XIX.

Eene schikking.

Zoodra de bootsman zich in tegenwoordigheid van den lord bevond,

verwijderden zich zijn bewakers.

"Gij verlangt mij te spreken, Ayrton?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord!" antwoordde de bootsman.

"Mij alleen?"

"Ja! maar ik denk, dat het beter zou zijn, wanneer majoor Mac Nabbs en

mijnheer Paganel bij het gesprek tegenwoordig waren."

"Voor wien?"

"Voor mij."

Ayrton sprak met onverstoorbare kalmte. Glenarvan zag hem strak aan;

vervolgens liet hij Mac Nabbs en Paganel roepen, die terstond aan zijn

uitnoodiging voldeden.

"Wij luisteren naar u," zeide Glenarvan, zoodra zijn beide vrienden zich

aan de tafel in de _longroom_ geplaatst hadden.

Ayrton bedacht zich een poos en zeide:

"Mylord! de gewoonte brengt mede, dat er getuigen zijn bij ieder verdrag

of bij iedere schikking, die tusschen twee partijen wordt aangegaan.

Daarom verlangde ik, dat de heeren Paganel en Mac Nabbs hier zouden

zijn. Want om de waarheid te zeggen, ik wensch u een zaak voor te

slaan."

Gewoon als hij was aan de manieren van Ayrton, fronsde Glenarvan zijn

wenkbraauwen niet, hoewel een zaak tusschen hem en dien man iets

belagchelijks scheen.

"Wat is dat voor een zaak?" vroeg hij.

"Luister," antwoordde Ayrton. "Gij verlangt van mij eenige

omstandigheden te vernemen, die u nuttig kunnen zijn. Ik verlang van u

eenige voordeelen, die van groot belang voor mij zullen zijn. Leer om

leer, mylord! staat u dat aan of niet?"

"Welke omstandigheden zijn dat?" vroeg Paganel driftig.

"Neen!" hernam Glenarvan, "welke voordeelen zijn dat?"

Met een hoofdknikje toonde Ayrton het onderscheid te vatten, dat

Glenarvan maakte.

"De voordeelen, die ik eisch," zeide hij, "zijn de volgende. Zijt gij

nog altijd voornemens, mylord! mij in handen van de engelsche overheid

te stellen?"

"Ja, Ayrton! en dat is niet meer dan billijk."

"Ik zeg niet van neen," antwoordde de bootsman bedaard. "Dus zoudt gij

er nooit in bewilligen mij in vrijheid te stellen?"

Glenarvan aarzelde voor hij op een zoo duidelijke vraag antwoordde. Het

lot van Harry Grant hing misschien af van hetgeen hij zou zeggen.

Toch behield het besef van zijn pligt jegens de menschelijke

geregtigheid de overhand, en hij zeide:

"Neen, Ayrton! ik kan u de vrijheid niet teruggeven."

"Die vraag ik ook niet," antwoordde de bootsman fier.

"Wat verlangt gij dan?"

"Een middenweg, mylord! tusschen de galg, die mij wacht, en de vrijheid,

die gij mij niet kunt schenken."

"En die is?..."

"Dat gij mij met de noodzakelijkste behoeften achterlaat op een der

onbewoonde eilanden van de Stille Zuidzee. Ik zal mij behelpen, zoo veel

ik kan, en boete doen, wanneer ik tijd heb!"

Glenarvan, die een dergelijk voorstel wel het allerminst verwachtte, zag

zijn beide vrienden aan, die bleven zwijgen. Na eenige oogenblikken

nadenkens antwoordde hij:

"Ayrton! zult gij, wanneer ik uw verzoek toesta, mij alles zeggen, wat

ik belang heb te weten?"

"Ja, mylord! dat wil zeggen alles, wat ik van kapitein Grant en de

_Britannia_ weet."

"De volle waarheid?"

"De volle."

"Maar wie staat mij borg?..."

"O! ik zie wat u beangstigt, mylord! Gij zult op mij moeten vertrouwen,

op het woord van een boosdoener! Dat is waar! Maar wat zal ik zeggen?

Het ligt er nu eenmaal toe. Niet of graag."

"Ik zal u vertrouwen, Ayrton!" zeide Glenarvan droogjes.

"En gij zult gelijk hebben, mylord! Bovendien, wanneer ik u bedrieg,

hebt gij altijd het middel bij de hand om u te wreken!"

"En dat is?"

"Mij van het eiland af te halen, dat ik niet heb kunnen verlaten."

Ayrton had voor alles een antwoord gereed. Hij opperde zelf de bezwaren,

hij leverde zelf onwraakbare bewijsgronden tegen zich. Zooals men ziet,

wilde hij "zijn zaak" met ontwijfelbare goede trouw behandelen. Het was

onmogelijk zich met argeloozer vertrouwen over te leveren. En toch vond

hij een middel om nog verder te gaan op den weg der onbaatzuchtigheid.

"Mylord en mijne heeren!" voegde hij er bij, "ik wil, dat gij volkomen

overtuigd zult zijn, dat ik open kaart met u speel. Ik zoek u geenszins

te misleiden en wil u een nieuw bewijs geven van mijn opregtheid in deze

zaak. Ik ga rondborstig te werk, omdat ik zelf op uw regtschapenheid

reken."

"Spreek op, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

"Mylord! ik heb uw woord nog niet, dat gij in mijn voorstel bewilligt en

toch aarzel ik niet u te zeggen, dat ik zeer weinig van Harry Grant af

weet."

"Zeer weinig!" riep Paganel.

"Ja, mylord! De bijzonderheden, die ik in staat ben u mede te deelen,

hebben betrekking op mij; zij gaan mij aan, en zullen u niet helpen het

spoor terug te vinden dat gij verloren hebt."

Het gelaat van Glenarvan en den majoor teekende een levendige

teleurstelling. Zij waanden hem in het bezit van een gewigtig geheim, en

de bootsman bekende, dat zijn ontdekkingen niet veel om het lijf hadden.

Wat Paganel aangaat, deze bleef even rustig.

Hoe het ook zij, deze bekentenis van Ayrton, die zich om zoo te zeggen

op genade of ongenade overgaf, trof zijn hoorders zeer, vooral toen de

bootsman er ten slotte bijvoegde:

"Nu weet gij het, mylord! De zaak zal voor u minder voordeelig zijn dan

voor mij."

"Dat maakt niet uit," antwoordde Glenarvan. "Ik neem uw voorstel aan.

Ayrton! Ik geef u mijn woord, dat gij op een der Zuidzee-eilanden aan

land zult gezet worden."

"Goed, mylord!" antwoordde de bootsman.

Verheugde die zonderlinge man zich over dat besluit? Men mogt er aan

twijfelen; want zijn strak gelaat verried niet de minste aandoening. Het

scheen, dat hij voor een ander handelde, niet voor zich.

"Ik ben bereid om te antwoorden," sprak hij.

"Wij hebben niets te vragen," zeide Glenarvan. "Vertel ons wat gij weet,

Ayrton! en zeg vooreerst maar wie gij zijt."

"Mijne heeren!" begon Ayrton, "ik ben werkelijk Tom Ayrton, de bootsman

der _Britannia_. Ik heb den 12den Maart 1861 Glasgow verlaten op het

schip van Harry Grant. Veertien maanden lang bevoeren wij samen de

Stille Zuidzee om een gunstige plaats op te zoeken ten einde een

schotsche kolonie te stichten. Harry Grant was er juist de man naar om

groote dingen te doen; maar dikwijls hadden wij hooggaande twisten met

elkander. Zijn karakter stond mij niet aan. Ik kan niet buigen; Harry

Grant duldt geen verzet, mylord! wanneer zijn besluit genomen is; die

man is van ijzer voor zich en voor anderen. Niettemin durfde ik te gaan

muiten. Ik beproefde de bemanning ook tot muiterij over te halen en het

schip te bemagtigen. Het doet hier weinig ter zake, of ik ongelijk had

of niet. Hoe dat ook zij, Harry Grant weifelde niet, en zette mij den

8sten April 1862 op de westkust van Australië aan land."

"Van Australië," zoo viel de majoor Ayrton in de rede, "dan hebt gij bij

gevolg de _Britannia_ verlaten, voor zij Callao heeft aangedaan, vanwaar

de laatste tijdingen gedagteekend zijn?"

"Ja," antwoordde de bootsman; "want zoo lang ik aan boord was, is de

_Britannia_ nooit te Callao geweest. Dat ik op de hoeve van Paddy

O'Moore van Callao sprak, kwam daar vandaan, dat ik die omstandigheid

uit uw verhaal had vernomen."

"Ga voort, Ayrton!" zeide Glenarvan.

"Daar stond ik nu verlaten op een bijna woeste kust; doch slechts

twintig mijlen van de strafgevangenis van Perth af, de hoofdstad van

West-Australië. Langs de kust zwervende ontmoette ik een bende

gedeporteerden, die pas ontsnapt waren. Ik voegde mij bij hen. Gij zult

mij, mylord! wel het verhaal schenken van het leven, dat ik derdehalf

jaar leidde. Weet alleen, dat ik onder den naam van Ben Joyce het hoofd

der vlugtelingen werd. In de maand September 1864 vervoegde ik mij op de

iersche hoeve. Daar werd ik als knecht in dienst genomen onder mijn

waren naam Ayrton. Ik wachtte daar op een gelegenheid om een schip te

bemagtigen. Dat was mijn hoogste doel. Twee maanden later kwam de

_Duncan_. Bij uw bezoek op de hoeve, mylord! vertelde gij de geheele

geschiedenis van kapitein Grant. Ik vernam toen, wat ik nog niet wist,

het verblijf der _Britannia_ te Callao, de laatste berigten van Junij

1862, twee maanden na mijn ontscheping, het voorval met het document, de

stranding van het schip ergens op zeven en dertig graden, en eindelijk

de gewigtige redenen, die gij hadt, om Harry Grant op het vastland van

Australië te zoeken. Ik weifelde niet. Ik besloot de _Duncan_ te

bemagtigen, een uitstekend schip, dat de snelste zeilers der engelsche

oorlogsvloot ontkomen kon. Maar ze had zware averij geleden, die

hersteld moest worden. Ik liet ze dus naar Melbourne vertrekken, en deed

mij bij u voor in mijn ware betrekking van bootsman, terwijl ik aanbood

u naar het tooneel eener schipbreuk te geleiden, die naar ik u voorloog

op de oostkust van Australië zou plaats gehad hebben. Zoo leidde ik, nu

eens gevolgd dan weder voorafgegaan door mijn rooverbende, uw gezelschap

door de provincie Victoria. Mijn manschappen begingen aan de Camdenbrug

een noodelooze misdaad; want was de _Duncan_ aan de kust dan kon ze mij

niet ontgaan, en met dat jagt was ik meester op zee. Zoo voerde ik u,

zonder uw wantrouwen op te wekken, tot aan de Sneeuw-rivier. Paarden en

ossen werden één voor één met gastrolobium vergeven. Ik liet den wagen

wegzakken in de moerassen der Sneeuw-rivier. Op mijn aandringen.... Maar

gij weet het overige, mylord! en kunt er zeker van zijn, dat ik zonder

de verstrooidheid van mijnbeer Paganel thans het bevel zou voeren op de

_Duncan_. Ziedaar mijn geschiedenis, mylord! Mijne mededeelingen kunnen

u helaas! niet op het spoor van Harry Grant brengen, en gij ziet, dat

gij een slechten ruil gedaan hebt, door met mij te onderhandelen."

De bootsman zweeg, sloeg als naar gewoonte de armen over elkaar en

wachtte. Glenarvan en zijn vrienden bewaarden het stilzwijgen. Zij

gevoelden, dat die vreemde boosdoener de volle waarheid had gesproken.

De overrompeling der _Duncan_ was alleen mislukt door een omstandigheid

onafhankelijk van zijn wil. Zijn medepligtigen waren aan de oevers der

Twofold-baai gekomen, zooals het gevangenisbuis bewees, dat Glenarvan

had gevonden. Daar hadden zij naar het bevel van hun aanvoerder op het

jagt geloerd, en het wachten moede hadden zij zeker in de velden van

Nieuw-Zuid-Wales hun bedrijf van plunderaars en brandstichters weder

opgevat.

De majoor begon weder het verhoor om van de datums, die op de

_Britannia_ betrekking hadden, zeker te zijn.

"Dus," vroeg hij den bootsman, "zijt gij bepaald op den 8sten April 1862

op de westkust van Australië aan land gezet?"

"Juist," antwoordde Ayrton.

"En weet gij, welke voornemens Harry Grant toen had?"

"Ten naastebij."

"Spreek op, Ayrton!" zeide Glenarvan. "De geringste aanwijzing kan ons

op den weg brengen."

"Ik kan niets anders zeggen dan dit, mylord!" antwoordde de bootsman,

"Kapitein Grant was voornemens Nieuw-Zeeland te bezoeken. Dit gedeelte

van zijn reisplan nu is niet uitgevoerd, terwijl ik aan boord was. Het

zou dus niet onmogelijk zijn, dat de _Britannia_ na haar vertrek van

Callao Nieuw-Zeeland had aangedaan. Dat zou overeenkomen met den datum

van 27 Junij 1862, waarop, volgens het document, de driemaster

schipbreuk heeft geleden."

"Dat is zoo," zeide Paganel.

"Maar," hernam Glenarvan, "geen enkel woord, dat op het document bewaard

is gebleven, is op Nieuw-Zeeland toepasselijk."

"Daarop kan ik niet antwoorden," zeide de bootsman.

"Goed, Ayrton!" zeide nu Glenarvan. "Gij hebt uw woord gehouden, ik zal

het mijne houden. Wij zullen bepalen op welk eiland der Stille Zuidzee

gij aan land zult gezet worden."

"O, dat komt er niet op aan, mylord!" antwoordde Ayrton.

"Keer naar uw hut terug," zeide Glenarvan, "en wacht ons besluit af."

De bootsman ging heen onder geleide van twee matrozen.

"Die schurk had een man kunnen zijn," zeide de majoor.

"Ja!" antwoordde Glenarvan. "Het is een sterke en schrandere kerel!

Waarom heeft hij zijn vermogens misbruikt om kwaad te doen!"

"Maar Harry Grant?"

"Ik vrees zeer, dat hij reddeloos verloren is! Arme kinderen! wie zou

hun kunnen zeggen waar hun vader is?"

"Ik!" antwoordde Paganel. "Ja, ik!"

Het zal wel niemand ontgaan zijn, dat de anders zoo praatzieke en

ongeduldige aardrijkskundige naauwelijks een mond had opengedaan, zoo

lang het verhoor van Ayrton duurde. Hij luisterde met den mond digt.

Maar dat laatste woord, dat hij sprak, woog tegen vele andere op, en

deed Glenarvan driftig opspringen.

"Gij!" riep hij, "weet gij, Paganel! waar kapitein Grant is!"

"Ja, voor zooverre men dat althans weten kan," antwoordde de

aardrijkskundige.

"En door wien weet gij det?"

"Door dat eeuwige document."

"Zoo!" riep de majoor op een toon van volslagen ongeloof.

"Luister eerst, Mac Nabbs!" zeide Paganel, "later moogt gij de schouders

ophalen. Ik heb vroeger niet gesproken, omdat gij mij toch niet geloofd

zoudt hebben. Later was het onnoodig. Maar dat ik nu er toe besluit is,

omdat Ayrtons meening juist de mijne ondersteunt."

"Dus Nieuw-Zeeland?..." vroeg Glenarvan.

"Luistert en oordeelt," antwoordde Paganel. "Het is niet zonder reden,

of liever het is niet zonder "eene reden," dat ik de dwaling beging, die

ons gered heeft. Toen ik dien brief schreef, welken Glenarvan mij

voorzeide, maalde het woord "Zeeland" mij door het hoofd. Ziehier

waarom. Gij herinnert u, dat wij in den wagen waren. Mac Nabbs had aan

lady Helena de geschiedenis der roovers verteld; hij had haar het nummer

der _Australische en Nieuw-Zeelandsche courant_ ter hand gesteld, die

het verhaal bevatte van de ramp aan de Camdenbrug. Terwijl ik schreef,

lag het dagblad op den grond, zoo gevouwen, dat er maar twee

lettergrepen van den titel zigtbaar waren. Die twee lettergrepen waren

_aland_. Daar ging een licht voor mij op! _Aland_ was juist een woord

uit het engelsche document, een woord, dat wij altijd vertaald hadden

door _aan land_, en dat de uitgang zijn moest van den eigennaam

_Zealand_."

"Wat ge zegt!" riep Glenarvan.

"Ja!" hernam Paganel innig overtuigd, "die uitlegging was mij ontgaan,

en weet gij waarom? omdat mijn onderzoek natuurlijk het fransche

document betrof, dat vollediger is dan de andere, en waarin dit

belangrijke woord ontbreekt."

"Ho! ho!" zeide de majoor, "nu gaat uw verbeeldingskracht wat te ver,

Paganel! en vergeet gij al te gemakkelijk uw vroegere afleidingen."

"Ga voort, majoor! ik ben bereid u te antwoorden."

"Waar blijft dan uw woord _austra_?" hernam Mac Nabbs.

"Dat verandert niet. Het beteekent eenvoudig de zuidelijke streken."

"Goed. En die lettergreep _indi_, die eerst de wortel van _indianen_ en

later de wortel van _inboorlingen_ geweest is?"

"Welnu! voor de derde en laatste maal," antwoordde Paganel, "zal zij de

eerste lettergreep zijn van het woord _indigence_ (nood)!"

"En _contin_!" riep Mac Nabbs, "beteekent dat nog _continent_

(vastland)?"

"Neen! omdat Nieuw-Zeeland maar een eiland is."

"Bij gevolg?..." vroeg Mac Nabbs.

"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik zal het document vertalen volgens

mijn derde uitlegging, dan kunt gij oordeelen. Maar twee opmerkingen

vooraf: 1°. vergeet zooveel mogelijk de vroegere uitleggingen en maakt

uw geest los van elke vroeger opgevatte meening; 2°. sommige gedeelten

zult gij "gewrongen" vinden, en het is mogelijk, dat ik ze slecht

vertaal; maar zij zijn van geen belang, onder anderen het woord

_agonie_, waarmee ik verlegen zit, maar dat ik niet anders verklaren

kan. Ook is het 't fransche document, dat tot grondslag dient voor mijn

vertolking, en vergeet niet, dat het door een Engelschman is geschreven,

die welligt niet goed bekend was met het fransche taaleigen. Na deze

voorafspraak begin ik."

En Paganel las langzaam en met nadruk het volgende:

"Den 27 _Junij_ 1864 is de _driemaster Britannia_, van _Glasgow_, na een

langen _doodstrijd_ in de _zuidelijke_ zeeën op de kusten van

Nieuw-_Zeeland vergaan_,--in het engelsch _Zealand.--Twee matrozen_ en

de _kapitein Grant_ zijn _aan land_ gespoeld. Daar, _steeds_ ter _pr_ooi

aan een _nijpenden nood_, hebben zij _dit document_ in zee _geworpen_ op

... _lengte en_ 37°11' _breedte. Komt hun te_ hulp of zij zijn

_verloren_."

Paganel zweeg. Zijn vertaling was aannemelijk. Maar juist omdat zij even

waarschijnlijk scheen als de vorige, kon zij ook verkeerd wezen.

Glenarvan en de majoor legden er dus niets tegen in. Daar echter het

spoor der _Britannia_ evenmin teruggevonden was op de kust van Patagonië

als op die van Australië, ter plaatse waar de zeven en dertigste graad

die twee landen snijdt, waren de kansen voor Nieuw-Zeeland gunstig.

Deze opmerking, welke Paganel maakte, trof vooral zijn vrienden.

"Zeg mij nu eens, Paganel!" sprak Glenarvan, "waarom gij deze verklaring

omtrent twee maanden voor u hebt gehouden?"

"Omdat ik u met geen ijdele hoop vleijen wilde. Ook gingen wij naar

Auckland, dat juist op de breedte ligt, welke het document aangeeft."

"Maar waarom hebt gij later niet gesproken, toen wij van dien weg

afgeraakt waren?"

"Omdat die vertolking, hoe juist zij ook moge zijn, niets kan bijdragen

tot redding van den kapitein."

"Om welke reden, Paganel?"

"Omdat, aangenomen dat kapitein Harry Grant op Nieuw-Zeeland gestrand

is, hij na de schipbreuk of door de handen der Zeelanders omgekomen is,

omdat hij in het tijdsverloop van twee jaren nog niet is komen opdagen."

"Dus houdt gij het er voor?..." vroeg Glenarvan.

"Dat men misschien eenige wrakken van de schipbreuk zou kunnen

terugvinden; maar dat de schipbreukelingen der _Britannia_

onherroepelijk verloren zijn!"

"Zwijgt over dit alles, vrienden!" zeide Glenarvan, "en laat mij het

oogenblik kiezen om deze treurige tijding aan de kinderen van kapitein

Grant mede te doelen!"

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 25 / 29 题