De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel.
Elf dagen nadat zij van het eiland was vertrokken, den 18den Maart,
kreeg de _Duncan_ de amerikaansche kust in het gezigt, en den volgenden
dag liet ze het anker vallen in de baai van Talcahuano.
Zij kwam daar terug na een reis van vijf maanden, gedurende welke zij,
zonder afwijking den zeven en dertigsten breedtegraad volgende, de
wereld was rondgereisd. De ondernemers van dien gedenkwaardigen togt,
zonder wedergade in de jaarboeken der _Reizigers club_, hadden Chili, de
Pampa's, de Argentijnsche republiek, den Atlantischen oceaan, de
eilanden Tristan d'Acunha, de Indische zee, de eilanden Amsterdam,
Australië, Nieuw-Zeeland, het eiland Tabor en de Stille Zuidzee bereisd.
Hun pogen was niet ijdel geweest: zij bragten de schipbreukelingen der
_Britannia_ mede.
Niet een der wakkere Schotten, die op de stem van hun heer waren
vertrokken, ontbrak bij de oproeping, allen keerden in hun Oud-Schotland
terug, en deze reis had veel overeenkomst met den "tranenloozen" slag
der oude geschiedenis.
Zoodra de _Duncan_ nieuwen voorraad ingenomen had, stevende zij langs de
kusten van Patagonië, voer om kaap Hoorn en stak den Atlantischen oceaan
over.
Geen enkel meldenswaardig voorval had er op die reis plaats. Het jagt
bevatte een geheele lading geluk. Er bestond geen geheim meer aan boord,
niet eens de gevoelens, die John Mangles koesterde voor Mary Grant.
Ja toch, nog één. Mac Nabbs liep nog altijd met iets rond. Waarom hield
Paganel toch altijd zoo stijf zijn kleeren gesloten, en verborg hij neus
en ooren in een cache-nez? De majoor brandde van begeerte om de reden
van die zonderlinge handelwijze te kennen. Maar het moet gezegd worden,
Mac Nabbs mogt vragen, zinspelen, vermoedens koesteren, zooveel hij
wilde, Paganel knoopte zijn jas niet los.
Zelfs niet toen de _Duncan_ de linie passeerde en het pek tusschen de
naden van het dek smolt onder een warmte van vijftig graden.
"Hij is zoo verstrooid, dat hij zich verbeeldt te St. Petersburg te
zijn!" zeide de majoor, toen hij den aardrijkskundige zich in een ruimen
winterjas zag wikkelen, alsof het kwik in den thermometer bevroren was.
Den 9den Mei eindelijk, drie en vijftig dagen na het vertrek uit
Talcahuano, peilde John Mangles het kustlicht van kaap Clear. Het jagt
voer het St. George-kanaal in, de Iersche zee door, en liep den 10den
Mei de golf van Clyde binnen. Ten elf ure ankerde het te Dumbarton. 's
Namiddags ten twee ure deden de reizigers hun intogt in het kasteel
Malcolm onder het vreugdegejuich der Hooglanders.
Het stond dus geschreven, dat Harry Grant en zijn twee medgezellen gered
zouden worden, dat John Mangles met Mary Grant zou huwen in de oude
hoofdkerk van St. Mungo, waar de eerwaarde Paxton, na negen maanden
vroeger voor het behoud des vaders te hebben gebeden, nu het huwelijk
der dochter met zijn redder inzegende. Het stond dus geschreven, dat
Robert een zeeman zou zijn, gelijk Harry Grant, een zeeman, gelijk John
Mangles, en dat hij met hen de grootsche plannen van den kapitein weder
zou opvatten onder de hooge bescherming van lord Glenarvan.
Maar stond het ook geschreven, dat Jacques Paganel niet als een oude
vrijer sterven zou? Waarschijnlijk niet.
Na zijn gevaarvollen togt kon het immers niet anders, of de faam moest
den roem van den geleerden aardrijkskundige uitbazuinen. Zijn
verstrooidheid deed opgeld in de groote wereld van Schotland. Men
betwistte hem elkaar en zijn hoofd duizelde van al de beleefdheden, die
men hem bewees.
En nu bragten de buitengewone lotgevallen van den aardrijkskundige een
lieftallige dertigjarige dame, niemand minder dan de nicht van Mac
Nabbs, die zelve wat wonderlijk, maar goed en aardig was, het hoofd zoo
op hol, dat zij hem haar hand aanbood. Daar lag een millioen in, maar
dat werd verzwegen.
Paganel was volstrekt niet ongevoelig voor miss Arabella; maar toch
durfde hij zich niet te verklaren.
De majoor nam de taak op zich om twee harten, die voor elkander
geschapen waren, tot één te brengen. Hij zeide zelfs tegen Paganel, dat
het huwelijk de "laatste verstrooidheid" was, die hij zich mogt
veroorloven.
Paganel werd daardoor sterk in het naauw gebragt; maar, hoe vreemd het
ook moge klinken, het noodlottige woord kwam niet over zijn lippen.
"Staat miss Arabella u niet aan?" vroeg Mac Nabbs hem telkens.
"O, majoor! zij is bekoorlijk," riep Paganel, "duizendmaal te
bekoorlijk, en om u de waarheid te zeggen zou ik wel wenschen, dat zij
het wat minder was! Had zij ten minste maar één gebrek."
"Wees maar gerust!" antwoordde de majoor, "zij bezit er wel meer dan
één! De volmaaktste vrouw is er altijd behoorlijk mede bedeeld. Is de
zaak nageklonken, Paganel?"
"Ik durf niet," hernam Paganel.
"Kom aan, geleerde vriend! waarom aarzelt gij?"
"Ik ben miss Arabella onwaardig," bleef onveranderlijk het antwoord van
den aardrijkskundige.
Hij riep maar niets anders.
Toen de onhandelbare majoor hem het vuur eens na aan de schoenen gelegd
had, vertrouwde hij hem eindelijk onder het zegel der geheimhouding een
bijzonderheid toe, waaraan hij altijd te herkennen zou zijn, wanneer de
politie hem ooit achterna zat.
"Ba," riep de majoor.
"Het is zooals ik zeg!" antwoordde Paganel.
"Wat maakt dat uit, beste vriend?"
"Denkt gij dat?"
"Integendeel! Gij zijt er nog te zonderlinger door! Dat vermeerdert uw
persoonlijke verdienste. Dat maakt u tot den man zonder wederga, waarvan
Arabella altijd droomt."
De majoor verloochende ook nu zijn onverstoorbaren ernst niet. Paganel
was aan de vreeselijkste ongerustheid ter prooi.
Er had een kort gesprek plaats tusschen Mac Nabbs en miss Arabella.
Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten in
de kapel van het kasteel Malcolm. Paganel was prachtig gekleed, maar tot
de kin toe vastgeknoopt, en miss Arabella om te stelen.
En dat geheim van den aardrijkskundige zou altijd in de afgronden der
onbekendheid begraven zijn gebleven, wanneer de majoor er niet van
gesproken had tegen Glenarvan, die het niet voor lady Helena verborg, en
deze gaf er een wenk van aan mistress Mangles. Ten laatste kwam dit
geheim ook ter ooren van de vrouw van Olbinett, en nu werd het
wereldkundig.
Gedurende zijn driedaagsche gevangenschap bij de Maori's was Jacques
Paganel _getatoeëerd_, en wel van de voeten tot de schouders, en op de
borst droeg hij het beeld van een wapenkundigen kiwi, met uitgespreide
vlerken, die in zijn hart pikte.
Dat was het eenige voorval op zijn groote reis, waarover Paganel zich
niet troostte, en dat hij nooit aan Nieuw-Zeeland vergaf. Daarom ook
wilde hij, ondanks alle verzoeken en hoezeer hijzelf er naar verlangde,
niet naar Frankrijk terug keeren. Hij zou gevreesd hebben de geheele
Maatschappij van aardrijkskunde in zijn persoon bloot te stellen aan de
aardigheden der teekenaars van spotprenten en der kleine dagbladen,
wanneer hij haar een pas getatoeëerden secretaris te huis bragt.
De terugkomst van den kapitein in Schotland werd als een voor het
geheele land gewigtige gebeurtenis begroet en Harry Grant de meest
gevierde man van Oud-Caledonië. Zijn zoon Robert is een zeeman geworden,
gelijk hij, een zeeman, gelijk kapitein John, en onder begunstiging van
lord Glenarvan heeft bij het plan weder opgevat om in de Stille Zuidzee
een schotsche volkplanting te stichten.