Tusschen twee vuren.
De nacht begunstigde de ontsnapping der vlugtelingen. Daarvan moest men
gebruik maken om de noodlottige omstreken van het Taupo-meer te
verlaten. Paganel nam het bestuur over het kleine gezelschap op zich, en
zijn buitengewoon reizigers-instinct openbaarde zich op nieuw op dien
moeijelijken zwerftogt door de bergen. Hij ging met verrassend beleid in
de duisternis te werk, koos zonder aarzelen de bijna onzigtbare paden,
en hield steeds zonder eenige afwijking dezelfde rigting. Zijn
nachtziendheid kwam hem hierbij uitmuntend te stade, en zijn kattenoogen
stelden hem in staat om de geringste voorwerpen in die duisternis te
onderscheiden.
Drie uren lang liepen zij rusteloos voort over de zeer lange hellingen
van de oostzijde van het gebergte. Paganel hield een weinig
zuidoostelijk af om een naauwen weg te bereiken, die tusschen de
Kaimanawa- en Wahiti-Ranges is aangelegd, waar de weg van Auckland naar
de Hawkes-baai overheen loopt. Zoodra die engte achter den rug was, had
hij plan den weg te verlaten, en onder beschutting van de hooge ketens
naar de kust te gaan door de onbewoonde streken der provincie.
's Morgens ten negen ure waren zij na een marsch van twaalf uren
evenveel mijlen ver gekomen. Men mogt niet meer van de moedige vrouwen
vergen. Bovendien scheen de plaats zeer geschikt om er eenigen tijd stil
te houden. De vlugtelingen hadden den pas bereikt, die de twee ketens
scheidt. De weg naar Oberland lag regts en liep naar het zuiden. Met de
kaart in de hand maakte Paganel een hoek naar het zuidoosten en ten tien
ure bereikte het kleine gezelschap een soort van steilen heuvel, die
door een uitstekende punt van den berg gevormd werd.
De levensmiddelen werden uit de zakken gehaald en met smaak genuttigd.
Mary Grant en de majoor, die voorheen geen trek hadden in de eetbare
varens, smulden er nu aan.
Tot 's namiddags twee ure bleef men daar rusten, toen sloeg men den weg
naar het oosten weder in en 's avonds hielden de reizigers acht mijlen
van de bergen af stil. Zij lieten zich niet lang noodigen om onder den
blooten hemel te gaan slapen.
's Anderendaags leverde de weg nog al groote moeijelijkheden op. Zij
moesten de merkwaardige streek der vulkanische meren, geysers en
zwavelgroeven doortrekken, die zich ten oosten van de Wahiti-Ranges
uitstrekt. De oogen verlustigden zich vrij wat meer dan de beenen. Om de
kwartmijl moest men omwegen maken, trof men hinderpalen en hoeken aan,
alles zeer vermoeijend natuurlijk; maar ook welk een vreemd schouwspel!
Welk een eindelooze verscheidenheid heerschte er in die grootsche
natuurtooneelen!
Op die uitgestrekte ruimte van twintig vierkante mijlen openbaarden zich
de onderaardsche krachten onder allerlei gedaante. Zeer doorschijnende
zoutbronnen, door millioenen insecten bevolkt, lagen tusschen het
kreupelhout van inlandsche theestruiken. Zij verspreidden een
doordringende lucht als van verbrand kruid, en bedekten den grond met
een korst, zoo verblindend wit als sneeuw. Haar heldere wateren waren
bijna tot kookhitte gebragt, terwijl andere naburige bronnen met ijs
waren bedekt. Reusachtige varens, die veel overeenkomst hadden met den
plantengroei in het silurische tijdperk, groeiden aan haar oevers.
Van alle kanten spoten waterschoven, door dampen omringd, uit den grond
als de waterstralen van een park, sommigen onafgebroken, anderen met
tusschenpoozen en onderworpen aan de willekeur van een grilligen Pluto.
Zij rezen amphitheatersgewijze omhoog op natuurlijke terrassen, die als
nieuwerwetsche bekkens boven elkander geplaatst waren; haar water
vermengde zich langzamerhand onder wolken witten rook, en knagende aan
de half doorschijnende treden dier reusachtige trappen, voedden zij
geheele meren met haar bruischende watervallen.
Wat verder volgden op de warme bronnen en de onstuimige geysers de
zwavelgroeven. De grond scheen geheel bezet met dikke puisten. Het waren
half uitgebrande kraters, met tallooze scheuren en spleten, waaruit
allerlei gassoorten opstegen. De dampkring was doortrokken met de sterke
en onaangename lucht van het zwavelzuur. De grond was geheel bedekt met
korsten zwavel en zwavelkristallen. Daar werden sedert eeuwen
onberekenbare en ongebruikte rijkdommen opgehoopt, en in dit nog weinig
bekende deel van Nieuw-Zeeland zal de nijverheid de noodige grondstoffen
komen halen, indien de zwavelgroeven van Sicilië eens uitgeput mogten
raken.
Men begrijpt ligt, wat al vermoeienissen de reizigers moesten uitstaan
op hun togt door zulke lastige streken. Het was moeijelijk een geschikte
legerplaats te vinden, en de karabijn der jagers ontmoette geen enkelen
vogel, die waardig was door de hand van Olbinett geplukt te worden.
Meestal moesten zij zich daarom vergenoegen met varens en zoete pataten,
een schralen maaltijd, die de uitgeputte krachten van het kleine
gezelschap niet kon herstellen. Glenarvan verlangde daarom hartelijk
naar het einde van die dorre en woeste gronden.
En toch waren er niet minder dan vier dagen noodig om die onbereisbare
streek door te trekken. Eerst den 23sten Februarij mogt Glenarvan
vijftig mijlen van den Maunganamu af zich legeren aan den voet van een
berg zonder naam, die naauwkeurig aangeteekend stond op de kaart van
Paganel. De met struiken begroeide vlakten lagen voor hem en aan den
gezigteinder vertoonden zich weer groote bosschen.
Dat was een goed voorteeken, althans wanneer de bewoonbaarheid dier
streken er niet te veel inwoners heenlokte. Tot nog toe hadden de
reizigers geen schaduw van een inlander gezien.
Dien zelfden dag doodden Mac Nabbs en Robert eenige kiwi's, die den
hoofdschotel uitmaakten op de tafel der reizigers; maar die eer duurde,
om de waarheid te zeggen, niet lang, want zij werden van den bek af tot
de pooten toe opgekloven.
Bij het dessert, tusschen de zoete pataten en de aardappels in, deed
Paganel een voorstel, dat met geestdrift werd aangenomen.
Hij stelde voor den naam Glenarvan te geven aan dien onbenoemden berg,
die ter hoogte van drieduizend voet zijn kruin in de wolken verschool,
en teekende zorgvuldig den naam van den schotschen lord op zijn kaart
aan.
Het zou overbodig zijn lang stil te staan bij de vrij eentoonige en
onbeduidende voorvallen, die het overige van de reis kenmerkten. Op
dezen togt van de meren naar de Stille Zuidzee hadden maar twee of drie
feiten van eenig belang plaats.
Den ganschen dag liep de weg door bosschen en over vlakten. John rigtte
zich naar de zon en de sterren. De hemel was goedertieren genoeg hun
geen warmte of regen toe te zenden. Niettemin gevoelden die reeds zoo
wreed beproefde reizigers een steeds toenemende vermoeidheid, die hen
reikhalzend naar de zendingsposten deed uitzien.
Toch praatten en redeneerden zij nog; maar het gesprek was niet langer
algemeen. Het kleine gezelschap scheidde zich in groepen, wier leden
echter niet door innige vriendschap, maar meer door een gelijkheid van
denkbeelden tot elkander aangetrokken werden.
Meestal liep Glenarvan alleen. Hoe digter hij bij de kust kwam, des te
meer dacht hij aan de _Duncan_ en haar bemanning. Hij vergat de gevaren,
die hem nog tot Auckland toe bedreigden, om aan zijn vermoorde matrozen
te denken. Dat vreeselijk beeld zweefde hem steeds voor oogen.
Over Harry Grant werd niet meer gesproken. Wat zou het ook gebaat
hebben? Men kon toch niets voor hem ondernemen. De naam van den kapitein
kwam alleen nog maar voor in de gesprekken tusschen diens dochter en
John Mangles.
John had Mary niet herinnerd aan hetgeen het jonge meisje hem had gezegd
in dien laatsten nacht in het graf. Hij was te bescheiden om een woord,
dat in zulk een ernstig en wanhopig oogenblik uitgesproken was, als
verbindend te beschouwen.
Wanneer hij over Harry Grant sprak, maakte John nog plannen voor latere
nasporingen. Hij verzekerde Mary dat lord Glenarvan die mislukte
onderneming zou hervatten. Hij ging uit van de stelling, dat de echtheid
van het document niet betwijfeld kon worden. Dus leefde Harry Grant nog
ergens. Dus moest men hem terugvinden, al zou men ook de geheele wereld
doorzoeken. Mary was verrukt over die woorden, en door dezelfde
gedachten verbonden, gaven John en zij zich nu over aan dezelfde hoop.
Dikwijls mengde lady Helena zich in hun gesprek; maar zij vleide zich
niet met zooveel hersenschimmen, en wachtte zich toch wel de jonge
lieden tot de treurige werkelijkheid terug te voeren.
Inmiddels jaagden Mac Nabbs, Robert, Wilson en Mulrady, zonder zich te
ver van het kleine gezelschap te verwijderen, en ieder hunner verschafte
zijn aandeel aan het wild. Steeds in zijn linnen mantel gewikkeld, hield
Paganel zich zwijgend en nadenkend ter zijde.
En toch--het doet ons genoegen het te mogen zeggen--ondanks die
natuurwet, volgens welke in beproevingen, gevaren, vermoeienissen en
ontberingen de beste karakters ontstemd en verbitterd worden, waren al
die ongelukkigen eensgezind en verknocht gebleven, en gereed om zich
voor elkander op te offeren.
Den 25sten Februarij werd de weg versperd door een rivier, die volgens
de kaart van Paganel de Waikari zijn moest. Zij kon doorwaad worden.
Twee dagen lang volgden de met struiken begroeide vlakten elkander
onafgebroken op. De helft van den afstand, die het Taupo-meer van de
kust scheidt, was zonder ongeval, doch niet zonder vermoeidheid
afgelegd.
Nu vertoonden zich ontzaggelijke en eindelooze bosschen, die veel
geleken op de australische bosschen; maar hier vervingen de kauri's de
gomboomen. Hoewel hun bewondering reeds menigmaal was opgewekt op hun
viermaandelijksche reis, stonden Glenarvan en zijn makkers toch verbaasd
op het gezigt dier reusachtige pijnboomen, de waardige mededingers der
ceders van den Libanon, en der mammouth-boomen van Californië. Die
kauri's begonnen hun takken eerst honderd voet boven den grond uit te
spreiden. Er stonden maar weinige bij elkander, en het bosch bestond
niet uit boomen, maar uit ontelbare groepjes boomen, die hun zonnescherm
van groene bladeren twee honderd voet hoog in de lucht opzetten.
Eenige dier pijnboomen waren nog jong, naauwelijks een eeuw oud, en
geleken op de roode dennen der europeesche landen. Zij droegen een
somberen kroon, die in een spitsen kegel eindigde. De oudste
daarentegen, die wel vijf of zes eeuwen telden, vormden onmetelijke
tenten van groen, ondersteund door de onontwarbare menigte takken. Die
aartsvaders van het zeelandsche bosch hadden wel vijftig voet in omtrek,
en de vereenigde armen van al de reizigers konden hun reusachtigen stam
nog niet omvademen.
Drie dagen lang trok bet kleine gezelschap voort onder die
zaamgevlochten takken en over een kleiachtigen bodem, dien de voet des
menschen nog nooit had betreden. Dat kon men wel zien aan de stapels
harsachtige gom, die op vele plaatsen aan den voet der kauri's opgehoopt
lagen, en die voor vele jaren kon voorzien in den uitvoerhandel der
inlanders.
De jagers vonden de kiwi's, die zoo zelden voorkomen in de streken,
welke de inlanders bezoeken, hier in talrijke troepen bijeen. In die
ontoegankelijke wouden zijn die vreemde vogels gevlugt, toen de
zeelandsche honden hen verjaagd hadden. Zij leverden een overvloedig en
gezond voedsel op de tafel der reizigers.
Paganel had zelfs het voorregt in de verte in een digt boschje een paar
reusachtige vogels te ontdekken. Zijn instinct van natuurkundige werd in
hem wakker. Hij riep zijn makkers, en hoe vermoeid zij ook waren, toch
zetten de majoor, Robert en hij die dieren achterna.
Men zal de brandende nieuwsgierigheid van den aardrijkskundige
begrijpen, wanneer men weet, dat hij die vogels herkende of althans
meende te herkennen voor "moa's," behoorende tot de soort der
"dinormi's," die verscheidene geleerden onder de uitgestorven soorten
rangschikken. Deze ontmoeting nu bevestigde de meening van den heer Von
Hochstetter aangaande het tegenwoordig bestaan dier vleugelloose reuzen
van Nieuw-Zeeland.
Die moa's, welke Paganel vervolgde, de tijdgenooten der megatheriums en
pterodactylussen, waren zeker achttien voet hoog. Het waren onmatig
groote en lafhartige struisvogels; want zij vlugtten met verbazende
snelheid. Geen kogel kon hen in hun vaart stuiten. Nadat die jagt eenige
minuten had geduurd, verdwenen die onbereikbare moa's achter de groote
boomen, en de jagers hadden hun kruid verspild en zich nog duchtig
vermoeid op den koop toe.
Dien avond, den 1sten Maart, verlieten Glenarvan en zijn makkers
eindelijk het ontzaggelijke kauri-bosch, en legerden zich aan den voet
van den Ikirangi, wiens top zich vijf duizend vijf honderd voet hoog
verheft.
Nu waren er van den Maunganamu af ruim honderd mijlen afgelegd, en de
kust was nog dertig mijlen verder. John Mangles had gehoopt die reis in
tien dagen te doen; maar hij was toen nog onbekend met de bezwaren,
welke die landstreek opleverde.
De omwegen en hinderpalen op den weg, de gebrekkige berekeningen, hadden
hem eigenlijk een vijfde langer gemaakt, en ongelukkig waren de
reizigers, toen zij aan den Ikirangi kwamen, geheel krachteloos.
Nog twee goede dagmarschen waren noodig om de kust te bereiken, en een
nieuwe werkzaamheid, een buitengewone waakzaamheid werden thans
vereischt; want men kwam nu in een streek, die de inlanders druk
bezochten.
Elk verzette zich dus tegen de vermoeidheid en den volgenden dag vertrok
het kleine gezelschap weder met zonsopgang.
Tusschen den Ikirangi regts en den Hardy links, wiens top zich verhief
ter hoogte van drie duizend zeven honderd voet, werd de reis hoogst
moeijelijk. Daar bevond zich over een lengte van tien mijlen een vlakte,
digt begroeid met "supple jacks," een soort van buigzame banden, teregt
"smorende slingerplanten" genoemd. Bij iedere schrede raakten armen en
beenen er in verward, en als echte slangen kronkelden die slingerplanten
zich in allerlei bogten om het ligchaam. Twee dagen lang moest men met
de bijl in de hand voortgaan en tegen die hydra met honderd duizend
hoofden worstelen, die lastige en vasthoudende planten, welke Paganel
gaarne onder de dierplanten had gerangschikt.
In die vlakten werd de jagt een onmogelijkheid en de jagers bragten niet
langer hun gewone schatting. De levensmiddelen raakten op, men kon geen
andere krijgen; er was gebrek aan water, men kon den dorst niet stillen,
die nog vergroot werd door de vermoeienis.
Nu werd het lijden van Glenarvan en de zijnen verschrikkelijk, en voor
het eerst dreigde hun geestkracht te bezwijken.
Eindelijk bereikten zij niet loopende, maar kruipende, ligchamen zonder
ziel, die alleen nog op de been gehouden werden door de zucht tot
levensbehoud, die elk ander gevoel overleefde, kaap Lottin, op de kust
der Stille Zuidzee.
Hier stonden eenige ledige hutten, de puinhoopen van een dorp, dat de
oorlog pas vernield had, verlatene velden, overal de sporen van
plundering en brand. Daar bereidde het noodlot den ongelukkigen
reizigers nog een laatste en verschrikkelijke beproeving.
Zij zwierven langs de kust, toen er een mijl landwaarts in een afdeeling
inlanders opdaagde, die met hun wapens zwaaijende naar hen toekwamen.
Glenarvan, die tusschen hen en de zee instond, kon niet vlugten, en zijn
laatste krachten bijeenrapende maakte hij zich tot den strijd gereed,
toen John Mangles uitriep:
"Een boot! een boot!"
Twintig schreden van hen af lag werkelijk een praauw met zes riemen op
het strand. Haar vlot te maken, er in te springen en dien gevaarlijken
oever te ontwijken was het werk van een oogenblik. John Mangles, Mac
Nabbs, Wilson en Mulrady grepen de riemen, Glenarvan het roer, de twee
vrouwen, Olbinett, Robert en Paganel namen bij hem plaats.
In tien minuten was de praauw een kwart mijl in zee. Het water was
effen. De vlugtelingen bewaarden een diep stilzwijgen.
John, die zich niet te ver van de kust wilde verwijderen, zou juist
bevel geven om langs het strand te houden, toen zijn riem op eens in
zijn handen bleef rusten.
Hij had drie praauwen in het oog gekregen, die van kaap Lottin afstaken,
duidelijk met plan om jagt op hem te maken.
"In zee! in zee!" riep hij, "liever verdrinken wij in de golven!"
Door haar vier roeijers voortbewogen koos de praauw weer zee. Een half
uur lang kon ze vooruit blijven; maar de ongelukkigen, wier krachten
uitgeput waren, begonnen weldra te verzwakken, en de drie praauwen
wonnen het merkbaar van hen. Thans waren ze nog maar een paar mijlen van
hen af. Het was dus onmogelijk den aanval der inlanders te ontgaan, die
zich reeds gereedmaakten om hun lange geweren af te vuren.
Wat deed Glenarvan intusschen? Achterin de boot staande, zocht hij aan
den gezigteinder eenige ingebeelde hulp. Wat wachtte hij? Wat wilde hij?
Had hij soms een voorgevoel?
Eensklaps schitterde zijn oog en wees hij met de hand naar een punt in
de ruimte.
"Een schip!" riep hij, "vrienden! een schip! roeit, roeit stevig door!"
Niet een der vier roeijers keerde zich om, ten einde dat onverwachte
schip te zien; want men mogt geen riemslag verzuimen. Paganel alleen
rees op en rigtte zijn kijker op het aangeduide pont.
"Ja!" zeide hij, "een schip! een stoomschip! het stoomt met volle
kracht! het komt op ons af! houdt moed, wakkere kameraden!"
De vlugtelingen spanden nog eens hun krachten in, en nog een half uur
lang bleven zij voor en stuwden de praauw met verdubbelde slagen voort.
Het stoomschip werd allengs duidelijker zigtbaar. Men onderscheidde de
twee kale masten en de dikke zwarte rookwolken. Glenarvan gaf het roer
aan Robert over, greep den kijker van den aardrijkskundige en ging al de
bewegingen van het vaartuig na.
Maar wat moesten John Mangles en de anderen wel denken, toen zij het
voorhoofd van den lord zagen betrekken, zijn gelaat verbleeken, en het
werktuig uit zijn handen vallen! Een enkel woord verklaarde hun die
plotselinge wanhoop.
"De _Duncan_!" riep Glenarvan, "de _Duncan_ en de roovers!"
"De _Duncan_! riep John, die zijn riem losliet en terstond opstond.
"Ja! de dood aan beide zijden!" mompelde Glenarvan, door zooveel angst
verbrijzeld.
Het was werkelijk het jagt. Men kon zich er niet in vergissen, het jagt
met zijn bemanning van roovers! De majoor kon een verwensching tegen den
hemel niet bedwingen. Het was al te veel!
Intusschen was de praauw aan zichzelve overgelaten. Waarheen ze te
sturen? Waarheen te vlugten? Was er nog een keuze mogelijk tusschen de
wilden en de roovers?
Daar werd een schot gelost uit de meest nabijzijnde inlandsche praauw en
de kogel trof den riem van Wilson. Eenige riemslagen bragten nu de
praauw wat digter bij de _Duncan_.
Het jagt stoomde met volle kracht en was maar een halve mijl ver. Van
alle zijden afgesneden, wist John Mangles niet meer wat te doen, in
welke rigting te vlugten. De beide arme vrouwen lagen in haar
radeloosheid op de knieën te bidden.
De wilden onderhielden een onafgebroken geweervuur en de kogels regenden
om de praauw heen. Daar donderde op eens een zwaar schot, en een kogel,
uit het kanon van het jagt afgevuurd, vloog over het hoofd der
vlugtelingen. Tusschen twee vuren in bleven ze nu onbewegelijk liggen
tusschen de _Duncan_ en de bootjes der inboorlingen.
Krankzinnig van wanhoop greep John Mangles zijn bijl! Hij wilde de
praauw in den grond hakken en met zijn lotgenooten doen zinken, toen een
kreet van Robert hem tegenhield.
"Tom Austin! Tom Austin!" riep de knaap. "Hij is aan boord! Ik zie hem!
Hij heeft ons herkend! Hij wuift met zijn hoed!"
John liet den arm, die de bijl voerde, zakken.
Een tweede kogel ging fluitend over hen heen en boorde de digstbij
zijnde der drie praauwen in den grond, terwijl er een hoera! op de
_Duncan_ opging.
De verschrikte wilden vlugtten naar de kust.
"Help! help, Tom!" had John Mangles met luider stem geroepen.
En eenige oogenblikken later waren de tien vlugtelingen, zonder te weten
hoe, zonder er iets van te begrijpen, allen in veiligheid aan boord van
de _Duncan_.