XVII.

Waarom de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste.

Wij wagen het niet de gewaarwordingen te schetsen van Glenarvan en zijn

vrienden, toen de zangen van Oud-Schotland in hun oor klonken. Zoodra

zij den voet zetteden op het dek der _Duncan_, hief de pijper op zijn

doedelzak het volkslied van den stam van Malcolm aan en werd de

terugkomst van den lord op zijn schip met een daverend hoera! begroet.

Glenarvan, John Mangles, Paganel, Robert, ja zelfs de majoor, allen

weenden, allen omhelsden elkander. Dat was een vreugde, die tot

dronkenschap steeg. De aardrijkskundige was volslagen gek; hij maakte

allerlei kromme sprongen en legde met zijn onafscheidelijken kijker op

de laatste praauwen aan, die reeds digt bij de kust waren.

Maar toen de bemanning van het jagt bespeurde, hoe Glenarvan en zijn

reisgenooten in lompen waren gehuld, hoe ingevallen hun kaken waren, hoe

het lijden op hun gelaat te lezen stond, kwam er een einde aan de

uitbarsting van vreugde. Het waren spoken die aan boord terugkwamen, en

niet die stoute en nette reizigers, die voor drie maanden vol blijde

hoop het spoor der schipbreukelingen waren gaan zoeken. Het toeval,

louter het toeval bragt hen terug op dat schip, dat zij in het geheel

niet verwacht hadden weer te zien! En in welk een treurigen,

uitgeteerden en zwakken toestand!

Maar alvorens aan de vermoeijenis, aan de dringende eischen van honger

en dorst te denken, ondervroeg Glenarvan Tom Austin naar de oorzaak van

zijn oponthoud in die wateren.

Waarom was de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland? Hoe kwam het,

dat ze niet in handen van Ben Joyce was? Door welke wonderdadige

tusschenkomst had God ze den vlugtelingen te gemoet gezonden?

Waarom? Hoe? Met welk voornemen? Daarmede begonnen al de vragen, die in

éénen adem tot Tom Austin werden gerigt. De oude zeeman wist niet, naar

wien hij het eerst zou luisteren. Hij besloot dus om alleen naar lord

Glenarvan te hooren en hem alleen te antwoorden.

"Maar de gedeporteerden?" vroeg Glenarvan, "wat hebt gij met de

gedeporteerden gedaan?"

"De gedeporteerden?..." herhaalde Tom Austin op den toon van iemand, die

niets van een vraag begrijpt.

"Ja! de schurken, die het jagt hebben aangetast?"

"Gij zult toch moeten bekennen, Paganel! dat het wat al te kras zou

zijn!"

"Wat blieft?" vroeg de aardrijkskundige, die, zooals hij daar stond met

krommen rug en den bril in de hoogte geschoven, veel had van een

reusachtig vraagteeken.

Austin kwam terug. Hij hield den brief in de hand, dien Paganel

geschreven en Glenarvan geteekend had.

"Lees, Uwe Edelheid!" zeide de oude zeeman.

Glenarvan greep den brief en las:

"Bevel aan Tom Austin om onmiddellijk zee te kiezen en de _Duncan_ op 87

graden breedte naar de oostkust van Nieuw-Zeeland te brengen!..."

"Nieuw-Zeeland!" riep Paganel opspringende.

En hij rukte den brief uit de hand van Glenarvan, wreef zich de oogen

uit, zette den bril goed op den neus, en las zelf.

"Nieuw-Zeeland!" sprak bij op jammerenden toon, terwijl de brief uit

zijn vingers glipte.

Daar voelde hij, dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij rigtte

zich overeind en zag den majoor voor zich staan.

"Het is waarlijk gelukkig, beste Paganel!" zeide Mac Nabbs met een

ernstig gezigt, "dat gij de _Duncan_ niet naar Cochinchina gezonden

hebt!"

Die scherts bragt den armen aardrijkskundige geheel van zijn stuk. Een

algemeene lachbui overviel de geheele bemanning van het jagt. Paganel

liep als krankzinnig heen en weer met het hoofd tusschen de handen en

rukte zich de haren uit. Hij wist niet meer, wat hij deed, evenmin wat

hij wilde doen! Hij liep werktuigelijk den trap van de kampanje af, hij

waggelde over het dek, liep doelloos voort, en klom weer op de

voorplecht. Daar raakten zijn voeten verward in een opgerold kabeltouw.

Hij struikelde. Hij sloeg de hand uit en greep een touw.

Eensklaps had er een vreeselijke losbranding plaats. Het kanon op de

voorplecht ging af en de geheele lading schroot vloog over de rustige

golven. De onhandige Paganel had de treklijn van het nog geladen stuk

gegrepen en het kruid doen ontploften. Dat was de oorzaak van dien

donderslag. De aardrijkskundige sloeg achterover van den trap en

verdween door de luikklap in het tusschendek.

De verbazing, door het schot teweeggebragt, maakte plaats voor schrik.

Men geloofde aan een ongeluk. Tien matrozen snelden naar het tusschendek

en bragten Paganel boven, die geheel in elkaar was gezakt. De

aardrijkskundige sprak niet meer.

Dat lange ligchaam werd op de kampanje nedergelegd. De makkers van den

wakkeren Franschman waren wanhopend. De majoor, die als het pas gaf ook

dokter was, wilde den ongelukkigen Paganel ontkleeden om zijn wonden te

verbinden; maar naauwelijks raakte hij den zieltogende aan, of deze rees

overeind, alsof hij in aanraking met een electrische klos was gebragt.

"Nooit! nooit!" riep hij uit; en terwijl hij de lompen van zijn kleeren

om zijn mager ligchaam sloeg, knoopte hij ze met bijzondere drift vast.

"Maar, Paganel!" zeide de majoor.

"Neen! zeg ik u!"

"Ik moet toch eens zien...."

"Gij zult niet zien!"

"Misschien hebt gij iets gebroken...." hernam Mac Nabbs.

"Ja!" antwoordde Paganel, die op zijn lange beenen overeind ging staan,

"maar wat ik gebroken heb, zal de timmerman wel maken!"

"Wat dan?"

"Den stut van het tusschendek, die in mijn val gebroken is!"

Op dit antwoord begon het lagchen op nieuw. Dit gezegde had al de

vrienden van den waardigen Paganel gerust gesteld, die heelhuids was

afgekomen van zijn ontmoeting met het kanon op de voorplecht.

"Die aardrijkskundige," dacht de majoor, "is in allen gevalle bijzonder

schaamachtig uitgevallen."

Echter moest Paganel, toen hij wat van den schrik bekomen was, nog een

vraag beantwoorden, die hij niet ontwijken kon.

"Antwoord nu eens opregt, Paganel!" sprak Glenarvan. "Ik erken, dat uw

verstrooidheid door God beschikt is: zonder u was voorzeker de _Duncan_

in de handen der roovers gevallen, zonder u hadden de Maori's ons weer

gevangen genomen! Maar zeg mij toch om Gods wil! door welke vreemde

verbinding van denkbeelden, door welke bovennatuurlijke

verstandsverbijstering zijt gij er toch toe gekomen om den naam

Nieuw-Zeeland te schrijven voor dien van Australië?"

"Wel, voor den drommel!" riep Paganel, "omdat...."

Maar tegelijk ontmoette zijn oog Robert en Mary Grant en bij bleef

steken; daarna ging hij voort:

"Wat zal ik zeggen, waarde Glenarvan! ik ben een zinnelooze, een gek,

een onverbeterlijk schepsel, en ik zal sterven in de huid van den

beruchtsten verstrooide...."

"Als gij ten minste niet gevild wordt!" voerde de majoor er bij.

"Mij villen!" riep de aardrijkskundige met een vuurrood gezigt. "Wat

bedoelt gij daarmee?..."

"Wat zou ik er mee bedoelen, Paganel?" vroeg Mac Nabbs even bedaard als

altijd.

Het voorval had geen verdere gevolgen. Het geheim van de

tegenwoordigheid der _Duncan_ was opgehelderd; de zoo wonderdadig

geredde reizigers waren nu op niets anders bedacht dan hun geriefelijke

scheepshutten op te zoeken en te ontbijten.

Inmiddels hielden Glenarvan en John Mangles terwijl lady Helena en Mary

Grant, de majoor, Paganel en Robert de kampanje ingingen, Tom Austin bij

zich. Zij wilden hem nog nader ondervragen.

"Antwoord nu eens, oude Tom!" zeide Glenarvan. "Hebt gij dat bevel om op

de kust van Nieuw-Zeeland te gaan kruisen niet heel vreemd gevonden?"

"Zeker, Uwe Edelheid!" antwoordde Austin, "ik stond er raar van te

kijken; maar ik ben niet gewoon de bevelen, die ik krijg, te bepraten,

en heb dus gehoorzaamd. Kon ik anders handelen? Zou het niet mijne

schuld geweest zijn, wanneer er een ongeluk had plaats gehad, omdat ik

uw last niet letterlijk had opgevolgd? Zoudt gij anders gehandeld

hebben, kapitein?"

"Neen, Tom!" antwoordde John Mangles.

"Maar wat hebt gij wel gedacht?" vroeg Glenarvan.

"Ik heb gedacht, Uwe Edelheid! dat het belang van Harry Grant vorderde

te gaan, waar gij mij heen zondt. Ik heb gedacht, dat ingevolge een

wijziging in uw reisplan een schip u naar Nieuw-Zeeland brengen zou, en

dat ik u op de oostkust des eilands moest afwachten. Bij mijn vertrek

uit Melbourne heb ik mijn bestemming geheim gehouden, en de bemanning

heeft ze eerst vernomen, toen wij in volle zee waren en de australische

kust reeds uit het oog hadden verloren. Maar toen is er aan boord iets

voorgevallen, dat mij veel angst veroorzaakte."

"Wat bedoelt gij, Tom?" vroeg Glenarvan.

"Ik bedoel," antwoordde Tom Austin, "dat, toen de bootsman Ayrton, daags

nadat wij in zee gestoken waren, de bestemming der _Duncan_ vernam...."

"Ayrton!" riep Glenarvau. "Is hij dan aan boord?"

"Ja, Uwe Edelheid!"

"Ayrton hier!" herhaalde Glenarvan, terwijl hij John Mangles aanzag.

"God heeft het zoo gewild!" antwoordde de jonge kapitein.

Bliksemsnel ging nu in een oogenblik het gedrag van Ayrton, zijn lang

voorbereid verraad, de wond van Glenarvan, de moord van Mulrady, de

rampen van het reisgezelschap in de moerassen der Sneeuwrivier

achtergelaten, al het verledene van dien schurk voorbij het oog dier

twee mannen. En nu was de roover, door een allerzonderlingsten samenloop

van omstandigheden, in hun magt.

"Waar is hij?" vroeg Glenarvan driftig.

"In een hut in het vooronder," antwoordde Tom Austin, "waar hij streng

bewaakt wordt."

"Wat beduidt die gevangenzetting?"

"Omdat Ayrton, toen hij zag, dat het jagt naar Nieuw-Zeeland stevende,

woedend werd; omdat hij mij wilde dwingen den koers van het vaartuig te

veranderen; omdat hij mij gedreigd heeft; eindelijk, omdat hij het

scheepsvolk tot oproer aanzette. Ik heb begrepen, dat hij een

gevaarlijke kerel was, en dat ik voorzorgsmaatregelen tegen hem nemen

moest."

"En sedert dien tijd?"

"Sedert dien tijd is hij in zijn hut gebleven, zonder pogingen te doen

om er uit te komen."

"Goed, Tom!"

Nu werden Glenarvan en John Mangles in de kampanje geroepen. Het

ontbijt, waaraan zij zulk een behoefte hadden, stond gereed. Zij zetten

zich in de _longroom_ aan tafel en spraken niet over Ayrton.

Maar toen de maaltijd afgeloopen was en de gasten verkwikt en hersteld

op het dek bijeen waren, vertelde Glenarvan hun, dat de bootsman aan

boord was. Tevens deelde hij hun mede, dat hij voornemens was hem voor

hen te doen verschijnen.

"Zou ik niet bij dat verhoor gemist kunnen worden?" vroeg lady Helena.

"Ik beken, lieve Edward! dat het gezigt van dien ongelukkige zeer

pijnlijk voor mij zou wezen."

"Het is een getuigenverhoor, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Blijf,

verzoek ik u. Ben Joyce moet al zijn slagtoffers voor zich zien!"

Lady Helena erkende de juistheid dier opmerking. Mary Grant en zij namen

plaats bij lord Glenarvan. Rondom hem schaarden zich de majoor, Paganel,

John Mangles, Robert, Wilson, Mulrady en Olbinett, die allen in zulk een

groot gevaar hadden verkeerd door het verraad van den roover. De

bemanning van het jagt begreep wel niet het ernstige van het tooneel,

maar bewaarde toch een diep stilzwijgen.

"Laat Ayrton hier komen!" beval Glenarvan.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 23 / 29 题