De taboe berg.
De top van den berg was nog een honderd voet hooger. De vlugtelingen
hadden er belang bij hem te bereiken om zich op de andere helling aan
het oog der Maori's te onttrekken. Zij hoopten, dat de een of andere
begaanbare kam hen in staat zou stellen de nabijgelegen kruinen te
bereiken, die een bergstelsel uitmaakten, waarin de arme Paganel
stellig, wanneer hij bij ben geweest was, den weg had weten te vinden.
De bestijging werd dus haastig voortgezet, waartoe het al nader komende
dreigende getier genoeg aanspoorde. De vervolgers bereikten den voet des
bergs.
"Houdt moed, vrienden! houdt moed!" riep Glenarvan, zijn makkers met
stem en gebaren aanmoedigende.
In minder dan vijf minuten stonden zij op den bergtop; daar keerden zij
zich om, ten einde hun toestand te overzien en een rigting te nemen, die
de Maori's op een dwaalspoor kon brengen.
Van deze hoogte overzagen zij het geheele Taupo meer, dat zich in zijn
schilderachtige lijst van bergen westwaarts uitstrekte. Ten noorden, de
toppen van den Pirongia; ten zuiden, de rookende krater van den
Tongariro. Maar ten oosten stuitte hun blik op den muur van toppen en
ruggen, die met de Wahiti-Ranges in verband staat, die groote keten,
welker onafgebroken schakels over het geheele noordelijke eiland van de
Cooksstraat af tot de Oostkaap toe loopen. Zij moesten dus de andere
zijde afdalen en in naauwe passen, misschien zonder uitgangen,
doordringen.
Glenarvan sloeg een angstigen blik om zich heen; de zonnestralen hadden
de nevels verjaagd, zoodat zijn oog de geringste holten van den grond
goed kon onderscheiden. Geen beweging der Maori's kon hem ontgaan.
De inlanders waren geen vijf honderd voet van hem af, toen zij het
bergvlak bereikten, waarop de eenzame kegel zich verhief.
Glenarvan mogt geen oogen blik langer stilstaan. Uitgeput of niet, zij
moesten vlugten, wilden zij niet omsingeld worden.
"Laten wij afdalen!" riep bij, "voor de weg ons wordt afgesneden!"
Maar toen de arme vrouwen met inspanning van alle krachten weer
opgestaan waren, hield Mac Nabbs haar tegen en zeide:
"Het is onnoodig, Glenarvan! Zie maar!"
Werkelijk zagen nu allen, welk een onverklaarbare verandering er in de
bewegingen der Maori's was gekomen.
Zij hadden op eens hun vervolging gestaakt. De beklimming van den berg
hield op, alsof er een streng tegenbevel gekomen was. De bende
inboorlingen was in haar vaart gestuit, en hield stand als de golven der
zee voor een onwankelbare rots.
Al die bloeddorstige wilden stonden daar aan den voet des bergs,
huilden, zwaaiden met hun armen, geweren en bijlen, maar kwamen geen
duim digter. Hun honden, die evenals zij in den grond vastgeworteld
schenen, blaften woedend.
Wat was er toch gaande? Welke onzigtbare magt weerhield de inlanders? De
vlugtelingen zagen het, maar begrepen het niet, en vreesden, dat de
betoovering, die den stam van Kai-Koemoe ketende, verbroken mogt worden.
Daar uitte John Mangles een schreeuw, die zijn makkers deed omzien. Met
de hand wees hij hun een gebouw op den top des kegels.
"Het graf van het opperhoofd Kara-Tete!" riep Robert.
"Spreekt gij de waarheid, Robert?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mylord! het is zoo waar het graf! ik herken het...."
Robert vergiste zich niet. Vijftig voet hooger op, op de hoogste spits
des bergs, vormden pas beschilderde palen een kleine beslotene ruimte.
Glenarvan herkende nu ook het graf van het zeelandsche opperhoofd. In
zijn blinde vlugt was hij op den top van den Maunganamu gekomen.
Door de zijnen gevolgd beklom nu de lord den geringen afstand, die hem
nog van het graf scheidde. Een wijde met matten behangen opening
verleende er toegang toe. Glenarvan wilde in het binnenste van de
grafstede doordringen, maar deinsde eensklaps verschrikt terug,
roepende: "Een wilde!"
"Een wilde in dit graf?" vroeg de majoor.
"Ja, Mac Nabbs!"
"Dat maakt niet uit. Vooruit maar!"
Glenarvan, de majoor, Robert en John Mangles drongen binnen de
omheining. Daar zat een Maori, in een grooten linnen mantel gewikkeld;
de schaduw der grafstede belette zijn trekken te onderscheiden. Hij
hield zich volkomen rustig en ontbeet onbekommerd.
Glenarvan wilde hem aanspreken; maar de inlander was hem voor, en zeide
op vriendelijken toon en in goed engelsch:
"Ga toch zitten, mylord! het ontbijt is gereed."
Het was Paganel. Zijn stem hoorende, liepen allen de begraafplaats
binnen en omhelsden den uitmuntenden aardrijkskundige. Paganel was
teruggevonden! Zijn persoon was een waarborg voor aller redding! Men
wilde hem ondervragen, men wilde weten hoe en waarom hij zich op den top
van den Maunganamu bevond; maar Glenarvan beteugelde met een enkel woord
die ontijdige nieuwsgierigheid.
"De wilden!" zeide hij.
"De wilden!" antwoordde Paganel schouderophalend. "Dat zijn wezens, die
ik in den grond van mijn hart veracht."
"Maar kunnen zij niet...."
"Zij! die domme ezels! Komt maar eens mee!"
Allen volgden Paganel, die de grafstede verliet. De Zeelanders stonden
nog op dezelfde plaats om den voet des kegels en tierden vreeselijk.
"Schreeuwt! brult! tiert maar, tot uw longen barsten, stomme wezens!"
zeide Paganel. "Gij durft dezen berg toch niet beklimmen!"
"En waarom niet?" vroeg Glenarvan.
"Omdat het opperhoofd hier begraven ligt, omdat dit graf ons beschermt,
omdat de berg taboe is!"
"Taboe?"
"Ja, vrienden! en daarom ben ik hierheen gevlugt, als in een dier
middeneeuwsche wijkplaatsen voor ongelukkigen."
"God is met ons!" riep lsdy Helena met ten hemel geheven handen.
De berg was werkelijk taboe, en daarom durfden de bijgeloovige wilden
hem niet bestijgen.
De vlugtelingen waren nog wel niet gered; maar het was toch een
gewenscht uitstel, waarmee zij hun voordeel konden doen.
Glenarvan sprak, aan een onbeschrijfelijke aandoening ten prooi, geen
enkel woord, en de majoor schudde met een regt vergenoegd gezigt het
hoofd.
"En nu, mijne vrienden!" zeide Paganel, "wanneer die vlegels op ons
rekenen om hun geduld te oefenen, vergissen zij zich. Binnen twee dagen
zijn wij buiten het bereik dier schoften."
"Wij zullen vlugten!" zeide Glenarvan. "Maar hoe?" "ik weet er nog niets
van," antwoordde Paganel; "maar wij vlugten toch!"
Nu wilde ieder de lotgevallen van den aardrijkskundige vernemen. Zeer
vreemd en zonderling was de achterhoudendheid van dien zoo praatzieken
man, men moest hem om zoo te zeggen de woorden uit de keel halen. Hij,
die anders zoo graag vertelde, antwoordde nu ontwijkend op al de vragen
zijner vrienden.
"Men heeft mijn Paganel veranderd!" dacht Mac Nabbs.
En werkelijk was het voorkomen van den waardigen geleerde niet meer
hetzelfde. Hij draaide zich stevig in zijn ruimen linnen mantel, en
scheen de al te nieuwsgierige blikken te ontwijken. Zijn verlegenheid,
wanneer er over hem gesproken werd, ontging niemand, maar uit
bescheidenheid deed een ieder, alsof hij het niet opmerkte. Zoodra hij
maar niet meer zelf op het tapijt was, kreeg Paganel ook zijn gewone
opgeruimdheid terug.
Zie hier wat hij goedvond aan zijn makkers van zijn lotgevallen te
vertellen, toen allen om hem heen zaten aan den voet der palen van het
grafgesticht.
Na den moord van Kara-Tete maakte Paganel evenals Robert van de
opschudding onder de inlanders gebruik en verdween buiten het paalwerk
der sterkte. Maar minder gelukkig dan de jonge Grant, kwam hij
regtstreeks te land in een legerplaats van Maori's. Daar voerde een
opperhoofd van een schoone gestalte en een schrander voorkomen, die
verre uitstak boven al de krijgslieden van zijn stam, het bevel. Dat
opperhoofd sprak zuiver engelsch en heette hem welkom door het tipje van
zijn neus te schuren tegen den neus van den aardrijkskundige.
Paganel vroeg bij zich zelven of hij zich als een gevangene moest
beschouwen of niet. Maar ziende, dat hij geen stap doen kon zonder het
beleefde geleide van het opperhoofd, wist hij weldra, waaraan hij zich
te houden had.
Dat opperhoofd, "Hihy," dat wil zeggen "zonnestraal," genoemd, was geen
kwaad man. De bril en kijker van Paganel schenen hem een hooge dunk van
den aardrijkskundige te geven, en hij verbond hem naauw aan zich, niet
alleen door zijn weldaden, maar ook met stevige touwen, vooral 's
nachts.
Die nieuwe toestand duurde drie volle dagen. Werd Paganel gedurende dat
tijdsverloop goed of slecht behandeld? "Ja en neen," zeide hij, zonder
zich er verder over uit te laten. Kortom, hij was een gevangen man, en
op het uitzigt na van een spoedigen dood, scheen zijn toestand hem niet
veel benijdenswaardiger toe dan die zijner rampzalige vrienden.
Gelukkig slaagde hij er zekeren nacht in om zijn touwen te doorknagen en
te vlugten. Hij had van verre de begrafenis van het opperhoofd
bijgewoond, hij wist, dat men hem op den top van den Maunganamu had ter
aarde besteld, en dat de berg daardoor taboe werd. Daarheen besloot hij
nu te vlugten, want hij wilde het land niet verlaten, waar zijn
reisgenooten blijven moesten. Hij slaagde in zijn gevaarvolle
onderneming. Den vorigen nacht had hij het graf van Kara-Tete bereikt,
en wachtte nu, "terwijl zijn krachten terugkeerden," tot de hemel door
eenig toeval zijn vrienden bevrijdde.
Zoo luidde Paganels verhaal. Sloeg hij met opzet een omstandigheid van
zijn verblijf onder de inlanders over? Meer dan eens gaf zijn
verlegenheid aanleiding om het te denken. Hoe het ook zij, allen
wenschten hem eenparig geluk, en toen het verledene bekend was, keerde
men tot het tegenwoordige terug.
De toestand was nog altijd hoogst bedenkelijk. Wanneer de inlanders zich
niet verstoutten om den Maunganamu te beklimmen, dan rekenden zij er
toch stellig op, dat honger en dorst hun gevangenen weer in hun magt
zouden brengen. Het was dus maar een zaak van tijd, en de wilden hebben
een taai geduld.
Glenarvan ontveinsde zich de bezwaren van zijn toestand niet; maar hij
besloot gunstiger omstandigheden af te wachten en ze des noods te
voorschijn te roepen.
Vooreerst wilde Glenarvan zorgvuldig den Maunganamu onderzoeken, dat is
te zeggen zijn ongedachte sterkte, niet om ze te verdedigen, want er was
geen beleg te vreezen, maar om ze te verlaten. De majoor, John, Robert,
Paganel en hij onderzochten den berg in alle bijzonderheden; zij namen
de rigting der paden, waar zij op uitliepen en hun helling goed op. De
een mijl lange bergrug, die den Maunganamu verbond met de Wahiti-keten,
liep zacht glooijend naar de vlakte af. De eenige bruikbare weg, ingeval
een ontsnapping mogelijk was, liep over zijn smallen en grillig
gevormden kam. Konden de vlugtelingen er, door de duisternis van den
nacht begunstigd, ongezien overkomen, misschien zou het hun dan gelukken
de naauwe dalen der Ranges te bereiken en hun vervolgers van het spoor
te brengen.
Maar die weg was met meer dan één gevaar verbonden. Op zijn laagste
gedeelte liep hij onder het bereik van het geweervuur. De kogels der aan
de uitloopers geplaatste inlanders konden elkander kruisen en een
ijzeren net spannen, waar niemand straffeloos door kon.
Toen Glenarvan en zijn vrienden zich op het gevaarlijke gedeelte van den
kam hadden gewaagd, werden zij met een hagelbui van kogels begroet, die
hen echter niet deerden. Eenige proppen werden door den wind vlak bij
hen gedreven Zij waren van bedrukt papier gemaakt, dat Paganel louter
uit nieuwsgierigheid opraapte en niet zonder moeite ontcijferde.
"Mooi zoo!" riep hij uit. "Weet gij wel, vrienden! welke proppen die
beesten voor hun geweren gebruiken?"
"Neen, Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"Bladen uit den Bijbel! Wanneer zij die gewijde verzen daarvoor
gebruiken, beklaag ik hun zendelingen! Dan zullen dezen nog al wat
moeite hebben om bibliotheken onder de Maori's aan te leggen."
"En met welk gedeelte der heilige boeken hebben die inlanders ons wel
beschoten?" vroeg Glenarvan.
"Met een woord van den almagtigen God," antwoordde John Mangles, die op
zijn beurt het door de losbranding beschadigde papier gelezen had. "Dat
woord zegt ons, dat wij op Hem moeten hopen," voegde de jeugdige
kapitein er bij, met de onwankelbare geloofsovertuiging van een Schot.
"Lees, John!" beval Glenarvan.
En John las dit vers, dat het ontplofte kruid had gespaard:
"_Omdat hij op Mij heeft gehoopt, zal hem verlossen_."
"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wij moeten die troostrijke woorden
overbrengen aan onze wakkere en lieve medereizigsters. Dat zal haar een
riem onder het hart steken."
Glenarvan en zijn makkers bestegen weder de steile paden van den kegel,
en begaven zich naar het graf, dat zij wilden onderzoeken.
Onderweg verwonderde het hen, dat zij van tijd tot tijd een zekere
beving van den grond waarnamen. Het was geen schudding, maar die
aanhoudende trilling, welke het bonzen van kokend water tegen de wanden
van een ketel teweegbrengt. Het was duidelijk, dat onder het deksel van
den berg sterke dampen, door de werking van het onderaardsche vuur
ontstaan, opeengepakt waren.
Die bijzonderheid had niets vreemds voor lieden, die pas tusschen de
warme bronnen der Waikato waren doorgevaren. Zij wisten, dat deze streek
in het midden van Ika-Na-Maoeï zeer vulkanisch is. Het is een echte
zeef, wier weefsel de in de aarde besloten dampen laat ontwijken door de
kokende bronnen en de zwavelgroeven.
Paganel, die dit reeds had opgemerkt, vestigde dus de aandacht zijner
vrienden op den vulkanischen aard van den berg. De Maunganamu was maar
een van die talrijke kegels, die het middelste gedeelte van het eiland
bedekken, dat is te zeggen een aanstaande vulkaan. De geringste
werktuigelijke verrigting kon de vorming van een krater veroorzaken in
zijn uit kiezelachtigen graauwen tufsteen bestaande wanden.
"Dat is zoo," zeide Glenarvan; "maar wij loopen hier toch niet meer
gevaar dan bij den stoomketel der _Duncan_. Deze aardkorst is beter dan
het stevigste plaatijzer!"
"Dat mag waar zijn," antwoordde de majoor; "maar de beste stoomketel
springt toch eindelijk, wanneer hij te lang wordt gebruikt."
"Ik verlang volstrekt niet op dezen kegel te blijven, Mac Nabbs!" sprak
Paganel. "Zoodra de Hemel mij een bruikbaren weg toont, verlaat ik hem
oogenblikkelijk."
"Ach!" riep nu John Mangles, "kon deze Maunganamu zelf ons maar
meevoeren, die toch zooveel werktuigelijke kracht in zich besluit. Daar
onder onze voeten huist misschien een nuttelooze en ongebruikte kracht
van vele millioenen paarden! Onze _Duncan_ zou het duizendste deel er
van niet noodig hebben om ons naar het einde der wereld te voeren!"
Die herinnering aan de _Duncan_, door John Mangles opgewekt, vervulde
Glenarvans gemoed weder met de droevigste gedachten; want, hoe wanhopend
zijn eigen toestand ook was, toch vergat hij dien nog menigmaal om over
het lot zijner matrozen te zuchten.
Hij dacht nog daaraan, toen hij zijn deelgenooten in bet ongeluk op den
top van den Maunganamu terugvond.
Zoodra lady Helena hem bemerkte, liep zij naar hem toe.
"Hebt gij onzen toestand opgenomen, lieve Edward?" vroeg zij. "Moeten
wij hopen of vreezen?"
"Hopen, lieve Helena!" antwoordde Glenarvan. "De inlanders zullen nooit
de grens van den berg overschrijden, en het zal ons niet aan tijd
ontbreken om een plan tot ontsnapping te vormen."
"Bovendien, mevrouw!" voegde John Mangles er bij, "beveelt God zelf ons
aan om te hopen."
John Mangles overhandigde lady Helena dat bijbelblad, waarop het gewijde
vers te lezen stond. De jonge vrouw en het jeugdige meisje zagen met
haar vertrouwend gemoed en haar voor elke tusschenkomst des hemels
geopend hart, een onfeilbaar voorteeken van redding in deze woorden van
het heilige boek.
"En nu naar het grafgesticht!" riep Paganel vrolijk uit; "dat is onze
vesting, ons kasteel, onze eetzaal, ons studeervertrek! Niemand zal ons
daar storen! Dames! veroorlooft mij de eer van deze lieve woning bij u
op te houden."
Allen volgden den vriendelijken Paganel. Toen de wilden zagen, dat de
vlugtelingen andermaal dat taboe verklaarde graf gingen ontheiligen,
losten zij talrijke schoten en huilden vreeselijk, het een even
luidruchtig als het andere. Maar zeer gelukkig droegen de kogels niet
zoo ver als het geschreeuw, en vielen ze halverwege neer, terwijl de
verwenschingen in de ruimte wegstierven.
Lady Helena, Mary Grant en hun togtgenooten, gingen, geheel gerust
gesteld nu zij zagen, dat het bijgeloof der Maori's nog sterker was dan
hun toorn, de begraafplaats binnen.
Het graf van dat zeelandsch opperhoofd bestond uit een omheining van
roodgeverwde palen. Zinnebeeldige voorstellingen, een ware tatoeëering
in hout, vermeldden den adel en de groote daden des overledenen. Kransen
van amuletten, schelpen of geslepen steentjes slingerden van den eenen
paal tot den anderen. Van binnen was de grond geheel bedekt met een
tapijt van groene bladeren. In het middelpunt wees een geringe
verhevenheid de plaats aan van het pas gedolven graf.
Daar lagen de wapenen van het opperhoofd, zijn geladen geweren, zijn
lans, zijn prachtige bijl van groenen niersteen, met een voldoenden
voorraad kruid en kogels voor de eeuwige jagten.
"Dat lijkt wel een heel tuighuis," zeide Paganel, "waarvan wij een beter
gebruik zullen maken dan de overledene. Het is wel goed verzonnen van
die wilden om hun wapens naar de andere wereld mede te nemen!"
"Kijk! die geweren zijn van engelsch maaksel!" zeide de majoor.
"Zonder twijfel!" antwoordde Glenarvan; "maar het is een zeer dwaze
gewoonte om den wilden vuurwapens te schenken! Zij bedienen zich er
later maar van tegen de overheerschers en zij hebben gelijk. Maar hoe
dit ook zij, die geweren kunnen ons te pas komen!"
"Maar nog nuttiger," zeide Paganel, "zullen voor ons de levensmiddelen
en het water zijn, die voor Kara-Tete bestemd zijn."
De bloedverwanten en vrienden des overledenen hadden hun zaakjes
wezenlijk goed verrigt. De bijeengebragte voorraad bewees, hoeveel
achting zij koesterden voor de deugden van het opperhoofd. Er was genoeg
eten om tien personen veertien dagen lang, of liever den overledene voor
de eeuwigheid te voeden. Die plantaardige spijzen bestonden uit wortels
van varens, zoete pataten, de "convolvulus batatas" van dat land, en uit
aardappels, die de Europeanen reeds voor lang hadden ingevoerd. Groote
vaten waren gevuld met het zuivere water, dat op de tafels der
Zeelanders voorkomt, en een dozijn kunstig gevlochten manden bevatten
koekjes van een volkomen onbekende groene gomsoort.
De vlugtelingen waren dus voor eenige dagen tegen honger en dorst
gevrijwaard. Zij lieten zich volstrekt niet noodigen om hun eerste maal
te doen op kosten van het opperhoofd.
Glenarvan haalde de spijzen, die zijn medgezellen noodig hadden, en
vertrouwde ze aan de zorg van Olbinett. De streng aan vormen gehechte
hofmeester, hetgeen hij zelfs in de bedenkelijkste omstandigheden bleef,
vond den disch wel wat schraal. Ook wist hij niet, hoe hij die wortels
gereed moest maken, te meer omdat hij geen vuur had.
Maar Paganel redde hem uit die verlegenheid, door hem aan te raden om
zijn varens en zoete pataten heel eenvoudig in den grond te stoppen.
De warmtegraad der bovenste lagen was inderdaad zeer hoog, en had men
een thermometer in dien bodem gestoken, dan zou hij zeker een warmte van
zestig tot vijf en zestig graden Celsius aangewezen hebben. Het scheelde
maar weinig of Olbinett had zich deerlijk gebrand; want terwijl hij een
gat groef om zijn wortels er in te leggen, kwam er een zuil waterdamp
uit, die fluitend eenige voeten hoog steeg.
De hofmeester viel van den schrik achterover.
"Sluit de kraan!" riep de majoor, die met de twee matrozen toesnelde en
het gat dempte met brokken puimsteen, terwijl Paganel met een verbaasd
gezigt naar dat verschijnsel stond te kijken en deze woorden mompelde:
"Ei! ei! hé! hé! waarom niet."
"Gij zijt toch niet bezeerd?" vroeg Mac Nabbs aan Olbinett.
"Neen, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de hofmeester; "maar ik
verwachtte geenszins...."
"Zooveel weldaden van den hemel!" riep Paganel opgeruimd uit. "Na het
water en de levensmiddelen van Kara-Tete nog het vuur van de aarde! Maar
deze berg is een paradijs! Ik stel voor, hier een kolonie te stichten,
hem te bebouwen, ons voor het overige onzes levens hier neer te zetten!
Wij zullen de Robinsons van den Maunganamu zijn! Ik zou waarlijk niet
weten, wat ons op dezen geriefelijken kegel ontbreekt!"
"Niets, als hij maar stevig is!" antwoordde John Mangles.
"Dat zal wel gaan! hij is niet van gisteren," zeide Paganel; "reeds lang
weerstaat hij de kracht van het inwendige vuur en hij zal het wel
uithouden, zoolang wij hier zijn."
"Het ontbijt is gereed!" kondigde Olbinett aan, even statig, alsof hij
zijn betrekking waarnam op het kasteel Malcolm.
Nu gebruikten de vlugtelingen, bij het paalwerk gezeten, een van die
maaltijden, welke de Voorzienigheid hun sinds eenigen tijd zoo juist van
pas zond, wanneer zij zich in gevaarlijke omstandigheden bevonden.
Men was niet keurig aangaande de soort van spijzen; maar betreffende den
wortel van eetbare varens liepen de gevoelens uiteen. Sommigen vonden er
een zoeten en aangenamen geur aan, anderen noemden hem slijmerig, geheel
smakeloos en bijzonder taai. De zoete pataten, in den brandenden bodem
gebraden, waren uitstekend. De aardrijkskundige merkte op, dat Kara-Tete
volstrekt niet te beklagen was.
Zoodra de honger gestild was, stelde Glenarvan voor om zonder uitstel
een plan tot ontvlugting te beramen.
"Nu reeds!" zeide Paganel op een waarlijk spijtigen toon. "Denkt gij er
nu reeds aan om dit lustoord te verlaten?"
"Maar, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena, "al geef ik toe, dat
wij te Capua zijn, dan moeten wij toch Hannibal niet navolgen, dat weet
gij ook wel!"
"Mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik zal mij niet verstouten u tegen te
spreken; gij wilt een plan beramen, het zij zoo!"
"Ik stel op den voorgrond," zeide Glenarvan, "dat wij een ontvlugting
moeten beproeven, voor de hongersnood ons er toe dwingt. Aan krachten
ontbreekt het ons thans niet, en daarvan moeten wij gebruik maken. Dezen
nacht nog moeten wij beproeven om door de duisternis begunstigd door de
inboorlingen heen te breken en de oostelijke valleijen te bereiken."
"Onverbeterlijk!" antwoordde Paganel, "als de Maori's ons voorbij
laten."
"En wanneer zij het ons beletten?" vroeg John Mangles.
"Dan zullen wij groote middelen aanwenden," antwoordde Paganel.
"Hebt gij dan groote middelen?" vroeg de majoor.
"Zooveel, dat ik niet weet, wat ik het eerst gebruiken zal!" gaf Paganel
ten antwoord, zonder zich nader uit te laten.
Men moest dus den nacht afwachten om een poging te wagen om door de
linie der inlanders te boren.
Dezen hadden hun plaats niet verlaten. Hun gelederen schenen zelfs door
de achterblijvers van den stam versterkt te zijn. Hier en daar vormden
brandende vuren een gordel van gloed om den voet des kegels. Toen de
duisternis op de omliggende valleijen nederdaalde, scheen de Maunganamu
boven een vuurzee uit te steken, terwijl zijn top in pikzwarte
duisternis was gehuld. Zes honderd voet beneden zich hoorde men het
rumoer, het geschreeuw en gepraat in de vijandelijke legerplaats.
Ten negen ure was het stikdonker en nu besloten Glenarvan en John
Mangles op verkenning uit te gaan, voor zij hun makkers op dien
gevaarlijken weg bragten. Zij daalden omtrent tien minuten lang zonder
geraas te maken naar beneden, en kwamen op den smallen bergrug, die de
linie van inlanders sneed, vijftig voet boven de legerplaats.
Tot zoo ver ging alles goed. De Maori's lagen bij hun vuren en schenen
de twee vlugtelingen niet te bemerken, die nog eenige schreden deden.
Maar op eens barstte er links en regts van den bergrug een dubbel
geweervuur los.
"Terug!" riep Glenarvan. "Die roovers hebben kattenoogen en
scherpschuttersgeweren!"
John Mangles en hij beklommen haastig weder de steile berghellingen en
gingen spoedig hun vrienden gerust stellen, die reeds bang geworden
waren door het vuren. Glenarvans hoed was door twee kogels doorboord.
Het was dus onmogelijk zich op den eindeloozen bergrug te wagen tusschen
die twee rijen schutters in.
"Tot morgen!" zeide Paganel. "Kunnen wij de waakzaamheid dier inlanders
niet verschalken, dan zult gij mij wel veroorloven hun een geregt van
mijn vinding toe te dienen!"
Het was nog al koud. Gelukkig had Kara-Tete zijn beste slaaprokken,
warme linnen dekens, in zijn graf medegenomen, waarin allen zich zonder
schroom wikkelden, en weldra sliepen de vlugtelingen, door het
volksbijgeloof beschermd, rustig achter de palen, op dien laauwen bodem,
die door het vuur, dat inwendig blaakte, in een trillende beweging
gehouden werd.