XII.

De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's.

Zooals op Nieuw-Zeeland wel meer het geval is, vereenigde Kai-Koemoe in

zich de waardigheden van priester en stamhoofd. In die eerste

hoedanigheid kon hij over personen of zaken de bijgeloovige bescherming

van het taboe uitstrekken.

Het taboe, dat bij alle volken van het polynesische ras wordt

aangetroffen, heeft onmiddellijk ten gevolge, dat alle omgang met of

gebruik van het voorwerp of den persoon, die getaboeëerd is, verboden

wordt. Volgens de godsdienst der Maori's zou alwie een heiligschennende

hand sloeg aan hetgene taboe verklaard is, door den vertoornden god met

den dood gestraft worden. En waar de godheid soms talmen mogt met wraak

te nemen over de haar aangedane beleediging, zouden de priesters niet

verzuimen haar wraakoefening te verhaasten.

Het taboe wordt door de opperhoofden met staatkundige bedoelingen

toegepast, tenzij het ontstaat uit een gewoon voorval van het huiselijke

leven. Een inlander wordt in menige omstandigheid voor eenige dagen

getaboeëerd, bv. wanneer hij zijn haar heeft afgesneden, wanneer hij

getatoeëerd is, wanneer hij een praauw timmert, wanneer hij een huis

bouwt, wanneer hij doodelijk ziek is, wanneer hij gestorven is. Dreigt

een onverstandige vischvangst de rivieren van haar visschen te berooven,

of worden de nieuwe aanplantingen van zoete pataten niet behoorlijk

ontzien, dan worden die voorwerpen door een beschermend en

staathuishoudkundig taboe getroffen. Wil een opperhoofd de lastige

omstanders van zijn huis verjagen, dan taboeëert hij het; ten zijnen

voordeele betrekkingen met een vreemd schip aanknoopen, dan taboeëert

hij het ook; een europeesch handelaar, op wien hij ontevreden is, een

quarantaine opleggen, hij taboeëert maar! Zijn verbod komt dan overeen

met het oude "veto" (ik wil niet) der koningen.

Wanneer een voorwerp getaboeëerd is, mag niemand het straffeloos

aanraken. Wanneer een inboorling aan dat verbod onderworpen is, zijn hem

sommige spijzen voor een bepaalden tijd ontzegd. Wanneer die strenge

leefregel opgeheven is, helpen, indien hij rijk is, zijn slaven hem en

steken de spijzen in zijn mond, die hij met zijn handen niet mag

aanraken; is hij arm, dan is hij genoodzaakt de spijzen met den mond op

te nemen, en het taboe maakt hem tot een dier.

Kortom, die vreemde gewoonte beheerscht en bepaalt de geringste daden

der Nieuw-Zeelanders. Het is de onophoudelijke tusschenkomst der godheid

in het maatschappelijke leven. Het heeft kracht van wet, en men mag

zeggen, dat het geheele inlandsche wetboek, een wetboek, dat geen

tegenspraak duldt en ook nooit tegengesproken wordt, vervat is in de

gedurige toepassing van het taboe.

De gevangenen in het heilige huis waren door een willekeurig taboe

ontrukt aan de woede der volksmenigte. Een partij onder de inlanders, de

vrienden en aanhangers van Kai-Koemoe, waren op eens gestuit door de

stem van hun hoofd en hadden de gevangenen beschermd.

Echter maakte Glenarvan zich geen verkeerde voorstellingen van het lot,

dat hem wachtte. Zijn dood alleen was een voldoende straf voor den moord

van een opperhoofd; en bij de wilde volken volgt de dood alleen op een

lange marteling. Glenarvan verwachtte dus niet anders, of hij zou wreed

moeten boeten voor de billijke verontwaardiging, die zijn arm had

gewapend; maar hij hoopte, dat de toorn van Kai-Koemoe hem alleen zou

treffen.

Welk een nacht bragten hij en zijn lotgenooten door! Wie zou hun angst

kunnen schilderen, hun lijden afmeten! De arme Robert, de goede Paganel

waren niet meer voor den dag gekomen. Maar kon men wel aan hun lot

twijfelen? Waren zij niet de eerste offers, ten zoen gevallen voor de

wraakzucht der inlanders? Alle hoop was verdwenen, zelfs uit het hart

van Mac Nabbs, die anders niet spoedig wanhoopte. John Mangles werd

bijna krankzinnig door de stille wanhoop van Mary Grant, die van haar

broeder was gescheiden. Glenarvan dacht aan dat verschrikkelijk verzoek

van lady Helena, die, om zich te onttrekken aan den marteldood of de

slavernij, door zijne hand wilde sterven! Zou hij dien ijselijken moed

hebben?

"En welk regt heb ik om Mary te treffen?" dacht John, wiens hart brak.

Aan een ontsnapping viel niet te denken; ze was geheel en al onmogelijk.

Tien, tot de tanden gewapende krijgslieden, waakten voor de deur der

gevangenis.

De morgen van den 13den Februarij brak aan. Er had geen verkeer plaats

gehad tusschen de inlanders en de gevangenen, die door het taboe werden

beschermd. De hut bevatte eenige levensmiddelen, die de ongelukkigen

naauwelijks aanraakten. De smart verdreef den eetlust. De dag verliep,

zonder verandering of hoop aan te brengen. Ongetwijfeld zou het uur van

de begrafenis van het gedoode opperhoofd ook dat zijn, waarop de

doodstraf voltrokken werd.

Terwijl Glenarvan zich niet ontveinsde, dat Kai-Koemoe de gedachte aan

uitwisseling wel zou hebben opgegeven, behield de majoor dienaangaande

nog altijd een straal van hoop.

"Wie weet," zeide hij, terwijl hij Glenarvan op de uitwerking wees, dien

de moord van Kara-Tete op het opperhoofd gemaakt had, "wie weet, of

Kai-Koemoe niet in den grond verpligting aan u gevoelt?"

Maar, wat Mac Nabbs ook mogt zeggen, Glenarvan wilde zich met geen hoop

meer vleijen. Ook de volgende dag verliep, zonder dat er toebereidselen

voor de doodstraf werden gemaakt. Ziehier de reden van dat uitstel.

De Maori's gelooven, dat de ziel nog drie dagen na het sterven het

ligchaam des overledenen bewoont, en gedurende driemaal vier en twintig

uren blijft het lijk onbegraven liggen. Die uitstellende gewoonte werd

streng in acht genomen. Tot den 15den Februarij toe bleef de sterkte

ledig. Op de schouders van Wilson staande, zag John Mangles dikwijls

naar de buitenwerken. Geen inlander was er te zien. Alleen de

schildwachten, die goed wacht hielden, losten elkander af aan de deur

der gevangenis.

Maar den derden dag gingen de hutten open; de wilden, mannen, vrouwen,

kinderen, verscheidene honderden in getal, vereenigden zich zwijgend en

bedaard op het voorplein der sterkte.

Kai-Koemoe kwam uit zijn hut, en terwijl de voornaamste hoofden van zijn

stam zich om hem schaarden, nam hij plaats op een heuveltje van eenige

voeten hoog in het middelpunt der versterkingen. Op een behoorlijken

afstand achter hem stonden de overige inlanders in een halven cirkel

geschaard. De geheele vergadering bewaarde een onafgebroken stilzwijgen.

Op een teeken van Kai-Koemoe begaf een krijgsman zich naar het heilige

huis.

"Denk er aan!" zeide lady Helena tot haar man.

Glenarvan klemde zijn vrouw aan zijn hart. Thans naderde Mary Grant John

Mangles en zeide:

"Lord en lady Glenarvan zullen wel willen gelooven, dat even goed als

een vrouw kan sterven door de hand van haar echtgenoot om een

schandelijk leven te ontgaan, een bruid ook door de hand van haar

verloofde kan sterven om er op haar beurt aan te ontkomen. John! in dit

gewigtig oogenblik mag ik het u zeggen: ben ik niet sedert lang uw bruid

in het geheim van uw hart? Mag ik op u rekenen, waarde John! gelijk lady

Helena op lord Glenarvan?"

"Mary!" riep de jeugdige kapitein geheel radeloos. "Ach! lieve Mary!..."

Hij kon niet uitspreken; de mat werd opgeligt, en de gevangenen voor

Kai-Koemoe gebragt; de twee vrouwen schikten zich in haar lot; de mannen

verborgen hun angst onder een kalmte, die het bewijs was eener

bovenmenschelijke geestkracht.

Zij kwamen voor het zeelandsch opperhoofd. Deze talmde niet met het

uitspreken van het vonnis.

"Gij hebt Kara-Tete gedood?" zeide hij tot Glenarvan.

"Ik heb hem gedood," antwoordde de lord.

"Gij zult morgen met zonsopgang sterven."

"Alleen?" vroeg Glenarvan, wiens hart hevig klopte.

"Ach! als het leven van onzen opperpriester niet kostbaarder was dan het

uwe!" riep Kai-Koemoe, wiens oogen een woeste spijt uitdrukten.

Thans had er een opschudding onder de inboorlingen plaats. Glenarvan

sloeg haastig een blik om zich heen. Weldra kwam er een opening in de

menigte, en een krijgsman verscheen, druipnat van zweet en doodelijk

vermoeid.

Zoodra Kai-Koemoe hem zag, sprak hij hem in het engelsch aan. Zijn

bedoeling was duidelijk: hij wilde, dat de gevangenen hem zouden

verstaan.

"Gij komt uit de legerplaats der Europeanen?"

"Ja!" antwoordde de Maori.

"Hebt gij den gevangene, onzen opperpriester, gezien?"

"Ik heb hem gezien."

"Leeft hij?"

"Hij is dood! De Engelschen hebben hem doodgeschoten!"

Het was gedaan met Glenarvan en zijn makkers.

"Allen zult gij morgen met zonsopgang sterven!" riep Kai-Koemoe.

Zoo trof dezelfde straf al die ongelukkigen zonder onderscheid. Lady

Helena en Mary Grant sloegen een oog vol innige dankbaarheid ten hemel.

De gevangenen werden niet naar het heilige huis teruggebragt. Zij

moesten dien dag tegenwoordig zijn bij de lijkplegtigheden van het

opperhoofd en bij de bloedige tooneelen, die daarmede gepaard gaan. Een

troep inlanders voerde hen eenige schreden verder naar den voet van een

ontzaggelijken "koedi." Daar bleven hun bewakers bij hen, zonder hen uit

het oog te verliezen. De overige Maori's schenen hen vergeten te hebben,

zoo verdiept waren ze in hun verpligte smart.

De drie bij de wet voorgeschreven dagen waren na den dood van Kara-Tete

verloopen. De ziel des overledenen had dus voor altijd diens stoffelijk

overschot verlaten. De plegtigheid begon.

Het lijk werd op een heuveltje gebragt in het midden van de vesting. Het

was in een prachtige kleeding gedoscht en in een sierlijke mat van vlas

gewikkeld. Om zijn met vederen versierd hoofd was een krans van groene

bladeren geslingerd. Aan zijn gelaat, zijn armen en zijn borst, die met

olie waren ingewreven, was geen teeken van bederf te zien.

De bloedverwanten en vrienden traden tot aan den voet van het heuveltje,

en, als had een orkestmeester de maat van een lijkzang geslagen,

terstond steeg een ontzaggelijk concert van weenen, kermen en zuchten

omhoog. De overledene werd beweend op de maat van een klagend en

langzaam lied. Zijn nabestaanden sloegen zich voor het hoofd; de

vrouwelijke bloedverwanten reten haar gelaat met haar vingers open en

toonden zich kwistiger met bloed dan met tranen. Die ongelukkigen

volbragten stipt dezen ruwen pligt. Maar al die rouw was nog niet

voldoende om de ziel des overledenen te bevredigen, wiens gramschap

zonder twijfel de overlevenden van zijn stam zou getroffen hebben, en

zijn krijgslieden wilden niet, al konden zij hem niet in het leven

terugroepen, dat hij in de andere wereld de genoegens van het aardsche

leven missen zou. Dus mogt de echtgenoote van Kara-Tete haar man ook in

het graf niet verlaten. De ongelukkige zou toch geweigerd hebben hem te

overleven. Dat was gewoonte en pligt, en de voorbeelden van zulke

opofferingen zijn niet schaarsch in de zeelandsche geschiedenis.

Die vrouw verscheen. Zij was nog jong. Heur haren golfden wanordelijk

over haar schouders. Haar snikken en kreten stegen omhoog.

Onzamenhangende woorden, jammerklagten, afgebroken volzinnen, waarin zij

de deugden van den overledene prees, braken haar snikken af, en in haar

vreeselijke smart viel zij aan den voet van het heuveltje neer en sloeg

met haar hoofd op den grond.

Nu naderde haar Kai-Koemoe. Plotseling vloog het rampzalige slagtoffer

weer op; maar een geweldige slag met den "mere," een soort van

vreeselijke knods, die het opperhoofd zwaaide, velde haar ter neder. Zij

viel, als door den bliksem getroffen.

Terstond gingen er ontzettende kreten op. Honderd armen bedreigden de

gevangenen, die doodelijk ontsteld waren van dat ijselijk tooneel. Maar

niemand roerde zich; want de lijkplegtigheid was nog niet afgeloopen.

De vrouw van Kara-Tete was met haar gemaal in den dood vereenigd. De

beide ligchamen lagen naast elkander. Maar voor het eeuwige leven had

die overledene nog niet genoeg aan zijn trouwe gade. Wie zou hen beiden

bij Noeï-Atoea bediend hebben, wanneer hun slaven hen niet uit deze

wereld in de andere gevolgd waren?

Zes ongelukkigen werden bij de lijken hunner meesters gebragt. Het waren

dienstboden, die de onmeedoogende krijgswetten tot slavernij hadden

gedoemd. Tijdens het leven van het opperhoofd hadden zij de hardste

ontberingen uitgestaan, duizend mishandelingen ondergaan, waren slecht

gevoed, hadden onophoudelijk als lastdieren gewerkt, en zouden nu,

volgens het geloof der Maori's, in de eeuwigheid dat slavenleven

voortzetten.

Die ongelukkigen schenen in hun lot te berusten. Zij verwonderden zich

niet over een opoffering, die ze reeds lang voorzien hadden. Hun

ongeboeide handen bewezen, dat ze zich zonder verzet zouden laten

slagten.

Die dood was dan ook kort, en voor een lang lijden bleven ze bewaard. De

martelingen werden bespaard voor de bewerkers van den moord, die twintig

schreden verder bij elkander stonden en de oogen afwendden van dat

akelig schouwspel, dat nog ontzettender zou worden.

Zes knodsslagen, toegebragt door de hand van zes gespierde krijgslieden,

strekten de slagtoffers in een zee van bloed op den grond uit.

Dat was het sein tot een vreeselijk tooneel van kannibalisme.

Het ligchaam der slaven wordt niet door het taboe beschermd, zooals het

lijk van den meester. Het behoort aan den stam. Het is het kleine geld,

dat aan de huilers bij de lijkplegtigheden wordt toegeworpen. Zoodra het

offer volbragt was, vielen dan ook al de inlanders, opperhoofden,

krijgslieden, grijsaards, vrouwen, kinderen, zonder onderscheid van

leeftijd of kunne, door dezelfde dierlijke woede aangegrepen, op de

levenlooze overblijfselen der slagtoffers aan. In minder tijd dan een

vlugge pen het zou kunnen schetsen, werden de nog rookende ligchamen

vaneengereten, verscheurd en verdeeld, niet aan stukken maar aan

kruimels. Elk van de twee honderd Maori's, die het offer bijwoonden,

kreeg zijn deel van dat menschenvleesch. Men worstelde, men vocht, men

betwistte elkaar het kleinste lapje. De warme bloeddroppels bespatten

die monsterachtige gasten en die geheele terugstootende horde krielde

onder een rooden regen door elkander. Het was de waanzin en woede van

naar hun prooi dorstende tijgers. Men zou gezegd hebben, dat het een

diergaarde was, waar de roofdieren het hun toegeworpen vleesch

verslonden. Daarop werden er op twintig plaatsen binnen den wal vuren

aangelegd; de stank van het verbrande vleesch verpestte den dampkring,

en zonder de vreeselijke opschudding bij dat feestmaal, zonder de

kreten, die nog voortkwamen uit die met vleesch volgestopte kelen,

hadden de gevangenen de beenderen der slagtoflers kunnen hooren kraken

tusschen de tanden der menscheneters.

Doodelijk ontsteld deden Glenarvan en de zijnen nog hun best om dit

afschuwelijk tooneel aan de oogen der twee arme vrouwen te onttrekken.

Zij begrepen nu welke straf hen den volgenden morgen bij zonsopgang

wachtte, en door welke vreeselijke martelingen zulk een dood stellig zou

worden voorafgegaan. De schrik benam hun de spraak.

Daarop begonnen de doodendansen. Sterke dranken, getrokken uit den

"piper excelsum," echten geest van spaansche peper, verhoogden nog de

dronkenschap der wilden. Zij hadden niets menschelijks meer. Zouden zij

niet welligt het taboe van het opperhoofd vergeten en de handen slaan

aan de gevangenen, die hun waanzin beangstigde?

Maar Kai-Koemoe had zijn verstand behouden bij die algemeene

dronkenschap. Hij stond een uur toe voor die slemppartij van bloed,

opdat ze haar hoogsten trap bereiken en dan voldaan zou zijn, en het

laatste bedrijf der uitvaart werd met de gewone plegtigheden afgespeeld.

De lijken van Kara-Tete en diens vrouw werden opgenomen, de ledematen

gebogen en tegen den buik gedrukt, volgens de gewoonte der Zeelanders.

Nu moesten ze begraven worden, wel niet voor goed, maar tot de aarde het

vleesch verteerd had en alleen het gebeente bevatten zou.

De plaats voor het Oedoe-Pa, dat wil zeggen het graf, was reeds gekozen

omtrent twee mijlen buiten de vesting, op den top van een bergje,

Maunganamu genoemd, op den regteroever van het meer gelegen.

Daarheen moesten de ligchamen worden gebragt. Twee zeer kunstelooze

draagstoelen, of om het maar ronduit te zeggen, twee berries, werden aan

den voet van het heuveltje neergezet. De zaamgevouwen lijken werden er

veeleer in zittende dan liggende houding op geplaatst; hun kleeding werd

met een band opgehouden. Vier krijgslieden tilden ze op hun schouders en

de geheele stam volgde hen, onder het aanheffen van het lijklied, in

optogt tot aan de begraafplaats.

De gevangenen, die nog altijd bewaakt werden, zagen den stoet den

eersten wal van de vesting verlaten; daarna werden het gezang en

geschreeuw allengs onverstaanbaar.

Omstreeks een half uur bleef de lijkstoet uit hun gezigt in de diepten

van het dal. Daarna zagen zij hem weer terug, toen hij de kronkelende

bergpaden besteeg. Door den afstand kreeg die lange en slingerende

optogt iets spookachtigs.

De stam hield stil op een hoogte van acht honderd voet, dat is op den

top van den Maunganamu, op de plaats die voor de begrafenis van

Kara-Tete was uitgekozen.

Een gewoon Maori zou geen ander graf hebben gehad dan een kuil en een

hoop steenen. Maar voor een magtig en geducht opperhoofd, die zeker

binnen kort onder de goden zou opgenomen worden, had zijn stam een graf

bestemd, dat zijner heldendaden waardig was.

Het graf was met paalwerk omringd, en bij de kuil, waarin de lijken

moesten rusten, stonden palen, versierd met beelden, die met oker rood

geverwd waren. De bloedverwanten hadden niet vergeten, dat de "Waidoea",

de ziel der dooden, zich met stoffelijke dingen voedt, evenals het

ligchaam die in dit vergankelijk leven behoeft. Daarom waren er

levensmiddelen binnen de omheining gebragt, alsmede de wapens en

kleederen des overledenen.

Niets ontbrak aan de gemakkelijke inrigting van het graf. De beide

echtgenooten werden naast elkander gelegd, en daarop, na een nieuwe

reeks van jammerklagten, met aarde en gras overdekt.

Nu daalde de stoet weder zwijgend den berg af, en voortaan mogt niemand

weer op straffe des doods den Maunganamu beklimmen, want hij was taboe,

evenals de Tongariro, waar de overblijfselen rusten van een opperhoofd,

die in 1846 door een aardbeving omkwam.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 18 / 29 题