De laatste uren.
Juist verdween de zon over het Taupo-meer achter de toppen van den
Tuhahua en Puketapu, toen de gevangenen naar hun kerker werden
teruggevoerd. Zij zouden hem niet meer verlaten, voor de toppen der
Wahiti-Ranges door de eerste zonnestralen verlicht werden.
Zij hadden een geheelen nacht om zich op den dood voor te bereiden.
Ondanks hun droefheid, ondanks het ijselijke lot, dat hen wachtte,
gebruikten zij toch gezamenlijk den maaltijd.
"Wij zullen al onze krachten hoog noodig hebben," had Glenarvan gezegd,
"om den dood in het aangezigt te zien. Wij moeten aan die barbaren
toonen, hoe Europeanen weten te sterven!"
Toen het eten afgeloopen was, zeide lady Helena overluid het avondgebed
op. Met ongedekten hoofde spraken al haar reisgenooten haar na.
Waar is de mensch, die niet aan God denkt, wanneer de dood hem
aangrijnst?
Toen die pligt was volbragt, omhelsden de gevangenen elkander.
Mary Grant en Helena begaven zich naar een hoek van de hut en strekten
zich op eene mat uit. De slaap, die alle smarten lenigt, daalde weldra
op haar oogleden neder; in elkanders armen gestrengeld sliepen zij in,
uitgeput als zij waren door vermoeidheid en slapelooze nachten.
Glenarvan nam nu zijn vrienden ter zijde en sprak hen aldus aan:
"Waarde reisgenooten! ons leven en dat dier arme vrouwen is in Gods
hand. Is het de wil des Hemels, dat wij morgen sterven, dan zullen wij,
ik ben er zeker van, weten te sterven als mannen, als christenen, die
onbevreesd voor den Oppersten Regter durven verschijnen. God, die op den
bodem van ons hart ziet, weet, dat wij een edel doel najaagden. Wacht
ons de dood in plaats van een goeden uitslag, dan is het zijn wil. Hoe
hard zijn beschikkingen ook mogen wezen, ik wil toch niet tegen Hem
morren. Maar hier is de dood niet maar alleen de dood, het is de
foltering, het is misschien de eerloosheid, en ziehier twee vrouwen...."
Glenarvans' stem, die tot nog toe vast geweest was, begon hier te beven.
Hij zweeg om zijn aandoening te bedwingen. Na een oogenblik zwijgens
vervolgde hij tot den jongen kapitein:
"John! gij hebt aan Mary beloofd, wat ik aan lady Helena beloofd hebt.
Wat is uw voornemen?"
"Ik geloof voor God het regt te hebben die belofte te vervullen,"
antwoordde John Mangles.
"Ja, John! Maar wij zijn ongewapend!"
"Toch niet," antwoordde John, een dolk toonende. "Ik heb hem uit de hand
van Kara-Tete gerukt, toen die wilde aan uwe voeten viel. Mylord! wie
van ons beiden het langste leeft, zal den wensch van lady Helena en Mary
Grant vervullen."
Een doodsche stilte heerschte na die woorden in de hut. Eindelijk brak
de majoor ze af met te zeggen:
"Mijne vrienden! stelt dat uiterste middel tot de laatste minuten uit.
Ik houd niet veel van hetgeen onherstelbaar is."
"Ik heb niet voor ons gesproken," antwoordde Glenarvan. "Hoe vreeselijk
onze dood ook moge wezen, wij zullen hem trotseeren! Ha! als wij alleen
waren, zou ik u reeds twintigmaal toegeroepen hebben: Mijne vrienden!
laten wij een uitval wagen! Laten wij die ellendelingen aanvallen! Maar
zij! zij!..."
John ligtte even de mat op en telde vijf en twintig inlanders, die aan
de deur der gevangenis de wacht hielden. Zij hadden een groot vuur
aangelegd, dat een akeligen gloed verspreidde over den oneffen grond der
sterkte. Sommigen dier wilden lagen rondom het vuur op den grond;
anderen stonden roerloos overeind en staken zwart af op de heldere
gordijn van vlammen. Maar allen zagen telkens naar de hut, die aan hun
bewaking was toevertrouwd.
Men zegt, dat tusschen den cipier, die waakt en een gevangene, die
vlugten wil, de kansen voor den gevangene zijn. Het belang van den een
is inderdaad grooter dan het belang van den ander. Deze kan vergeten,
dat hij bewaakt; gene kan nooit vergeten, dat hij bewaakt wordt. De
gevangene denkt meer aan de vlugt, dan zijn bewaker om hem de vlugt te
beletten. Dat is de oorzaak van zoovele en zoo wonderlijke
ontvlugtingen.
Maar hier werden de gevangenen bewaakt door de haat en de wraakzucht, en
niet door een onverschilligen cipier. De gevangenen waren niet geboeid;
maar dat was ook onnoodig: want vijf en twintig man bewaakten den
eenigen uitgang van het heilige huis.
Deze hut, tegen den rotswand leunende, die de verschansing afsloot, was
alleen genaakbaar over een smalle landtong, die haar met het voorplein
der sterkte in verband bragt. De zijmuren waren boven loodregte
rotswanden opgetrokken en hingen over een honderd voet diepen afgrond.
Hier was dus een nederdaling onmogelijk.
Onder den grond door bestond ook geen gelegenheid om te vlugten, want de
rots was steenhard. De eenige uitgang was de deur van het heilige huis,
en de Maori's bewaakten die landtong, die het als een ophaalbrug met de
vesting verbond. Ontsnappen was dus onmogelijk, en Glenarvan moest dit
wel erkennen, toen hij, misschien voor de twintigste maal, de muren
zijner gevangenis had onderzocht.
Intusschen verliepen de uren van dien akeligen nacht. De berg was in
digte duisternis gehuld. Maan nog sterren verhelderden den pikzwarten
nacht. De wind huilde langs de sterkte. De palen der hut kraakten.
Plotseling wakkerde het vuur der inboorlingen weder aan door die
kortstondige strooming der lucht, en het schijnsel der vlammen
verlichtte even het binnenste van het heilige huis. De groep gevangenen
werd voor een oogenblik beschenen. Die arme lieden waren in gedachten
verzonken over het lot, dat hun wachtte. Sen doodsche stilte heerschte
in de hut.
Het zal omstreeks vier ure in den morgen geweest zijn, toen de
oplettendheid van den majoor werd opgewekt door een ligt gedruisch, dat
achter de achterste palen, in den wand der hut, die tegen de rots
leunde, vandaan scheen te komen.
Toen Mac Nabbs, die zich eerst niet om dat gedruisch had bekommerd,
bespeurde, dat het aanhield, luisterde hij; verwonderd, dat het niet
ophield, ging hij eindelijk om het beter waar te nemen met het oor op
den grond liggen. Hij meende te hooren, dat er van buiten gekrabd en
gegraven werd.
Toen hij zeker was van zijn zaak, sloop de majoor naar Glenarvan en John
Mangles, ontrukte hen aan hun droevige denkbeelden en voerde ze naar het
achterste gedeelte der hut.
"Luistert!" fluisterde hij, hun tevens een teeken gevende om te bukken.
Het gekrab werd hoe langer hoe duidelijker; men kon hooren, dat de
steentjes door de aanraking met een scherp voorwerp krasten en
wegrolden.
"Een beest in zijn hol," zeide John Mangles.
Glenarvan sloeg zich voor het hoofd en zeide:
"Wie weet? als het eens een mensch was!"
"Mensch of dier," antwoordde de majoor, "ik zal er wel spoedig achter
komen!"
Wilson en Olbinett kwamen bij hen, en allen begonnen in den wand te
graven, John met zijn dolk, de anderen met steenen, die zij uit den
grond haalden, of met hun nagels, terwijl Mulrady op den grond lag om
door een kier in de mat de groep inlanders in het oog te houden.
Die wilden lagen onbewegelijk rondom het vuur en vermoedden niets van
hetgeen er twintig schreden van hen af gebeurde.
De grond bestond uit een ligte en wrijfbare aarde, die den
kiezelachtigen tufsteen bedekte. Ondanks het gebrek aan werktuigen
vorderde het gat dan ook goed. Weldra was het duidelijk, dat een of meer
menschen buiten het fort een galerij groeven in den zijmuur. Wat kon hun
doel zijn? Waren zij bekend met het bestaan der gevangenen, of vond de
arbeid, die verrigt scheen te worden, zijn verklaring in het toeval
eener persoonlijke onderneming?
De gevangenen verdubbelden hun pogingen. Hun gewonde vingers bloedden;
maar zij groeven toch door. Na een half uur arbeids was het gat, dat zij
boorden, een voet of drie diep. Het helderder geraas bewees hun, dat
alleen een dunne aardlaag een onmiddellijke gemeenschap belette.
Er verliepen nog eenige minuten; daar trok de majoor op eens zijn hand
terug, die door een scherp lemmet gewond was. Hij bedwong den kreet van
pijn, die hem bijna ontsnapte.
John Mangles weerde met zijn dolk het mes af, dat in het gat werd
rondgedraaid, maar vatte de hand, die het voerde.
Het was de hand eener vrouw of van een kind, een europeesche hand!
Geen van beiden had een woord gesproken. Het was duidelijk, dat men er
aan beide zijden belang bij had om te zwijgen.
"Is het Robert?" mompelde Glenarvan.
Maar hoe zacht hij dien naam ook had uitgesproken, Mary Grant had hem
verstaan. Zij was ontwaakt door de beweging in de hut, sloop naar
Glenarvan, greep die met aarde bemorste hand en bedekte ze met haar
kussen.
"Gij! gij!" zeide het meisje, dat zich er niet in kon vergissen, "gij,
Robert!"
"Ja, zusje!" antwoordde Robert, "ik ben hier om u allen te redden! Maar
stilte."
"Moedig kind!" herhaalde Glenarvan.
"Houdt de wilden daar buiten in het oog en maakt het gat ruimer!" hernam
Robert.
Mulrady, die even had opgezien bij de verschijning van den knaap, ging
weer op den uitkijk staan.
"Alles gaat goed," zeide hij. "Nog maar vier krijgslieden zijn wakker.
De anderen slapen."
"Moed gehouden!" sprak Wilson.
In een oogenblik was het gat vergroot en ging Robert uit de armen zijner
zuster over in die van lady Helena. Om zijn ligchaam was een lang touw
van vlas gewonden.
"Mijn kind! mijn kind!" mompelde de jonge vrouw, "dus hebben de wilden u
niet gedood!"
"Neen, mevrouw!" antwoordde Robert. "Ik weet zelf niet, hoe ik mij bij
die opschudding aan hun oog heb kunnen onttrekken; ik ben over de
omwalling gesprongen; twee dagen lang heb ik mij in de struiken
verscholen; 's nachts liep ik rond; ik wilde u wederzien. Terwijl de
geheele stam met de uitvaart van het opperhoofd bezig was, ben ik die
zijde der sterkte, waar de gevangenis staat, gaan verkennen, en heb ik
gezien, dat ik bij u zou kunnen komen. Uit een ledige hut heb ik dit mes
en dit touw genomen. De bosjes gras, de takken der struiken hebben mij
tot ladder gediend; bij toeval heb ik een soort van grot gevonden, in de
rots uitgehouwen, waartegen deze hut leunt; ik behoefde slechts eenige
voeten in een weeke aarde uit te graven, en nu ben ik hier."
Twintig stomme kussen waren het eenige antwoord, dat Robert krijgen kon.
"Laten wij vertrekken!" zeide hij op vasten toon.
"Is Paganel beneden?" vroeg Glenarvan.
"Mijnheer Paganel?" herhaalde het kind, zeer verrast door die vraag.
"Ja! Wacht hij ons? Hij was immers met u gevlugt?"
"Welneen, mylord! Wat, is mijnheer Paganel niet hier?"
"Hij is hier niet, Robert!" antwoordde Mary Grant.
"Hoe? Hebt gij hem niet gezien?" vroeg Glenarvan. "Hebt gij elkaar niet
bij die opschudding aangetroffen? Zijt gij niet zamen ontsnapt?"
"Neen, mylord!" herhaalde Robert, die geheel ter neergeslagen was door
het berigt van de verdwijning van Paganel.
"Laten wij vertrekken!" zeide nu de majoor, "wij hebben geen minuut te
verliezen. Waar Paganel ook is, hij kan het nergens slechter hebben dan
wij hier. Vooruit maar!"
Wel waren de oogenblikken kostbaar. Zij moesten vlugten. De ontsnapping
leverde geen andere groote moeijelijkheden op, dan alleen de afdaling
langs een bijna loodregten rotsmuur buiten de grot, die omtrent twintig
voet hoog was. Vandaar bood de helling een vrij gemakkelijke nederdaling
tot den voet des bergs aan. Van dit punt af konden de gevangenen spoedig
de lager liggende dalen bereiken, terwijl de Maori's, wanneer zij hun
vlugt ontdekten, onbekend als ze waren met het bestaan der galerij
tusschen het heilige huis en de buitenste glooijing gegraven, een zeer
langen omweg zouden moeten maken om hen te bereiken.
De ontvlugting begon. Alle voorzorgen, die haar welslagen konden
verzekeren, werden genomen. De gevangenen kropen achter elkander door de
naauwe galerij en kwamen in de grot. Voor John Mangles de hut verliet,
ruimde hij al het puin weg en kroop op zijn beurt door de opening,
waarop hij de matten van de hut liet vallen. De galerij was dus volkomen
verborgen.
Nu moest men den loodregten rotsmuur tot aan de glooijing afdalen, en
die nederdaling zou onmogelijk geweest zijn, wanneer Robert het touw van
vlas niet had meegebragt.
Het werd afgewonden, aan een uitstekende rotspunt vastgemaakt en naar
beneden geworpen.
Voor John Mangles zijn vrienden zich liet toevertrouwen aan die
vlasvezels, die ineengedraaid het touw vormden, onderzocht hij het
eerst; hij oordeelde, dat het niet bijzonder sterk was; men mogt zich
echter niet roekeloos blootstellen, want een val kon doodelijk zijn.
"Dit touw," zeide hij, "kan slechts twee personen te gelijk houden; daar
moeten wij ons dus naar regelen. Eerst moeten lord en lady Glenarvan
zich laten afglijden; zoodra zij beneden zijn, trekken zij driemaal aan
het touw, dat zal voor ons het sein wezen om hen te volgen."
"Ik zal het eerst gaan," zeide Robert. "Ik heb onder aan de glooijing
een soort van diep hol ontdekt, waar de eerst afgedaalden zich zullen
verbergen om de anderen af te wachten."
"Ga, mijn jongen!" zeide Glenarvan, terwijl hij de hand van den knaap
drukte.
Robert verdween door de opening der grot. Een minuut daarna bewezen drie
rukken aan het touw, dat de knaap zijne afdaling gelukkig volbragt had.
Terstond waagden Glenarvan en lady Helena zich buiten de grot. Het was
nog zeer duister, maar de toppen, die in bet oosten verrezen, werden
reeds door eenige graauwe tinten gekleurd.
De snerpende ochtendkoelte bragt de jeugdige vrouw weder bij. Zij
gevoelde haar krachten terugkeeren en begon haar gevaarlijke vlugt.
Glenarvan voorop, gevolgd door lady Helena, lieten zich langs het touw
afglijden tot op de plek, waar de loodregte rotsmuur zamenkwam met het
bovenvlak der schuine zijde. Daarop begon Glenarvan, die zijn vrouw
voorging en haar ondersteunde, achteruit af te dalen. Hij zocht naar
bosjes gras en struiken, die hem een steunpunt konden opleveren; eerst
beproefde hij ze en zette er dan den voet van lady Helena op. Eenige
vogels, die in hun rust gestoord werden, vlogen zacht schreeuwend weg,
en de vlugtelingen sidderden, wanneer een steen, uit zijn kuil
weggestooten, met groot geraas tot beneden aan den berg rolde.
Zij waren omtrent op de helft der schuine zijde, toen zich een stem aan
den ingang der grot liet hooren:
"Houdt stil!" fluisterde John Mangles.
Met de eene hand zich vastklemmende aan een bosje struiken met
vierhoekige bladeren, met de andere zijn vrouw ondersteunende, wachtte
Glenarvan, bijna zonder adem te durven halen.
Wilson had onraad gehoord. Eenig gerucht buiten het heilige huis
vernomen hebbende, was hij in de hut teruggekeerd, had de mat opgeligt
en naar de Maori's uitgezien. Op een teeken van hem hield John Glenarvan
tegen.
Door een vreemd gedruisch verrast, was een der krijgslieden opgestaan en
het heilige huis genaderd. Twee schreden van de hut af, bleef hij met
gebukten hoofde staan luisteren. Een minuut lang, die wel een uur
scheen, bleef hij met gespitst oor en loerend oog in die houding. Daarop
schudde hij het hoofd als iemand, die zich vergist heeft, keerde naar
zijn makkers terug, nam een armvol dood hout en wierp het op het half
uitgegane vuur, welks vlammen weer opflikkerden. Zijn helder verlicht
gelaat verried geen bezorgdheid meer, en na de eerste morgenschemering,
die den gezigteinder een beetje verhelderde, gadegeslsgen te hebben,
ging hij bij het vuur liggen om zijn koude leden te verwarmen.
"Alles gaat goed," zeide Wilson.
John gaf aan Glenarvan een teeken om de afdaling te hervatten.
Glenarvan liet zich zachtjes tot op het vlak glijden, weldra zetten lady
Helena en hij den voet op het naauwe pad, waar Robert hen wachtte.
Driemaal trok hij aan het touw, en nu gingen John Mangles met Mary Grant
op hun beurt den gevaarvollen togt ondernemen.
Zijn waagstuk gelukte; hij voegde zich bij lord en lady Glenarvan in het
door Robert aangewezen gat.
Vijf minuten later waren alle vlugtelingen gelukkig uit het heilige huis
ontkomen en verlieten zij hun voorloopige schuilplaats. Met vermijding
van de bewoonde oevers van het meer drongen zij langs naauwe paden in
het diepst van het gebergte.
Zij liepen stevig door en trachtten alle punten te mijden waar zij soms
gezien konden worden. Zij spraken geen woord. Zij slopen als schimmen
tusschen de heesters door. Waar gingen zij heen? Op goed geluk af; maar
zij waren vrij.
Omstreeks vijf ure brak de dag aan. Blaauwachtige strepen liepen door de
hoogdrijvende wolken. De in nevelen gehulde toppen scheidden zich van de
morgendampen. Weldra zou de dagvorstin verschijnen, en in plaats van het
sein tot de doodstraf te geven, zou die zon integendeel de vlugt der
veroordeelden verraden.
Voor dat noodlottig oogenblik moesten dus de vlugtelingen buiten het
bereik der wilden zijn om hen zoo ver mogelijk van het spoor te brengen.
Maar zij vorderden niet veel; de paden waren te steil. Lady Helena
klauterde tegen de helling op, ondersteund, om niet te zeggen gedragen
door Glenarvan, en Mary Grant leunde op den arm van John Mangles;
gelukkig en zegevierend opende Robert, vol blijdschap over zijn
welslagen, den optogt, dien de twee matrozen sloten.
Nog een half uur en de schitterende zon zou de dampen aan den
gezigteinder verdrijven.
Een half uur lang liepen de vlugtelingen op goed geluk voort. Paganel
was niet bij hen om hun den weg te wijzen,--Paganel, het voorwerp hunner
ongerustheid en wiens gemis een donkere schaduw wierp op hun geluk.
Inmiddels rigtten zij zich zooveel mogelijk naar het oosten, den aan
breken den dageraad te gemoet. Weldra hadden zij een hoogte van vijf
honderd voet boven het Taupo-meer bereikt, en de morgenkoelte, door die
hoogte nog vermeerderd, hinderde hen. Onduidelijke vormen van heuvels en
bergen stapelden zich op elkander; maar Glenarvan wenschte niets liever
dan er in rond te dolen. Later zou hij wel zien, hoe hij uit dien
bergachtigen doolhof kwam.
Eindelijk brak de zon door en bescheen de vlugtelingen met haar eerste
stralen.
Op eens weergalmde een vreeselijk gebrul uit honderd kelen door de
lucht. Het kwam uit de vesting, wier juiste ligging Glenarvan niet meer
kon bepalen. Bovendien verhinderde hem een digte gordijn van nevelen,
die aan zijn voeten hing, om de lage dalen te onderscheiden.
Maar de vlugtelingen konden er niet aan twijfelen, hun vlugt was
ontdekt. Zouden zij ontkomen aan de vervolging der inlanders? Waren zij
gezien? Zouden hun sporen hen niet verraden?
Juist trok de lage mist op en wikkelde hen voor een poos in een vochtige
wolk, en nu bemerkten zij drie honderd voet beneden zich den dweepzieken
hoop inlanders.
Zij zagen, maar waren ook gezien. Een nieuw gebrul steeg op, begeleid
door hondengeblaf, en de geheele stam stormde, na eerst te vergeefs
beproefd te hebben de rots van het heilige huis te beklimmen, den
vestingwal uit en ijlde langs de kortste paden de gevangenen na, die aan
zijn wraak ontsnapten.