XVI.

Tusschen twee vuren.

De nacht begunstigde de ontsnapping der vlugtelingen. Daarvan moest men

gebruik maken om de noodlottige omstreken van het Taupo-meer te

verlaten. Paganel nam het bestuur over het kleine gezelschap op zich, en

zijn buitengewoon reizigers-instinct openbaarde zich op nieuw op dien

moeijelijken zwerftogt door de bergen. Hij ging met verrassend beleid in

de duisternis te werk, koos zonder aarzelen de bijna onzigtbare paden,

en hield steeds zonder eenige afwijking dezelfde rigting. Zijn

nachtziendheid kwam hem hierbij uitmuntend te stade, en zijn kattenoogen

stelden hem in staat om de geringste voorwerpen in die duisternis te

onderscheiden.

Drie uren lang liepen zij rusteloos voort over de zeer lange hellingen

van de oostzijde van het gebergte. Paganel hield een weinig

zuidoostelijk af om een naauwen weg te bereiken, die tusschen de

Kaimanawa- en Wahiti-Ranges is aangelegd, waar de weg van Auckland naar

de Hawkes-baai overheen loopt. Zoodra die engte achter den rug was, had

hij plan den weg te verlaten, en onder beschutting van de hooge ketens

naar de kust te gaan door de onbewoonde streken der provincie.

's Morgens ten negen ure waren zij na een marsch van twaalf uren

evenveel mijlen ver gekomen. Men mogt niet meer van de moedige vrouwen

vergen. Bovendien scheen de plaats zeer geschikt om er eenigen tijd stil

te houden. De vlugtelingen hadden den pas bereikt, die de twee ketens

scheidt. De weg naar Oberland lag regts en liep naar het zuiden. Met de

kaart in de hand maakte Paganel een hoek naar het zuidoosten en ten tien

ure bereikte het kleine gezelschap een soort van steilen heuvel, die

door een uitstekende punt van den berg gevormd werd.

De levensmiddelen werden uit de zakken gehaald en met smaak genuttigd.

Mary Grant en de majoor, die voorheen geen trek hadden in de eetbare

varens, smulden er nu aan.

Tot 's namiddags twee ure bleef men daar rusten, toen sloeg men den weg

naar het oosten weder in en 's avonds hielden de reizigers acht mijlen

van de bergen af stil. Zij lieten zich niet lang noodigen om onder den

blooten hemel te gaan slapen.

's Anderendaags leverde de weg nog al groote moeijelijkheden op. Zij

moesten de merkwaardige streek der vulkanische meren, geysers en

zwavelgroeven doortrekken, die zich ten oosten van de Wahiti-Ranges

uitstrekt. De oogen verlustigden zich vrij wat meer dan de beenen. Om de

kwartmijl moest men omwegen maken, trof men hinderpalen en hoeken aan,

alles zeer vermoeijend natuurlijk; maar ook welk een vreemd schouwspel!

Welk een eindelooze verscheidenheid heerschte er in die grootsche

natuurtooneelen!

Op die uitgestrekte ruimte van twintig vierkante mijlen openbaarden zich

de onderaardsche krachten onder allerlei gedaante. Zeer doorschijnende

zoutbronnen, door millioenen insecten bevolkt, lagen tusschen het

kreupelhout van inlandsche theestruiken. Zij verspreidden een

doordringende lucht als van verbrand kruid, en bedekten den grond met

een korst, zoo verblindend wit als sneeuw. Haar heldere wateren waren

bijna tot kookhitte gebragt, terwijl andere naburige bronnen met ijs

waren bedekt. Reusachtige varens, die veel overeenkomst hadden met den

plantengroei in het silurische tijdperk, groeiden aan haar oevers.

Van alle kanten spoten waterschoven, door dampen omringd, uit den grond

als de waterstralen van een park, sommigen onafgebroken, anderen met

tusschenpoozen en onderworpen aan de willekeur van een grilligen Pluto.

Zij rezen amphitheatersgewijze omhoog op natuurlijke terrassen, die als

nieuwerwetsche bekkens boven elkander geplaatst waren; haar water

vermengde zich langzamerhand onder wolken witten rook, en knagende aan

de half doorschijnende treden dier reusachtige trappen, voedden zij

geheele meren met haar bruischende watervallen.

Wat verder volgden op de warme bronnen en de onstuimige geysers de

zwavelgroeven. De grond scheen geheel bezet met dikke puisten. Het waren

half uitgebrande kraters, met tallooze scheuren en spleten, waaruit

allerlei gassoorten opstegen. De dampkring was doortrokken met de sterke

en onaangename lucht van het zwavelzuur. De grond was geheel bedekt met

korsten zwavel en zwavelkristallen. Daar werden sedert eeuwen

onberekenbare en ongebruikte rijkdommen opgehoopt, en in dit nog weinig

bekende deel van Nieuw-Zeeland zal de nijverheid de noodige grondstoffen

komen halen, indien de zwavelgroeven van Sicilië eens uitgeput mogten

raken.

Men begrijpt ligt, wat al vermoeienissen de reizigers moesten uitstaan

op hun togt door zulke lastige streken. Het was moeijelijk een geschikte

legerplaats te vinden, en de karabijn der jagers ontmoette geen enkelen

vogel, die waardig was door de hand van Olbinett geplukt te worden.

Meestal moesten zij zich daarom vergenoegen met varens en zoete pataten,

een schralen maaltijd, die de uitgeputte krachten van het kleine

gezelschap niet kon herstellen. Glenarvan verlangde daarom hartelijk

naar het einde van die dorre en woeste gronden.

En toch waren er niet minder dan vier dagen noodig om die onbereisbare

streek door te trekken. Eerst den 23sten Februarij mogt Glenarvan

vijftig mijlen van den Maunganamu af zich legeren aan den voet van een

berg zonder naam, die naauwkeurig aangeteekend stond op de kaart van

Paganel. De met struiken begroeide vlakten lagen voor hem en aan den

gezigteinder vertoonden zich weer groote bosschen.

Dat was een goed voorteeken, althans wanneer de bewoonbaarheid dier

streken er niet te veel inwoners heenlokte. Tot nog toe hadden de

reizigers geen schaduw van een inlander gezien.

Dien zelfden dag doodden Mac Nabbs en Robert eenige kiwi's, die den

hoofdschotel uitmaakten op de tafel der reizigers; maar die eer duurde,

om de waarheid te zeggen, niet lang, want zij werden van den bek af tot

de pooten toe opgekloven.

Bij het dessert, tusschen de zoete pataten en de aardappels in, deed

Paganel een voorstel, dat met geestdrift werd aangenomen.

Hij stelde voor den naam Glenarvan te geven aan dien onbenoemden berg,

die ter hoogte van drieduizend voet zijn kruin in de wolken verschool,

en teekende zorgvuldig den naam van den schotschen lord op zijn kaart

aan.

Het zou overbodig zijn lang stil te staan bij de vrij eentoonige en

onbeduidende voorvallen, die het overige van de reis kenmerkten. Op

dezen togt van de meren naar de Stille Zuidzee hadden maar twee of drie

feiten van eenig belang plaats.

Den ganschen dag liep de weg door bosschen en over vlakten. John rigtte

zich naar de zon en de sterren. De hemel was goedertieren genoeg hun

geen warmte of regen toe te zenden. Niettemin gevoelden die reeds zoo

wreed beproefde reizigers een steeds toenemende vermoeidheid, die hen

reikhalzend naar de zendingsposten deed uitzien.

Toch praatten en redeneerden zij nog; maar het gesprek was niet langer

algemeen. Het kleine gezelschap scheidde zich in groepen, wier leden

echter niet door innige vriendschap, maar meer door een gelijkheid van

denkbeelden tot elkander aangetrokken werden.

Meestal liep Glenarvan alleen. Hoe digter hij bij de kust kwam, des te

meer dacht hij aan de _Duncan_ en haar bemanning. Hij vergat de gevaren,

die hem nog tot Auckland toe bedreigden, om aan zijn vermoorde matrozen

te denken. Dat vreeselijk beeld zweefde hem steeds voor oogen.

Over Harry Grant werd niet meer gesproken. Wat zou het ook gebaat

hebben? Men kon toch niets voor hem ondernemen. De naam van den kapitein

kwam alleen nog maar voor in de gesprekken tusschen diens dochter en

John Mangles.

John had Mary niet herinnerd aan hetgeen het jonge meisje hem had gezegd

in dien laatsten nacht in het graf. Hij was te bescheiden om een woord,

dat in zulk een ernstig en wanhopig oogenblik uitgesproken was, als

verbindend te beschouwen.

Wanneer hij over Harry Grant sprak, maakte John nog plannen voor latere

nasporingen. Hij verzekerde Mary dat lord Glenarvan die mislukte

onderneming zou hervatten. Hij ging uit van de stelling, dat de echtheid

van het document niet betwijfeld kon worden. Dus leefde Harry Grant nog

ergens. Dus moest men hem terugvinden, al zou men ook de geheele wereld

doorzoeken. Mary was verrukt over die woorden, en door dezelfde

gedachten verbonden, gaven John en zij zich nu over aan dezelfde hoop.

Dikwijls mengde lady Helena zich in hun gesprek; maar zij vleide zich

niet met zooveel hersenschimmen, en wachtte zich toch wel de jonge

lieden tot de treurige werkelijkheid terug te voeren.

Inmiddels jaagden Mac Nabbs, Robert, Wilson en Mulrady, zonder zich te

ver van het kleine gezelschap te verwijderen, en ieder hunner verschafte

zijn aandeel aan het wild. Steeds in zijn linnen mantel gewikkeld, hield

Paganel zich zwijgend en nadenkend ter zijde.

En toch--het doet ons genoegen het te mogen zeggen--ondanks die

natuurwet, volgens welke in beproevingen, gevaren, vermoeienissen en

ontberingen de beste karakters ontstemd en verbitterd worden, waren al

die ongelukkigen eensgezind en verknocht gebleven, en gereed om zich

voor elkander op te offeren.

Den 25sten Februarij werd de weg versperd door een rivier, die volgens

de kaart van Paganel de Waikari zijn moest. Zij kon doorwaad worden.

Twee dagen lang volgden de met struiken begroeide vlakten elkander

onafgebroken op. De helft van den afstand, die het Taupo-meer van de

kust scheidt, was zonder ongeval, doch niet zonder vermoeidheid

afgelegd.

Nu vertoonden zich ontzaggelijke en eindelooze bosschen, die veel

geleken op de australische bosschen; maar hier vervingen de kauri's de

gomboomen. Hoewel hun bewondering reeds menigmaal was opgewekt op hun

viermaandelijksche reis, stonden Glenarvan en zijn makkers toch verbaasd

op het gezigt dier reusachtige pijnboomen, de waardige mededingers der

ceders van den Libanon, en der mammouth-boomen van Californië. Die

kauri's begonnen hun takken eerst honderd voet boven den grond uit te

spreiden. Er stonden maar weinige bij elkander, en het bosch bestond

niet uit boomen, maar uit ontelbare groepjes boomen, die hun zonnescherm

van groene bladeren twee honderd voet hoog in de lucht opzetten.

Eenige dier pijnboomen waren nog jong, naauwelijks een eeuw oud, en

geleken op de roode dennen der europeesche landen. Zij droegen een

somberen kroon, die in een spitsen kegel eindigde. De oudste

daarentegen, die wel vijf of zes eeuwen telden, vormden onmetelijke

tenten van groen, ondersteund door de onontwarbare menigte takken. Die

aartsvaders van het zeelandsche bosch hadden wel vijftig voet in omtrek,

en de vereenigde armen van al de reizigers konden hun reusachtigen stam

nog niet omvademen.

Drie dagen lang trok bet kleine gezelschap voort onder die

zaamgevlochten takken en over een kleiachtigen bodem, dien de voet des

menschen nog nooit had betreden. Dat kon men wel zien aan de stapels

harsachtige gom, die op vele plaatsen aan den voet der kauri's opgehoopt

lagen, en die voor vele jaren kon voorzien in den uitvoerhandel der

inlanders.

De jagers vonden de kiwi's, die zoo zelden voorkomen in de streken,

welke de inlanders bezoeken, hier in talrijke troepen bijeen. In die

ontoegankelijke wouden zijn die vreemde vogels gevlugt, toen de

zeelandsche honden hen verjaagd hadden. Zij leverden een overvloedig en

gezond voedsel op de tafel der reizigers.

Paganel had zelfs het voorregt in de verte in een digt boschje een paar

reusachtige vogels te ontdekken. Zijn instinct van natuurkundige werd in

hem wakker. Hij riep zijn makkers, en hoe vermoeid zij ook waren, toch

zetten de majoor, Robert en hij die dieren achterna.

Men zal de brandende nieuwsgierigheid van den aardrijkskundige

begrijpen, wanneer men weet, dat hij die vogels herkende of althans

meende te herkennen voor "moa's," behoorende tot de soort der

"dinormi's," die verscheidene geleerden onder de uitgestorven soorten

rangschikken. Deze ontmoeting nu bevestigde de meening van den heer Von

Hochstetter aangaande het tegenwoordig bestaan dier vleugelloose reuzen

van Nieuw-Zeeland.

Die moa's, welke Paganel vervolgde, de tijdgenooten der megatheriums en

pterodactylussen, waren zeker achttien voet hoog. Het waren onmatig

groote en lafhartige struisvogels; want zij vlugtten met verbazende

snelheid. Geen kogel kon hen in hun vaart stuiten. Nadat die jagt eenige

minuten had geduurd, verdwenen die onbereikbare moa's achter de groote

boomen, en de jagers hadden hun kruid verspild en zich nog duchtig

vermoeid op den koop toe.

Dien avond, den 1sten Maart, verlieten Glenarvan en zijn makkers

eindelijk het ontzaggelijke kauri-bosch, en legerden zich aan den voet

van den Ikirangi, wiens top zich vijf duizend vijf honderd voet hoog

verheft.

Nu waren er van den Maunganamu af ruim honderd mijlen afgelegd, en de

kust was nog dertig mijlen verder. John Mangles had gehoopt die reis in

tien dagen te doen; maar hij was toen nog onbekend met de bezwaren,

welke die landstreek opleverde.

De omwegen en hinderpalen op den weg, de gebrekkige berekeningen, hadden

hem eigenlijk een vijfde langer gemaakt, en ongelukkig waren de

reizigers, toen zij aan den Ikirangi kwamen, geheel krachteloos.

Nog twee goede dagmarschen waren noodig om de kust te bereiken, en een

nieuwe werkzaamheid, een buitengewone waakzaamheid werden thans

vereischt; want men kwam nu in een streek, die de inlanders druk

bezochten.

Elk verzette zich dus tegen de vermoeidheid en den volgenden dag vertrok

het kleine gezelschap weder met zonsopgang.

Tusschen den Ikirangi regts en den Hardy links, wiens top zich verhief

ter hoogte van drie duizend zeven honderd voet, werd de reis hoogst

moeijelijk. Daar bevond zich over een lengte van tien mijlen een vlakte,

digt begroeid met "supple jacks," een soort van buigzame banden, teregt

"smorende slingerplanten" genoemd. Bij iedere schrede raakten armen en

beenen er in verward, en als echte slangen kronkelden die slingerplanten

zich in allerlei bogten om het ligchaam. Twee dagen lang moest men met

de bijl in de hand voortgaan en tegen die hydra met honderd duizend

hoofden worstelen, die lastige en vasthoudende planten, welke Paganel

gaarne onder de dierplanten had gerangschikt.

In die vlakten werd de jagt een onmogelijkheid en de jagers bragten niet

langer hun gewone schatting. De levensmiddelen raakten op, men kon geen

andere krijgen; er was gebrek aan water, men kon den dorst niet stillen,

die nog vergroot werd door de vermoeienis.

Nu werd het lijden van Glenarvan en de zijnen verschrikkelijk, en voor

het eerst dreigde hun geestkracht te bezwijken.

Eindelijk bereikten zij niet loopende, maar kruipende, ligchamen zonder

ziel, die alleen nog op de been gehouden werden door de zucht tot

levensbehoud, die elk ander gevoel overleefde, kaap Lottin, op de kust

der Stille Zuidzee.

Hier stonden eenige ledige hutten, de puinhoopen van een dorp, dat de

oorlog pas vernield had, verlatene velden, overal de sporen van

plundering en brand. Daar bereidde het noodlot den ongelukkigen

reizigers nog een laatste en verschrikkelijke beproeving.

Zij zwierven langs de kust, toen er een mijl landwaarts in een afdeeling

inlanders opdaagde, die met hun wapens zwaaijende naar hen toekwamen.

Glenarvan, die tusschen hen en de zee instond, kon niet vlugten, en zijn

laatste krachten bijeenrapende maakte hij zich tot den strijd gereed,

toen John Mangles uitriep:

"Een boot! een boot!"

Twintig schreden van hen af lag werkelijk een praauw met zes riemen op

het strand. Haar vlot te maken, er in te springen en dien gevaarlijken

oever te ontwijken was het werk van een oogenblik. John Mangles, Mac

Nabbs, Wilson en Mulrady grepen de riemen, Glenarvan het roer, de twee

vrouwen, Olbinett, Robert en Paganel namen bij hem plaats.

In tien minuten was de praauw een kwart mijl in zee. Het water was

effen. De vlugtelingen bewaarden een diep stilzwijgen.

John, die zich niet te ver van de kust wilde verwijderen, zou juist

bevel geven om langs het strand te houden, toen zijn riem op eens in

zijn handen bleef rusten.

Hij had drie praauwen in het oog gekregen, die van kaap Lottin afstaken,

duidelijk met plan om jagt op hem te maken.

"In zee! in zee!" riep hij, "liever verdrinken wij in de golven!"

Door haar vier roeijers voortbewogen koos de praauw weer zee. Een half

uur lang kon ze vooruit blijven; maar de ongelukkigen, wier krachten

uitgeput waren, begonnen weldra te verzwakken, en de drie praauwen

wonnen het merkbaar van hen. Thans waren ze nog maar een paar mijlen van

hen af. Het was dus onmogelijk den aanval der inlanders te ontgaan, die

zich reeds gereedmaakten om hun lange geweren af te vuren.

Wat deed Glenarvan intusschen? Achterin de boot staande, zocht hij aan

den gezigteinder eenige ingebeelde hulp. Wat wachtte hij? Wat wilde hij?

Had hij soms een voorgevoel?

Eensklaps schitterde zijn oog en wees hij met de hand naar een punt in

de ruimte.

"Een schip!" riep hij, "vrienden! een schip! roeit, roeit stevig door!"

Niet een der vier roeijers keerde zich om, ten einde dat onverwachte

schip te zien; want men mogt geen riemslag verzuimen. Paganel alleen

rees op en rigtte zijn kijker op het aangeduide pont.

"Ja!" zeide hij, "een schip! een stoomschip! het stoomt met volle

kracht! het komt op ons af! houdt moed, wakkere kameraden!"

De vlugtelingen spanden nog eens hun krachten in, en nog een half uur

lang bleven zij voor en stuwden de praauw met verdubbelde slagen voort.

Het stoomschip werd allengs duidelijker zigtbaar. Men onderscheidde de

twee kale masten en de dikke zwarte rookwolken. Glenarvan gaf het roer

aan Robert over, greep den kijker van den aardrijkskundige en ging al de

bewegingen van het vaartuig na.

Maar wat moesten John Mangles en de anderen wel denken, toen zij het

voorhoofd van den lord zagen betrekken, zijn gelaat verbleeken, en het

werktuig uit zijn handen vallen! Een enkel woord verklaarde hun die

plotselinge wanhoop.

"De _Duncan_!" riep Glenarvan, "de _Duncan_ en de roovers!"

"De _Duncan_! riep John, die zijn riem losliet en terstond opstond.

"Ja! de dood aan beide zijden!" mompelde Glenarvan, door zooveel angst

verbrijzeld.

Het was werkelijk het jagt. Men kon zich er niet in vergissen, het jagt

met zijn bemanning van roovers! De majoor kon een verwensching tegen den

hemel niet bedwingen. Het was al te veel!

Intusschen was de praauw aan zichzelve overgelaten. Waarheen ze te

sturen? Waarheen te vlugten? Was er nog een keuze mogelijk tusschen de

wilden en de roovers?

Daar werd een schot gelost uit de meest nabijzijnde inlandsche praauw en

de kogel trof den riem van Wilson. Eenige riemslagen bragten nu de

praauw wat digter bij de _Duncan_.

Het jagt stoomde met volle kracht en was maar een halve mijl ver. Van

alle zijden afgesneden, wist John Mangles niet meer wat te doen, in

welke rigting te vlugten. De beide arme vrouwen lagen in haar

radeloosheid op de knieën te bidden.

De wilden onderhielden een onafgebroken geweervuur en de kogels regenden

om de praauw heen. Daar donderde op eens een zwaar schot, en een kogel,

uit het kanon van het jagt afgevuurd, vloog over het hoofd der

vlugtelingen. Tusschen twee vuren in bleven ze nu onbewegelijk liggen

tusschen de _Duncan_ en de bootjes der inboorlingen.

Krankzinnig van wanhoop greep John Mangles zijn bijl! Hij wilde de

praauw in den grond hakken en met zijn lotgenooten doen zinken, toen een

kreet van Robert hem tegenhield.

"Tom Austin! Tom Austin!" riep de knaap. "Hij is aan boord! Ik zie hem!

Hij heeft ons herkend! Hij wuift met zijn hoed!"

John liet den arm, die de bijl voerde, zakken.

Een tweede kogel ging fluitend over hen heen en boorde de digstbij

zijnde der drie praauwen in den grond, terwijl er een hoera! op de

_Duncan_ opging.

De verschrikte wilden vlugtten naar de kust.

"Help! help, Tom!" had John Mangles met luider stem geroepen.

En eenige oogenblikken later waren de tien vlugtelingen, zonder te weten

hoe, zonder er iets van te begrijpen, allen in veiligheid aan boord van

de _Duncan_.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 22 / 29 题