Ayrton of Ben Joyce.
Ayrton verscheen. Hij betrad het dek met vasten stap en beklom de trap
van de kampanje. Zijn oogen stonden somber, zijn tanden waren op
elkander geklemd, zijn vuisten krampachtig gebald. Zijn uiterlijk
verried evenmin overmoed als nederigheid. Toen hij voor lord Glenarvan
stond, sloeg hij de armen over elkaar en wachtte bedaard en zwijgend af,
dat hem iets gevraagd werd.
"Ayrton!" zeide Glenarvan, "zoo zijn wij nu, gij en wij, bijeen op die
_Duncan_ die gij aan de roovers van Ben Joyce in handen wildet spelen."
Op die woorden beefden de lippen van den bootsman even. Zijn koude
trekken kleurden ligt. Het was niet het schaamrood der wroeging, maar
omdat zijn plan was mislukt. Op dat jagt, waarop hij als meester hoopte
te bevelen, was hij nu een gevangene, en in weinige oogenblikken zou
zijn lot beslist worden.
Hij gaf echter geen antwoord. Glenarvan wachtte geduldig. Maar Ayrton
bleef hardnekkig zwijgen.
"Spreek op, Ayrton! wat hebt gij te zeggen?" hernam Glenarvan.
Ayrton aarzelde; zijn voorhoofd betrok; vervolgens sprak hij bedaard:
"Ik heb niets te zeggen, mylord! Ik ben zoo gek geweest mij te laten
pakken. Doe met mij wat gij wilt."
Dit gezegd hebbende rigtte de bootsman zijn blikken op de westwaarts
liggende kust, en veinsde een diepe onverschilligheid voor hetgeen er
rondom hem gebeurde. Wie hem zag, zou gemeend hebben, dat hij niets te
maken had met die ernstige zaak. Maar Glenarvan had besloten geduldig te
blijven. Een sterke belangstelling noopte hem om met sommige
omstandigheden uit het geheimzinnige leven van Ayrton bekend te worden,
vooral zoover het Harry Grant en de _Britannia_ betrof. Hij hervatte dus
het verhoor op zeer zachte wijze en onderdrukte geheel en al den toorn,
dien hij inwendig gevoelde.
"Ik meen, Ayrton!" hernam hij, "dat gij niet zult weigeren te antwoorden
op sommige vragen, die ik u wensch te doen. Vooreerst, moet ik u Ayrton
of Ben Joyce noemen? Zijt gij al dan niet de bootsman der _Britannia_?"
Ayrton bleef onverzettelijk op de kust staren, zonder acht te slaan op
hetgene hem gevraagd werd.
Glenarvan, wiens oog fonkelde, ging voort met den bootsman te
ondervragen.
"Wilt gij mij zeggen, hoe gij de _Britannia_ verlaten hebt, waarom gij
in Australië waart?"
Hetzelfde stilzwijgen, dezelfde onverzettelijkheid.
"Luister naar mij, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Het is in uw belang om te
spreken. Een openhartigheid, die uw laatste toevlugt is, kan gunstig
voor u zijn. Voor het laatst dan, wilt gij op mijn vragen antwoorden?"
Ayrton draaide het hoofd naar Glenarvan en zag hem strak aan, zeggende:
"Mylord! ik behoef niet te antwoorden. De justitie en niet ik moet tegen
mij bewijzen."
"De bewijzen zullen gemakkelijk te leveren zijn!" antwoordde Glenarvan.
"Gemakkelijk, mylord?" hernam Ayrton op spottenden toon. "Uwe Edelheid
durft, vind ik, heel wat zeggen. Ik verzeker u, dat de slimste advocaat
met mij verlegen zou zijn! Wie zal zeggen, waarom ik in Australië
gekomen ben, nu kapitein Grant het niet meer vertellen kan? Wie zal
bewijzen, dat ik die Ben Joyce ben, dien de politie achterna zit, daar
ze mij nooit in handen gehad heeft en mijn makkers in vrijheid zijn? Wie
is er, behalve gij, die niet een misdaad, maar een verkeerde handeling
ten mijnen nadeele kan aan den dag brengen? Wie kan bevestigen, dat ik
mij van dit schip heb willen meester maken om het aan de gedeporteerden
over te leveren? Niemand, verstaat gij? niemand! Gij hebt vermoedens,
goed! maar om iemand te veroordeelen zijn er bewijzen noodig, en de
bewijzen ontbreken u. Zoolang het tegendeel niet bewezen is, ben ik
Ayrton, de bootsman der _Britannia_."
Ayrton was onder het spreken opgewonden geworden, maar verviel weldra
tot zijn vroegere onverschilligheid. Hij verbeeldde zich zeker, dat zijn
verklaring een einde zou maken aan het verhoor, maar Glenarvan vatte het
woord weder op en sprak:
"Ayrton! ik ben geen regter van instructie. Dat is mijn zaak niet. Het
is van belang dat elk onzer weet waar hij staan moet. Ik vraag u niets,
dat u in ongelegenheid brengen kan. Dat gaat het geregt aan. Maar gij
weet, met welke nasporingen ik bezig ben, en met een enkel woord kunt
gij mij weer op het spoor brengen, dat ik verloren heb. Wilt gij
spreken?"
Ayrton schudde het hoofd als iemand, die vast besloten heeft om te
zwijgen.
"Wilt gij mij zeggen, waar kapitein Grant is?" vroeg Glenarvan.
"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton.
"Wilt gij mij de plaats aanduiden, waar de _Britannia_ vergaan is?"
"Evenmin."
"Ayrton!" hernam Glenarvan bijna op smeekenden toon, "wilt gij althans,
wanneer gij weet, waar Harry Grant is, het aan zijn arme kinderen
zeggen, die maar één woord uit uwen mond verwachten?"
Ayrton aarzelde. Zijn gezigt betrok. Maar hij mompelde zacht:
"Ik kan niet, mylord!"
En hij voegde er driftig bij, alsof hij zich een oogenblik van zwakheid
verweet:
"Neen! ik zal niet spreken! Laat mij ophangen, indien gij wilt!"
"Ophangen!" riep Glenarvan is een plotselinge opwelling van toorn.
Daarna antwoordde hij, zich bedwingende, op ernstigen toon:
"Ayrton! hier zijn regters noch beulen. In de eerste haven de beste zult
gij aan de engelsche overheid overgegeven worden."
"Dat verlang ik juist!" antwoordde de bootsman.
Daarop keerde hij bedaard naar de hut terug, die hem tot gevangenis
diende, en twee matrozen werden voor de deur geplaatst met last om op
zijn geringste bewegingen acht te geven. De getuigen van dit tooneel
gingen verontwaardigd en wanhopig heen.
Nu Glenarvan schipbreuk had geleden op de stijfhoofdigheid van Ayrton,
wat schoot hem nu nog over? Niets anders dan het voornemen te
volbrengen, dat reeds te Eden was opgevat, en naar Europa terug te
keeren, zonder uitzigt om later die mislukte onderneming te hervatten.
Het spoor der _Britannia_ toch scheen onherroepelijk verloren, het
document duldde geen nieuwe uitlegging, er lag zelfs geen land meer op
zeven en dertig graden breedte, en de _Duncan_ kon dus niet beter doen
dan terug te keeren.
Na met zijn vrienden geraadpleegd te hebben, besprak Glenarvan meer
bepaald met John Mangles het punt van de thuisreis. John onderzocht de
kolenhokken; de voorraad steenkolen kon hoogstens nog veertien dagen
duren. Het was dus noodig om in de naastbij gelegen haven versche kolen
in te nemen.
John stelde Glenarvan voor den steven te wenden naar de baai van
Talcahuano, waar de _Duncan_ reeds voorraad had ingenomen, voor zij haar
reis om de wereld ondernam. Dat was digt bij en juist op den zeven en
dertigsten graad. Dan kon het jagt, behoorlijk van het noodige voorzien,
zuidwaarts om kaap Hoorn varen en door den Atlantischen oceaan naar
Schotland terugkeeren.
Zoodra dit plan was vastgesteld, werd er bevel gegeven aan den machinist
om meer stoom te maken. Een half nur later was de steven naar Talcahuano
gewend op een zee, die haar naam van Stille Zee wel verdiende, en 's
avonds ten zes ure verdwenen de laatste bergen van Nieuw-Zeeland in de
warme nevels aan den gezigteinder.
Zoo begon dan de thuisreis. Een treurige togt voor die stoute zoekers,
die in de haven terugkeerden zonder Harry Grant mee te brengen! Ook
sloeg de bemanning, die zoo vrolijk bij het vertrek, zoo vol vertrouwen
bij het begin der reis, en nu overwonnen en moedeloos was, bedroefd den
weg naar Europa in. Onder al die wakkere matrozen was er niet een, die
ontroerde bij de gedachte, dat hij zijn land zou wederzien; allen zouden
nog lang de gevaren der zee hebben getrotseerd om kapitein Grant maar
terug te vinden.
Op de hoera's! waarmede Glenarvan bij zijn terugkomst begroet was,
volgde dan ook weldra moedeloosheid. Die onophoudelijke samenkomsten der
passagiers, die gesprekken, welke vroeger de reis opvrolijkten, hadden
nu niet meer plaats. Ieder bleef op zichzelven, alleen in zijn hut, en
zelden verscheen er een op het dek van de _Duncan_.
De man, bij wien doorgaans de smartelijke of vrolijke gewaarwordingen,
die aan boord heerschten, zich het meest openbaarden, Paganel, die des
noods de hoop zou uitgevonden hebben, Paganel bleef zwijgend en in
zichzelven gekeerd. Ternaauwernood liet hij zich zien. Zijn natuurlijke
spraakzaamheid, zijn fransche levendigheid waren in zwijgen en
moedeloosheid veranderd. Hij scheen zelfs nog meer ontmoedigd dan zijn
reisgenooten. Wanneer Glenarvan er van sprak om zijn nasporingen te
hervatten, schudde Paganel het hoofd als iemand, die alle hoop heeft
laten varen, en die vast overtuigd scheen van het lot der
schipbreukelingen van de _Britannia_. Men gevoelde, dat hij ze
onherroepelijk verloren achtte.
Toch was er aan boord een man, die het laatste woord betreffende die
ramp kon zeggen, en die voortging met zwijgen. Het was Ayrton. Zonder
twijfel kende die ellendeling, zooal niet de waarheid aangaande het
tegenwoordig verblijf van den kapitein, dan toch de plaats der
schipbreuk. Maar het was duidelijk, dat Grant, werd hij teruggevonden,
een getuige tegen hem zijn zou. Daarom zweeg hij hardnekkig. Dat
verwekte, vooral bij de matrozen, een hevigen toorn tegen hem, en gaarne
zouden zij hem een leelijken trek hebben gespeeld.
Bij herhaling vernieuwde Glenarvan zijn pogingen bij den bootsman.
Beloften noch bedreigingen werkten iets uit. De koppigheid van Ayrton
was zoo ver gedreven en zoo onverklaarbaar bovendien, dat de majoor
begon te denken, dat hij niets wist. Ook de aardrijkskundige, die zijn
eigene gedachten had betreffende Harry Grant, was van die meening.
Maar wanneer Ayrton niets wist, waarom kwam hij dan niet voor zijn
onwetendheid uit? Deze kon hem volstrekt niet benadeelen. Zijn
stilzwijgen vergrootte de moeijelijkheid om een nieuw plan te vormen.
Moest men uit de ontmoeting van den bootsman in Australië afleiden, dat
Harry Grant op dat vastland aanwezig was? Wat het ook mogt kosten, men
diende Ayrton te bewegen om zich dienaangaande te verklaren.
Toen lady Helena zag, dat haar man niet slaagde, vroeg zij hem verlof op
haar beurt te mogen worstelen met de stijfhoofdigheid van den bootsman.
Waar een man schipbreuk had geleden, zou een vrouw welligt door haar
zachten invloed slagen. Is het niet de eeuwig ware geschiedenis van dien
orkaan uit de fabel, die den mantel niet van de schouders des reizigers
kan rukken, terwijl de geringste zonnestraal hem terstond doet afwerpen!
Glenarvan, die de schanderbeid zijner jeugdige gade kende, gaf haar
volle vrijheid van handelen.
Dien dag, den 5den Maart, werd Ayrton in de hut van lady Helena gebragt.
Mary Grant moest het onderhoud bijwonen; want de invloed van het jonge
meisje kon groot zijn, en lady Helena wilde geen kans van slagen
verzuimen.
Een uur lang bleven de vrouwen met den bootsman der _Britannia_
opgesloten; maar er lekte niets van hun gesprek uit. Wat zij zeiden, de
gronden, die zij aanvoerden om den roover zijn geheim te ontrukken, al
de omstandigheden van dat verhaal bleven onbekend. Maar toen zij Ayrton
verlieten, schenen zij niet geslaagd te zijn, en stond de moedeloosheid
op haar gelaat te lezen.
Toen de bootsman naar zijn hut teruggebragt werd, ontvingen hem de
matrozen, terwijl hij voorbijging, dan ook met geweldige bedreigingen.
Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen, waardoor de woede der
schepelingen nog vermeerderde, en er was niets minder noodig dan de
tusschenkomst van John Mangles en Glenarvan om hen in toom te houden.
Maar lady Helena gaf het nog niet op. Zij wilde tot het einde toe
worstelen tegen dat steenen hart, en 's anderen daags ging zij zelve
naar de hut van Ayrton, om de tooneelen te voorkomen, waartoe zijn gang
over het dek van het jagt aanleiding gaf.
Twee uren lang bleef de goede en zachtzinnige vrouw alleen met het
opperhoofd der roovers. Aan zenuwachtige ontroering ter prooi zwierf
Glenarvan bij de hut rond, nu eens besloten om de kansen op slagen tot
de laatste toe aan te wenden, dan weder gereed om zijn vrouw van dat
onaangename gesprek te verlossen.
Maar toen lady Helena ditmaal weder verscheen, blonk haar gelaat van
hoop. Had zij dan dat geheim afgeperst en in het hart van dien schurk de
laatste vezelen van het medelijden doen trillen?
Mac Nabbs, die haar het allereerst zag, kon een zeer natuurlijke
beweging van ongeloof niet onderdrukken.
Echter liep weldra onder de bemanning het gerucht, dat de bootsman
eindelijk was bezweken voor den aandrang van lady Helena. Dat was als
het ware een electrieke schok. Al de matrozen verzamelden zich op het
dek, en sneller, dan wanneer het fluitje van Tom Austin hen aan het werk
had geroepen.
Intusschen was Glenarvan zijn vrouw te gemoet gesneld.
"Heeft hij gesproken?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde lady Helena. "Maar aan mijn verzoek gehoor gevende,
wenscht hij u te spreken."
"Ach! lieve Helena! zoudt gij geslaagd zijn?"
"Ik hoop het, Edward!"
"Hebt gij eenige belofte gedaan, die ik moet bekrachtigen?"
"Een enkele, mijn vriend! dat gij al uw invloed zult aanwenden om het
lot te verzachten, dat dien ongelukkigen Ayrton wacht."
"Goed, lieve Helena! Laat Ayrton dadelijk hier komen."
Lady Helena ging met Mary Grant naar haar hut, en de bootsman werd naar
de _longroom_ gebragt, waar lord Glenarvan hem wachtte.