Waarom de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste.
Wij wagen het niet de gewaarwordingen te schetsen van Glenarvan en zijn
vrienden, toen de zangen van Oud-Schotland in hun oor klonken. Zoodra
zij den voet zetteden op het dek der _Duncan_, hief de pijper op zijn
doedelzak het volkslied van den stam van Malcolm aan en werd de
terugkomst van den lord op zijn schip met een daverend hoera! begroet.
Glenarvan, John Mangles, Paganel, Robert, ja zelfs de majoor, allen
weenden, allen omhelsden elkander. Dat was een vreugde, die tot
dronkenschap steeg. De aardrijkskundige was volslagen gek; hij maakte
allerlei kromme sprongen en legde met zijn onafscheidelijken kijker op
de laatste praauwen aan, die reeds digt bij de kust waren.
Maar toen de bemanning van het jagt bespeurde, hoe Glenarvan en zijn
reisgenooten in lompen waren gehuld, hoe ingevallen hun kaken waren, hoe
het lijden op hun gelaat te lezen stond, kwam er een einde aan de
uitbarsting van vreugde. Het waren spoken die aan boord terugkwamen, en
niet die stoute en nette reizigers, die voor drie maanden vol blijde
hoop het spoor der schipbreukelingen waren gaan zoeken. Het toeval,
louter het toeval bragt hen terug op dat schip, dat zij in het geheel
niet verwacht hadden weer te zien! En in welk een treurigen,
uitgeteerden en zwakken toestand!
Maar alvorens aan de vermoeijenis, aan de dringende eischen van honger
en dorst te denken, ondervroeg Glenarvan Tom Austin naar de oorzaak van
zijn oponthoud in die wateren.
Waarom was de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland? Hoe kwam het,
dat ze niet in handen van Ben Joyce was? Door welke wonderdadige
tusschenkomst had God ze den vlugtelingen te gemoet gezonden?
Waarom? Hoe? Met welk voornemen? Daarmede begonnen al de vragen, die in
éénen adem tot Tom Austin werden gerigt. De oude zeeman wist niet, naar
wien hij het eerst zou luisteren. Hij besloot dus om alleen naar lord
Glenarvan te hooren en hem alleen te antwoorden.
"Maar de gedeporteerden?" vroeg Glenarvan, "wat hebt gij met de
gedeporteerden gedaan?"
"De gedeporteerden?..." herhaalde Tom Austin op den toon van iemand, die
niets van een vraag begrijpt.
"Ja! de schurken, die het jagt hebben aangetast?"
"Gij zult toch moeten bekennen, Paganel! dat het wat al te kras zou
zijn!"
"Wat blieft?" vroeg de aardrijkskundige, die, zooals hij daar stond met
krommen rug en den bril in de hoogte geschoven, veel had van een
reusachtig vraagteeken.
Austin kwam terug. Hij hield den brief in de hand, dien Paganel
geschreven en Glenarvan geteekend had.
"Lees, Uwe Edelheid!" zeide de oude zeeman.
Glenarvan greep den brief en las:
"Bevel aan Tom Austin om onmiddellijk zee te kiezen en de _Duncan_ op 87
graden breedte naar de oostkust van Nieuw-Zeeland te brengen!..."
"Nieuw-Zeeland!" riep Paganel opspringende.
En hij rukte den brief uit de hand van Glenarvan, wreef zich de oogen
uit, zette den bril goed op den neus, en las zelf.
"Nieuw-Zeeland!" sprak bij op jammerenden toon, terwijl de brief uit
zijn vingers glipte.
Daar voelde hij, dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij rigtte
zich overeind en zag den majoor voor zich staan.
"Het is waarlijk gelukkig, beste Paganel!" zeide Mac Nabbs met een
ernstig gezigt, "dat gij de _Duncan_ niet naar Cochinchina gezonden
hebt!"
Die scherts bragt den armen aardrijkskundige geheel van zijn stuk. Een
algemeene lachbui overviel de geheele bemanning van het jagt. Paganel
liep als krankzinnig heen en weer met het hoofd tusschen de handen en
rukte zich de haren uit. Hij wist niet meer, wat hij deed, evenmin wat
hij wilde doen! Hij liep werktuigelijk den trap van de kampanje af, hij
waggelde over het dek, liep doelloos voort, en klom weer op de
voorplecht. Daar raakten zijn voeten verward in een opgerold kabeltouw.
Hij struikelde. Hij sloeg de hand uit en greep een touw.
Eensklaps had er een vreeselijke losbranding plaats. Het kanon op de
voorplecht ging af en de geheele lading schroot vloog over de rustige
golven. De onhandige Paganel had de treklijn van het nog geladen stuk
gegrepen en het kruid doen ontploften. Dat was de oorzaak van dien
donderslag. De aardrijkskundige sloeg achterover van den trap en
verdween door de luikklap in het tusschendek.
De verbazing, door het schot teweeggebragt, maakte plaats voor schrik.
Men geloofde aan een ongeluk. Tien matrozen snelden naar het tusschendek
en bragten Paganel boven, die geheel in elkaar was gezakt. De
aardrijkskundige sprak niet meer.
Dat lange ligchaam werd op de kampanje nedergelegd. De makkers van den
wakkeren Franschman waren wanhopend. De majoor, die als het pas gaf ook
dokter was, wilde den ongelukkigen Paganel ontkleeden om zijn wonden te
verbinden; maar naauwelijks raakte hij den zieltogende aan, of deze rees
overeind, alsof hij in aanraking met een electrische klos was gebragt.
"Nooit! nooit!" riep hij uit; en terwijl hij de lompen van zijn kleeren
om zijn mager ligchaam sloeg, knoopte hij ze met bijzondere drift vast.
"Maar, Paganel!" zeide de majoor.
"Neen! zeg ik u!"
"Ik moet toch eens zien...."
"Gij zult niet zien!"
"Misschien hebt gij iets gebroken...." hernam Mac Nabbs.
"Ja!" antwoordde Paganel, die op zijn lange beenen overeind ging staan,
"maar wat ik gebroken heb, zal de timmerman wel maken!"
"Wat dan?"
"Den stut van het tusschendek, die in mijn val gebroken is!"
Op dit antwoord begon het lagchen op nieuw. Dit gezegde had al de
vrienden van den waardigen Paganel gerust gesteld, die heelhuids was
afgekomen van zijn ontmoeting met het kanon op de voorplecht.
"Die aardrijkskundige," dacht de majoor, "is in allen gevalle bijzonder
schaamachtig uitgevallen."
Echter moest Paganel, toen hij wat van den schrik bekomen was, nog een
vraag beantwoorden, die hij niet ontwijken kon.
"Antwoord nu eens opregt, Paganel!" sprak Glenarvan. "Ik erken, dat uw
verstrooidheid door God beschikt is: zonder u was voorzeker de _Duncan_
in de handen der roovers gevallen, zonder u hadden de Maori's ons weer
gevangen genomen! Maar zeg mij toch om Gods wil! door welke vreemde
verbinding van denkbeelden, door welke bovennatuurlijke
verstandsverbijstering zijt gij er toch toe gekomen om den naam
Nieuw-Zeeland te schrijven voor dien van Australië?"
"Wel, voor den drommel!" riep Paganel, "omdat...."
Maar tegelijk ontmoette zijn oog Robert en Mary Grant en bij bleef
steken; daarna ging hij voort:
"Wat zal ik zeggen, waarde Glenarvan! ik ben een zinnelooze, een gek,
een onverbeterlijk schepsel, en ik zal sterven in de huid van den
beruchtsten verstrooide...."
"Als gij ten minste niet gevild wordt!" voerde de majoor er bij.
"Mij villen!" riep de aardrijkskundige met een vuurrood gezigt. "Wat
bedoelt gij daarmee?..."
"Wat zou ik er mee bedoelen, Paganel?" vroeg Mac Nabbs even bedaard als
altijd.
Het voorval had geen verdere gevolgen. Het geheim van de
tegenwoordigheid der _Duncan_ was opgehelderd; de zoo wonderdadig
geredde reizigers waren nu op niets anders bedacht dan hun geriefelijke
scheepshutten op te zoeken en te ontbijten.
Inmiddels hielden Glenarvan en John Mangles terwijl lady Helena en Mary
Grant, de majoor, Paganel en Robert de kampanje ingingen, Tom Austin bij
zich. Zij wilden hem nog nader ondervragen.
"Antwoord nu eens, oude Tom!" zeide Glenarvan. "Hebt gij dat bevel om op
de kust van Nieuw-Zeeland te gaan kruisen niet heel vreemd gevonden?"
"Zeker, Uwe Edelheid!" antwoordde Austin, "ik stond er raar van te
kijken; maar ik ben niet gewoon de bevelen, die ik krijg, te bepraten,
en heb dus gehoorzaamd. Kon ik anders handelen? Zou het niet mijne
schuld geweest zijn, wanneer er een ongeluk had plaats gehad, omdat ik
uw last niet letterlijk had opgevolgd? Zoudt gij anders gehandeld
hebben, kapitein?"
"Neen, Tom!" antwoordde John Mangles.
"Maar wat hebt gij wel gedacht?" vroeg Glenarvan.
"Ik heb gedacht, Uwe Edelheid! dat het belang van Harry Grant vorderde
te gaan, waar gij mij heen zondt. Ik heb gedacht, dat ingevolge een
wijziging in uw reisplan een schip u naar Nieuw-Zeeland brengen zou, en
dat ik u op de oostkust des eilands moest afwachten. Bij mijn vertrek
uit Melbourne heb ik mijn bestemming geheim gehouden, en de bemanning
heeft ze eerst vernomen, toen wij in volle zee waren en de australische
kust reeds uit het oog hadden verloren. Maar toen is er aan boord iets
voorgevallen, dat mij veel angst veroorzaakte."
"Wat bedoelt gij, Tom?" vroeg Glenarvan.
"Ik bedoel," antwoordde Tom Austin, "dat, toen de bootsman Ayrton, daags
nadat wij in zee gestoken waren, de bestemming der _Duncan_ vernam...."
"Ayrton!" riep Glenarvau. "Is hij dan aan boord?"
"Ja, Uwe Edelheid!"
"Ayrton hier!" herhaalde Glenarvan, terwijl hij John Mangles aanzag.
"God heeft het zoo gewild!" antwoordde de jonge kapitein.
Bliksemsnel ging nu in een oogenblik het gedrag van Ayrton, zijn lang
voorbereid verraad, de wond van Glenarvan, de moord van Mulrady, de
rampen van het reisgezelschap in de moerassen der Sneeuwrivier
achtergelaten, al het verledene van dien schurk voorbij het oog dier
twee mannen. En nu was de roover, door een allerzonderlingsten samenloop
van omstandigheden, in hun magt.
"Waar is hij?" vroeg Glenarvan driftig.
"In een hut in het vooronder," antwoordde Tom Austin, "waar hij streng
bewaakt wordt."
"Wat beduidt die gevangenzetting?"
"Omdat Ayrton, toen hij zag, dat het jagt naar Nieuw-Zeeland stevende,
woedend werd; omdat hij mij wilde dwingen den koers van het vaartuig te
veranderen; omdat hij mij gedreigd heeft; eindelijk, omdat hij het
scheepsvolk tot oproer aanzette. Ik heb begrepen, dat hij een
gevaarlijke kerel was, en dat ik voorzorgsmaatregelen tegen hem nemen
moest."
"En sedert dien tijd?"
"Sedert dien tijd is hij in zijn hut gebleven, zonder pogingen te doen
om er uit te komen."
"Goed, Tom!"
Nu werden Glenarvan en John Mangles in de kampanje geroepen. Het
ontbijt, waaraan zij zulk een behoefte hadden, stond gereed. Zij zetten
zich in de _longroom_ aan tafel en spraken niet over Ayrton.
Maar toen de maaltijd afgeloopen was en de gasten verkwikt en hersteld
op het dek bijeen waren, vertelde Glenarvan hun, dat de bootsman aan
boord was. Tevens deelde hij hun mede, dat hij voornemens was hem voor
hen te doen verschijnen.
"Zou ik niet bij dat verhoor gemist kunnen worden?" vroeg lady Helena.
"Ik beken, lieve Edward! dat het gezigt van dien ongelukkige zeer
pijnlijk voor mij zou wezen."
"Het is een getuigenverhoor, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Blijf,
verzoek ik u. Ben Joyce moet al zijn slagtoffers voor zich zien!"
Lady Helena erkende de juistheid dier opmerking. Mary Grant en zij namen
plaats bij lord Glenarvan. Rondom hem schaarden zich de majoor, Paganel,
John Mangles, Robert, Wilson, Mulrady en Olbinett, die allen in zulk een
groot gevaar hadden verkeerd door het verraad van den roover. De
bemanning van het jagt begreep wel niet het ernstige van het tooneel,
maar bewaarde toch een diep stilzwijgen.
"Laat Ayrton hier komen!" beval Glenarvan.