XIII.

De laatste uren.

Juist verdween de zon over het Taupo-meer achter de toppen van den

Tuhahua en Puketapu, toen de gevangenen naar hun kerker werden

teruggevoerd. Zij zouden hem niet meer verlaten, voor de toppen der

Wahiti-Ranges door de eerste zonnestralen verlicht werden.

Zij hadden een geheelen nacht om zich op den dood voor te bereiden.

Ondanks hun droefheid, ondanks het ijselijke lot, dat hen wachtte,

gebruikten zij toch gezamenlijk den maaltijd.

"Wij zullen al onze krachten hoog noodig hebben," had Glenarvan gezegd,

"om den dood in het aangezigt te zien. Wij moeten aan die barbaren

toonen, hoe Europeanen weten te sterven!"

Toen het eten afgeloopen was, zeide lady Helena overluid het avondgebed

op. Met ongedekten hoofde spraken al haar reisgenooten haar na.

Waar is de mensch, die niet aan God denkt, wanneer de dood hem

aangrijnst?

Toen die pligt was volbragt, omhelsden de gevangenen elkander.

Mary Grant en Helena begaven zich naar een hoek van de hut en strekten

zich op eene mat uit. De slaap, die alle smarten lenigt, daalde weldra

op haar oogleden neder; in elkanders armen gestrengeld sliepen zij in,

uitgeput als zij waren door vermoeidheid en slapelooze nachten.

Glenarvan nam nu zijn vrienden ter zijde en sprak hen aldus aan:

"Waarde reisgenooten! ons leven en dat dier arme vrouwen is in Gods

hand. Is het de wil des Hemels, dat wij morgen sterven, dan zullen wij,

ik ben er zeker van, weten te sterven als mannen, als christenen, die

onbevreesd voor den Oppersten Regter durven verschijnen. God, die op den

bodem van ons hart ziet, weet, dat wij een edel doel najaagden. Wacht

ons de dood in plaats van een goeden uitslag, dan is het zijn wil. Hoe

hard zijn beschikkingen ook mogen wezen, ik wil toch niet tegen Hem

morren. Maar hier is de dood niet maar alleen de dood, het is de

foltering, het is misschien de eerloosheid, en ziehier twee vrouwen...."

Glenarvans' stem, die tot nog toe vast geweest was, begon hier te beven.

Hij zweeg om zijn aandoening te bedwingen. Na een oogenblik zwijgens

vervolgde hij tot den jongen kapitein:

"John! gij hebt aan Mary beloofd, wat ik aan lady Helena beloofd hebt.

Wat is uw voornemen?"

"Ik geloof voor God het regt te hebben die belofte te vervullen,"

antwoordde John Mangles.

"Ja, John! Maar wij zijn ongewapend!"

"Toch niet," antwoordde John, een dolk toonende. "Ik heb hem uit de hand

van Kara-Tete gerukt, toen die wilde aan uwe voeten viel. Mylord! wie

van ons beiden het langste leeft, zal den wensch van lady Helena en Mary

Grant vervullen."

Een doodsche stilte heerschte na die woorden in de hut. Eindelijk brak

de majoor ze af met te zeggen:

"Mijne vrienden! stelt dat uiterste middel tot de laatste minuten uit.

Ik houd niet veel van hetgeen onherstelbaar is."

"Ik heb niet voor ons gesproken," antwoordde Glenarvan. "Hoe vreeselijk

onze dood ook moge wezen, wij zullen hem trotseeren! Ha! als wij alleen

waren, zou ik u reeds twintigmaal toegeroepen hebben: Mijne vrienden!

laten wij een uitval wagen! Laten wij die ellendelingen aanvallen! Maar

zij! zij!..."

John ligtte even de mat op en telde vijf en twintig inlanders, die aan

de deur der gevangenis de wacht hielden. Zij hadden een groot vuur

aangelegd, dat een akeligen gloed verspreidde over den oneffen grond der

sterkte. Sommigen dier wilden lagen rondom het vuur op den grond;

anderen stonden roerloos overeind en staken zwart af op de heldere

gordijn van vlammen. Maar allen zagen telkens naar de hut, die aan hun

bewaking was toevertrouwd.

Men zegt, dat tusschen den cipier, die waakt en een gevangene, die

vlugten wil, de kansen voor den gevangene zijn. Het belang van den een

is inderdaad grooter dan het belang van den ander. Deze kan vergeten,

dat hij bewaakt; gene kan nooit vergeten, dat hij bewaakt wordt. De

gevangene denkt meer aan de vlugt, dan zijn bewaker om hem de vlugt te

beletten. Dat is de oorzaak van zoovele en zoo wonderlijke

ontvlugtingen.

Maar hier werden de gevangenen bewaakt door de haat en de wraakzucht, en

niet door een onverschilligen cipier. De gevangenen waren niet geboeid;

maar dat was ook onnoodig: want vijf en twintig man bewaakten den

eenigen uitgang van het heilige huis.

Deze hut, tegen den rotswand leunende, die de verschansing afsloot, was

alleen genaakbaar over een smalle landtong, die haar met het voorplein

der sterkte in verband bragt. De zijmuren waren boven loodregte

rotswanden opgetrokken en hingen over een honderd voet diepen afgrond.

Hier was dus een nederdaling onmogelijk.

Onder den grond door bestond ook geen gelegenheid om te vlugten, want de

rots was steenhard. De eenige uitgang was de deur van het heilige huis,

en de Maori's bewaakten die landtong, die het als een ophaalbrug met de

vesting verbond. Ontsnappen was dus onmogelijk, en Glenarvan moest dit

wel erkennen, toen hij, misschien voor de twintigste maal, de muren

zijner gevangenis had onderzocht.

Intusschen verliepen de uren van dien akeligen nacht. De berg was in

digte duisternis gehuld. Maan nog sterren verhelderden den pikzwarten

nacht. De wind huilde langs de sterkte. De palen der hut kraakten.

Plotseling wakkerde het vuur der inboorlingen weder aan door die

kortstondige strooming der lucht, en het schijnsel der vlammen

verlichtte even het binnenste van het heilige huis. De groep gevangenen

werd voor een oogenblik beschenen. Die arme lieden waren in gedachten

verzonken over het lot, dat hun wachtte. Sen doodsche stilte heerschte

in de hut.

Het zal omstreeks vier ure in den morgen geweest zijn, toen de

oplettendheid van den majoor werd opgewekt door een ligt gedruisch, dat

achter de achterste palen, in den wand der hut, die tegen de rots

leunde, vandaan scheen te komen.

Toen Mac Nabbs, die zich eerst niet om dat gedruisch had bekommerd,

bespeurde, dat het aanhield, luisterde hij; verwonderd, dat het niet

ophield, ging hij eindelijk om het beter waar te nemen met het oor op

den grond liggen. Hij meende te hooren, dat er van buiten gekrabd en

gegraven werd.

Toen hij zeker was van zijn zaak, sloop de majoor naar Glenarvan en John

Mangles, ontrukte hen aan hun droevige denkbeelden en voerde ze naar het

achterste gedeelte der hut.

"Luistert!" fluisterde hij, hun tevens een teeken gevende om te bukken.

Het gekrab werd hoe langer hoe duidelijker; men kon hooren, dat de

steentjes door de aanraking met een scherp voorwerp krasten en

wegrolden.

"Een beest in zijn hol," zeide John Mangles.

Glenarvan sloeg zich voor het hoofd en zeide:

"Wie weet? als het eens een mensch was!"

"Mensch of dier," antwoordde de majoor, "ik zal er wel spoedig achter

komen!"

Wilson en Olbinett kwamen bij hen, en allen begonnen in den wand te

graven, John met zijn dolk, de anderen met steenen, die zij uit den

grond haalden, of met hun nagels, terwijl Mulrady op den grond lag om

door een kier in de mat de groep inlanders in het oog te houden.

Die wilden lagen onbewegelijk rondom het vuur en vermoedden niets van

hetgeen er twintig schreden van hen af gebeurde.

De grond bestond uit een ligte en wrijfbare aarde, die den

kiezelachtigen tufsteen bedekte. Ondanks het gebrek aan werktuigen

vorderde het gat dan ook goed. Weldra was het duidelijk, dat een of meer

menschen buiten het fort een galerij groeven in den zijmuur. Wat kon hun

doel zijn? Waren zij bekend met het bestaan der gevangenen, of vond de

arbeid, die verrigt scheen te worden, zijn verklaring in het toeval

eener persoonlijke onderneming?

De gevangenen verdubbelden hun pogingen. Hun gewonde vingers bloedden;

maar zij groeven toch door. Na een half uur arbeids was het gat, dat zij

boorden, een voet of drie diep. Het helderder geraas bewees hun, dat

alleen een dunne aardlaag een onmiddellijke gemeenschap belette.

Er verliepen nog eenige minuten; daar trok de majoor op eens zijn hand

terug, die door een scherp lemmet gewond was. Hij bedwong den kreet van

pijn, die hem bijna ontsnapte.

John Mangles weerde met zijn dolk het mes af, dat in het gat werd

rondgedraaid, maar vatte de hand, die het voerde.

Het was de hand eener vrouw of van een kind, een europeesche hand!

Geen van beiden had een woord gesproken. Het was duidelijk, dat men er

aan beide zijden belang bij had om te zwijgen.

"Is het Robert?" mompelde Glenarvan.

Maar hoe zacht hij dien naam ook had uitgesproken, Mary Grant had hem

verstaan. Zij was ontwaakt door de beweging in de hut, sloop naar

Glenarvan, greep die met aarde bemorste hand en bedekte ze met haar

kussen.

"Gij! gij!" zeide het meisje, dat zich er niet in kon vergissen, "gij,

Robert!"

"Ja, zusje!" antwoordde Robert, "ik ben hier om u allen te redden! Maar

stilte."

"Moedig kind!" herhaalde Glenarvan.

"Houdt de wilden daar buiten in het oog en maakt het gat ruimer!" hernam

Robert.

Mulrady, die even had opgezien bij de verschijning van den knaap, ging

weer op den uitkijk staan.

"Alles gaat goed," zeide hij. "Nog maar vier krijgslieden zijn wakker.

De anderen slapen."

"Moed gehouden!" sprak Wilson.

In een oogenblik was het gat vergroot en ging Robert uit de armen zijner

zuster over in die van lady Helena. Om zijn ligchaam was een lang touw

van vlas gewonden.

"Mijn kind! mijn kind!" mompelde de jonge vrouw, "dus hebben de wilden u

niet gedood!"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Robert. "Ik weet zelf niet, hoe ik mij bij

die opschudding aan hun oog heb kunnen onttrekken; ik ben over de

omwalling gesprongen; twee dagen lang heb ik mij in de struiken

verscholen; 's nachts liep ik rond; ik wilde u wederzien. Terwijl de

geheele stam met de uitvaart van het opperhoofd bezig was, ben ik die

zijde der sterkte, waar de gevangenis staat, gaan verkennen, en heb ik

gezien, dat ik bij u zou kunnen komen. Uit een ledige hut heb ik dit mes

en dit touw genomen. De bosjes gras, de takken der struiken hebben mij

tot ladder gediend; bij toeval heb ik een soort van grot gevonden, in de

rots uitgehouwen, waartegen deze hut leunt; ik behoefde slechts eenige

voeten in een weeke aarde uit te graven, en nu ben ik hier."

Twintig stomme kussen waren het eenige antwoord, dat Robert krijgen kon.

"Laten wij vertrekken!" zeide hij op vasten toon.

"Is Paganel beneden?" vroeg Glenarvan.

"Mijnheer Paganel?" herhaalde het kind, zeer verrast door die vraag.

"Ja! Wacht hij ons? Hij was immers met u gevlugt?"

"Welneen, mylord! Wat, is mijnheer Paganel niet hier?"

"Hij is hier niet, Robert!" antwoordde Mary Grant.

"Hoe? Hebt gij hem niet gezien?" vroeg Glenarvan. "Hebt gij elkaar niet

bij die opschudding aangetroffen? Zijt gij niet zamen ontsnapt?"

"Neen, mylord!" herhaalde Robert, die geheel ter neergeslagen was door

het berigt van de verdwijning van Paganel.

"Laten wij vertrekken!" zeide nu de majoor, "wij hebben geen minuut te

verliezen. Waar Paganel ook is, hij kan het nergens slechter hebben dan

wij hier. Vooruit maar!"

Wel waren de oogenblikken kostbaar. Zij moesten vlugten. De ontsnapping

leverde geen andere groote moeijelijkheden op, dan alleen de afdaling

langs een bijna loodregten rotsmuur buiten de grot, die omtrent twintig

voet hoog was. Vandaar bood de helling een vrij gemakkelijke nederdaling

tot den voet des bergs aan. Van dit punt af konden de gevangenen spoedig

de lager liggende dalen bereiken, terwijl de Maori's, wanneer zij hun

vlugt ontdekten, onbekend als ze waren met het bestaan der galerij

tusschen het heilige huis en de buitenste glooijing gegraven, een zeer

langen omweg zouden moeten maken om hen te bereiken.

De ontvlugting begon. Alle voorzorgen, die haar welslagen konden

verzekeren, werden genomen. De gevangenen kropen achter elkander door de

naauwe galerij en kwamen in de grot. Voor John Mangles de hut verliet,

ruimde hij al het puin weg en kroop op zijn beurt door de opening,

waarop hij de matten van de hut liet vallen. De galerij was dus volkomen

verborgen.

Nu moest men den loodregten rotsmuur tot aan de glooijing afdalen, en

die nederdaling zou onmogelijk geweest zijn, wanneer Robert het touw van

vlas niet had meegebragt.

Het werd afgewonden, aan een uitstekende rotspunt vastgemaakt en naar

beneden geworpen.

Voor John Mangles zijn vrienden zich liet toevertrouwen aan die

vlasvezels, die ineengedraaid het touw vormden, onderzocht hij het

eerst; hij oordeelde, dat het niet bijzonder sterk was; men mogt zich

echter niet roekeloos blootstellen, want een val kon doodelijk zijn.

"Dit touw," zeide hij, "kan slechts twee personen te gelijk houden; daar

moeten wij ons dus naar regelen. Eerst moeten lord en lady Glenarvan

zich laten afglijden; zoodra zij beneden zijn, trekken zij driemaal aan

het touw, dat zal voor ons het sein wezen om hen te volgen."

"Ik zal het eerst gaan," zeide Robert. "Ik heb onder aan de glooijing

een soort van diep hol ontdekt, waar de eerst afgedaalden zich zullen

verbergen om de anderen af te wachten."

"Ga, mijn jongen!" zeide Glenarvan, terwijl hij de hand van den knaap

drukte.

Robert verdween door de opening der grot. Een minuut daarna bewezen drie

rukken aan het touw, dat de knaap zijne afdaling gelukkig volbragt had.

Terstond waagden Glenarvan en lady Helena zich buiten de grot. Het was

nog zeer duister, maar de toppen, die in bet oosten verrezen, werden

reeds door eenige graauwe tinten gekleurd.

De snerpende ochtendkoelte bragt de jeugdige vrouw weder bij. Zij

gevoelde haar krachten terugkeeren en begon haar gevaarlijke vlugt.

Glenarvan voorop, gevolgd door lady Helena, lieten zich langs het touw

afglijden tot op de plek, waar de loodregte rotsmuur zamenkwam met het

bovenvlak der schuine zijde. Daarop begon Glenarvan, die zijn vrouw

voorging en haar ondersteunde, achteruit af te dalen. Hij zocht naar

bosjes gras en struiken, die hem een steunpunt konden opleveren; eerst

beproefde hij ze en zette er dan den voet van lady Helena op. Eenige

vogels, die in hun rust gestoord werden, vlogen zacht schreeuwend weg,

en de vlugtelingen sidderden, wanneer een steen, uit zijn kuil

weggestooten, met groot geraas tot beneden aan den berg rolde.

Zij waren omtrent op de helft der schuine zijde, toen zich een stem aan

den ingang der grot liet hooren:

"Houdt stil!" fluisterde John Mangles.

Met de eene hand zich vastklemmende aan een bosje struiken met

vierhoekige bladeren, met de andere zijn vrouw ondersteunende, wachtte

Glenarvan, bijna zonder adem te durven halen.

Wilson had onraad gehoord. Eenig gerucht buiten het heilige huis

vernomen hebbende, was hij in de hut teruggekeerd, had de mat opgeligt

en naar de Maori's uitgezien. Op een teeken van hem hield John Glenarvan

tegen.

Door een vreemd gedruisch verrast, was een der krijgslieden opgestaan en

het heilige huis genaderd. Twee schreden van de hut af, bleef hij met

gebukten hoofde staan luisteren. Een minuut lang, die wel een uur

scheen, bleef hij met gespitst oor en loerend oog in die houding. Daarop

schudde hij het hoofd als iemand, die zich vergist heeft, keerde naar

zijn makkers terug, nam een armvol dood hout en wierp het op het half

uitgegane vuur, welks vlammen weer opflikkerden. Zijn helder verlicht

gelaat verried geen bezorgdheid meer, en na de eerste morgenschemering,

die den gezigteinder een beetje verhelderde, gadegeslsgen te hebben,

ging hij bij het vuur liggen om zijn koude leden te verwarmen.

"Alles gaat goed," zeide Wilson.

John gaf aan Glenarvan een teeken om de afdaling te hervatten.

Glenarvan liet zich zachtjes tot op het vlak glijden, weldra zetten lady

Helena en hij den voet op het naauwe pad, waar Robert hen wachtte.

Driemaal trok hij aan het touw, en nu gingen John Mangles met Mary Grant

op hun beurt den gevaarvollen togt ondernemen.

Zijn waagstuk gelukte; hij voegde zich bij lord en lady Glenarvan in het

door Robert aangewezen gat.

Vijf minuten later waren alle vlugtelingen gelukkig uit het heilige huis

ontkomen en verlieten zij hun voorloopige schuilplaats. Met vermijding

van de bewoonde oevers van het meer drongen zij langs naauwe paden in

het diepst van het gebergte.

Zij liepen stevig door en trachtten alle punten te mijden waar zij soms

gezien konden worden. Zij spraken geen woord. Zij slopen als schimmen

tusschen de heesters door. Waar gingen zij heen? Op goed geluk af; maar

zij waren vrij.

Omstreeks vijf ure brak de dag aan. Blaauwachtige strepen liepen door de

hoogdrijvende wolken. De in nevelen gehulde toppen scheidden zich van de

morgendampen. Weldra zou de dagvorstin verschijnen, en in plaats van het

sein tot de doodstraf te geven, zou die zon integendeel de vlugt der

veroordeelden verraden.

Voor dat noodlottig oogenblik moesten dus de vlugtelingen buiten het

bereik der wilden zijn om hen zoo ver mogelijk van het spoor te brengen.

Maar zij vorderden niet veel; de paden waren te steil. Lady Helena

klauterde tegen de helling op, ondersteund, om niet te zeggen gedragen

door Glenarvan, en Mary Grant leunde op den arm van John Mangles;

gelukkig en zegevierend opende Robert, vol blijdschap over zijn

welslagen, den optogt, dien de twee matrozen sloten.

Nog een half uur en de schitterende zon zou de dampen aan den

gezigteinder verdrijven.

Een half uur lang liepen de vlugtelingen op goed geluk voort. Paganel

was niet bij hen om hun den weg te wijzen,--Paganel, het voorwerp hunner

ongerustheid en wiens gemis een donkere schaduw wierp op hun geluk.

Inmiddels rigtten zij zich zooveel mogelijk naar het oosten, den aan

breken den dageraad te gemoet. Weldra hadden zij een hoogte van vijf

honderd voet boven het Taupo-meer bereikt, en de morgenkoelte, door die

hoogte nog vermeerderd, hinderde hen. Onduidelijke vormen van heuvels en

bergen stapelden zich op elkander; maar Glenarvan wenschte niets liever

dan er in rond te dolen. Later zou hij wel zien, hoe hij uit dien

bergachtigen doolhof kwam.

Eindelijk brak de zon door en bescheen de vlugtelingen met haar eerste

stralen.

Op eens weergalmde een vreeselijk gebrul uit honderd kelen door de

lucht. Het kwam uit de vesting, wier juiste ligging Glenarvan niet meer

kon bepalen. Bovendien verhinderde hem een digte gordijn van nevelen,

die aan zijn voeten hing, om de lage dalen te onderscheiden.

Maar de vlugtelingen konden er niet aan twijfelen, hun vlugt was

ontdekt. Zouden zij ontkomen aan de vervolging der inlanders? Waren zij

gezien? Zouden hun sporen hen niet verraden?

Juist trok de lage mist op en wikkelde hen voor een poos in een vochtige

wolk, en nu bemerkten zij drie honderd voet beneden zich den dweepzieken

hoop inlanders.

Zij zagen, maar waren ook gezien. Een nieuw gebrul steeg op, begeleid

door hondengeblaf, en de geheele stam stormde, na eerst te vergeefs

beproefd te hebben de rots van het heilige huis te beklimmen, den

vestingwal uit en ijlde langs de kortste paden de gevangenen na, die aan

zijn wraak ontsnapten.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 19 / 29 题