Een kreet in den nacht.
Weldra was het ruchtbaar onder het scheepsvolk, dat het geheim van het
verblijf van kapitein Grant niet opgehelderd was door de mededeelingen
van Ayrton. Er heerschte een diepe verslagenheid aan boord; want men had
op den bootsman gerekend, en de bootsman wist niets, dat de _Duncan_ op
het spoor der _Britannia_ had kunnen brengen.
Het jagt stevende dus in dezelfde rigting voort. Alleen moest nog het
eiland uitgekozen worden, dat voortaan het verblijf van Ayrton zijn zou.
Paganel en John Mangles gingen de scheepskaarten na. Op zeven en dertig
graden breedte troffen zij juist een eenzaam eilandje aan, bekend onder
den naam van Maria Theresa, een verlaten rots in het midden der Stille
Zuidzee, drie duizend vijf honderd mijlen van de amerikaansche kust en
vijftien honderd van Nieuw-Zeeland gelegen. Ten noorden was het naaste
land de Pomotoe-eilanden, onder fransche bescherming staande. Ten zuiden
lag niets dan de onbewegelijk vaste ijsbanken aan de zuidpool. Geen
enkel schip deed ooit dat eenzame eiland aan. Geen berigt ter wereld
drong ooit zoo ver door. Alleen de stormvogels rustten er op hun lange
togten uit, en vele kaarten vermeldden die rots niet eens, waartegen de
golven der Zuidzee klotsen.
Wanneer er ergens een volstrekte afzondering op aarde te vinden is, dan
moest het wel op dat eiland zijn, dat zoover buiten de wegen ligt, die
de menschen bezoeken. Men gaf Ayrton hiervan kennis. Ayrton bewilligde
er in om daar ver van de menschen verwijderd te leven, en de steven werd
naar Maria Theresa gerigt. Thans zou een zuiver regte lijn door de as
der _Duncan_, het eiland en de baai van Talcahuano gegaan zijn.
Twee dagen later, ten twee ure, seinde de uitkijk land aan den
gezigteinder. Het was Maria Theresa, dat in de lengte uitgestrekt en zoo
laag, dat het naauwelijks boven water uitstak, veel had van een
ontzaggelijken walvisch. Dertig mijlen scheidden het nog van het jagt,
welks steven de golven kliefde met een vaart van zestien knoopen in het
uur.
Langzamerhand werd het eilandje duidelijker zigtbaar. De zon, die naar
het westen neigde, bescheen het helder, waardoor het een onregelmatige
schaduw wierp. Eenige lage toppen vertoonden zich hier en daar, naarmate
de stralen der dagvorstin er op vielen.
Ten vijf ure meende Mangles een ligten rook te bespeuren, die omhoog
steeg.
"Is dat een vulkaan?" vroeg hij aan Paganel, die met den kijker voor de
oogen dat nieuwe land beschouwde.
"Ik weet niet, wat ik er van denken moet," antwoordde de
aardrijkskundige. "Maria Therera is een weinig bekende plek. Echter zou
het niet te verwonderen zijn, wanneer het zijn ontstaan te danken had
aan een opheffing van den zeebodem en het bijgevolg vulkanisch was."
"Maar," zeide Glenarvan, "wanneer een uitbarsting het heeft
voortgebragt, staat het dan niet te vreezen, dat een uitbarsting het ook
weer vernietigt?"
"Dat is niet zeer waarschijnlijk," antwoordde Paganel. "Sedert eenwen is
men reeds met zijn bestaan bekend, en dat is een waarborg. Wanneer een
nieuw eiland, bij voorbeeld het eiland Julia, uit de Middellandsche zee
oprees, bleef het niet lang boven water en verdween weinige maanden na
zijn ontstaan."
"Goed," zeide Glenarvan. "Denkt gij, dat wij voor den nacht aan wal
kunnen gaan, John?"
"Neen, Uwe Edelheid! Ik mag de _Duncan_ niet in de duisternis op een mij
onbekende kust wagen. Ik zal zachtjes aan op en neer blijven houden, en
morgen zenden wij met het krieken van den dag een boot naar den wal."
's Avonds ten acht ure scheen Maria Theresa, hoewel op vijf mijlen onder
den wind, nog maar een lange, pas zigtbare schaduw. De _Duncan_ kwam
steeds nader.
Ten negen ure verdreef een vrij helder schijnsel, een vuur, de
duisternis. Het bleef op dezelfde plaats en brandde voort.
"Daaruit zou haast volgen, dat het een vuurspuwende berg is," zeide
Paganel, die het aandachtig gadesloeg.
"Maar dan moesten wij," antwoordde John Mangles, "op dezen afstand het
leven hooren, dat altijd met een uitbarsting gepaard gaat, en de
oostewind voert niet het minste geraas naar ons toe."
"Inderdaad," zeide Paganel, "die vulkaan flikkert maar spreekt niet. Ook
zou men zeggen, dat hij tusschenpoozen heeft gelijk een draailicht.
"Gij hebt gelijk," hernam John Mangles, "en toch zijn het geen
vuurtorens op deze kust. Ha!" riep hij uit, "weer een licht! En nu op
het strand! Zie eens! Het beweegt zich! het verandert van plaats!"
John bedroog zich niet. Er was een nieuw vuur bijgekomen, dat soms
scheen uit te gaan en dan weer aanwakkerde.
"Is het eiland dan bewoond?" vroeg Glenarvan.
"Zeker door wilden," antwoordde Paganel.
"Maar dan kunnen wij den bootsman hier niet afzetten."
"Neen!" antwoordde de majoor; "dat zou een al te leelijk geschenk zijn,
zelfs voor wilden."
"Wij zullen een ander onbewoond eiland zoeken," zeide Glenarvan, die een
glimlach niet kon onderdrukken over "de teerhartigheid" van Mac Nabbs.
"Ik heb beloofd, dat Ayrtons leven zou gespaard worden, en wil mijn
belofte houden."
"Wij moeten althans op onze hoede zijn," voegde Paganel er bij. "De
Zeelanders hebben de barbaarsche gewoonte de schepen in den val te
lokken met beweegbare vuren, evenals voorheen de bewoners van
Cornwallis. De inlanders op Maria Theresa kennen misschien ook dat
kunstje."
"Houd een streek af!" beval John den matroos aan het roer. "Zoodra
morgen de zon opgaat, zullen wij de zaak onderzoeken."
Ten elf ure keerden de passagiers en John Mangles in hun hutten terug.
Op het voorschip ging de wacht op en neer. Op het achterschip was alleen
de roerganger op zijn post.
Nu beklommen Mary Grant en Robert de kampanje.
Over het hek leunende zagen de beide kinderen van den kapitein bedroefd
naar de lichtgevende zee en het fonkelende zog der _Duncan_. Mary dacht
aan de toekomst van Robert; Robert dacht aan de toekomst zijner zuster.
Beiden dachten aan hun vader. Leefde die aangebeden vader nog? moest men
de hoop opgeven?... Maar neen, wat zou het leven zijn zonder hem? Wat
zou er van hen geworden zijn zonder lord Glenarvan, zonder lady Helena?
De knaap, door den tegenspoed gerijpt, giste welke gedachten zijn zuster
verontrustten. Hij legde haar hand in de zijne.
"Mary!" zoo sprak hij haar aan, "wij moeten nooit wanhopen. Herinner u
de lessen, die vader ons gaf: "De moed vervangt op aarde alles," zeide
hij. Laten wij dan ook dien onwankelbaren moed hebben, die hem boven
alles verheven maakte. Tot nog toe hebt gij voor mij gewerkt,
zusterlief! ik wil op mijn beurt voor u werken."
"Lieve Robert!" antwoordde het meisje.
"Ik moet u wat zeggen," hernam Robert. "Maar zult gij niet boos worden,
Mary?"
"Waarom zou ik boos worden, lieve?"
"En solt gij mij laten begaan?"
"Wat bedoelt gij?" vroeg Mary angstig.
"Zuster! Ik wil zeeman worden...."
"Wilt gij mij verlaten, Robert!" riep het meisje, terwijl zij de hand
haars broeders drukte.
"Ja, zuster! ik wil zeeman worden zooals vader, zeeman zooals kapitein
John! Mary! lieve Mary! kapitein John heeft nog niet alle hoop verloren!
Gij zult evenveel vertrouwen stellen in zijn verkleefdheid als ik! Hij
heeft mij beloofd van mij een goed, misschien een groot zeeman te maken,
en dan gaan wij vader samen zoeken! Zeg, dat gij het goed vindt, zuster!
Wat vader voor ons gedaan zou hebben, zijn wij, ik ten minste, verpligt
voor hem te doen! Mijn leven is geheel aan een doel gewijd: hem, die ons
nooit een van beiden verlaten zou hebben, te zoeken, altijd te zoeken!
Lieve Mary! wat was vader toch goed!"
"En zoo edelaardig, zoo grootmoedig!" hernam Mary. "Weet gij, Robert!
dat ons land reeds roem op hem droeg en hem onder zijn groote mannen zou
gesteld hebben, indien het lot hem niet in zijn voortgang had gestuit?"
"Of ik het weet!" zeide Robert.
Mary Grant drukte Robert aan haar hart. De knaap voelde haar tranen over
zijn voorhoofd vloeijen.
"Mary! Mary!" riep hij uit, "of onze vrienden zwijgen of spreken, ik
hoop nog en zal altijd hopen! Een man zooals vader sterft niet voor hij
zijn taak heeft volbragt!"
Mary Grant kon niet spreken. Tranen verstikten haar stem. Duizenderlei
gevoelens kruisten elkander in haar ziel bij de gedachte, dat er nieuwe
pogingen gedaan zouden worden om Harry Grant terug te vinden, en dat de
verknochtheid van den jongen kapitein grenzeloos was!
"Hoopt mijnheer John nog altijd?" vroeg zij.
"Ja!" antwoordde Robert. "Hij is een broeder, die ons nooit zal
verlaten. Ik zal zeeman worden, niet waar, zuster? een zeeman, om vader
met hem te zoeken! Wilt gij dat wel!"
"Of ik het wil!" antwoordde Mary. "Maar scheiden!" mompelde het meisje.
"Gij zult niet alleen zijn, Mary! Dat weet ik! Vriend John heeft het mij
gezegd. Mevrouw Helena zal u niet laten vertrekken. Gij zijt een vrouw;
dus kunt en moet gij haar weldaden aannemen. Ze te weigeren zou
ondankbaarheid wezen! Maar een man, dat heeft vader mij honderdmaal
gezegd, een man moet zich door de wereld heenslaan!"
"Maar hoe zal het dan met ons lief huis te Dundee gaan, waaraan zooveel
herinneringen verbonden zijn?"
"Dat houden we, zusje! Dat alles is geschikt en goed geschikt ook door
vriend John en ook door lord Glenarvan. Hij zal u op het kasteel Malcolm
houden, alsof gij zijn dochter waart! Dat heeft de lord aan vriend John
gezegd, en vriend John heeft het mij verteld. Daar zult gij te huis
zijn, en iemand hebben om over vader te spreken, in afwachting dat John
en ik hem eens terugbrengen! Ach! wat een blijde dag zal dat zijn!" riep
Robert, wiens gelaat van geestdrift blonk.
"Mijn broeder! mijn jongen!" antwoordde Mary, "wat zou vader gelukkig
zijn, als hij u hooren kon! Wat gelijkt gij toch, lieve Robert! op dien
teergeliefden vader! Wanneer gij een man zijt, zult gij even zoo zijn
als hij!"
"Dat geve God, Mary!" zeide Robert, die schaamrood werd van heiligen en
kinderlijken trots.
"Maar hoe zullen wij onze schuld jegens lord en lady Glenarvan voldoen?"
hernam Mary Grant.
"O, dat zal niet moeijelijk vallen!" riep Robert in zijn kinderlijk
vertrouwen. "Men bemint ze, men eert ze, dat vertelt men hun, men
omhelst ze teeder, en bij de eerste gelegenheid de beste laat men zich
voor hen doodschieten!"
"Leef liever voor hen!" riep het meisje, terwijl zij het voorhoofd haars
broeders met kussen bedekte. "Dat zullen zij liever hebben--en ik ook!"
In gepeins verzonken keken de twee kinderen van den kapitein elkander
zwijgend aan bij het flaauwe licht der sterren. In gedachten spraken,
vroegen en antwoordden zij elkander toch nog. De kalme zee golfde zacht,
en de schroef deed de lichtende golven uiteenspatten.
Nu had er iets vreemds en inderdaad bovennatuurlijks plaats. Broeder en
zuster ondervonden door die aantrekkingskracht, die op geheimzinnige
wijze de zielen met elkander verbindt, tegelijk en op eens hetzelfde
zinsbedrog.
Mary en Robert verbeeldden zich uit die afwisselend donkere en
schitterende golven een stem te hooren opgaan, wier doffe en klagende
toon al de vezelen van hun hart deed trillen.
"Help! help!" riep die stem.
"Hebt gij het gehoord?" zeide Robert, "gij hebt het gehoord!"
En over de verschansing leunende zagen beiden zoekend rond in den
duisteren nacht.
Maar zij zagen niet dan de eindeloose schaduw, die zich voor hen
uitstrekte.
"Robert!" zeide Mary, bleek van ontsteltenis, "ik heb gemeend.... Ja, ik
heb gemeend evenals gij.... Wij hebben beiden de koorts, beste
Robert!..."
Maar daar trof een nieuw geroep hun oor, en thans was de begoocheling
zoo sterk, dat beiden te gelijk uitriepen:
"Vader! vader!..."
Dat was te veel voor Mary Grant. Door de aandoening geschokt, viel zij
bewusteloos in Roberts armen.
"Help!" riep Robert. "Zuster! vader! help!"
De man aan het roer kwam aanloopen om het meisje op te helpen. De
wachthebbende matrozen kwamen erbij, vervolgens John Mangles, lady
Helena en Glenarvan, die verschrikt ontwaakt waren.
"Mijn zuster sterft en daar is vader!" riep Robert op de golven
wijzende.
Men begreep niets van hetgeen hij zeide.
"Zeker!" herhaalde hij. "Daar is vader! Ik heb vaders stem gehoord! Mary
heeft ze ook gehoord!"
Mary, die weer bijgekomen was, riep nu ook radeloos en waanzinnig uit:
"Vader! daar is vader!"
Het ongelukkige meisje stond op, bukte over de leuning en wilde in zee
springen.
"Mylord! mevrouw Helena!" herhaalde zij met gevouwen handen, "ik zeg u
dat vader daar is! Ik verzeker u, dat ik zijn stem uit de golven heb
hooren opstijgen als een jammerklagt, als een laatst vaarwel!"
Nu overvielen het arme kind weder kramp en stuiptrekkingen. Zij sloeg
wild in het rond. Zij moest naar haar hut worden gebragt, en lady Helena
volgde haar om haar te verplegen, terwijl Robert altijd maar riep:
"Vader! daar is vader! Ik ben er zeker van, mylord!"
De getuigen van dit droevig tooneel begrepen eindelijk, dat de twee
kinderen van den kapitein de speelbal waren geweest van een
verstandsverbijstering. Maar hoe kon men hun zoo fel geschokte zinnen
weder tot rust brengen?
Glenarvan beproefde het echter. Hij vatte Robert bij de hand en zeide:
"Hebt gij uwe vaders stem gehoord, beste jongen?"
"Ja, mylord! Daar, in het midden der golven! Hij riep: Help! help!"
"En hebt gij die stem herkend?"
"Dat zou ik denken, mylord! O, ja! ik zweer het u! Mijn zuster heeft ze
ook gehoord, ook herkend evenals ik! Hoe kunt gij zeggen, dat wij ons
beiden bedrogen hebben? Mylord! laat ons vader gaan helpen! Een boot!
een boot!"
Glenarvan zag wel, dat hij het den armen knaap niet uit het hoofd kon
praten. Toch deed hij nog een laatste poging en riep den man aan het
roer.
"Hawkins!" vroeg hij hem, "stondt gij aan het roer, toen miss Mary dat
vreemde toeval kreeg?"
"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde Hawkins.
"En hebt gij niets gezien, niets gehoord?"
"Niets."
"Gij ziet het, Robert!"
"Als het de vader van Hawkins geweest was," antwoordde de knaap met
ontembaar vuur, "zou Hawkins niet zeggen, dat hij niets gehoord had. Het
was mijn vader, mylord! mijn vader! mijn vader!..."
Roberts stem werd door snikken gesmoord. Ook hij viel bleek en
sprakeloos in zwijm.
Glenarvan liet Robert in zijn bed leggen, waar het kind, door aandoening
uitgeput, in een diepe sluimering verzonk.
"Arme weezen!" zeide John Mangles, "God beproeft ben vreeselijk!"
"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de overmaat van smart zal bij beiden op
hetzelfde oogenblik een gelijke verstandsverbijstering teweeg gebragt
hebben."
"Bij beiden?" mompelde Paganel, "dat is vreemd! De zuivere wetenschap
zou dat niet erkennen."
Vervolgens bukte Paganel op zijn beurt over de verschansing, en
luisterde scherp toe, na allen een teeken gegeven te hebben om te
zwijgen.
In het rond heerschte een ongestoorde stilte. Paganel praaide met luider
stem. Hij kreeg geen antwoord.
"Dat is vreemd!" herhaalde de aardrijkskundige, terwijl hij naar zijn
hut ging. "Een innige overeenstemming van gevoelens en smarten is niet
voldoende om een natuurverschijnsel te verklaren!"
Den volgenden morgen, den 8sten Maart, waren ten vijf ure, toen de zon
opging, al de passagiers, ook Robert en Mary, die men niet had kunnen
tegenhouden, op het dek van de _Duncan_ bijeen. Ieder wilde dat land
onderzoeken, dat men den vorigen dag maar even gezien had.
De kijkers werden nieuwsgierig op de voornaamste punten des eilands
gerigt. Het jagt stevende er op een mijl afstands langs. De geringste
bijzonderheden waren zigtbaar.
Daar slaakte Robert op eens een kreet. De knaap beweerde twee mannen te
zien heen en weer loopen en wenken, terwijl een derde een vlag zwaaide.
"De engelsche vlag!" riep John Mangles, die zijn kijker had genomen.
"Dat is waar!" riep Paganel zich driftig naar Robert wendende.
"Mylord!" zeide Robert bevend van aandoening, "mylord! indien gij niet
wilt, dat ik naar het eiland zwem, zult gij een boot laten uitzetten.
Ach, mylord! ik smeek u op mijn knieën, laat ik de eerste zijn, die aan
land stap."
Niemand op het schip durfde spreken. Hoe! op dit eilandje onder dien
zeven en dertigsten graad, drie mannen, schipbreukelingen, Engelschen!
En elk herinnerde zich het gebeurde op den vorigen avond en die stem,
welke Robert en Mary 's nachts gehoord hadden!... Hadden de kinderen
zich misschien maar in één opzigt vergist? hadden zij werkelijk een stem
gehoord, maar kon het de stem huns vaders zijn? neen, duizendmaal neen,
helaas! En allen dachten aan de vreeselijke teleurstelling, die hen
wachtte, vreesden, dat die nieuwe beproeving hun krachten zou te boven
gaan! maar hoe hen te weerhouden? Lord Glenarvan had er den moed niet
toe.
"In de boot!" beval hij.
In een minuut was de boot in zee. De twee kinderen van den kapitein,
Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten er in, en ze stak snel van
boord door zes matrozen voortbewogen, die hard roeiden.
Tien vademen van den oever af uitte Mary een hartverscheurenden kreet:
"Vader!"
Op de kust stond iemand tusschen twee andere mannen in. Zijn groote en
sterke gestalte, zijn tegelijk zachtmoedig en vermetel gelaat, een
duidelijk mengsel van de trekken van Mary en Robert Grant, bewezen
genoeg, dat hij de man zijn moest, dien de twee kinderen zoo dikwijls
hadden afgeschilderd. Hun hart had hen niet bedrogen! Het was hun vader,
het was kapitein Grant.
De kapitein hoorde den uitroep van Mary, breidde de armen uit en viel
als door den bliksem getroffen op het zand.