De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's.
Zooals op Nieuw-Zeeland wel meer het geval is, vereenigde Kai-Koemoe in
zich de waardigheden van priester en stamhoofd. In die eerste
hoedanigheid kon hij over personen of zaken de bijgeloovige bescherming
van het taboe uitstrekken.
Het taboe, dat bij alle volken van het polynesische ras wordt
aangetroffen, heeft onmiddellijk ten gevolge, dat alle omgang met of
gebruik van het voorwerp of den persoon, die getaboeëerd is, verboden
wordt. Volgens de godsdienst der Maori's zou alwie een heiligschennende
hand sloeg aan hetgene taboe verklaard is, door den vertoornden god met
den dood gestraft worden. En waar de godheid soms talmen mogt met wraak
te nemen over de haar aangedane beleediging, zouden de priesters niet
verzuimen haar wraakoefening te verhaasten.
Het taboe wordt door de opperhoofden met staatkundige bedoelingen
toegepast, tenzij het ontstaat uit een gewoon voorval van het huiselijke
leven. Een inlander wordt in menige omstandigheid voor eenige dagen
getaboeëerd, bv. wanneer hij zijn haar heeft afgesneden, wanneer hij
getatoeëerd is, wanneer hij een praauw timmert, wanneer hij een huis
bouwt, wanneer hij doodelijk ziek is, wanneer hij gestorven is. Dreigt
een onverstandige vischvangst de rivieren van haar visschen te berooven,
of worden de nieuwe aanplantingen van zoete pataten niet behoorlijk
ontzien, dan worden die voorwerpen door een beschermend en
staathuishoudkundig taboe getroffen. Wil een opperhoofd de lastige
omstanders van zijn huis verjagen, dan taboeëert hij het; ten zijnen
voordeele betrekkingen met een vreemd schip aanknoopen, dan taboeëert
hij het ook; een europeesch handelaar, op wien hij ontevreden is, een
quarantaine opleggen, hij taboeëert maar! Zijn verbod komt dan overeen
met het oude "veto" (ik wil niet) der koningen.
Wanneer een voorwerp getaboeëerd is, mag niemand het straffeloos
aanraken. Wanneer een inboorling aan dat verbod onderworpen is, zijn hem
sommige spijzen voor een bepaalden tijd ontzegd. Wanneer die strenge
leefregel opgeheven is, helpen, indien hij rijk is, zijn slaven hem en
steken de spijzen in zijn mond, die hij met zijn handen niet mag
aanraken; is hij arm, dan is hij genoodzaakt de spijzen met den mond op
te nemen, en het taboe maakt hem tot een dier.
Kortom, die vreemde gewoonte beheerscht en bepaalt de geringste daden
der Nieuw-Zeelanders. Het is de onophoudelijke tusschenkomst der godheid
in het maatschappelijke leven. Het heeft kracht van wet, en men mag
zeggen, dat het geheele inlandsche wetboek, een wetboek, dat geen
tegenspraak duldt en ook nooit tegengesproken wordt, vervat is in de
gedurige toepassing van het taboe.
De gevangenen in het heilige huis waren door een willekeurig taboe
ontrukt aan de woede der volksmenigte. Een partij onder de inlanders, de
vrienden en aanhangers van Kai-Koemoe, waren op eens gestuit door de
stem van hun hoofd en hadden de gevangenen beschermd.
Echter maakte Glenarvan zich geen verkeerde voorstellingen van het lot,
dat hem wachtte. Zijn dood alleen was een voldoende straf voor den moord
van een opperhoofd; en bij de wilde volken volgt de dood alleen op een
lange marteling. Glenarvan verwachtte dus niet anders, of hij zou wreed
moeten boeten voor de billijke verontwaardiging, die zijn arm had
gewapend; maar hij hoopte, dat de toorn van Kai-Koemoe hem alleen zou
treffen.
Welk een nacht bragten hij en zijn lotgenooten door! Wie zou hun angst
kunnen schilderen, hun lijden afmeten! De arme Robert, de goede Paganel
waren niet meer voor den dag gekomen. Maar kon men wel aan hun lot
twijfelen? Waren zij niet de eerste offers, ten zoen gevallen voor de
wraakzucht der inlanders? Alle hoop was verdwenen, zelfs uit het hart
van Mac Nabbs, die anders niet spoedig wanhoopte. John Mangles werd
bijna krankzinnig door de stille wanhoop van Mary Grant, die van haar
broeder was gescheiden. Glenarvan dacht aan dat verschrikkelijk verzoek
van lady Helena, die, om zich te onttrekken aan den marteldood of de
slavernij, door zijne hand wilde sterven! Zou hij dien ijselijken moed
hebben?
"En welk regt heb ik om Mary te treffen?" dacht John, wiens hart brak.
Aan een ontsnapping viel niet te denken; ze was geheel en al onmogelijk.
Tien, tot de tanden gewapende krijgslieden, waakten voor de deur der
gevangenis.
De morgen van den 13den Februarij brak aan. Er had geen verkeer plaats
gehad tusschen de inlanders en de gevangenen, die door het taboe werden
beschermd. De hut bevatte eenige levensmiddelen, die de ongelukkigen
naauwelijks aanraakten. De smart verdreef den eetlust. De dag verliep,
zonder verandering of hoop aan te brengen. Ongetwijfeld zou het uur van
de begrafenis van het gedoode opperhoofd ook dat zijn, waarop de
doodstraf voltrokken werd.
Terwijl Glenarvan zich niet ontveinsde, dat Kai-Koemoe de gedachte aan
uitwisseling wel zou hebben opgegeven, behield de majoor dienaangaande
nog altijd een straal van hoop.
"Wie weet," zeide hij, terwijl hij Glenarvan op de uitwerking wees, dien
de moord van Kara-Tete op het opperhoofd gemaakt had, "wie weet, of
Kai-Koemoe niet in den grond verpligting aan u gevoelt?"
Maar, wat Mac Nabbs ook mogt zeggen, Glenarvan wilde zich met geen hoop
meer vleijen. Ook de volgende dag verliep, zonder dat er toebereidselen
voor de doodstraf werden gemaakt. Ziehier de reden van dat uitstel.
De Maori's gelooven, dat de ziel nog drie dagen na het sterven het
ligchaam des overledenen bewoont, en gedurende driemaal vier en twintig
uren blijft het lijk onbegraven liggen. Die uitstellende gewoonte werd
streng in acht genomen. Tot den 15den Februarij toe bleef de sterkte
ledig. Op de schouders van Wilson staande, zag John Mangles dikwijls
naar de buitenwerken. Geen inlander was er te zien. Alleen de
schildwachten, die goed wacht hielden, losten elkander af aan de deur
der gevangenis.
Maar den derden dag gingen de hutten open; de wilden, mannen, vrouwen,
kinderen, verscheidene honderden in getal, vereenigden zich zwijgend en
bedaard op het voorplein der sterkte.
Kai-Koemoe kwam uit zijn hut, en terwijl de voornaamste hoofden van zijn
stam zich om hem schaarden, nam hij plaats op een heuveltje van eenige
voeten hoog in het middelpunt der versterkingen. Op een behoorlijken
afstand achter hem stonden de overige inlanders in een halven cirkel
geschaard. De geheele vergadering bewaarde een onafgebroken stilzwijgen.
Op een teeken van Kai-Koemoe begaf een krijgsman zich naar het heilige
huis.
"Denk er aan!" zeide lady Helena tot haar man.
Glenarvan klemde zijn vrouw aan zijn hart. Thans naderde Mary Grant John
Mangles en zeide:
"Lord en lady Glenarvan zullen wel willen gelooven, dat even goed als
een vrouw kan sterven door de hand van haar echtgenoot om een
schandelijk leven te ontgaan, een bruid ook door de hand van haar
verloofde kan sterven om er op haar beurt aan te ontkomen. John! in dit
gewigtig oogenblik mag ik het u zeggen: ben ik niet sedert lang uw bruid
in het geheim van uw hart? Mag ik op u rekenen, waarde John! gelijk lady
Helena op lord Glenarvan?"
"Mary!" riep de jeugdige kapitein geheel radeloos. "Ach! lieve Mary!..."
Hij kon niet uitspreken; de mat werd opgeligt, en de gevangenen voor
Kai-Koemoe gebragt; de twee vrouwen schikten zich in haar lot; de mannen
verborgen hun angst onder een kalmte, die het bewijs was eener
bovenmenschelijke geestkracht.
Zij kwamen voor het zeelandsch opperhoofd. Deze talmde niet met het
uitspreken van het vonnis.
"Gij hebt Kara-Tete gedood?" zeide hij tot Glenarvan.
"Ik heb hem gedood," antwoordde de lord.
"Gij zult morgen met zonsopgang sterven."
"Alleen?" vroeg Glenarvan, wiens hart hevig klopte.
"Ach! als het leven van onzen opperpriester niet kostbaarder was dan het
uwe!" riep Kai-Koemoe, wiens oogen een woeste spijt uitdrukten.
Thans had er een opschudding onder de inboorlingen plaats. Glenarvan
sloeg haastig een blik om zich heen. Weldra kwam er een opening in de
menigte, en een krijgsman verscheen, druipnat van zweet en doodelijk
vermoeid.
Zoodra Kai-Koemoe hem zag, sprak hij hem in het engelsch aan. Zijn
bedoeling was duidelijk: hij wilde, dat de gevangenen hem zouden
verstaan.
"Gij komt uit de legerplaats der Europeanen?"
"Ja!" antwoordde de Maori.
"Hebt gij den gevangene, onzen opperpriester, gezien?"
"Ik heb hem gezien."
"Leeft hij?"
"Hij is dood! De Engelschen hebben hem doodgeschoten!"
Het was gedaan met Glenarvan en zijn makkers.
"Allen zult gij morgen met zonsopgang sterven!" riep Kai-Koemoe.
Zoo trof dezelfde straf al die ongelukkigen zonder onderscheid. Lady
Helena en Mary Grant sloegen een oog vol innige dankbaarheid ten hemel.
De gevangenen werden niet naar het heilige huis teruggebragt. Zij
moesten dien dag tegenwoordig zijn bij de lijkplegtigheden van het
opperhoofd en bij de bloedige tooneelen, die daarmede gepaard gaan. Een
troep inlanders voerde hen eenige schreden verder naar den voet van een
ontzaggelijken "koedi." Daar bleven hun bewakers bij hen, zonder hen uit
het oog te verliezen. De overige Maori's schenen hen vergeten te hebben,
zoo verdiept waren ze in hun verpligte smart.
De drie bij de wet voorgeschreven dagen waren na den dood van Kara-Tete
verloopen. De ziel des overledenen had dus voor altijd diens stoffelijk
overschot verlaten. De plegtigheid begon.
Het lijk werd op een heuveltje gebragt in het midden van de vesting. Het
was in een prachtige kleeding gedoscht en in een sierlijke mat van vlas
gewikkeld. Om zijn met vederen versierd hoofd was een krans van groene
bladeren geslingerd. Aan zijn gelaat, zijn armen en zijn borst, die met
olie waren ingewreven, was geen teeken van bederf te zien.
De bloedverwanten en vrienden traden tot aan den voet van het heuveltje,
en, als had een orkestmeester de maat van een lijkzang geslagen,
terstond steeg een ontzaggelijk concert van weenen, kermen en zuchten
omhoog. De overledene werd beweend op de maat van een klagend en
langzaam lied. Zijn nabestaanden sloegen zich voor het hoofd; de
vrouwelijke bloedverwanten reten haar gelaat met haar vingers open en
toonden zich kwistiger met bloed dan met tranen. Die ongelukkigen
volbragten stipt dezen ruwen pligt. Maar al die rouw was nog niet
voldoende om de ziel des overledenen te bevredigen, wiens gramschap
zonder twijfel de overlevenden van zijn stam zou getroffen hebben, en
zijn krijgslieden wilden niet, al konden zij hem niet in het leven
terugroepen, dat hij in de andere wereld de genoegens van het aardsche
leven missen zou. Dus mogt de echtgenoote van Kara-Tete haar man ook in
het graf niet verlaten. De ongelukkige zou toch geweigerd hebben hem te
overleven. Dat was gewoonte en pligt, en de voorbeelden van zulke
opofferingen zijn niet schaarsch in de zeelandsche geschiedenis.
Die vrouw verscheen. Zij was nog jong. Heur haren golfden wanordelijk
over haar schouders. Haar snikken en kreten stegen omhoog.
Onzamenhangende woorden, jammerklagten, afgebroken volzinnen, waarin zij
de deugden van den overledene prees, braken haar snikken af, en in haar
vreeselijke smart viel zij aan den voet van het heuveltje neer en sloeg
met haar hoofd op den grond.
Nu naderde haar Kai-Koemoe. Plotseling vloog het rampzalige slagtoffer
weer op; maar een geweldige slag met den "mere," een soort van
vreeselijke knods, die het opperhoofd zwaaide, velde haar ter neder. Zij
viel, als door den bliksem getroffen.
Terstond gingen er ontzettende kreten op. Honderd armen bedreigden de
gevangenen, die doodelijk ontsteld waren van dat ijselijk tooneel. Maar
niemand roerde zich; want de lijkplegtigheid was nog niet afgeloopen.
De vrouw van Kara-Tete was met haar gemaal in den dood vereenigd. De
beide ligchamen lagen naast elkander. Maar voor het eeuwige leven had
die overledene nog niet genoeg aan zijn trouwe gade. Wie zou hen beiden
bij Noeï-Atoea bediend hebben, wanneer hun slaven hen niet uit deze
wereld in de andere gevolgd waren?
Zes ongelukkigen werden bij de lijken hunner meesters gebragt. Het waren
dienstboden, die de onmeedoogende krijgswetten tot slavernij hadden
gedoemd. Tijdens het leven van het opperhoofd hadden zij de hardste
ontberingen uitgestaan, duizend mishandelingen ondergaan, waren slecht
gevoed, hadden onophoudelijk als lastdieren gewerkt, en zouden nu,
volgens het geloof der Maori's, in de eeuwigheid dat slavenleven
voortzetten.
Die ongelukkigen schenen in hun lot te berusten. Zij verwonderden zich
niet over een opoffering, die ze reeds lang voorzien hadden. Hun
ongeboeide handen bewezen, dat ze zich zonder verzet zouden laten
slagten.
Die dood was dan ook kort, en voor een lang lijden bleven ze bewaard. De
martelingen werden bespaard voor de bewerkers van den moord, die twintig
schreden verder bij elkander stonden en de oogen afwendden van dat
akelig schouwspel, dat nog ontzettender zou worden.
Zes knodsslagen, toegebragt door de hand van zes gespierde krijgslieden,
strekten de slagtoffers in een zee van bloed op den grond uit.
Dat was het sein tot een vreeselijk tooneel van kannibalisme.
Het ligchaam der slaven wordt niet door het taboe beschermd, zooals het
lijk van den meester. Het behoort aan den stam. Het is het kleine geld,
dat aan de huilers bij de lijkplegtigheden wordt toegeworpen. Zoodra het
offer volbragt was, vielen dan ook al de inlanders, opperhoofden,
krijgslieden, grijsaards, vrouwen, kinderen, zonder onderscheid van
leeftijd of kunne, door dezelfde dierlijke woede aangegrepen, op de
levenlooze overblijfselen der slagtoffers aan. In minder tijd dan een
vlugge pen het zou kunnen schetsen, werden de nog rookende ligchamen
vaneengereten, verscheurd en verdeeld, niet aan stukken maar aan
kruimels. Elk van de twee honderd Maori's, die het offer bijwoonden,
kreeg zijn deel van dat menschenvleesch. Men worstelde, men vocht, men
betwistte elkaar het kleinste lapje. De warme bloeddroppels bespatten
die monsterachtige gasten en die geheele terugstootende horde krielde
onder een rooden regen door elkander. Het was de waanzin en woede van
naar hun prooi dorstende tijgers. Men zou gezegd hebben, dat het een
diergaarde was, waar de roofdieren het hun toegeworpen vleesch
verslonden. Daarop werden er op twintig plaatsen binnen den wal vuren
aangelegd; de stank van het verbrande vleesch verpestte den dampkring,
en zonder de vreeselijke opschudding bij dat feestmaal, zonder de
kreten, die nog voortkwamen uit die met vleesch volgestopte kelen,
hadden de gevangenen de beenderen der slagtoflers kunnen hooren kraken
tusschen de tanden der menscheneters.
Doodelijk ontsteld deden Glenarvan en de zijnen nog hun best om dit
afschuwelijk tooneel aan de oogen der twee arme vrouwen te onttrekken.
Zij begrepen nu welke straf hen den volgenden morgen bij zonsopgang
wachtte, en door welke vreeselijke martelingen zulk een dood stellig zou
worden voorafgegaan. De schrik benam hun de spraak.
Daarop begonnen de doodendansen. Sterke dranken, getrokken uit den
"piper excelsum," echten geest van spaansche peper, verhoogden nog de
dronkenschap der wilden. Zij hadden niets menschelijks meer. Zouden zij
niet welligt het taboe van het opperhoofd vergeten en de handen slaan
aan de gevangenen, die hun waanzin beangstigde?
Maar Kai-Koemoe had zijn verstand behouden bij die algemeene
dronkenschap. Hij stond een uur toe voor die slemppartij van bloed,
opdat ze haar hoogsten trap bereiken en dan voldaan zou zijn, en het
laatste bedrijf der uitvaart werd met de gewone plegtigheden afgespeeld.
De lijken van Kara-Tete en diens vrouw werden opgenomen, de ledematen
gebogen en tegen den buik gedrukt, volgens de gewoonte der Zeelanders.
Nu moesten ze begraven worden, wel niet voor goed, maar tot de aarde het
vleesch verteerd had en alleen het gebeente bevatten zou.
De plaats voor het Oedoe-Pa, dat wil zeggen het graf, was reeds gekozen
omtrent twee mijlen buiten de vesting, op den top van een bergje,
Maunganamu genoemd, op den regteroever van het meer gelegen.
Daarheen moesten de ligchamen worden gebragt. Twee zeer kunstelooze
draagstoelen, of om het maar ronduit te zeggen, twee berries, werden aan
den voet van het heuveltje neergezet. De zaamgevouwen lijken werden er
veeleer in zittende dan liggende houding op geplaatst; hun kleeding werd
met een band opgehouden. Vier krijgslieden tilden ze op hun schouders en
de geheele stam volgde hen, onder het aanheffen van het lijklied, in
optogt tot aan de begraafplaats.
De gevangenen, die nog altijd bewaakt werden, zagen den stoet den
eersten wal van de vesting verlaten; daarna werden het gezang en
geschreeuw allengs onverstaanbaar.
Omstreeks een half uur bleef de lijkstoet uit hun gezigt in de diepten
van het dal. Daarna zagen zij hem weer terug, toen hij de kronkelende
bergpaden besteeg. Door den afstand kreeg die lange en slingerende
optogt iets spookachtigs.
De stam hield stil op een hoogte van acht honderd voet, dat is op den
top van den Maunganamu, op de plaats die voor de begrafenis van
Kara-Tete was uitgekozen.
Een gewoon Maori zou geen ander graf hebben gehad dan een kuil en een
hoop steenen. Maar voor een magtig en geducht opperhoofd, die zeker
binnen kort onder de goden zou opgenomen worden, had zijn stam een graf
bestemd, dat zijner heldendaden waardig was.
Het graf was met paalwerk omringd, en bij de kuil, waarin de lijken
moesten rusten, stonden palen, versierd met beelden, die met oker rood
geverwd waren. De bloedverwanten hadden niet vergeten, dat de "Waidoea",
de ziel der dooden, zich met stoffelijke dingen voedt, evenals het
ligchaam die in dit vergankelijk leven behoeft. Daarom waren er
levensmiddelen binnen de omheining gebragt, alsmede de wapens en
kleederen des overledenen.
Niets ontbrak aan de gemakkelijke inrigting van het graf. De beide
echtgenooten werden naast elkander gelegd, en daarop, na een nieuwe
reeks van jammerklagten, met aarde en gras overdekt.
Nu daalde de stoet weder zwijgend den berg af, en voortaan mogt niemand
weer op straffe des doods den Maunganamu beklimmen, want hij was taboe,
evenals de Tongariro, waar de overblijfselen rusten van een opperhoofd,
die in 1846 door een aardbeving omkwam.