XV.

De groote middelen ven Paganel.

Den volgenden morgen, den 17den Februarij, wekte de opgaande zon met

haar eerste stralen de slapers op den Maunganamu. Reeds lang liepen de

Maori's aan den voet van den kegel op en neer, zonder hun post te

verlaten. Zoodra de Europeanen uit het ontwijde heiligdom kwamen, werd

hun verschijning met woedend getier begroet.

Aller oog vestigde zich het allereerst op de omliggende bergen, op de

diepe, nog in de ochtendnevelen gehulde dalen, op de oppervlakte van het

Taupo-meer, die ligt gerimpeld werd door den morgenwind.

Daarop schaarden zich allen, begeerig om de nieuwe plannen van Paganel

te kennen, om hem heen en zagen hem vragend aan.

Paganel voldeed terstond aan de angstige nieuwsgierigheid zijner

lotgenooten.

"Mijne vrienden!" begon hij, "mijn plan heeft dit voor, dat, al heeft

het niet al de uitwerking, die ik er van verwacht, zelfs al mislukt het,

onze toestand er toch niet door verergert. Maar het moet, het zal

slagen."

"En dat plan?" vroeg Mac Nabbs.

"Is dit," antwoordde Paganel. "Even als het volksbijgeloof van dezen

berg een toevlugtsoord heeft gemaakt, moet het bijgeloof ons ook helpen

om er vandaan te komen. Gelukt het mij, Kai-Koemoe te doen gelooven, dat

wij de offers onzer heiligschennis geworden zijn, dat de toorn des

hemels ons heeft getroffen, met één woord, dat wij, en wel op een

verschrikkelijke wijze omgekomen zijn, gelooft gij dan, dat hij het

bergvlak van den Maunganamu verlaten zal om naar zijn dorp terug te

keeren?"

"Dat is niet twijfelachtig," zeide Glenarvan.

"En met welken verschrikkelijken dood bedreigt gij ons?" vroeg lady

Helena.

"Met den dood der heiligschenners, vrienden!" antwoordde Paganel. "De

wrekende vlammen zijn onder onze voeten! Laten wij haar een doortogt

banen!"

"Wat! wilt gij een vuurspuwenden berg maken?" riep John Mangles.

"Ja, een kunst-vulkaan, een eigengemaakten vulkaan, wiens woede wij

zullen beheerschen! Daar is een geheele voorraad dampen en onderaardsch

vuur, die niets liever verlangen, dan er uit te raken! Laten wij dus ten

onzen behoeve een kunstmatige uitbarsting teweegbrengen!"

"Het denkbeeld is goed," zeide de majoor. "Goed bedacht, Paganel!"

"Gij begrijpt," hernam de aardrijkskundige, "dat wij veinzen zullen

verslonden te zijn door de vlammen van den zeelandschen Pluto, en dat

wij geestelijk verdwijnen zullen in het graf van Kara-Tete...."

"Waar wij drie, vier, vijf dagen zullen blijven, als het moet," voegde

Glenarvan er bij, "dat is tot dat de wilden, overtuigd van onzen dood,

de partij zullen opgeven."

"Maar als zij het nu eens in het hoofd krijgen om onderzoek te doen naar

onze straf," zeide miss Grant, "als zij den berg eens bestijgen?"

"Neen, lieve Mary!" antwoordde Paganel, "dat zullen zij niet doen. De

berg is taboe, en wanneer hij zelf zijn ontwijders verslonden heeft, zal

dat taboe nog strenger zijn!"

"Dat plan is waarlijk goed beraamd," zeide Glenarvan. "Er is maar een

ding tegen, namelijk dat de wilden soms nog zoolang aan den voet van den

Maunganamu kunnen blijven, dat wij gebrek aan levensmiddelen krijgen.

Maar dat is niet te denken, vooral wanneer wij de zaak goed aanleggen."

"En wanneer zullen wij deze laatste kans wagen?" vroeg lady Helena.

"Dezen avond nog," antwoordde Paganel, "zoodra het goed donker is."

"Dat is afgepraat," sprak Mac Nabbs. "Paganel! gij zijt een man van

vernuft, en ik, die niet ligt opgewonden raak, ik sta voor den uitslag

in. Ha! die schoften! wij zullen hen op een klein wonder onthalen, dat

hun bekeering wel een eeuw zal achteruit zetten! Mogen de zendelingen

het ons vergeven!"

Het plan van Paganel was dus aangenomen, en inderdaad, met de

bijgeloovige denkbeelden der Maori's kon en moest het slagen. Maar het

moest nog uitgevoerd worden. Het denkbeeld was goed, maar de uitvoering

moeijelijk. Zou die vulkaan niet de vermetelen verslinden, die een

krater voor hem wilden graven? Zouden zij die uitbarsting kunnen

beheerschen en leiden, wanneer zijn dampen, vlammen en lava van hun

boeijen ontslagen werden? Zou de geheele kegel niet wegzinken in een

poel van vuur? Het was toch een greep in die verschijnsels, waarover de

natuur het beheer uitsluitend aan zich houdt.

Paganel had die bezwaren voorzien, maar hij zou voorzigtig te werk gaan

en de zaak niet tot het uiterste drijven. Een schijn was genoeg om de

Maori's te misleiden; de vreeselijke werkelijkheid eener uitbarsting was

daartoe onnoodig.

Wat scheen die dag lang! Elk telde de eindelooze uren. Alles was voor de

vlugt gereed. De levensmiddelen uit het graf waren verdeeld en in

draagbare pakjes geborgen. Eenige matten en de vuurwapenen voltooiden

die ligte bagaadje, welke het graf van het opperhoofd opgeleverd had.

Het spreekt van zelf, dat die toebereidselen gemaakt werden binnen het

paalwerk en buiten weten van de wilden.

Ten zes ure zette de hofmeester een versterkend maal op. Waar en wanneer

men in de nabijliggende dalen eten zou, kon niemand voorzien. Daarom at

men vooruit. De hoofdschotel bestond uit een half dozijn groote ratten,

die door Wilson gevangen en in de asch gebraden waren. Lady Helena en

Mary Grant weigerden stellig om dit in Nieuw-Zeeland zoo hooggeschatte

wild te proeven; maar de mannen smulden er aan als echte Maori's. Dat

vleesch was wezenlijk uitstekend, zelfs sappig en de zes knaagdieren

werden tot op de beentjes afgekloven.

De avondschemering daalde neer. De zon verdween achter een digte laag

wolken, die een onweder voorspelden. Eenige bliksemstralen verlichtten

den gezigteinder, en in de verte rommelde reeds de donder.

Paganel begroette verheugd het onweder, dat zijn plannen begunstigde en

de inrigting van het tooneel voltooide. De wilden zijn bijgeloovig

beangst voor die grootsche natuurverschijnselen. De Nieuw-Zeelanders

houden den donder voor de toornige stem van hun Noeï-Atoea, en de

bliksem is niets anders dan de toornige flikkering zijner oogen. Het zou

dus schijnen, als kwam de godheid zelve de ontheiligen van het taboe

kastijden.

Ten acht ure verdween de top van den Maunganamu in een akelig duister.

De hemel verschafte een zwarten achtergrond voor het schijnsel der

vlammen, dat de hand van Paganel er op zou werpen.

De Maori's konden hun gevangenen niet meer zien. Het oogenblik van

handelen was gekomen.

Er moest snel gehandeld worden. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert,

de hofmeester en de twee matrozen gingen gelijktijdig aan het werk.

De plaats voor den krater werd gekozen op dertig schreden afstands van

het graf van Kara-Tete. Het was namelijk hoog noodig, dat de uitbarsting

de grafstede spaarde; want met haar zou ook het taboe van den berg

verdwenen zijn. Paganel had op die plek een ontzettenden steenklomp

opgemerkt, rondom welken de dampen met eenige kracht omhoog stegen. Die

klomp bedekte een kleinen natuurlijken krater in den kegel, en hield

alleen door zijn zwaarte de uitstrooming der onderaardsche vlammen

tegen. Kon men hem uit het gat tillen, dan zouden de dampen en de lava

zich terstond door de bevrijde opening heen werken.

De werklieden gebruikten eenige palen binnen uit het graf als hefboomen

en tastten met alle kracht de rotsmassa aan. Onder hun vereenigde

pogingen raakte het rotsblok weldra in beweging. Zij groeven er een

soort van kleine loopgraaf voor op de helling des berg, opdat het langs

dit hellend vlak kon afrollen. Naar mate het hooger werd opgetild, werd

het schudden en beven van den bodem sterker.

Een dof gebrul van vlammen en sissende dampen liep onder de verdunde

korst voort. De stoute werklieden, die als echte cyclopen met het vuur

der aarde omgingen, werkten in alle stilte voort. Weldra waarschuwden

hen stralen brandend heete stoom, die uit de spleten en scheuren

opsteeg, dat de plek gevaarlijk werd. Maar een laatste poging

verplaatste het blok, dat langs de berghelling gleed en verdween.

Dadelijk bezweek de dunne korst. Een vuurstroom steeg met hevige

losbrandingen hemelwaarts, terwijl beken kokend water en lava naar de

legerplaats der inlanders en de lager liggende dalen vloeiden.

De geheele kegel beefde, en het stond geschapen als zou hij in een

bodemloozen afgrond wegzinken.

Glenarvan en zijn medgezellen hadden naauwelijks den tijd om zich aan

het geweld der uitbarsting te onttrekken; zij vlugtten in het binnenste

van het graf, maar niet zonder eenige droppels water van vier en

negentig graden hitte op het lijf te hebben gekregen. Dit water

verspreidde eerst een ligten bouillongeur, die weldra in een zeer sterke

zwavellucht overging.

Nu smolten het slijk, de lava en de vulkanische overblijfselen in

denzelfden vuurgloed samen. Stroomen vuur golfden langs den Maunganamu.

De naaste bergen werden verlicht door het schijnsel der uitbarsting, de

diepe dalen door een sterke weerkaatsing in vuur en vlam gezet.

Al de wilden waren huilend opgestaan bij de nadering dier lava, die in

het midden van hun legerplaats kookte. Wien de vuurstroom gespaard had,

vlugtte en besteeg de omliggende heuvelen. Daar keerden zij zich

verschrikt om en beschouwden dat vreeselijk natuurverschijnsel, dien

vulkaan, waarin de toorn van hun god de ontheiligers van den gewijden

berg neerplofte. En wanneer voor een oogenblik het geraas der

uitbarsting wat verminderde, hoorde men hen hun godsdienstleuze brullen:

"Taboe! taboe! taboe!"

Ondertusschen ontsnapte er een ontzettende hoeveelheid dampen,

gloeijende steenen en lava uit dien krater van den Maunganamu. Het was

niet langer een eenvoudige Geyser, zooals die, welke den berg Hekla op

IJsland omringen, maar de berg Hekla zelf. Al die vulkanische stoom was

tot nog toe besloten gebleven binnen de wanden des kegels, omdat de

veiligheidskleppen van den Tongariro voldoende waren voor zijn

uitzetting; maar nu hem een nieuwe uitweg geopend werd, maakte hij er

met groot geweld gebruik van, en in dienzelfden nacht moesten de andere

uitbarstingen op het eiland volgens de wetten van het evenwigt haar

gewone kracht verliezen.

Een uur na de verschijning van dezen vulkaan op het wereldtooneel

stroomden breede beken gloeijende lava langs zijn zijden. Men zag een

geheel legioen ratten haar onbewoonbaar geworden gaten verlaten en den

brandenden bodem ontvlugten.

Dien geheelen nacht door, terwijl het onweder boven hun hoofd bleef

voortwoeden, werkte de kegel met een kracht, die Glenarvan wel een

beetje ongerust maakte. De uitbarsting knaagde aan den rand des kraters

en maakte dien wijder. Achter de omheining verborgen sloegen de

gevangenen de verschrikkelijke vorderingen van het natuurverschijnsel

gade.

Het werd morgen. De woede des vulkaans bedaarde niet. Digte geelachtige

dampen vermengden zich met de vlammen. Allerwegen kronkelden de

lavastroomen.

Met loerend oog en kloppend hart zag Glenarvan door al de reten van het

paalwerk heen om de legerplaats der inlanders waar te nemen.

De Maori's waren op de omliggende hoogten gevlugt buiten het bereik van

den vulkaan. Het vuur had eenige lijken verkoold, die aan den voet des

kegels lagen. Verderop in de rigting der vesting had de lava een

twintigtal hutten bereikt, die nog rookten. De Zeelanders stonden hier

en daar in groepen bijeen en staarden met godsdienstige ontzetting op

den in vuur en vlammen gehulden Maunganamu.

Kai-Koemoe verscheen in het midden zijner krijgslieden en Glenarvan

herkende hem. Het opperhoofd naderde den voet des kegels aan de zijde,

die de lava ontzien had, maar waagde het niet er een voet op te zetten.

Daar maakte hij met uitgespreide armen, als een toovenaar die den duivel

bezweert, eenige godsdienstige gebaren, wier beteekenis den gevangenen

niet ontging. Zooals Paganel had voorzien, slingerde Kai-Koemoe een nog

strenger taboe naar den wrekenden berg.

Kort daarop gingen de inlanders in lange rijen de kronkelpaden af, die

naar de vesting geleidden.

"Zij vertrekken!" riep Glenarvan. "Zij verlaten hun post! God zij

geloofd! Onze list is gelukt! Lieve Helena! wakkere medgezellen! nu zijn

wij dood en begraven! Maar dezen avond, zoodra het donker is, zullen wij

herleven, wij zullen uit ons graf opstaan, wij zullen deze barbaarsche

stammen ontvlugten!"

Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een vreugde er in het

grafgesticht heerschte. De hoop was in aller hart herleefd. Die moedige

reizigers vergaten het verledene, vergaten de toekomst, om alleen aan

het tegenwoordige te denken. Nu Kai-Koemoe maar op een dwaalweg gebragt

was, meende men reeds bevrijd te zijn van al de wilden van

Nieuw-Zeeland.

De majoor verborg in geenen deele de diepe verachting, welke die Maori's

hem inboezemden, en het ontbrak hem niet aan uitdrukkingen om ze aan de

kaak te stellen. Het was een wedstrijd tusschen Paganel en hem. Zij

scholden hen uit voor onvergefelijke stommerikken, domme ezels, de

idioten der Stille Zuidzee, de wilden van Bedlam, de kropzieken der

Tegenvoeters, enz. enz. Zij waren onuitputtelijk.

Een geheele dag moest er nog verloopen voor de eigenlijke ontvlugting.

Men besteedde hem om een plan voor de vlugt te beramen. Paganel had

zorgvuldig zijn kaart van Nieuw-Zeeland bewaard, en kon er nu de

veiligste wegen op zoeken.

Na eenig overleg besloten de vlugtelingen zich oostwaarts naar de

Plenty-baai te begeven. De weg daarheen leidde door onbekende, maar

waarschijnlijk onbewoonde streken. De reizigers, die reeds gewoon waren

zich te redden uit de bezwaren en de hinderpalen te overwinnen, die de

natuur hun in den weg legde, waren alleen beducht voor een ontmoeting

met de Maori's. Zij wilden hen dus geheel vermijden en de oostkust des

eilands bereiken, waar de zendelingen eenige posten hebben gesticht. Ook

was dit gedeelte des eilands nog vrij gebleven van de rampen des ooriogs

en de inlandsche benden liepen het land niet af.

Den afstand, die het meer Taupo scheidde van de Plenty-baai, kon men op

honderd mijlen schatten. Dat waren tien dagmarschen, tegen tien mijlen

per dag. Dat zou wel vermoeijend zijn; maar niet een van dat moedige

gezelschap telde zijn stappen. Eens in de zendingsposten, zouden de

reizigers daar uitrusten tot zich een gunstige gelegenheid opdeed om

naar Auckland te gaan; want die stad was nog altijd het doel hunner

reis.

Toen dat alles was bepaald, ging men tot den avond toe voort met de

inlanders in het oog te houden. Geen een was er meer aan den voet des

bergs gebleven, en toen de duisternis in de Taupo-dalen viel, gaf geen

enkel vuur meer een bewijs, dat er nog Maori's waren aan den voet van

den kegel. De weg was vrij.

Ten negen ure was het pikdonker en gaf Glenarvan het sein om te

vertrekken. Gewapend en uitgerust op kosten van Kara-Tete, begonnen zijn

makkers en hij voorzigtig de hellingen van den Maunganamu af te dalen.

John Mangles en Wilson gingen vooruit om den weg te verkennen. Zij

stonden bij het geringste geraas stil, onderzochten de oorzaak van ieder

lichtschijnsel.

Allen lieten zich om zoo te zeggen langs de glooijing van den berg

afzakken om beter onzigtbaar te zijn.

Twee honderd voet boven den grond bereikten John Mangles en de matroos

den gevaarlijken bergrug, dien de inlanders zoo hardnekkig verdedigd

hadden. Hadden bij ongeluk de Maori's, slimmer dan de vlugtelingen, een

loozen terugtogt aangenomen om hen tot zich te lokken, waren zij niet

bedrogen geworden door het vulkanisch verschijnsel, dan moest hun

tegenwoordigheid juist op deze plaats blijken. Ondanks zijn vertrouwen

en in weerwil van de scherts van Paganel kon Glenarvan een siddering

niet onderdrukken. De redding der zijnen stond op het spel gedurende de

tien minuten, die noodig waren om den bergrug over te trekken. Hij

voelde het hart van lady Helena kloppen, die zich krampachtig aan zijn

arm klemde.

Hij dacht er echter evenmin aan als John om terug te wijken. De jeugdige

kapitein kroop door allen gevolgd en door de duisternis van den nacht

beschermd, over den smallen bergrug, en hield telkens stil, wanneer een

losse steen tot op den grond rolde. Lagen de wilden hier nog in

hinderlaag, dan moest dat telkens herhaalde gedruisch van beide zijden

een geduchte losbranding ten gevolge hebben.

De vlugtelingen vorderden natuurlijk niet snel, nu zij als een slang

over dien schuinen kam voort kropen. Toen John Mangles het laagste punt

had bereikt, scheidden hem naauwelijks vijf en twintig voet van het

bergvlak, waar de inlanders den vorigen dag gelegerd waren, daarop rees

de kam op eens vrij steil en eindigde een kwart mijl verder in een

kreupelhout.

Dit lage gedeelte werd echter zonder ongelukken doorgetrokken, en de

gevangenen begonnen weder zwijgend te stijgen. Het boschje was

onzigtbaar, maar men wist, dat het daar lag, en wanneer er geen

hinderlaag in gelegd was, hoopte Glenarvan er veilig te zijn. Echter

maakte hij de opmerking, dat hij van dat oogenblik af niet langer

beveiligd was door het taboe. De stijgende bergrug behoorde niet tot den

Maunganamu, maar wel tot het bergstelsel, dat het oostelijk gedeelte van

het Taupo-meer bedekte. Dus was hier niet alleen het geweervuur der

inboorlingen, maar ook een aanval man tegen man te vreezen.

Nog tien minuten lang steeg het kleine gezelschap langs een zachte

glooijing naar de hooger liggende bergvlakten. John bespeurde het

sombere kreupelbosch nog niet, maar hij kon er geen twee honderd voet

meer van af zijn.

Op eens hield hij stil, ja deinsde bijna achteruit. Het kwam hem voor,

als hoorde hij eenig gedruisch in de schaduw. Zijn aarzeling deed al

zijn makkers hun togt staken.

Hij bleef roerloos staan en zoo lang, dat het degenen, die hem volgden,

ongerust maakte. Men wachtte. De angst, waarin zij verkeerden, is

onbeschrijfelijk. Zouden zij verpligt zijn achteruit te gaan en naar den

top van den Maunganamu terug te keeren?

Maar toen John eindelijk zag, dat bet geraas zich niet herhaalde, begon

hij weder den engen weg naar den kam te bestijgen.

Weldra werd bet kreupelbosch flaauw zigtbaar in de schaduw. In weinige

schreden bereikten zij het, en de vlugtelingen verscholen zich onder het

digt gebladerte.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 21 / 29 题