XXI.

Het eiland Tabor.

Men sterft niet van vreugde; want vader en kinderen waren reeds

bijgekomen, nog voor men hen op het jagt had opgenomen. Wie zou dat

tooneel kunnen schetsen? Woorden zijn daartoe onvermogend. De geheele

bemanning weende op het gezigt dier drie wezens, die elkander sprakeloos

omhelsden.

Zoodra Harry Grant het dek betrad, boog hij zijn knie. De vrome Schot

wilde, nu hij als het ware op vaderlandschen bodem stond, voor alles God

voor zijn verlossing danken.

Daarop wendde hij zich tot lady Helena, tot lord Glenarvan en allen, die

hem omringden, om hen met een door aandoening gesmoorde stem te danken.

In weinige woorden hadden zijn kinderen hem op den korten togt van het

eiland naar het jagt de geheele geschiedenis der _Duncan_ verhaald.

Welk een ontzettende schuld had hij aangegaan jegens die edele vrouw en

haar reisgenooten! Hadden niet allen, van lord Glenarvan af tot den

geringsten matroos toe, voor hem gestreden en geleden? Harry Grant uitte

de gevoelens van dankbaarheid, waarmede zijn hart vervuld was, met

zooveel eenvoudigheid en zielegrootheid; zijn mannelijk gelaat toonde

zulk een zuivere en zachte ontroering, dat de geheele bemanning zich

ruimschoots beloond achtte voor het doorgestane lijden. Zelfs in het oog

van den koelen majoor welde een traan, dien hij niet kon wegdringen. En

de waardige Paganel weende als een kind, dat er niet eens aan denkt om

zijn tranen te verbergen.

Harry Grant werd niet moede zijn dochter aan te zien. Hij vond haar

schoon, bekoorlijk! hij zeide het haar en herhaalde het luide, tevens

lady Helena tot getuige nemende, als om zich te verzekeren, dat zijn

vaderliefde hem niet misleidde. Daarop rigtte hij zich tot zijn zoon en

riep verrukt uit:

"Wat is hij gegroeid! Hij is een heele kerel geworden!"

En hij deelde aan die twee dierbare wezens mildelijk de duizend kussen

uit, die een afzijn van twee jaren in zijn hart had opgehoopt.

Robert stelde hem één voor één al zijn vrienden voor, en wist telkens

zijn uitdrukkingen af te wisselen, hoewel hij van allen hetzelfde te

zeggen had! Want de een zoowel als de andere, allen waren goed geweest

voor de twee weezen. Toen de beurt aan John Mangles kwam om voorgesteld

te worden, bloosde de kapitein als een meisje, en zijn stem beefde, toen

hij den vader van Mary beantwoordde.

Lady Helena vertelde nu aan kapitein Grant de geheele reis en maakte hem

trotsch op zijn zoon, trotsch op zijn dochter.

Harry Grant vernam de moedige daden van den jongen held, en hoe dit kind

reeds een gedeelte der vaderlijke schuld bij lord Glenarvan had

afbetaald. John Mangles sprak op zijn beurt over Mary op zulk een wijze,

dat Harry Grant, die reeds van lady Helena vernomen had, hoe de zaken

stonden, de band zijner dochter in de forsche hand van den jeugdigen

kapitein legde, en zich tot lord en lady Glenarvan wendde met de

woorden:

"Mylord! en gij, mevrouw! laten wij onze kinderen zegenen!"

Toen alles wel voor de duizendste maal verteld was, deelde Glenarvan aan

Harry Grant de geheele toedragt van het gebeurde met Ayrton mede. Grant

bevestigde de bekentenis van den bootsman betreffende diens ontscheping

op de australische kust.

"Het is een schrandere en vermetele kerel," voegde hij er bij, "dien

zijn hartstogten op een verkeerden weg hebben gebragt. Mogten nadenken

en berouw hem tot betere inzigten leiden!"

Maar voor Ayrton naar het eiland Tabor werd overgebragt, wilde Harry

Grant de eer zijner rots bij zijn nieuwe vrienden ophouden. Hij noodigde

hen uit om zijn houten huis te bezoeken en zich neer te zetten aan de

tafel van den oceanischen Robinson.

Glenarvan en zijn gasten namen dit verzoek bereidwillig aan. Robert en

Mary Grant brandden van begeerte om die eenzame plekken te zien, waar de

kapitein hen zoo menigmaal had beschreid.

Er werd een boot bemand, en de vader, de twee kinderen, lord en lady

Glenarvan, de majoor, John Mangles en Paganel landden weldra op de kust

des eilands.

In eenige uren had men het geheele gebied van Harry Grant doorkruist.

Het was eigenlijk slechts de kruin van een klip, een vlak, bezaaid met

basaltblokken en vulkanische uitwerpselen. Bij de wording der aarde was

die berg door de werking van het onderaardsche vuur langzaam opgerezen

uit de afgronden van de Stille Zuidzee; maar sedert eeuwen reeds was de

vulkaan een rustige berg en zijn gedempte krater een door de golven

bespoeld eiland geworden. Daarop ontstond er teelaarde; het plantenrijk

maakte zich van dien nieuwen bodem meester; eenige walvischvaarders

bragten er zeker huisdieren, geiten en varkens die in verwilderden

toestand vermenigvuldigden, en de natuur werd door haar drie rijken

vertegenwoordigd op dit eenzame eiland in het midden van den oceaan.

Toen de schipbreukelingen der _Britannia_ er een toevlugtsoord hadden

gevonden, bragt de hand des menschen orde en regelmaat in de pogingen

der natuur. In derdehalf jaar veroorzaakten Harry Grant en zijn matrozen

een geheele omkeering op hun eiland. Verscheidene zorgvuldig bebouwde

akkers land bragten uitstekende groenten voort.

De bezoekers bereikten het door groene gomboomen beschaduwde huis; voor

zijn vensters lag de prachtige zee, die in de stralen der zon

schitterde. Harry Grant liet de tafel aanrigten in de schaduw der

schoone boomen en allen plaatsten zich er om heen. Een geitebout,

nardoibrood, melkspijs, twee of drie schotels wilde chicorei, zuiver en

frisch water, ziedaar de geregten, waaruit dit eenvoudige echt

herderlijk maal bestond.

Paganel was in de wolken. Zijn oude voorliefde om den Robinson te spelen

kwam weer bij hem boven.

"Die schurk van een Ayrton zal niet te beklagen zijn!" riep hij in

vervoering uit. "Dit eilandje is een paradijs."

"Ja!" antwoordde Harry Grant, "een paradijs voor drie arme

schipbreukelingen, die de Hemel er in het leven houdt! maar het spijt

mij, dat Maria Theresa niet een groot en vruchtbaar eiland is, met een

rivier in plaats van een beek, en een haven in plaats van een inham, aan

de zeewinden blootgesteld."

"En waarom, kapitein?" vroeg Glenarvan.

"Omdat ik er dan de volkplanting zou aangelegd hebben, waarmede ik

Schotland in de Stille Zuidzee wil begiftigen."

"Ha, kapitein Grant!" zeide Glenarvan, "hebt gij dan bet denkbeeld niet

opgegeven, dat u zoo geliefd heeft gemaakt in ons Oud-Schotland?"

"Neen, mylord! en God heeft mij door uwe hand alleen gered om mij

gelegenheid te geven het uit te voeren. Onze arme broederen in

Caledonië, allen die lijden, moeten op een nieuwen grond een

schuilplaats vinden tegen de ellende! Ons dierbaar vaderland moet in

deze zeeën een eigene kolonie bezitten, die het alleen toebehoort, waar

het die onafhankelijkheid en die welvaart, welke het in Europa mist,

eenigzins terugvindt!"

"Dat is goed gezegd, kapitein Grant!" antwoordde lady Helena. "Het is

een mooi plan en een groot hart waardig! Maar dit eilandje?..."

"Neen, mevrouw! het is een rots, die hoogstens goed is om eenige

kolonisten te voeden, terwijl wij een groot land noodig hebben, dat nog

in het volle bezit zijner natuurschatten is!"

"Welnu, kapitein!" riep Glenarvan "de toekomst behoort ons, en dat land

zullen wij zamen zoeken!"

Harry Grant en Glenarvan wisselden een warmen handdruk, als om die

belofte te bezegelen.

Nu wilden allen nog op dit eiland, in dit nederige huis de geschiedenis

van de schipbreukelingen der _Britannia_ gedurende die twee lange jaren

van verlatenheid hooren.

Harry Grant haastte zich om aan het verlangen zijner nieuwe vrienden te

voldoen en verhaalde het volgende:

"Mijn geschiedenis is die van alle Robinsons, welke op een eiland worden

geworpen, en die alleen op God en zichzelven kunnende rekenen, gevoelen,

dat zij verpligt zijn hun leven aan de elementen te betwisten.

"In den nacht van den 26sten op den 27sten Junij 1862 verging de

_Britannia_, door een zesdaagschen storm zwaar gehavend, op de rotsen

van Maria Theresa. De zee was hoogst onstuimig, redding onmogelijk, en

mijn geheele bemanning kwam ellendig om. Ik en mijn beide matrozen Bob

Learce en Joe Bell waren de eenigen, die na twintig vruchtelooze

pogingen de kust mogten bereiken!

"Het land, waar wij aanspoelden, was slechts een verlaten eilandje; twee

mijlen breed en vijf lang, met een dertigtal boomen in het midden,

eenige weiden en een bron van frisch water, die gelukkig nooit

uitdroogde. Met mijn twee matrozen alleen in dezen uithoek der aarde,

wanhoopte ik niet. Ik stelde mijn vertrouwen op God en maakte mij gereed

tot een hardnekkige worsteling. Bob en Joe, mijn wakkere deelgenooten in

het ongeluk, stonden mij krachtdadig bij.

"Wij begonnen, evenals de denkbeeldige Robinson van Daniel De Foe, ons

voorbeeld, met het hout, dat van het schip aan den wal dreef,

werktuigen, wat kruid, wapens en een zak kostbare zaden te verzamelen.

De eerste dagen waren moeijelijk; maar weldra voorzagen jagt en

vischvangst overvloedig in ons voedsel: want in het binnenland hielden

zich een menigte wilde geiten op en de kusten wemelden van zeedieren.

Langzamerhand rigtten wij ons behoorlijk in.

"Ik was naauwkeurig bekend met de ligging des eilands door mijn

instrumenten, die ik uit de schipbreuk gered had. Daaruit bleek het ons,

dat geen schepen hier zouden komen, en dat wij alleen door een

goddelijke bestiering gered konden worden. Ofschoon denkende aan

degenen, die mij dierbaar waren en die ik nooit terug meende te zien,

onderwierp ik mij moedig aan die beproeving, en dagelijks sloot ik den

naam mijner twee kinderen in mijn gebeden in.

"Intusschen werkten wij stevig door. Weldra waren verscheidene akkers

lands met de zaden der _Britannia_ bezaaid; aardappelen, chicorei en

zuring leverden ons een gezond voedsel; later nog andere groenten. Wij

vingen eenige geiten, die spoedig tam werden. Wij hadden melk en boter.

De nardoi, die in de uitgedroogde kreken groeide, verschafte ons een

vrij stevig brood, en de zorg voor onze ligchamelijke behoeften

verontrustte ons niet.

"Wij hadden van het wrak der _Britannia_ een houten huis gebouwd; het

werd met goedgeteerde zeilen belegd, en onder dat stevige dak verliep de

regentijd gelukkig. Daar werden heel wat plannen, heel wat droomen

besproken, waarvan de beste verwezenlijkt is!

"Eerst dacht ik er aan om de zee te trotseeren met een boot, van het

wrak van het schip gemaakt; maar vijftien honderd mijlen scheidden ons

van het naaste land, dat is te zeggen van de Pomotoe-eilanden. Geen boot

was tegen zulk een langen togt bestand. Ik zag er daarom van af en

wachtte mijn redding alleen nog van goddelijke tusschenkomst.

"Ach, lieve kinderen! hoe menigmaal hebben wij op de rotsen staande naar

schepen uitgezien! Zoo lang onze ballingschap duurde, vertoonden zich

maar twee of drie zeilen aan den gezigteinder, die terstond weder

verdwenen. Zoo verliepen derdehalf jaar. Wij hoopten niet meer, maar

wanhoopten nog niet.

"Gisteren eindelijk had ik den hoogsten top des eilands beklommen, toen

ik in het westen een ligten rook zag opstijgen. Hij werd al zwaarder.

Weldra ontwaarde mijn oog een schip. Het scheen op ons aan te houden.

Maar zou het dit eilandje niet vermijden, dat geen ankerplaats aanbood?

"Ach, welk een angstvolle dag! Het is te verwonderen dat mijn hart niet

in mijn borst verpletterd is! Mijn makkers legden een vuur aan op een

der rotstoppen van Maria Theresa. Het werd nacht, maar het jagt gaf geen

enkel bewijs, dat het ons had opgemerkt! Toch lag onze redding daar!

Zouden wij weder onze hoop zien verijdelen?"

"Ik aarzelde niet langer. De duisternis nam toe. Het vaartuig kon in den

nacht het eiland omvaren. Ik sprong in zee en zwom er heen. De hoop

verdriedubbelde mijne krachten. Met bovenmenschelijke inspanning kliefde

ik de golven! Ik naderde het jagt en was er nog maar dertig vademen van

af, toen het wendde!

"Toen hief ik dat noodgeschrei aan, dat mijn twee kinderen alleen konden

hooren, en dat geen inbeelding is geweest.

"Daarop kwam ik weer aan land, uitgeput en krachteloos door aandoening

en vermoeidheid. Mijn twee matrozen namen mij half dood op. Die laatste

nacht, welken wij op het eiland doorbragten, was allervreeselijkst, en

wij achtten ons reeds voor altijd verlaten, toen ik bij het aanbreken

van den dag het jagt langzaam op en neer zag stoomen. Uw boot werd

uitgezet.... Wij waren gered, en door Gods goedheid waren mijn kinderen

er bij, die mij de armen toestaken!"

Het slot van het verhaal van Harry Grant werd door de kussen en

liefkozingen van Mary en Robert telkens afgebroken. En nu eerst vernam

de kapitein, dat hij zijn redding te danken had aan het tamelijk

raadselachtig document, dat hij acht dagen na zijn schipbreuk in een

flesch gedaan en aan de genade der golven toevertrouwd had.

Maar wat dacht Paganel wel bij dat verhaal van kapitein Grant? De

waardige aardrijkskundige zette wel voor de duizendste maal de woorden

van bet document in gedachten om! Hij peinsde weder over die drie

opeenvolgende, alle drie valsche verklaringen! Hoe was het eiland Maria

Theresa dan toch aangeduid op die door het zeewater beschadigde

papieren?

Paganel kon het niet langer uithouden. Hij greep de hand van Harry Grant

en riep:

"Zeg mij toch eens, kapitein! wat er wel op uw onleesbaar papier stond?"

Door deze vraag van den aardrijkskundige werd de algemeene

nieuwsgierigheid opgewekt; want nu zou het raadsel, waartoe zij reeds

negen maanden lang den sleutel zoekten, opgelost worden!

"Welnu, kapitein!" vroeg Paganel, "herinnert gij u den juisten inhoud

van het document?"

"Zeker," antwoordde Harry Grant. "Geen dag verliep, zonder dat ik mij

die woorden te binnen bragt, waarop al onze hoop was gevestigd."

"En welke waren het, kapitein?" vroeg Glenarvan. "Spreek! want onze

eigenliefde is gekwetst."

"Ik ben gereed aan uw verlangen te voldoen," antwoordde Harry Grant;

"maar gij weet, dat ik om de kansen op redding te vermeerderen, drie

documenten in drie talen geschreven in de flesch heb gedaan. Welk

verlangt gij nu te kennen?"

"Zijn ze dan niet gelijkluidend?" riep Paganel.

"Ja, op éénen naam na."

"Welnu! zeg dan het fransche document op," hernam Glenarvan. "De golven

hebben dit het meest ontzien en daarom heeft het voornamelijk den

grondslag onzer uitleggingen uitgemaakt."

"Mylord! het luidde woordelijk als volgt:" antwoordde Harry Grant,

"Den 29sten Junij 1862 is de driemaster _Britannia_ van Glasgow vergaan

op vijftien honderd uren van Patagonië, op het zuidelijk halfrond. Aan

land gekomen, hebben twee matrozen en kapitein Grant bet eiland Tabor

bereikt...."

"Wat blieft!" riep Paganel.

"Daar," hernam Harry Grant, "hebben zij, steeds ter prooi aan vreeselijk

gebrek, dit document op 153° lengte en 37°11' breedte in zee geworpen.

Kom hun te hulp of zij zijn verloren".

Op dien naam Tabor was Paganel driftig opgerezen; vervolgens riep hij,

daar hij zich niet langer bedwingen kon:

"Hoe! het eiland Tabor! maar het is het eiland Maria Theresa!"

"Zeker, mijnheer Paganel!" antwoordde Harry Grant, "Maria Theresa op de

engelsche en duitsche kaarten, maar Tabor op de fransche!"

Nu kreeg Paganel zoo'n geduchten vuistslag op den schouder, dat hij

ineenkromp. De waarheid verpligt ons te zeggen, dat het de majoor was,

die, thans voor het eerst zijn ernst en gewone wellevendheid

verloochenende, hem zoo onzacht behandelde.

"Aardrijkskundige!" zeide Mac Nabbs op den toon der diepste verachting.

Maar Paganel had de hand van den majoor niet eens gevoeld. Wat

beteekende dat, vergeleken bij de schande, die hem als aardrijkskundige

trof!

Zoo was hij dan, gelijk hij aan kapitein Grant vertelde, langzamerhand

digter bij de waarheid gekomen! Hij had het onverklaarbare document

bijna geheel ontcijferd! Beurtelings waren de namen Patagonië,

Australië, Nieuw-Zeeland hem als ontwijfelbaar juist voorgekomen.

_Contin_, eerst _continent_ (vastland), had allengs zijn ware beteekenis

van _continuel_ (steeds) gekregen. _Indi_ had voor en na beteekend

_indiens_ (Indianen), _indigènes_ (inboorlingen), ten slotte _indigence_

(gebrek), zijn ware beteekenis. Alleen het beschadigde woord "abor" had

de scherpzinnigheid van den aardrijkskundige te schande gemaakt! Paganel

had er hardnekkig den stam van het werkwoord aborder (aanlanden) in

gezien, terwijl het de eigennaam, de fransche naam was van het eiland

Tabor, dat den schipbreukelingen der _Britannia_ tot verblijfplaats

strekte! Die dwaling was echter moeijelijk te vermijden; want de

engelsche kaarten van de _Duncan_ gaven aan dit eilandje den naam Maria

Theresa.

"Dat maakt niet uit!" riep Paganel, zich de haren uit het hoofd

trekkende, "ik had die dubbele benaming niet moeten vergeten! Dit is een

onvergefelijke fout, een ongehoorde dwaling voor een secretaris der

Maatschappij van aardrijkskunde! Ik ben onteerd."

"Matig toch uw droefheid, mijnheer Paganel!" zeide lady Helena.

"Neen, mevrouw! neen! ik ben een ezel!"

"Een geleerde ezel!" voegde de majoor er troostend bij.

Toen het maal afgeloopen was, bragt Harry Grant alles in zijn huis in

orde. Hij nam niets mee; hij wilde dat de schuldige de rijkdommen van

den braven man erven zou.

Men keerde naar boord terug. Glenarvan was voornemens nog dien dag te

vertrekken en gaf de noodige bevelen om den bootsman aan land te

brengen. Ayrton verscheen op de kampanje en stond voor Harry Grant.

"Ik ben het, Ayrton!" zeide Grant.

"Dat zie ik, kapitein!" antwoordde Ayrton zonder eenige verbazing aan

den dag te leggen over het wedervinden van Harry Grant. "Welnu! het doet

mij geen leed, dat ik u in welstand terugzie."

"Het schijnt, Ayrton! dat ik een fout heb begaan, toen ik u op een

bewoonde kust aan land zette."

"Dat schijnt zoo, kapitein!"

"Gij zult mij op dat onbewoonde eiland vervangen. Moge de hemel u tot

inkeer brengen!"

"Dat zij zoo!" antwoordde Ayrton bedaard.

Vervolgens sprak Glenarvan den bootsman aldus aan:

"Blijft gij bij uw verlangen, Ayrton! om aan wal te worden gebragt?"

"Ja, mylord!"

"Staat het eiland Tabor u aan?"

"Volmaakt."

"Luister dan naar mijn laatste woorden, Ayrton! Hier zult gij van de

geheele aarde afgezonderd en buiten aanraking zijn met uw medemenschen.

Wonderen zijn zeldzaam, en gij zult dit eilandje niet kunnen ontvlugten,

waar de _Duncan_ u achterlaat. Gij zult alleen zijn, onder het oog van

een God, die tot op den bodem des harten leest; maar gij zult niet

verloren noch onbekend zijn, zooals kapitein Grant was. Hoe zeer gij ook

onwaardig zijt, dat iemand aan u denkt, zullen de menschen u toch niet

vergeten. Ik weet waar gij zijt, Ayrton! Ik weet, waar ik u terugvinden

kan, ik zal u niet vergeten."

"God behoede Uwe Edelheid!" was alles wat Ayrton antwoordde.

Dat waren de laatste woorden, die tusschen Glenarvan en den bootsman

gewisseld warden. De boot was gereed. Ayrton stapte er in.

John Mangles had vooraf eenige kisten met verduurzaamde levensmiddelen,

kleederen, gereedschappen, wapens, kruid en lood naar het eiland laten

brengen. De bootsman kon dus door den arbeid herschapen worden, niets

ontbrak hem, zelfs geen boeken, o.a. de Bijbel, die zoo dierbaar is aan

de harten der Engelschen.

Het scheidensuur was geslagen. De bemanning en de passagiers stonden op

het dek. Meer dan één voelde zijn hart wegkrimpen. Mary Grant en lady

Helena konden haar aandoening niet verbergen.

"Is er niets aan te doen?" vroeg de jeugdige gade haren echtgenoot,

"moet die ongelukkige verstooten worden?"

"Er is niets aan te doen, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Het is de

boete!"

Nu stak de boot af onder bevel van John Mangles. Ayrton stond, kalm als

altijd, overeind, nam den hoed af en groette deftig.

Glenarvan ontblootte met de geheele bemanning het hoofd, zooals men doet

voor een stervende, en de boot voer in diepe stilte weg.

Zoodra Ayrton aan wal kwam, sprong hij op het strand, en keerde de boot

naar het schip terug. Het was nu 's namiddags vier ure, en de passagiers

konden op de kampanje zien, dat de bootsman met over elkander geslagen

armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld naar het schip staarde.

"Vertrekken wij, mylord?" vroeg John Mangles.

"Ja, John!" antwoordde Glenarvan, meer ontroerd dan hij wilde laten

blijken.

"Volle kracht!" beval John den machinist.

De stoom ontweek fluitend uit de stoompijp, de schroef beukte de golven,

en ten acht ure verdwenen de laatste toppen van het eiland Tabor in de

duisternis van den nacht.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 27 / 29 题