XXII.

De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel.

Elf dagen nadat zij van het eiland was vertrokken, den 18den Maart,

kreeg de _Duncan_ de amerikaansche kust in het gezigt, en den volgenden

dag liet ze het anker vallen in de baai van Talcahuano.

Zij kwam daar terug na een reis van vijf maanden, gedurende welke zij,

zonder afwijking den zeven en dertigsten breedtegraad volgende, de

wereld was rondgereisd. De ondernemers van dien gedenkwaardigen togt,

zonder wedergade in de jaarboeken der _Reizigers club_, hadden Chili, de

Pampa's, de Argentijnsche republiek, den Atlantischen oceaan, de

eilanden Tristan d'Acunha, de Indische zee, de eilanden Amsterdam,

Australië, Nieuw-Zeeland, het eiland Tabor en de Stille Zuidzee bereisd.

Hun pogen was niet ijdel geweest: zij bragten de schipbreukelingen der

_Britannia_ mede.

Niet een der wakkere Schotten, die op de stem van hun heer waren

vertrokken, ontbrak bij de oproeping, allen keerden in hun Oud-Schotland

terug, en deze reis had veel overeenkomst met den "tranenloozen" slag

der oude geschiedenis.

Zoodra de _Duncan_ nieuwen voorraad ingenomen had, stevende zij langs de

kusten van Patagonië, voer om kaap Hoorn en stak den Atlantischen oceaan

over.

Geen enkel meldenswaardig voorval had er op die reis plaats. Het jagt

bevatte een geheele lading geluk. Er bestond geen geheim meer aan boord,

niet eens de gevoelens, die John Mangles koesterde voor Mary Grant.

Ja toch, nog één. Mac Nabbs liep nog altijd met iets rond. Waarom hield

Paganel toch altijd zoo stijf zijn kleeren gesloten, en verborg hij neus

en ooren in een cache-nez? De majoor brandde van begeerte om de reden

van die zonderlinge handelwijze te kennen. Maar het moet gezegd worden,

Mac Nabbs mogt vragen, zinspelen, vermoedens koesteren, zooveel hij

wilde, Paganel knoopte zijn jas niet los.

Zelfs niet toen de _Duncan_ de linie passeerde en het pek tusschen de

naden van het dek smolt onder een warmte van vijftig graden.

"Hij is zoo verstrooid, dat hij zich verbeeldt te St. Petersburg te

zijn!" zeide de majoor, toen hij den aardrijkskundige zich in een ruimen

winterjas zag wikkelen, alsof het kwik in den thermometer bevroren was.

Den 9den Mei eindelijk, drie en vijftig dagen na het vertrek uit

Talcahuano, peilde John Mangles het kustlicht van kaap Clear. Het jagt

voer het St. George-kanaal in, de Iersche zee door, en liep den 10den

Mei de golf van Clyde binnen. Ten elf ure ankerde het te Dumbarton. 's

Namiddags ten twee ure deden de reizigers hun intogt in het kasteel

Malcolm onder het vreugdegejuich der Hooglanders.

Het stond dus geschreven, dat Harry Grant en zijn twee medgezellen gered

zouden worden, dat John Mangles met Mary Grant zou huwen in de oude

hoofdkerk van St. Mungo, waar de eerwaarde Paxton, na negen maanden

vroeger voor het behoud des vaders te hebben gebeden, nu het huwelijk

der dochter met zijn redder inzegende. Het stond dus geschreven, dat

Robert een zeeman zou zijn, gelijk Harry Grant, een zeeman, gelijk John

Mangles, en dat hij met hen de grootsche plannen van den kapitein weder

zou opvatten onder de hooge bescherming van lord Glenarvan.

Maar stond het ook geschreven, dat Jacques Paganel niet als een oude

vrijer sterven zou? Waarschijnlijk niet.

Na zijn gevaarvollen togt kon het immers niet anders, of de faam moest

den roem van den geleerden aardrijkskundige uitbazuinen. Zijn

verstrooidheid deed opgeld in de groote wereld van Schotland. Men

betwistte hem elkaar en zijn hoofd duizelde van al de beleefdheden, die

men hem bewees.

En nu bragten de buitengewone lotgevallen van den aardrijkskundige een

lieftallige dertigjarige dame, niemand minder dan de nicht van Mac

Nabbs, die zelve wat wonderlijk, maar goed en aardig was, het hoofd zoo

op hol, dat zij hem haar hand aanbood. Daar lag een millioen in, maar

dat werd verzwegen.

Paganel was volstrekt niet ongevoelig voor miss Arabella; maar toch

durfde hij zich niet te verklaren.

De majoor nam de taak op zich om twee harten, die voor elkander

geschapen waren, tot één te brengen. Hij zeide zelfs tegen Paganel, dat

het huwelijk de "laatste verstrooidheid" was, die hij zich mogt

veroorloven.

Paganel werd daardoor sterk in het naauw gebragt; maar, hoe vreemd het

ook moge klinken, het noodlottige woord kwam niet over zijn lippen.

"Staat miss Arabella u niet aan?" vroeg Mac Nabbs hem telkens.

"O, majoor! zij is bekoorlijk," riep Paganel, "duizendmaal te

bekoorlijk, en om u de waarheid te zeggen zou ik wel wenschen, dat zij

het wat minder was! Had zij ten minste maar één gebrek."

"Wees maar gerust!" antwoordde de majoor, "zij bezit er wel meer dan

één! De volmaaktste vrouw is er altijd behoorlijk mede bedeeld. Is de

zaak nageklonken, Paganel?"

"Ik durf niet," hernam Paganel.

"Kom aan, geleerde vriend! waarom aarzelt gij?"

"Ik ben miss Arabella onwaardig," bleef onveranderlijk het antwoord van

den aardrijkskundige.

Hij riep maar niets anders.

Toen de onhandelbare majoor hem het vuur eens na aan de schoenen gelegd

had, vertrouwde hij hem eindelijk onder het zegel der geheimhouding een

bijzonderheid toe, waaraan hij altijd te herkennen zou zijn, wanneer de

politie hem ooit achterna zat.

"Ba," riep de majoor.

"Het is zooals ik zeg!" antwoordde Paganel.

"Wat maakt dat uit, beste vriend?"

"Denkt gij dat?"

"Integendeel! Gij zijt er nog te zonderlinger door! Dat vermeerdert uw

persoonlijke verdienste. Dat maakt u tot den man zonder wederga, waarvan

Arabella altijd droomt."

De majoor verloochende ook nu zijn onverstoorbaren ernst niet. Paganel

was aan de vreeselijkste ongerustheid ter prooi.

Er had een kort gesprek plaats tusschen Mac Nabbs en miss Arabella.

Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten in

de kapel van het kasteel Malcolm. Paganel was prachtig gekleed, maar tot

de kin toe vastgeknoopt, en miss Arabella om te stelen.

En dat geheim van den aardrijkskundige zou altijd in de afgronden der

onbekendheid begraven zijn gebleven, wanneer de majoor er niet van

gesproken had tegen Glenarvan, die het niet voor lady Helena verborg, en

deze gaf er een wenk van aan mistress Mangles. Ten laatste kwam dit

geheim ook ter ooren van de vrouw van Olbinett, en nu werd het

wereldkundig.

Gedurende zijn driedaagsche gevangenschap bij de Maori's was Jacques

Paganel _getatoeëerd_, en wel van de voeten tot de schouders, en op de

borst droeg hij het beeld van een wapenkundigen kiwi, met uitgespreide

vlerken, die in zijn hart pikte.

Dat was het eenige voorval op zijn groote reis, waarover Paganel zich

niet troostte, en dat hij nooit aan Nieuw-Zeeland vergaf. Daarom ook

wilde hij, ondanks alle verzoeken en hoezeer hijzelf er naar verlangde,

niet naar Frankrijk terug keeren. Hij zou gevreesd hebben de geheele

Maatschappij van aardrijkskunde in zijn persoon bloot te stellen aan de

aardigheden der teekenaars van spotprenten en der kleine dagbladen,

wanneer hij haar een pas getatoeëerden secretaris te huis bragt.

De terugkomst van den kapitein in Schotland werd als een voor het

geheele land gewigtige gebeurtenis begroet en Harry Grant de meest

gevierde man van Oud-Caledonië. Zijn zoon Robert is een zeeman geworden,

gelijk hij, een zeeman, gelijk kapitein John, en onder begunstiging van

lord Glenarvan heeft bij het plan weder opgevat om in de Stille Zuidzee

een schotsche volkplanting te stichten.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 28 / 29 题