XX.

Een kreet in den nacht.

Weldra was het ruchtbaar onder het scheepsvolk, dat het geheim van het

verblijf van kapitein Grant niet opgehelderd was door de mededeelingen

van Ayrton. Er heerschte een diepe verslagenheid aan boord; want men had

op den bootsman gerekend, en de bootsman wist niets, dat de _Duncan_ op

het spoor der _Britannia_ had kunnen brengen.

Het jagt stevende dus in dezelfde rigting voort. Alleen moest nog het

eiland uitgekozen worden, dat voortaan het verblijf van Ayrton zijn zou.

Paganel en John Mangles gingen de scheepskaarten na. Op zeven en dertig

graden breedte troffen zij juist een eenzaam eilandje aan, bekend onder

den naam van Maria Theresa, een verlaten rots in het midden der Stille

Zuidzee, drie duizend vijf honderd mijlen van de amerikaansche kust en

vijftien honderd van Nieuw-Zeeland gelegen. Ten noorden was het naaste

land de Pomotoe-eilanden, onder fransche bescherming staande. Ten zuiden

lag niets dan de onbewegelijk vaste ijsbanken aan de zuidpool. Geen

enkel schip deed ooit dat eenzame eiland aan. Geen berigt ter wereld

drong ooit zoo ver door. Alleen de stormvogels rustten er op hun lange

togten uit, en vele kaarten vermeldden die rots niet eens, waartegen de

golven der Zuidzee klotsen.

Wanneer er ergens een volstrekte afzondering op aarde te vinden is, dan

moest het wel op dat eiland zijn, dat zoover buiten de wegen ligt, die

de menschen bezoeken. Men gaf Ayrton hiervan kennis. Ayrton bewilligde

er in om daar ver van de menschen verwijderd te leven, en de steven werd

naar Maria Theresa gerigt. Thans zou een zuiver regte lijn door de as

der _Duncan_, het eiland en de baai van Talcahuano gegaan zijn.

Twee dagen later, ten twee ure, seinde de uitkijk land aan den

gezigteinder. Het was Maria Theresa, dat in de lengte uitgestrekt en zoo

laag, dat het naauwelijks boven water uitstak, veel had van een

ontzaggelijken walvisch. Dertig mijlen scheidden het nog van het jagt,

welks steven de golven kliefde met een vaart van zestien knoopen in het

uur.

Langzamerhand werd het eilandje duidelijker zigtbaar. De zon, die naar

het westen neigde, bescheen het helder, waardoor het een onregelmatige

schaduw wierp. Eenige lage toppen vertoonden zich hier en daar, naarmate

de stralen der dagvorstin er op vielen.

Ten vijf ure meende Mangles een ligten rook te bespeuren, die omhoog

steeg.

"Is dat een vulkaan?" vroeg hij aan Paganel, die met den kijker voor de

oogen dat nieuwe land beschouwde.

"Ik weet niet, wat ik er van denken moet," antwoordde de

aardrijkskundige. "Maria Therera is een weinig bekende plek. Echter zou

het niet te verwonderen zijn, wanneer het zijn ontstaan te danken had

aan een opheffing van den zeebodem en het bijgevolg vulkanisch was."

"Maar," zeide Glenarvan, "wanneer een uitbarsting het heeft

voortgebragt, staat het dan niet te vreezen, dat een uitbarsting het ook

weer vernietigt?"

"Dat is niet zeer waarschijnlijk," antwoordde Paganel. "Sedert eenwen is

men reeds met zijn bestaan bekend, en dat is een waarborg. Wanneer een

nieuw eiland, bij voorbeeld het eiland Julia, uit de Middellandsche zee

oprees, bleef het niet lang boven water en verdween weinige maanden na

zijn ontstaan."

"Goed," zeide Glenarvan. "Denkt gij, dat wij voor den nacht aan wal

kunnen gaan, John?"

"Neen, Uwe Edelheid! Ik mag de _Duncan_ niet in de duisternis op een mij

onbekende kust wagen. Ik zal zachtjes aan op en neer blijven houden, en

morgen zenden wij met het krieken van den dag een boot naar den wal."

's Avonds ten acht ure scheen Maria Theresa, hoewel op vijf mijlen onder

den wind, nog maar een lange, pas zigtbare schaduw. De _Duncan_ kwam

steeds nader.

Ten negen ure verdreef een vrij helder schijnsel, een vuur, de

duisternis. Het bleef op dezelfde plaats en brandde voort.

"Daaruit zou haast volgen, dat het een vuurspuwende berg is," zeide

Paganel, die het aandachtig gadesloeg.

"Maar dan moesten wij," antwoordde John Mangles, "op dezen afstand het

leven hooren, dat altijd met een uitbarsting gepaard gaat, en de

oostewind voert niet het minste geraas naar ons toe."

"Inderdaad," zeide Paganel, "die vulkaan flikkert maar spreekt niet. Ook

zou men zeggen, dat hij tusschenpoozen heeft gelijk een draailicht.

"Gij hebt gelijk," hernam John Mangles, "en toch zijn het geen

vuurtorens op deze kust. Ha!" riep hij uit, "weer een licht! En nu op

het strand! Zie eens! Het beweegt zich! het verandert van plaats!"

John bedroog zich niet. Er was een nieuw vuur bijgekomen, dat soms

scheen uit te gaan en dan weer aanwakkerde.

"Is het eiland dan bewoond?" vroeg Glenarvan.

"Zeker door wilden," antwoordde Paganel.

"Maar dan kunnen wij den bootsman hier niet afzetten."

"Neen!" antwoordde de majoor; "dat zou een al te leelijk geschenk zijn,

zelfs voor wilden."

"Wij zullen een ander onbewoond eiland zoeken," zeide Glenarvan, die een

glimlach niet kon onderdrukken over "de teerhartigheid" van Mac Nabbs.

"Ik heb beloofd, dat Ayrtons leven zou gespaard worden, en wil mijn

belofte houden."

"Wij moeten althans op onze hoede zijn," voegde Paganel er bij. "De

Zeelanders hebben de barbaarsche gewoonte de schepen in den val te

lokken met beweegbare vuren, evenals voorheen de bewoners van

Cornwallis. De inlanders op Maria Theresa kennen misschien ook dat

kunstje."

"Houd een streek af!" beval John den matroos aan het roer. "Zoodra

morgen de zon opgaat, zullen wij de zaak onderzoeken."

Ten elf ure keerden de passagiers en John Mangles in hun hutten terug.

Op het voorschip ging de wacht op en neer. Op het achterschip was alleen

de roerganger op zijn post.

Nu beklommen Mary Grant en Robert de kampanje.

Over het hek leunende zagen de beide kinderen van den kapitein bedroefd

naar de lichtgevende zee en het fonkelende zog der _Duncan_. Mary dacht

aan de toekomst van Robert; Robert dacht aan de toekomst zijner zuster.

Beiden dachten aan hun vader. Leefde die aangebeden vader nog? moest men

de hoop opgeven?... Maar neen, wat zou het leven zijn zonder hem? Wat

zou er van hen geworden zijn zonder lord Glenarvan, zonder lady Helena?

De knaap, door den tegenspoed gerijpt, giste welke gedachten zijn zuster

verontrustten. Hij legde haar hand in de zijne.

"Mary!" zoo sprak hij haar aan, "wij moeten nooit wanhopen. Herinner u

de lessen, die vader ons gaf: "De moed vervangt op aarde alles," zeide

hij. Laten wij dan ook dien onwankelbaren moed hebben, die hem boven

alles verheven maakte. Tot nog toe hebt gij voor mij gewerkt,

zusterlief! ik wil op mijn beurt voor u werken."

"Lieve Robert!" antwoordde het meisje.

"Ik moet u wat zeggen," hernam Robert. "Maar zult gij niet boos worden,

Mary?"

"Waarom zou ik boos worden, lieve?"

"En solt gij mij laten begaan?"

"Wat bedoelt gij?" vroeg Mary angstig.

"Zuster! Ik wil zeeman worden...."

"Wilt gij mij verlaten, Robert!" riep het meisje, terwijl zij de hand

haars broeders drukte.

"Ja, zuster! ik wil zeeman worden zooals vader, zeeman zooals kapitein

John! Mary! lieve Mary! kapitein John heeft nog niet alle hoop verloren!

Gij zult evenveel vertrouwen stellen in zijn verkleefdheid als ik! Hij

heeft mij beloofd van mij een goed, misschien een groot zeeman te maken,

en dan gaan wij vader samen zoeken! Zeg, dat gij het goed vindt, zuster!

Wat vader voor ons gedaan zou hebben, zijn wij, ik ten minste, verpligt

voor hem te doen! Mijn leven is geheel aan een doel gewijd: hem, die ons

nooit een van beiden verlaten zou hebben, te zoeken, altijd te zoeken!

Lieve Mary! wat was vader toch goed!"

"En zoo edelaardig, zoo grootmoedig!" hernam Mary. "Weet gij, Robert!

dat ons land reeds roem op hem droeg en hem onder zijn groote mannen zou

gesteld hebben, indien het lot hem niet in zijn voortgang had gestuit?"

"Of ik het weet!" zeide Robert.

Mary Grant drukte Robert aan haar hart. De knaap voelde haar tranen over

zijn voorhoofd vloeijen.

"Mary! Mary!" riep hij uit, "of onze vrienden zwijgen of spreken, ik

hoop nog en zal altijd hopen! Een man zooals vader sterft niet voor hij

zijn taak heeft volbragt!"

Mary Grant kon niet spreken. Tranen verstikten haar stem. Duizenderlei

gevoelens kruisten elkander in haar ziel bij de gedachte, dat er nieuwe

pogingen gedaan zouden worden om Harry Grant terug te vinden, en dat de

verknochtheid van den jongen kapitein grenzeloos was!

"Hoopt mijnheer John nog altijd?" vroeg zij.

"Ja!" antwoordde Robert. "Hij is een broeder, die ons nooit zal

verlaten. Ik zal zeeman worden, niet waar, zuster? een zeeman, om vader

met hem te zoeken! Wilt gij dat wel!"

"Of ik het wil!" antwoordde Mary. "Maar scheiden!" mompelde het meisje.

"Gij zult niet alleen zijn, Mary! Dat weet ik! Vriend John heeft het mij

gezegd. Mevrouw Helena zal u niet laten vertrekken. Gij zijt een vrouw;

dus kunt en moet gij haar weldaden aannemen. Ze te weigeren zou

ondankbaarheid wezen! Maar een man, dat heeft vader mij honderdmaal

gezegd, een man moet zich door de wereld heenslaan!"

"Maar hoe zal het dan met ons lief huis te Dundee gaan, waaraan zooveel

herinneringen verbonden zijn?"

"Dat houden we, zusje! Dat alles is geschikt en goed geschikt ook door

vriend John en ook door lord Glenarvan. Hij zal u op het kasteel Malcolm

houden, alsof gij zijn dochter waart! Dat heeft de lord aan vriend John

gezegd, en vriend John heeft het mij verteld. Daar zult gij te huis

zijn, en iemand hebben om over vader te spreken, in afwachting dat John

en ik hem eens terugbrengen! Ach! wat een blijde dag zal dat zijn!" riep

Robert, wiens gelaat van geestdrift blonk.

"Mijn broeder! mijn jongen!" antwoordde Mary, "wat zou vader gelukkig

zijn, als hij u hooren kon! Wat gelijkt gij toch, lieve Robert! op dien

teergeliefden vader! Wanneer gij een man zijt, zult gij even zoo zijn

als hij!"

"Dat geve God, Mary!" zeide Robert, die schaamrood werd van heiligen en

kinderlijken trots.

"Maar hoe zullen wij onze schuld jegens lord en lady Glenarvan voldoen?"

hernam Mary Grant.

"O, dat zal niet moeijelijk vallen!" riep Robert in zijn kinderlijk

vertrouwen. "Men bemint ze, men eert ze, dat vertelt men hun, men

omhelst ze teeder, en bij de eerste gelegenheid de beste laat men zich

voor hen doodschieten!"

"Leef liever voor hen!" riep het meisje, terwijl zij het voorhoofd haars

broeders met kussen bedekte. "Dat zullen zij liever hebben--en ik ook!"

In gepeins verzonken keken de twee kinderen van den kapitein elkander

zwijgend aan bij het flaauwe licht der sterren. In gedachten spraken,

vroegen en antwoordden zij elkander toch nog. De kalme zee golfde zacht,

en de schroef deed de lichtende golven uiteenspatten.

Nu had er iets vreemds en inderdaad bovennatuurlijks plaats. Broeder en

zuster ondervonden door die aantrekkingskracht, die op geheimzinnige

wijze de zielen met elkander verbindt, tegelijk en op eens hetzelfde

zinsbedrog.

Mary en Robert verbeeldden zich uit die afwisselend donkere en

schitterende golven een stem te hooren opgaan, wier doffe en klagende

toon al de vezelen van hun hart deed trillen.

"Help! help!" riep die stem.

"Hebt gij het gehoord?" zeide Robert, "gij hebt het gehoord!"

En over de verschansing leunende zagen beiden zoekend rond in den

duisteren nacht.

Maar zij zagen niet dan de eindeloose schaduw, die zich voor hen

uitstrekte.

"Robert!" zeide Mary, bleek van ontsteltenis, "ik heb gemeend.... Ja, ik

heb gemeend evenals gij.... Wij hebben beiden de koorts, beste

Robert!..."

Maar daar trof een nieuw geroep hun oor, en thans was de begoocheling

zoo sterk, dat beiden te gelijk uitriepen:

"Vader! vader!..."

Dat was te veel voor Mary Grant. Door de aandoening geschokt, viel zij

bewusteloos in Roberts armen.

"Help!" riep Robert. "Zuster! vader! help!"

De man aan het roer kwam aanloopen om het meisje op te helpen. De

wachthebbende matrozen kwamen erbij, vervolgens John Mangles, lady

Helena en Glenarvan, die verschrikt ontwaakt waren.

"Mijn zuster sterft en daar is vader!" riep Robert op de golven

wijzende.

Men begreep niets van hetgeen hij zeide.

"Zeker!" herhaalde hij. "Daar is vader! Ik heb vaders stem gehoord! Mary

heeft ze ook gehoord!"

Mary, die weer bijgekomen was, riep nu ook radeloos en waanzinnig uit:

"Vader! daar is vader!"

Het ongelukkige meisje stond op, bukte over de leuning en wilde in zee

springen.

"Mylord! mevrouw Helena!" herhaalde zij met gevouwen handen, "ik zeg u

dat vader daar is! Ik verzeker u, dat ik zijn stem uit de golven heb

hooren opstijgen als een jammerklagt, als een laatst vaarwel!"

Nu overvielen het arme kind weder kramp en stuiptrekkingen. Zij sloeg

wild in het rond. Zij moest naar haar hut worden gebragt, en lady Helena

volgde haar om haar te verplegen, terwijl Robert altijd maar riep:

"Vader! daar is vader! Ik ben er zeker van, mylord!"

De getuigen van dit droevig tooneel begrepen eindelijk, dat de twee

kinderen van den kapitein de speelbal waren geweest van een

verstandsverbijstering. Maar hoe kon men hun zoo fel geschokte zinnen

weder tot rust brengen?

Glenarvan beproefde het echter. Hij vatte Robert bij de hand en zeide:

"Hebt gij uwe vaders stem gehoord, beste jongen?"

"Ja, mylord! Daar, in het midden der golven! Hij riep: Help! help!"

"En hebt gij die stem herkend?"

"Dat zou ik denken, mylord! O, ja! ik zweer het u! Mijn zuster heeft ze

ook gehoord, ook herkend evenals ik! Hoe kunt gij zeggen, dat wij ons

beiden bedrogen hebben? Mylord! laat ons vader gaan helpen! Een boot!

een boot!"

Glenarvan zag wel, dat hij het den armen knaap niet uit het hoofd kon

praten. Toch deed hij nog een laatste poging en riep den man aan het

roer.

"Hawkins!" vroeg hij hem, "stondt gij aan het roer, toen miss Mary dat

vreemde toeval kreeg?"

"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde Hawkins.

"En hebt gij niets gezien, niets gehoord?"

"Niets."

"Gij ziet het, Robert!"

"Als het de vader van Hawkins geweest was," antwoordde de knaap met

ontembaar vuur, "zou Hawkins niet zeggen, dat hij niets gehoord had. Het

was mijn vader, mylord! mijn vader! mijn vader!..."

Roberts stem werd door snikken gesmoord. Ook hij viel bleek en

sprakeloos in zwijm.

Glenarvan liet Robert in zijn bed leggen, waar het kind, door aandoening

uitgeput, in een diepe sluimering verzonk.

"Arme weezen!" zeide John Mangles, "God beproeft ben vreeselijk!"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de overmaat van smart zal bij beiden op

hetzelfde oogenblik een gelijke verstandsverbijstering teweeg gebragt

hebben."

"Bij beiden?" mompelde Paganel, "dat is vreemd! De zuivere wetenschap

zou dat niet erkennen."

Vervolgens bukte Paganel op zijn beurt over de verschansing, en

luisterde scherp toe, na allen een teeken gegeven te hebben om te

zwijgen.

In het rond heerschte een ongestoorde stilte. Paganel praaide met luider

stem. Hij kreeg geen antwoord.

"Dat is vreemd!" herhaalde de aardrijkskundige, terwijl hij naar zijn

hut ging. "Een innige overeenstemming van gevoelens en smarten is niet

voldoende om een natuurverschijnsel te verklaren!"

Den volgenden morgen, den 8sten Maart, waren ten vijf ure, toen de zon

opging, al de passagiers, ook Robert en Mary, die men niet had kunnen

tegenhouden, op het dek van de _Duncan_ bijeen. Ieder wilde dat land

onderzoeken, dat men den vorigen dag maar even gezien had.

De kijkers werden nieuwsgierig op de voornaamste punten des eilands

gerigt. Het jagt stevende er op een mijl afstands langs. De geringste

bijzonderheden waren zigtbaar.

Daar slaakte Robert op eens een kreet. De knaap beweerde twee mannen te

zien heen en weer loopen en wenken, terwijl een derde een vlag zwaaide.

"De engelsche vlag!" riep John Mangles, die zijn kijker had genomen.

"Dat is waar!" riep Paganel zich driftig naar Robert wendende.

"Mylord!" zeide Robert bevend van aandoening, "mylord! indien gij niet

wilt, dat ik naar het eiland zwem, zult gij een boot laten uitzetten.

Ach, mylord! ik smeek u op mijn knieën, laat ik de eerste zijn, die aan

land stap."

Niemand op het schip durfde spreken. Hoe! op dit eilandje onder dien

zeven en dertigsten graad, drie mannen, schipbreukelingen, Engelschen!

En elk herinnerde zich het gebeurde op den vorigen avond en die stem,

welke Robert en Mary 's nachts gehoord hadden!... Hadden de kinderen

zich misschien maar in één opzigt vergist? hadden zij werkelijk een stem

gehoord, maar kon het de stem huns vaders zijn? neen, duizendmaal neen,

helaas! En allen dachten aan de vreeselijke teleurstelling, die hen

wachtte, vreesden, dat die nieuwe beproeving hun krachten zou te boven

gaan! maar hoe hen te weerhouden? Lord Glenarvan had er den moed niet

toe.

"In de boot!" beval hij.

In een minuut was de boot in zee. De twee kinderen van den kapitein,

Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten er in, en ze stak snel van

boord door zes matrozen voortbewogen, die hard roeiden.

Tien vademen van den oever af uitte Mary een hartverscheurenden kreet:

"Vader!"

Op de kust stond iemand tusschen twee andere mannen in. Zijn groote en

sterke gestalte, zijn tegelijk zachtmoedig en vermetel gelaat, een

duidelijk mengsel van de trekken van Mary en Robert Grant, bewezen

genoeg, dat hij de man zijn moest, dien de twee kinderen zoo dikwijls

hadden afgeschilderd. Hun hart had hen niet bedrogen! Het was hun vader,

het was kapitein Grant.

De kapitein hoorde den uitroep van Mary, breidde de armen uit en viel

als door den bliksem getroffen op het zand.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 26 / 29 题