lotharingische helft

van België hadden dus een gemengd Waalsch-Dietsche bevolking. Van

de territoriale staten, die in de middeleeuwen op Belgischen bodem

ontstonden, waren de gewichtigste: Vlaanderen, Brabant, Luik, alle in

hetzelfde geval.

Ware nu België gebleven in de positie die het ten tijde der Romeinen

innam: van uitersten voorpost eener beschaving die in het Zuiden

haar middelpunt had, van grensland dus tegen een noordoostelijk

barbarendom, de zuidelijke beschavingselementen zouden het land geheel

aan zich onderworpen en de ingedrongen bevolking van Dietschen stam

onvermijdelijk opnieuw geromaniseerd hebben. Doch dit is verhinderd door

de Karolingen, die de grens van Europa van den Rijn naar de Elbe hebben

verlegd. Van grensland tegen de barbaren werd België overgangsland

tusschen twee beschavingsgebieden. Zijn cultuur is hierdoor tegelijk een

zeer bizondere en een zeer Europeesche geworden. Hadde het onverbrokkeld

voortbestaan van het rijk van Karel den Groote tot de mogelijkheden

behoord, het land van Keulen tot Luik zou een centrale positie hebben

ingenomen: de blijkbare voorkeur van Karel voor Aken wijst daarheen, en

reeds begon tijdens zijn regeering de Luiksche school een Europeesche

vermaardheid te verkrijgen. Het vreemdelingenverkeer, de handelsbeweging

namen in deze voor korten tijd nog als half barbaarsch geldende streken

zeer snel toe. De oude heerweg van het zeestrand naar Keulen wemelde

van volk uit alle oorden der Christenheid. Het Friesche laken werd een

wereldartikel. Naar die van Dorestat zijn de oudste munten van Zweden en

van Polen gevolgd. Een bloei die dien der zestiende eeuw als voorspelt,

wanneer, onder Karel V, een gedeelte der politieke voorwaarden, die

onder Karel den Groote de snelle ontwikkeling dezer landen mogelijk

maakten, weder vervuld zijn. Hoe kort dan ook deze eerste tijd van

opbloei geduurd moge hebben, hij blijft een teeken tot welke rol

aardrijkskundige ligging en bevolkingsmenging deze landen als aanwezen.

Het Karolingisch, universeel karakter dezer oud-Nederlandsche beschaving

is, hoe ook verduisterd, nimmer geheel te gronde gegaan[3].

[3] Zeer fraai bij Pirenne, I, 32 en daarvoor.

De eerstvolgende tijd was nagenoeg geheel de negatie van den

Karolingischen. De Noormannen verwoestten de beschaving, de eenheid des

rijks ging verloren, de groote trek van Karels tijd schijnt geheel uit

de geschiedenis te verdwijnen. Het is de geboorte der territoriale

staten, die thans om onze aandacht vraagt.

In het Westfrankische deel van België ontstaat één machtige leenstaat:

Vlaanderen. Het is een groote dwaling, op den naam „Vlaamsche beweging”

af, dezen staat als een oorspronkelijk Dietschen te beschouwen. Hij was

tweetalig: van het Zwin tot de Canche (bezuiden Boulogne) uitgestrekt,

is het zeer de vraag, of hij oorspronkelijk meer Dietsche dan Waalsche

bevolking geteld heeft, en het Waalsche Zuiden was eeuwen lang het

hooger ontwikkelde deel. In Lotharingen, waar de proefneming met een het

gansche gebied omvattend hertogdom mislukt (navolging van de groote

Duitsche hertogdommen, maar niet als deze in de historie geworteld),

is het woord aan de bisschoppen en aan de locale wereldlijke dynasten.

Aanvankelijk is de Duitsche staatkundige invloed op het tot Duitschland

gerekende deel oneindig sterker, dan die der Capetingers op Vlaanderen,

en geniet dus deze laatste staat een veel grooter zelfstandigheid, dan

de naburen van over de Schelde. Later zijn deze verhoudingen omgekeerd.

Het Duitsche koningschap krimpt in tot een naam, het Fransche wordt een

krachtige werkelijkheid. Brabant, Luik, Henegouwen, Holland ontwikkelen

zich in een vrijheid, die slechts door de verhouding van nabuurschap

waarin zij tot elkander en tot Vlaanderen staan, is beperkt: Vlaanderen

staat bloot aan de volle macht van den Franschen koning.

Het is in de dertiende eeuw, van den slag bij Bouvines tot dien der

Gulden Sporen, dat deze zich het krachtigst gelden laat. Artois wordt

van het graafschap afgerukt. In gansch België, ook in de helft die

in naam tot het Duitsche Rijk behoort, heeft het huis Capet zijn

betrekkingen. Het wordt op een inlijving toegelegd, en Philips IV de

Schoone komt dit doel zeer nabij. In het jaar 1300 scheen de wereld

Vlaanderens ondergang te beleven. Het land, in zichzelf ten heftigste

verdeeld, viel zonder eer en haast zonder strijd. De graaf gaf zich

gevangen, zijn leen werd aan de kroon vervallen verklaard en door een

luitenant des konings bestuurd. Tegelijkertijd erfde het met Frankrijk

eng verbonden huis van Avesnes, dat in Henegouwen regeerde, Holland en

Zeeland. Uitbreiding van Frankrijk noordwaarts tot den Rijn scheen in de

naaste toekomst te wachten.

Doch dit was buiten de Vlaamsche poorters gerekend, die in den

Sporenslag Vlaanderen en daarmede België hebben gered. Om over den graaf

te zegevieren, had Philips een verbond moeten sluiten met de stedelijke

aristocratie. De Fransche overwinning deed zich derhalve in de Vlaamsche

steden, die in den loop der dertiende eeuw het krachtigste element in

den staat waren geworden, als een gebeurtenis voor van maatschappelijke

strekking, waartegen de arbeidende bevolking zich verhief. Philips de

Schoone schijnt, bij zijn bezoek aan Gent in 1301, het gevaar van deze

verhouding te hebben ingezien, doch een verbond met de stedelijke

democratie streed tegen de gansche overlevering der koninklijk-Fransche

staatskunst. De verblinding van den koninklijken stadhouder deed het

overige. Een opstand verdrijft hem uit het land, de graaf wordt

teruggeroepen; bij Kortrijk verslaat het Vlaamsche volk den Franschen

adel. Een woedende krijg volgt, die niet ten onrechte bij de oorlogen

der Fransche omwenteling is vergeleken, waarin eveneens een volksmassa,

met opofferingen waartoe geen gevestigde regeering in staat is een

nieuwe vechtwijze toepassend, in den aan een verouderde organisatie

vasthoudenden tegenstander tegelijk een maatschappelijke macht uit het

eigen land overwint. Slechts Waalsch-Vlaanderen bleef in het bezit des

konings; de rest van het graafschap herwon zijn onafhankelijk bestaan.

Het was tegelijk de mogelijkheid eener zelfstandige Belgische

beschaving, die bij Kortrijk werd gered. Het universeel karakter, dat

België van den Karolingischen tijd af eigen was, had zich, verzwakt,

toch nog altijd gehandhaafd, en bij de groote Europeesche onderneming

der middeneeuwen, de kruistochten, had het land van zijn nut voor Europa

een schitterende proef kunnen afleggen. Het is voorzeker geen toeval,

dat Lotharingische edelen bij de tochten naar het Heilige Land zulk

een groote rol gespeeld hebben. Godfried van Bouillon, de tijdgenoot

vermeldt het uitdrukkelijk, werd aan het hoofd van den eersten

kruistocht gesteld, omdat hij opgevoed was aan de grens der Romaansche

en der Duitsche volken, en beider talen sprak. Onder bisschop Notker

(972–1008) en nog lang daarna was Luik het middelpunt der Europeesche

geleerdheid. Beroemde bisschoppen van Salzburg, van Verdun, van Utrecht

hebben daar hun vorming gehad; vermaarde onderwijskrachten der Luiksche

school hebben college gegeven te Mainz, te Brescia, te Parijs. Een van

de eerste schrijvers en wellicht de beste geschiedschrijver der 11{de}

eeuw is een Belg: Sigebert van Gembloux. De kloosterhervorming van

Cluny, en de _treuga Dei_, zijn door België heen aan Duitschland bekend

geworden. In omgekeerde richting drong de stijl der groote Romaansche

bouwwerken aan den Rijn door Lotharingen, waar Sint-Servaas en Onze

Lieve Vrouw van Maastricht, Onze Lieve Vrouw van Roermond, drie

Luiksche kerken tot deze periode behooren, tot Doornik door, en werd

daar onder plaatselijke en zuidelijke invloeden tot een gewijzigd

Rijnsch-Romaanschen stijl, die weder een groote verbreiding in

Noord-Frankrijk heeft gehad.

Deze bedrijvigheid echter van Lotharingen hing ten nauwste samen met

den bloei en de kracht van het Oostfrankische, Duitsche, Rijk, waarin

zich de Karolingische traditie veel zuiverder scheen te handhaven

dan in het aan de feodaliteit vervallen Westfrankische. Het waren

met name de bisschoppen die in Lotharingen het keizerlijk gezag en

tevens het daarbij behoorend ideaal van op het universeele gerichte

beschaving vertegenwoordigden. Doch de toekomst behoorde niet aan dit

nieuwe, op oud-Rome geïnspireerde universalisme, zij behoorde aan de

nationaliteiten, die thans bezig waren zich, in haar ware karakter nog

weinig opgemerkt, uit de wereld der feodaliteit te kristalliseeren. Ook

in Lotharingen was, als in Duitschland over het geheel, ten leste de

feodaliteit meester geworden, en in den strijd tegen haar en tegen de

Kerk ging het oude keizerlijk gezags- en beschavingsideaal nagenoeg

geheel te gronde. De bisschoppen worden, in stede van keizerlijke

ministers, feodale heeren, uit den omliggenden adel voortgekomen en

van gelijke beweging als hij;—de hertogstitel van de wereldlijke

vertegenwoordigers der keizerlijke macht in Neder-Lotharingen wordt een

twistappel tusschen twee inheemsche gravenhuizen, en verliest ten slotte

elke beteekenis dan die van ornament. Daarentegen komt in Frankrijk

de eerste modern-Europeesche natie op, en in het Fransche koningschap

de eerste moderne centralisatie van staatkundige macht. De 12{de}

eeuw reeds ziet den overwegend Duitschen invloed in België door een

overwegend Franschen vervangen; in de 13{de} eeuw heerscht de Fransche

invloed schier onbeperkt. De Lotharingische feodale heeren vergeten dat

zij tot het Rijk behooren; de Keizer is hun een legende, de nabijzijnde

koning van Frankrijk een geduchte werkelijkheid. De staatkundige

grenslijn die België van Noord naar Zuid deelde had geen beteekenis

meer. Of de andere grens, die van West naar Oost, de taalgrens, zich zou

kunnen handhaven? Het Vlaamsche hof van Philips van den Elzas en van de

Dampierre's is geheel verfranscht, Fransch is de taal van de ridderlijke

beschaving die uit het Zuiden doordringt en de Belgische aristocratie

geheel aan zich onderwerpt. Sint-Omaars ging in de 13{de} eeuw voor

het Dietsche taalgebied verloren, tijdelijk zelfs Yperen. Onder het

patriciaat van Gent en Brugge nam het Fransch over de hand toe, eveneens

aan het hertogelijk hof van Brabant. Nieuwe monniksorden, uit het Zuiden

gekomen, werken aan de verbreiding van het Fransch mede. De rol van Luik

als wetenschappelijk centrum is uitgespeeld. Het licht komt van Parijs.

België zou geheel gefranciseerd zijn geworden, indien niet de gunstige

geographische ligging intusschen ook de Dietsche bevolking tot grooter

activiteit gewekt en daarmede haar weerstandsvermogen verhoogd had.

Na de invallen der Noormannen, die, met Dorestat, Witlam en Sluis, den

oud-Nederlandschen handel verwoestten, was aanvankelijk de landbouw het

eenig middel van bestaan geweest. Doch het kon niet anders, of een land

gelegen als België moest den Europeeschen handel, zoodra hij weder

ontstond, tot zich trekken. Voor de opkomst van Brugge in het bijzonder

werd de verovering van Engeland door de Normandiërs van veel gewicht,

die door een groote emigratie van het vasteland naar het eiland gevolgd

werd. Brugge, door zijn ligging daartoe aangewezen, werd de plaats

vanwaar de wijnen, de Schelde af uit Frankrijk, den Rijn af uit

Duitschland gekomen, naar Engeland werden overgescheept. Uitvoer van

producten des lands, als Doorniksche gehouwen steen, Vlaamsch linnen en

laken, was spoedig het gevolg. Het laken vooral, waarvan de bereiding

sedert de dagen der Morini in het wolrijke Vlaanderen inheemsch was,

werd spoedig weder een artikel voor de Europeesche markt, zoozeer, dat

men aan den voorraad eigen wol niet genoeg had, en deze uit naburige

landen, ook over zee, moest worden aangevuld. Naast de klasse der

kooplieden scheidde zich uit de massa der bevolking een afzonderlijke

klasse van wolwevers af, die zich ophoopten op zoodanige plaatsen waar

zij hun product het snelst en voordeeligst van de hand konden zetten.

Ook andere locale industrieën, als de metaalbewerking van Hoei en

Dinant, werden door de gunstige voorwaarden, welke de nabijheid der

groote handelscentra aanbood, tot ontwikkeling gebracht. Langer heeft

het geduurd, eer ook het tusschen de waterwegen in gelegen Brabant in

deze beweging werd opgenomen; het bleef tot in de 12{de} eeuw bij

uitsluiting een land van akkerbouw. Toen echter eenmaal het verkeer van

den Rijn naar Brugge zulk een omvang had aangenomen dat het aan den

waterweg niet meer genoeg had, maar zich bovendien van den overlandweg

(Keulen–Maastricht–Leuven–Brussel–Aalst–Gent) begon te bedienen, brak

ook voor Brabant een nieuwe tijd aan. Het verkeer van Keulen naar Brugge

overland ging weldra het verkeer langs den waterweg verre te boven, een

feit dat gelijkelijk den snellen aanwas der Brabantsche steden en van

Gent, en het verval van Tiel en het achterblijven van Holland verklaart.

De groote vlucht die de lakennijverheid nam, bepaalde zich aanvankelijk

volstrekt niet tot het Dietsche gedeelte van Vlaanderen. De lakens van

Atrecht, van Rijsel, van Douai waren even beroemd als die van Yperen of

Gent, en behalve naar Brugge, werden de producten der nijverheid ook in

groote hoeveelheden naar de jaarmarkten van de Champagne uitgevoerd,

voor welken handel de zuidelijke fabriekssteden het gunstigst lagen.

Doch gaandeweg verliepen deze jaarmarkten en kwamen de vreemde

kooplieden uitsluitend te Brugge zich van lakens voorzien. Er had zich

namelijk een directe scheepvaart zoowel van Noord- als van Zuid-Europa

naar de Brugsche haven ontwikkeld, die meer en meer het karakter

verkreeg van een wereld-entrepôt. De oorspronkelijke eigen scheepvaart

verviel, maar daarentegen werden de handelsoperatiën zoozeer te Brugge

geconcentreerd, dat de naastbijgelegen fabriekssteden de verder

afgelegene overvleugelden. Eindelijk werd, door de inlijving van

Waalsch-Vlaanderen bij Frankrijk, de nijverheid der Waalsche steden

zoowel van haar uitvoerhaven als van haar grondstof, de Engelsche wol,

verstoken. In het Dietsche Noorden bloeide zij voortaan des te meer.

Natuurlijk is deze toenemende bloei van Dietsch-Vlaanderen van invloed

geweest op het behoud en de ontwikkeling der Dietsche taal. De kleine

klasse der „ledichgangers” mocht verfranschen, de groote massa der

nijvere bevolking bleef Dietsch. Hoe zou het anders? Het was geen

ingevoerde, het was een overoude, ter plaatse zelf ontstane nijverheid

waarmede zij haar brood verdiende. De taal, met de maatschappelijke

ontwikkeling medegegroeid, voldeed aan de eischen van leven en bedrijf;

er was geen tijd, geen noodzaak om een vreemde cultuur aan te nemen. Een

geheel burgerlijk, geheel wereldlijk beschavingsideaal nam het hart in.

Het vervult den eersten dichter dien deze maatschappij voortgebracht

heeft.

Al heeft een sot op thoeft gescoren

Ene breede crune toten oren

Hines te vroeder niet een saet.

En elders, in den _Eersten Martijn_, het thema:

Edelheit begint noch heden.

Na zijn overwinning van 1302 neemt de Vlaamsche burgerman de geheele

breedte van het tooneel in, of tracht het althans te doen. De Gentsche

republiek verduistert het graafschap, Artevelde den landsheer. Maar het

zijn slechts gemeentebelangen, die hem bewegen. Zoodra zijn dictatuur

gevestigd en hij voor het landsbestuur aansprakelijk geworden is,

heeft hij niets dringenders te verrichten dan ten bate van Gent de

lakenweverij van Dendermonde te vernietigen. Onder den kreet van „heer

ende wet” staan die van Oudenaarde tegen hem op. Niet eenmaal in de

eigen stad weet hij zijn gezag te handhaven: de wevers, met wier hulp

hij machtig geworden is, bezorgen hem, in de persoon van hun deken, een

mededinger. Met Eduard III meent hij te handelen als met een gelijke,

maar Gent is oneindig meer afhankelijk van den invoer der Engelsche wol,

dan Engeland van den vrijen afzet van slechts één van haar producten. De

val van Artevelde bewijst, dat het Vlaamsch-burgerlijk belang zichzelven

in de wereld niet voldoende kon beschermen. De toekomst was aan de

eenige waarlijk representatieve macht: aan den landsheer.

Is voor de nieuwere historische kritiek de heldenfiguur, die de

romantiek van Artevelde gemaakt heeft, niet bestaanbaar gebleken, zeer

heeft zij den roem verhoogd van den veelgesmaden Lodewijk van Male. Geen

held doopt zij hem, maar een zeer helderziend en zeer bekwaam vorst,

voorlooper der Bourgondiërs. De economische belangen van het land vinden

in hem een zoo goed verdediger, dat hij de stedelijke aristocratie,

vroeger de grootste vijandin der grafelijke macht, voor zich wint; in

ruil verzekert hij haar bewind tegen de aanslagen van den arbeidenden

stand. De naijver der steden tegen elkander neemt, althans bij de

regeerende klasse, sterk af. Tegenover de gedurig zwaarder wordende

mededinging der Engelsche nijverheid hebben de Vlaamsche steden behoefte

aan den steun der landsheerlijke macht. Onder 's vorsten bescherming

wordt de lakenindustrie ook in een aantal dorpen gevestigd; de wol- en

lakenhandelaars, die voor een goed deel de stedelijke aristocratie

uitmaken, ondervinden daar geen nadeel van, wel de arbeidende klasse in

de groote steden. Naast de „drie leden van Vlaanderen”, Gent, Brugge,

en Yperen, doet Lodewijk van Male als vierde vertegenwoordigend lid

het zuiver landbouwende Vrije van Brugge opnemen. In zijn „audiencie”

schept hij een centraal orgaan voor regeering en rechtspraak, gelijk

later de Bourgondiërs zouden doen in andere provinciën. En al is deze

instelling van Franschen oorsprong, zij werkt er in de toepassing niet

minder nationaal om. De leden van het college zijn landskinderen; van

de 690 acten, in het eerste deel van het _Cartulaire de Louis de Male_

gedrukt, zijn er 9 in het Latijn, 264 in het Fransch en 417 in het

Vlaamsch. Gelijkelijk steun zoekend bij de gegoede burgers, den adel

en den landbouwenden stand, is zijn staatkunde vooral op het bedwingen

der arbeidersklasse gericht, wier politieke invloed gebleken was

de maatschappij als geheel niet te kunnen leiden. Een laatste

geweldige opstand beslist tusschen de monarchie en het stands- en

stadsparticularisme; de algemeene deelneming van Europa bewijst, hoe

groot gewicht ook voor anderen de afloop van dezen strijd werd geacht te

zullen hebben. Het is minder een stad dan wel een enkele klasse van haar

bevolking die den strijd voert. Te Brugge vereenigen zich allen tegen

het eene weversambacht, dat daar bij lange na zoo talrijk niet is als te

Gent, en brengen de stad onder de gehoorzaamheid van den graaf terug. Nu

wordt het gansch Vlaanderen tegen de Gentsche wevers. Zij houden Gent

twee jaar lang en verrassen zelfs weder Brugge, waar op de gegoede

burgers een bloedige wraak genomen wordt. Op Dendermonde en Oudenaarde

na, maakt Gent zich meester van het geheele graafschap; de landsheer

moet een Fransch leger te hulp roepen, om zijn stad te kunnen

overwinnen. Bij Roosebeke ontmoeten de legers elkander, maar de geest

van Kortrijk was niet vaardig meer over de Vlamingen. Een groot deel van

hun gepreste krijgsmacht diende de Gentenaars onwillig, en verliet hen

bij het aangaan van den slag, die in een nederlaag der witte kaproenen

eindigde. Maar de stad zelf hield zich overeind, nog drie jaar lang,

en Lodewijk van Male stierf eer hij haar ten onder gebracht had. Zijn

schoonzoon en opvolger, Philips de Stoute van Bourgondië, zag zich tot

onderhandelen genoopt, wilde hij niet met zijn graafschap een oorlog

beërven. Tot den prijs eener volledige amnestie en van bevestiging der

stadsprivilegiën onderwierp zich Gent op den 18{den} December 1385. Met

dien datum eindigen voor Vlaanderen de middeleeuwen, die voor gansch

België ten einde spoedden.

* * * * *

Lodewijk van Male was, behalve op bevestiging van zijn gezag in het

graafschap, ten zeerste op versterking zijner huismacht uit geweest,

doch hij had geen zoons, en werkte dus voor anderen. Hij had, ten

nadeele van de zuster zijner vrouw, de hertogin van Brabant, zijn gebied

met Mechelen en Antwerpen vergroot, en beheerschte dus den geheelen loop

der Schelde. Voorts was zijn doel om Artois, door Philips August, en

Waalsch-Vlaanderen, door Philips den Schoone aan Vlaanderen ontrukt,

weder met zijn graafschap te vereenigen. Het eerste middel dat hij

hiertoe bij de hand greep, was de verloving van zijn eenige dochter

Margaretha met Philips van Rouvre, hertog en graaf van Bourgondië, graaf

van Artois. Een huwelijk dat twee van de drie groote dynastieën, die in

Frankrijk nog nevens de koninklijke bestonden: die van Vlaanderen,

Bourgondië en Bretagne, vereenigen moest, en wel juist de twee wier

landen zich het best er toe leenden om de basis uit te maken van een

geduchte, tusschen Frankrijk en Duitschland ingeschoven territoriale

macht. Maar vijf jaar na de verloving stierf Philips van Rouvre. Artois

en het graafschap Bourgondië vielen aan diens moei, de moeder van

Lodewijk van Male ten deel; het hertogdom Bourgondië kwam aan de

Fransche kroon. Koning Jan beleende er zijn derden zoon mede, Philips

den Stoute. Diens broeder, koning Karel V, bevorderde, om Vlaanderen

buiten verbond met zijn Engelschen vijand te houden, zelf het huwelijk

van Philips met de dochter van Lodewijk van Male, en gaf zelfs bij deze

gelegenheid Rijsel, Douai en Orchies aan Vlaanderen terug (1369). In

1384, bij den dood van Lodewijk van Male, zag dus Philips Vlaanderen

met Mechelen en Antwerpen, Artois, Nevers, Réthel, Bourgondië en het

graafschap Bourgondië in zijn bezit vereenigd. Oom van Karel VI van

Frankrijk en diens invloedrijkste raadsman, kon hij over de gansche

hulpmiddelen van het koninkrijk ter bevordering zijner bizondere

oogmerken beschikken. Hij had daarmede een reusachtigen voorsprong op

de beide andere huizen die hem het bezit der Nederlanden wellicht zouden

kunnen betwisten: het Beiersche en het Luxemburgsche.

Ongetwijfeld heeft Karel V, toen hij den jongeren tak van zijn huis den

weg naar het Noorden wees, gemeend zoodoende het „Vlaamsche gevaar”

het best te zullen bezweren. Philips de Stoute heeft zich dan ook nog

wel degelijk Franschman gevoeld, maar sedert de Bourgondiërs in de

Nederlanden grooter gezag verkregen, konden zij bezwaarlijk Franschman

blijven: daartoe waren de Nederlanden te zeer een wereld op zich zelf.

Al dadelijk was Philips, door zijn bezit van Rijks-Vlaanderen en van

Franche Comté, leenman van het Rijk zoo goed als van de Fransche kroon;

hij was ook erfgenaam van al de betrekkingen en belangen van het

Vlaamsche graafschap, die voor een groot deel over de Henegouwsche,

Brabantsche, Hollandsche grens wezen. Nauwelijks een jaar na den dood

van Lodewijk van Male gelukte hem een meesterlijke zet, waarbij de

belangen der Fransche kroon weder evenzeer schenen te zijn gebaat, als

de persoonlijke belangen van Philips zelf. Engeland bereidde, om in

Holland een vergoeding te vinden voor wat het in Vlaanderen op het

vasteland verloren had, een huwelijk voor van den zoon van hertog

Albrecht van Beieren met de dochter van den hertog van Lancaster. Het

gold nu, het huis Wittelsbach, door aanbieding van grooter voordeelen,

aan de Fransche zijde te trekken. Hiertoe werden drie huwelijken

tegelijk voorgeslagen: van Jan (zonder Vrees), zoon van Philips den

Stoute, met Margaretha, dochter van Albrecht; van Margaretha, dochter

van Philips, met Albrechts zoon Willem; eindelijk van Elisabeth

(Isabeau) van Beieren met den jongen koning van Frankrijk, Karel VI,

zelf. Deze huwelijken kwamen alle drie in 1385 tot stand. Zij bezorgden

het huis Bourgondië een overwegenden invloed in de Beiersche bezittingen

en in de gansche Nederlanden. In 1390 stond de oude hertogin van

Brabant, Johanna (met verscheuring van een vroeger verdrag, dat de

opvolging toegezegd had aan het geslacht van haar thans overleden

Luxemburgschen gemaal) haar hertogdom, onder beding van vruchtgebruik en

uitoefening der heerschappij tot haar dood voor zichzelve, aan Philips,

echtgenoot van hare nicht Margaretha van Vlaanderen, af. Hiermede werd

niet slechts de val van het Luxemburgsche huis in de Nederlanden

bezegeld, maar ook de feitelijk sinds lang bestaande vervreemding der

oud-Lotharingische Nederlanden van het Duitsche Rijk. Johanna toch had

over haar hertogdom beschikt als over allodiaal goed. Deze beschikking

werd genomen met goedvinden van de Staten van Brabant, tegenover welke

Philips dezelfde tegemoetkomende houding aannam als in 1385 tegenover de

stad Gent. Had hij toen alle privilegiën bevestigd en toegezegd dat de

Fransche kanselarij zich in brieven aan de stad van de Vlaamsche taal

zou bedienen, thans had hij de hereeniging van Antwerpen en Mechelen

met Brabant beloofd, en tevens dat Brabant zijn bijzonderen vorst zou

behouden. Zijn tweede zoon Antonie zou in Brabant en Limburg regeeren.

Deze is Johanna van Brabant opgevolgd bij haar dood in 1406.

Niettegenstaande den schijn, die hem als den bewusten grondlegger eener

Nederlandsche macht kan doen voorkomen, is Philips de Stoute echter

bovenal Fransch prins van den bloede geweest. Zijn hoofddoel was, zich

en zijn nakomelingen het overwicht te verschaffen over de factie van

zijn neef, den hertog van Orleans, en zijn vergrooting in de Nederlanden

was hem een middel om dit doel te bereiken. Gewoonlijk verbleef hij òf

aan het Fransche koningshof, òf in het verre Bourgondië. Vlaamsch heeft

hij niet gekend. Maar zijn werk, het moge aaneenhangen van huwelijken

en onderhandelingen tusschen vorsten, was niet ondernomen zonder

rekening te houden met de neigingen der bevolking zelve. Geen oogenblik

heeft, na Johanna's dood, Brabant er over gedacht, aan de reclamatiën

van Ruprecht van de Palts, die het hertogdom aan het Rijk vervallen

verklaarde, gehoor te verleenen. En meer dan reclameeren kon de Duitsche

Keizer niet.

Philips' groote tegenstander, de hertog van Orleans, trachtte hem na te

volgen en ook in de Nederlanden vasten voet te verkrijgen. Hij sloeg het

oog op Luxemburg en op Gelder; pogingen, die mede Jan zonder Vrees er

toe zullen gedreven hebben hem te doen vermoorden (1407). Twee jaar

later sneed het huwelijk van Antonie van Bourgondië met Elisabeth van

Görlitz, hertogin van Luxemburg, aan hernieuwing van dergelijke pogingen

den pas af. Gelijk deze echt de Luxemburgsche, moest die van Antonie's

zoon Jan met Jacoba van Beieren (1418) de Beiersche erfenis in de

Nederlanden aan het Bourgondische huis verzekeren. Een jaar na dit

laatste huwelijk had een gebeurtenis plaats, die in de positie van het

huis van Bourgondië een groote verandering te weeg bracht: de moord van

Jan zonder Vrees op de brug bij Montereau.

De misdaad, waaraan Jan zich in 1407 had schuldig gemaakt, had hem

het gouvernement van het koninkrijk niet in handen geleverd. In 1411

was de hevige burgeroorlog der Bourguignons en Armagnacs uitgebroken,

waarin beide partijen Engeland op hun hand zochten te krijgen, en

waarin de dauphijn, zoon van Karel VI, de zijde der Armagnacs hield.

Het was na een mondgesprek met den dauphijn, dat Jan zonder Vrees werd

vermoord. Voortaan is de Bourgondische macht zonder terughouding aan

de koninklijk-Fransche vijandig; de dubbelzinnige verhouding, waartoe

Philips de Stoute den grond gelegd had, heeft tot een geweldige

ontknooping geleid, die geen verzoening meer toelaat. Aanstonds verbindt

zich Jans opvolger openlijk met den landsvijand; bij het verdrag van

Troyes erkent hij Hendrik V van Engeland als koning van Frankrijk. Hij

breekt met de houding van vazal; weldra zal hij voor zijn gezanten rang

eischen onmiddellijk na dien der koningen.

De Fransche geschiedschrijving stelt in den regel het gansche gedrag van

Philips den Goede als een gevolg van wraakzucht over den moord zijns

vaders voor. De moord was evenwel niet meer dan de laatste aanleiding

tot een beslissing, die toch niet uit zou hebben kunnen blijven. De

jonge Philips was reeds meer te Gent dan te Parijs opgevoed; aanhoudend

meer vorderden de Nederlandsche zaken, waarmede de Bourgondiërs zich zoo

diep hadden ingelaten, de aandacht van een geheelen mensch. Bij den dood

van Hendrik V weigert Philips de waardigheid van regent van Frankrijk,

die hij aan den hertog van Bedford overlaat (1422). Terwijl Engelschen

en Franschen hun zaak uitvechten, verwerft Philips zich Henegouwen,

Holland en Zeeland (regeering in 1428, titel in 1433), Brabant en

Limburg (1430, dood van Philips van St. Pol, tweeden en laatsten zoon

van Antonie van Bourgondië). In 1421 had hij de opvolging in Namen

gekocht, dat hem acht jaar later dan ook toeviel; te Utrecht was zijn

invloed overwegend; in Gelder had hij een partij; over de bisdommen

Kamerijk en Doornik beschikte hij naar welgevallen. In Luxemburg nam de

oude hertogin Elisabeth hem voor momber aan (1441); na haar dood in 1451

volgt hijzelf op. Buiten het Bourgondisch gezag blijven voorshands nog

alleen de noordoostelijkste Nederlanden. De grondslag voor een nieuwen

Europeeschen staat, met Brussel tot hoofdstad, schijnt gelegd. In 1435

sluit Philips vrede met Karel VII, maar als met een buitenlandsche

macht. Hij zal den koning voor de Fransche leenen die hij bezit of bij

het verdrag verkrijgt, geen hulde behoeven te doen, en de door den

koning uitgeschreven belastingen zullen niet geheven worden in de landen

van Philips. Deze afval van het verdrag van Troyes berokkent hem een

oorlog met Engeland, dat wel Calais tegen hem behoudt, maar geen vasten

voet in Philips' eigen bezittingen weet te verkrijgen. In 1439 wordt

de vrede gesloten. In 1440 eindelijk begint de regeering van een

Keizer, die, anders dan de Luxemburger Sigismund, tegen de usurpatie

der Nederlandsche rijksleenen door Bourgondië zich niet langer met

machtelooze protesten verzet. Europa heeft, uitdrukkelijk of feitelijk,

de nieuwe macht erkend. In 1447 onderhandelt Philips met Frederik III

over de oprichting van een koninkrijk. De zaak gelukt niet, maar ieder

weet dat de hertog van Bourgondië in aanzien menig koning der

Christenheid overtreft.

Terwijl Bourgondië zich aldus zelfstandig maakt, wordt de staatkunde der

Fransche kroon in de eerste plaats anti-Bourgondisch. Doch zij wordt

verlamd door de oneenigheid tusschen Karel VII en zijn zoon Lodewijk,

die de vlucht neemt naar zijn Bourgondischen verwant, en daar 's konings

dood verbeidt. Het schijnt een oogenblik of de vroegere dubbelzinnige

toestand nog eenmaal zal kunnen intreden, wanneer met Lodewijk XI een

creatuur van den hertog van Bourgondië den Franschen troon bestijgen

zal. Doch Lodewijk, eenmaal koning, heeft dergelijke verwachtingen te

schande gemaakt. Valois en Bourgondië vertegenwoordigden voortaan

onherroepelijk verschillende landen met verschillende belangen.

De Bourgondische bezittingen waren rijk genoeg, om Karel den Stoute in

staat te stellen zich tegenover Frankrijk te handhaven, en zelfs om naar

de Rijkszijde zijn gebied verder uit te breiden. Het gedeelte zijner

rustelooze werkzaamheid, dat, als de bemoeiingen in Luik en in Gelder,

als de uitvoering van het program zijns vaders kan worden beschouwd,

heeft dan ook zeker zijn val niet veroorzaakt. Maar Karel ging, in

dolzinnige haast, de grenzen eener aan een opkomende dynastie

geoorloofde eerzucht ver te buiten. De Bourgondiërs konden twee dingen

doen. Zij konden hun Nederlandsche bezittingen afronden; zij konden ook,

door het toe te leggen op de verwerving van Lotharingen, Bourgondië met

de Nederlanden in onmiddellijke verbinding zoeken te brengen. Het eerste

doel was volkomen bereikbaar, het tweede reeds uitermate moeilijk, en

het was zeer de vraag, of op die wijze een levensvatbare staat kon

ontstaan: Frankrijk drong, met Ile de France en de Champagne, provinciën

die het onmogelijk was ooit aan de Fransche kroon te ontnemen, te ver

naar het Oosten in. Een dergelijke groot-Bourgondische staat, gezwegen

er van, dat hij bezwaarlijk ooit de belichaming eener nationaliteit zou

zijn geworden, zou naar te veel zijden tegelijk defensief hebben moeten

optreden, en in zijn smalle verbindingslid steeds een zeer kwetsbare

plek hebben gehouden. Om dit verbindingslid een behoorlijke breedte te

geven, bleef niets over dan het veroveren der Rijngrens van Bazel tot

Kleef, een pogen dat half Duitschland tegen den Bourgondiër in de

wapenen zou brengen, zooals de geschiedenis van het beleg van Nuis kwam

bewijzen. De plannen echter van Karel den Stoute gingen echter nog boven

dit groot-Bourgondisch program uit. Beurtelings stelde hij zich voor

de Fransche monarchie in zes of zeven kleine staten op te lossen, de

Habsburgers tot zijne cliënten en zichzelf tot Keizer te maken, zijn nog

niet eenmaal bestaand rijk uit te breiden tot de Middellandsche Zee, ja

zelfs voet te vatten in Italië. Op zijn dood is een geweldige reactie

gevolgd, die te nauwernood de voornaamste resultaten van het werk van

zijn vader in wezen liet.

Wèl moest een schepping aan wezenlijke behoeften beantwoorden, die zich

staande hield onder zoo ongunstige omstandigheden als de regeering van

Maria en Maximiliaan opleverde. In één opzicht werd zij zelfs zeer

versterkt: het terugvallen van het hertogdom Bourgondië aan de Fransche

kroon, nekslag aan de groot-Bourgondische gedachte, bepaalde de

krachten van het huis, voor eenigen tijd althans, tot zijn taak in de

Nederlanden, die scherp belijnd, en die uitvoerbaar was.

Philips de Goede reeds, de _conditor Belgii_, had verwonderlijk veel

bereikt. Eigenlijk niet verwonderlijk, als men bedenkt hoe reeds de

veertiende eeuw op Nederlandschen bodem de leer van Philips van Leyden,

en de practijk van Lodewijk van Male had voortgebracht. Het gemeene

recht won veld op de privilegiën, die opgehouden hadden noodzakelijk

en dus aangevangen hadden schadelijk te zijn. De gesloten klassen

der middeleeuwsche maatschappij houden zich niet meer in stand. De

geleerdheid is niet meer het deel der geestelijkheid alleen, de adel is

niet meer de militaire kaste bij uitnemendheid, de voorrechten, aan

steden en corporatiën verleend, zijn niet meer de eenige waarborgen der

vreedzame verrichting van bepaalde maatschappelijke functiën. De vorst

wordt de natuurlijke toevlucht van allen die geen deel hebben aan de

privilegiën, en evenzeer van allen die er deel aan hebben, want geen

geprivilegieerde of hij wordt door eens anders privilegie in zijn

belangen geschaad en in zijn vrijheid beperkt. De betrekkingen van allen

met allen zijn te levendig geworden, dan dat de oude scheidsmuren

overeind kunnen blijven staan, en de vorst is de eenige die de

bouwvallen kan opruimen.

Zeer duidelijk is nu, in elk der gewesten die in het bezit der

Bourgondiërs geraken, een versnelde ontwikkeling in de reeds

overal ingeslagen richting naar egalisatie, centralisatie,

monarchie. Daarnevens worden de eerste grondslagen gelegd eener

algemeen-Nederlandsche regeering en vertegenwoordiging.

Van de hervorming der instellingen eener bepaalde provincie levert

Vlaanderen een sprekend beeld. De „audiencie” van Lodewijk van Male

hield zes of zeven zittingen per jaar, en was een omgaand hof. De raad

die Philips de Stoute in 1386 te Rijsel instelt (voor Vlaanderen met

Antwerpen en Mechelen inbegrepen, Rijsel, Douai en Orchies, Artois,

Nevers en Réthel) zit elken dag en is gebonden aan een bepaalde plaats.

De leden moeten afzien van elke andere betrekking of bezigheid, leven

uitsluitend van hun wedde, mogen niet het burgerrecht behouden eener

bizondere stad of het lidmaatschap eener bepaalde corporatie: zij vormen

het eerste volkomen uit de maatschappij geïsoleerde ambtenaren-college

dat de Nederlanden gekend hebben. De raad is behalve regeeringsraad en

gerechtshof tevens rekenkamer; hij waakt over de rechten en bezittingen

van den heer, die inderdaad zijn, en met elk jaar meer worden, de

rechten en bezittingen van het publiek. De raad sprak Fransch.

Hiertegen, en tegen de omstandigheid dat het graafschap geen

afzonderlijk ressort meer vormde, maar met andere gewesten aan eenzelfde

college onderworpen was geworden, brachten de Vlamingen aanhoudend

klachten in. Jan zonder Vrees splitste daarom het college in een

rekenkamer, die te Rijsel bleef, en in een gerechtshof, dat te

Oudenaarde gevestigd werd (1405) en twee jaar later te Gent, waar

het, met korte tusschenpoozen in de 15{de} eeuw[4], tot de Fransche

omwenteling toe is gebleven (de Raad van Vlaanderen). Onderwijl werd

het gebied der rekenkamer te Rijsel nog met Namen en Henegouwen

vergroot. Zij bleef zich bij uitsluiting van het Fransch bedienen. Voor

den Raad van Vlaanderen werd aanstonds in 1405 ten aanzien der taal een

andere regeling getroffen, waarbij werd voortgebouwd op de regelen bij

de Audiencie van Lodewijk van Male in gebruik, waar de rechters gewoon

waren geweest hun vonnissen te vellen in de taal die partijen gebruikt

hadden. „Toutes enquestes quy se feront par lesdicts conseillers ou

autres commis de par eulx, où les escriptures des parties sont en

flameng, se feront en flameng.” Voorts werd bepaald „qu' à l'huys ouvert

chascune des parties et poursuyvans puyssent parler à tel langage qu'ilz

veuillent, et qu'on leur responde en langage flameng. Et s'ilz sont

en débatz, le Flameng aura l'option de playder en flameng s'il luy

plaist”[5]. Dit taalbesluit van Jan zonder Vrees is van kracht geweest

zoolang de Raad van Vlaanderen gestaan heeft: tot de Fransche

omwenteling toe. Het is dan ook zeer verkeerd, in de Bourgondische

vorsten voorvechters te zien van het gebruik der Fransche taal. Zij

eerbiedigden te dezen aanzien de bestaande toestanden. In België gold de

taalgrens voor het lagere volk, maar waren de hoogere standen feitelijk

tweetalig geworden, lang voor de komst van den eersten Bourgondiër in de

Nederlanden. Benoorden den Moerdijk, waar het Fransch niet doorgedrongen

was, hebben zij ook niet de geringste poging gedaan om het in te voeren.

Nauwelijks minder verbreid dan de kennis van het Fransch in Vlaamsch-,

was die van het Vlaamsch in Waalsch-België. Philips de Goede en

Karel de Stoute konden Vlaamsch spreken; zij wisten te goed, zegt de

kroniekschrijver Molinet, „que leur puissance estoit trop plus flamande

que wallonne.” Froissart kende Vlaamsch. Een groote menigte Fransche

uitdrukkingen drongen in het Vlaamsch, een niet minder groote menigte

Vlaamsche woorden drongen in het Luikerwaalsch door. Sedert het verval

van de jaarmarkten in de Champagne was het gebruik van het Vlaamsch in

den handel zeer toegenomen, en dank zij de verbetering van het onderwijs

nam in de 15{de} eeuw het officieel gebruik der landstaal in het

binnenlandsch bestuur der Dietsche streken geheel en al de overhand

op Latijn en Fransch beide. Van weerszijden der taalgrens noodigde

men elkander uit tot het vogelschieten en tot de landjuweelen. Het

onderscheid in taal verdeelde België in geenen deele in twee vijandige

kampen. Waar echter het Vlaamsch zich bedreigd voelde, wist het zich te

verdedigen, als in 1477 tegenover Vrouw Maria, na het drijven van Karel

den Stoute, den eenigen vorst die de wijze gematigdheid van zijn huis

ten opzichte der taalkwestie niet volkomen gehandhaafd, en in Vlaamsch

land ambtenaren aangesteld heeft, die de taal der bevolking niet

verstonden, volstrekt niet uit stelselmatige vijandschap tegen het

Vlaamsch evenwel, maar als een gevolg zijner ook in andere opzichten

niets ontziende willekeur.

[4] In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te

Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

[5] Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

De voor Vlaanderen ontworpen binnenlandsche bestuursinrichting werd,

naar 's lands gelegenheid verbrabantscht of verhollandscht, elders

nagevolgd. In 1406 werden te Vilvoorde een Rekenkamer en een Raad van

Brabant opgericht. Het eerste lichaam is blijven bestaan en zag later

Luxemburg aan zijn gebied toegevoegd[6], tegen den Raad evenwel kwam het

land in verzet, en in 1422 kwam een geheel ander college tot stand, dat

niet uit vorstelijke ambtenaren, maar uit gedelegeerden van adel en

steden bestond. Eerst Philips de Goede heeft na 1430 het plan van zijn

oom Antonie weer kunnen opnemen, en een Hof van Brabant ingesteld naar

het model van den Raad van Vlaanderen. In Holland dagteekent het Hof

uit denzelfden tijd. In de economisch en staatkundig minder ontwikkelde

gewesten, als Henegouwen en Luxemburg, werd met eenvoudiger, minder

kostbare inrichtingen volstaan, die evenwel dezelfde strekking tot

egalisatie en centralisatie hadden.

[6] Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer,

in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie

hersteld.

Al deze inrichtingen, de meer samengestelde en de meer eenvoudige,

hebben zich spoedig geacclimatiseerd, en den storm van 1477 zeer wel

doorstaan. Zij hebben aan de administratie der afzonderlijke gewesten

een strenger monarchaal karakter gegeven, zonder evenwel ergens de

organen der volksvertegenwoordiging te vernietigen of te verminken. Alom

hebben de Staten des lands het recht behouden de bede te bewilligen, en

haar rol is in beteekenis toegenomen naarmate de vorsten vaker in de

gelegenheid kwamen die bewilliging in te roepen.

Veel langzamer en behoedzamer dan de hervorming van het provinciaal

bestuur, is de schepping van een algemeen landsbestuur in zijn werk

gegaan. De Bourgondiërs konden hierbij niet voortbouwen op reeds gelegde

grondslagen: van eene bovengewestelijke bestuursinrichting kon eerst

sprake wezen, nadat de veelheid der dynastieën voor een eenheid had

plaats gemaakt. Gelijk het vorstenhuis zelf, komen de instellingen der

centrale regeering uit den vreemde. Zij kunnen niet aan Nederlanders

in handen gegeven worden, omdat er in dezen zuiver staatkundigen zin

nog geen Nederlanders zijn, doch slechts Vlamingen of Brabanders.

Bourgondiërs en Picardiërs leverden het personeel, en het Fransch was

bij uitsluiting de taal der bovengewestelijke regeering.

Toen Philips de Stoute Vlaanderen en Artois erfde, was hij sedert

twintig jaren hertog van Bourgondië geweest, en had als alle vorsten,

zijn raad gehad, waarvan de leden hem omringden en bijstonden in de

regeering. Maar Philips, toentertijd een man van groot gezag bij zijn

neef koning Karel VI, bepaalde zijn aandacht niet tot het hertogdom.

Hij verbleef meest te Parijs, en zoo veranderde de oorspronkelijk

locaal-Bourgondische raad van karakter en werd een orgaan der

uitgebreider staatkundige werkzaamheid van zijn heer. De eerste in rang

behoudt den titel van kanselier van Bourgondië, maar onder hem staan

lieden van uitgelezen bekwaamheid en van velerhande herkomst, edelen,

geestelijken, leden van den derden stand. Een nieuwe vassaliteit,

waarbij de wedde in de plaats gekomen is van het leen, en staatkundige

diensten in de plaats van den krijgsdienst[7]: de Croy's, Lalaing's,

Hugonet's, Humbercourt's, Hagenbach's komen uit hun rijen voort. De

meester weet hun trouw koninklijk te beloonen en straft hun ontrouw

zonder genade. Sommigen van hen houden zich gestadig in zijn nabijheid,

anderen gaan in zending uit, besturen een provincie, bevelen in een

vesting. De gansche regeering, voor zoover zij buiten het terrein ligt

dat door de bezworen privilegiën wordt bestreken, gaat door hun handen:

buitenlandsche zaken, gewestelijk opperbestuur, rechtszaken aan den

vorst voorbehouden, gratiën en remissiën, domeinbestuur, zorg voor leger

en vloot. In al deze zaken geldt het souverein bevel van den vorst,

„ainsi nous plaist-il et voulons estre faict”. Tot midden onder de

regeering van Philips den Goede heeft deze „Groote Raad” geen vaststaand

ledental en geen vaste residentie gehad. Een ordonnantie van 1446 bracht

hierin verandering, en bepaalde tevens dat alle beslissingen van den

vorst genomen zouden worden na advies en beraadslaging van den Grooten

Raad, en dat alle requesten, mondelinge en schriftelijke, aan den

Raad zouden worden gerenvoyeerd. Rechterlijke en bestuursfunctiën

bleven echter nog in één lichaam vereenigd; in 1454 evenwel werd een

afzonderlijke justitiekamer bij den Raad ingericht. Karel de Stoute

splitste den Raad in tweeën: een politiek en een rechterlijk lichaam,

welk laatste te Mechelen werd gevestigd en tevens beroepshof werd voor

alle Nederlanden (1473). Dit was meer dan het particularisme der

gewesten voorshands kon verdragen: in 1477 kwam de Groote Raad van

Mechelen te vervallen, en werd eerst in 1504 door Philips den Schoone

weder opgericht. Een andere hervorming van Karel den Stoute, de

vervanging der rekenkamers van Rijsel en Brussel door één enkele kamer

te Mechelen, werd eveneens in 1477 ongedaan gemaakt. Rijsel, Brussel en

den Haag kregen hunne bizondere kamers terug.

[7] Pirenne II, 362.

De strenge administratie der financiën, door deze rekenkamers

gewaarborgd, toonde waartoe bij eenheid in beheer de hulpmiddelen der

Nederlanden reeds in staat waren. De inkomsten van Philips den Goede

beliepen in 1455 het vierdubbele van die van de republiek Florence, het

driedubbele van die van Napels, het dubbele van die van den Paus en

van den hertog van Milaan, en bijna zooveel als die van de republiek

Venetië. En deze inkomsten werden verkregen zonder de hulpmiddelen zelve

ook maar eenigszins uit te putten.

Evenwel is het algemeen bestuur niet populair geweest: het was te

zeer het bestuur van den vorst, te weinig dat van het land. Doch

hierin bracht de vorstelijke staatkunde zelf een begin, of liever een

mogelijkheid, van verandering. Als een middel om het particularisme der

provinciën te gemakkelijker te breken, riep Philips de Staten zijner

landen in gezamenlijke vergadering bijeen. Zesmaal zijn zij tusschen

1463 en 1477 zoo vergaderd geweest. De provinciën zagen aanvankelijk

zulk een bijeenroeping zeer ongaarne: zij werden liever aangesproken „in

den haren”, zooals tal van oude privilegiën het geboden. Doch gaandeweg

kwamen zij tot het inzicht, dat de gezamenlijke vergadering hen ook

sterken kon tegenover den landsheer. De laatste vergadering die onder

Karel den Stoute gehouden is, die van Gent in 1476, verwierp de bede, en

bij het Groot-Privilegie werd het recht bedongen dat de Staten-Generaal

zouden mogen bijeenkomen zoo dikwijls zij zelf het verkozen, en dat geen

oorlog zou worden ondernomen zonder hun bewilliging. Een recht dat niet

constitutioneel geworden is, maar toch bewijst hoe grooten voortgang

de eenheidsidee in de provinciën zelve had gemaakt, juist ten gevolge

van het strenge absolutisme van Karel den Stoute, dat hen niet als

afzonderlijke landen, maar als massa aan zijn wil had zoeken te

onderwerpen. Het feit van 1477 bleef in de geschiedenis staan als een

voorspook en waarschuwing. Zoodra het absolutisme antinationaal van

strekking wordt, herleeft de unie-idee der afzonderlijke provinciën: zoo

in 1558 bij gelegenheid der novennale bede, zoo in 1576 na Requesens'

dood.

* * * * *

Is, in het Bourgondische tijdvak, Nederland als staat nog slechts in de

eerste wording, Nederland als beschavingseenheid manifesteert zich reeds

in onmiskenbare uitingen. Het karakter van tusschenland tusschen de

Romaansche en de Germaansche wereld handhaaft zich hierbij en teekent

zich gedurig weder in nieuwe lijnen af. Doch het is een tusschenland

geworden in hoogere beteekenis dan vroeger, geen doorvoerstation als bij

het overbrengen van den Rijnschen bouwstijl naar Doornik of van den

Franschen ridderroman naar Duitschland, maar een land van zelfstandige

voortbrenging. Op dezen gunstig gelegen bodem, reeds eeuwen lang in

onmiddellijk verkeer met onderscheiden landen en beschavingen der

Christenheid, is een volk ontstaan van buitengewone begaafdheid, dat

elementen van Germaansche en van Romaansche kultuur weet te versmelten

tot een eenheid die tegelijk voor gansch Europa verstaanbaar en

onmiskenbaar Nederlandsch is. De Nederlandsche nationaliteit (in den

ruimen zin genomen die Zuid en Noord omvat) ontsnapt aan alle annexatie,

van Frankrijk of Duitschland uit ondernomen, aan de staatkundige

niet alleen, maar ook en zelfs vooral aan de geestelijke. Vandaar

dat de Duitsche geschiedschrijving, zoo dikwijls zij Noord-Nederland

als Duitsch, de Fransche, zoo dikwijls zij België als Fransch

beschavingsgebied opvat, van onze geschiedenis niet meer dan een

karikatuur weten te leveren. Nederland is zichzelf, en tegelijkertijd

bij uitnemendheid het land der open deur: geen bespottelijker en

misdadiger, dan een Nederlandsch jingoïsme zou zijn. Wij nemen gaarne

op, maar verwerken zelfstandig, en Europa is er te rijker om. Onze

beschaving is ons eigenste bezit, onze staat slechts de noodschuur, die

is opgericht om haar te kunnen behouden.

* * * * *

Opmerkelijk is, bij het beschouwen van de oorsprongen der Nederlandsche

samenleving van den nieuweren tijd, de afwisselende rol, die aan de

enkele gewesten in haar geschiedenis is toegevallen. Overweegt in de

gansche oude en middeleeuwsche geschiedenis het belang van het Zuiden,

dit belang is in de onderscheiden tijdperken niet gelijkelijk over de

verschillende streken verdeeld geweest. In de Romeinsche periode is

kennelijk de provincie _Germania inferior_, die onmiddellijk den invloed

van het groote centrum Keulen ondergaat, de draagster der beschaving, en

dit Oosten handhaaft zijn overwicht in de dagen van Karel den Groote en

nog daarna, in den tijd van den grooten wetenschappelijken bloei van

Luik. Vervolgens evenwel neemt merkbaar Vlaanderen de overhand, zoowel

door de ontwikkeling van het handelsverkeer en van de nijverheid, als

door zijn nauwere betrekking tot de nieuwe leidende beschavingsmacht,

Frankrijk.

Op het hooge standpunt nu waarop wij Vlaanderen in de 13{de} en nog in

de 14{de} eeuw aantreffen, heeft het zich als Bourgondische provincie

niet kunnen handhaven. Zoodra de gewichtigste Nederlanden in één hand

kwamen, maakte Vlaanderen's ligging het voor zetel van het algemeen

bestuur minder geschikt. Afgezien nog van het zeer bizonder karakter

van de ontwikkeling der Vlaamsche steden, was Brussel reeds om

aardrijkskundige redenen de aangewezen residentie. Doch er waren nog

veel krachtiger werkende oorzaken dan de verplaatsing van het hof,

die Vlaanderens beteekenis deden afnemen. Zijn handel en nijverheid

handhaafden zich niet op de oude hoogte.

Sedert Eduard III van de Vlaamsche troebelen van het midden der 14{de}

eeuw gebruik had gemaakt, om een aanzienlijk aantal Vlaamsche wevers

naar Engeland te lokken, was in het wolland zelf de lakennijverheid tot

grooter volmaking gebracht, ja tegen het einde der eeuw reeds werd de

Engelsche mededinging zoo scherp, dat men in Vlaanderen om bescherming

riep. Het Zwin werd ontzegd aan schepen met Engelsche lakens aan boord,

maar de maatregel had een niet bedoeld gevolg: de Hanze verliet Brugge

voor Dordrecht, en om haar kantoor terug te bekomen moest men het verbod

intrekken. De Engelsche wol werd zoo zeldzaam in Vlaanderen dat men er

toe over moest gaan, de minder in tel zijnde Spaansche te gebruiken.

Weldra kwam de Engelsche wol hooger in prijs, dan de gefabriceerde

Engelsche lakens. Een der hoofdsteden van de Vlaamsche draperie, die

namelijk welke buiten dit eene geen noemenswaardige middelen van bestaan

had, Yperen, verviel in den loop der 15{de} eeuw geheel en al. Het

werd een stad van bouwvallen en bedelaars. De lakennijverheid trok zich

op het platteland terug, waar de loonen lager en het ambacht vrijer

waren, en waar men zich toelegde op het vervaardigen van een goedkoop

artikel voor den minderen man. Daarnevens ontstond, mede hoofdzakelijk

op het platteland, een belangrijke linnennijverheid. In de 16{de} eeuw

is het Vlaamsche linnen een voornaam uitvoerartikel voor de Europeesche

markt geworden. Eveneens begon de tapijtweverij tot grooten bloei te

komen. Maar dit alles vergoedde het verlies van de oude hoofdindustrie

toch niet geheel; ook deelde Vlaanderen de linnenfabricage met Holland,

de tapijtweverij met Brabant.

Ook in den handel nam men opkomst waar naast verval, maar het verval was

dat van de Vlaamsche, de opkomst die van een buiten-Vlaamsche haven.

Brugge spreidde in den Bourgondischen tijd een ongekende weelde ten

toon, maar zijn beteekenis in het handelsverkeer nam af. Niet op eenmaal

echter; zelfs waren er betrekkingen, als die met Spanje en Portugal,

die in den loop der 15{de} eeuw drukker onderhouden werden dan ooit te

voren. Doch Brugge had zijn opkomst te danken aan den daar gepleegden

ruilhandel tusschen Noord- en Zuid-Europa, en de Hanze, die er

Noord-Europa vertegenwoordigde, werd in de 15{de} eeuw door de

Hollanders en de Engelschen overvleugeld. En evenals de Hanze zelf,

was Brugge in den handel aartsconservatief; de jongere natiën, door de

verouderde handelsgebruiken afgeschrikt, verlieten de stad voor het

concurreerende Antwerpen. Sedert 1407 hebben de _Merchant Adventurers_

daar een huis, in 1442 vestigen zij er zich in massa. Nog eenigen tijd

houdt Brugge beteekenis door de daar gevestigde agenturen der groote

Italiaansche geldkantoren, maar eindelijk komt de genadeslag: de

hopelooze verzanding van het Zwin. In 1494 staan er vier, vijfduizend

huizen leeg; in het begin der 16{de} eeuw reeds is het verval der stad

bijna zoo groot als dat van Yperen.

Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met

winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het

middeleeuwsche wereldverkeer[8] van eenige beteekenis geworden: zij was

vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland,

maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die

zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht

met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende,

belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland

naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat

waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel

overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het

Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer

aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk

van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de

Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid

der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde

tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is

gebleven[9]. En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel

te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën

aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop

geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen

daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij,

het burgerrecht wordt met groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn

niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen,

de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te

Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk

komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan

van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar

bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap

met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het

Vlaamsche linnen en het koren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen

nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen

daarentegen wordt een achterhoek.

[8] Zie bl. 17.

[9] Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen

Walcheren om.

Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de

handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door

Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer,

met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke

Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te

vervullen.

Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden.

Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een

Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre

Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar

dit was niet altijd zoo geweest.

De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts

in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht,

ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de

onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de

bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen

hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidener schaal,

een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die

zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot

middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer

te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier

agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen

Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke

macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige

schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won

den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den

benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat,

wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale

machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat

daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom

te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het

land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek,

waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige

zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral

de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling

zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke

autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch

een landsheerlijke macht, noch een politiek machtige stad ontwikkelde,

vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf,

ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den

Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in

Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.

De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend,

had zich, naarmate de Salische Franken zuidwaarts drongen, over de

landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog

daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een

gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op

Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht

ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den

Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker

de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een

achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is

Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen

uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed

getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen

overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit

is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de

trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel

ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken

voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed

wortel heeft kunnen schieten.

De Belgische omwenteling · 第 7 / 13 题