XI.

Het meer Taupo.

Lang voor de historische tijden heeft zich door de instorting van holen

in de trachietlava op het midden des eilands een onpeilbare kolk

gevormd, lang vijf en twintig, breed twintig mijlen. Het water, dat van

de omliggende bergtoppen stortte, heeft die ontzettende holte gevuld. De

kolk is een meer geworden, maar nog altijd een afgrond gebleven, en het

dieplood heeft er de diepte nog niet van kunnen meten.

Dat is het vreemde meer Taupo, dat twaalf honderd vijftig voet boven den

zeespiegel en tusschen een kring van bergen in ligt, die derdehalf

duizend voet hoog zijn. Die uitgestrekte watervlakte, wier hevige

stormen bijna te vergelijken zijn met de kringvormige stormen op den

oceaan, wordt heerlijk ingesloten, ten westen door hooge loodregte

rotsen, ten noorden, door eenige verwijderde en met boschjes bekroonde

toppen, ten oosten door een breed strand, waarover een weg loopt en dat

met puimsteenen versierd is, die tusschen de bladeren der struiken heen

blinken, en ten zuiden, door vulkanische kegelbergen, aan den zoom van

een woud gelegen.

Die geheele streek kookt als een ontzaggelijke waterketel, hangende over

de onderaardsche vlammen. De grond beeft onder de liefkozingen van het

inwendige vuur. Op vele plaatsen stijgt een heete damp op. De aardkorst

scheurt en barst als een koek, die te sterk rijst, en ongetwijfeld zou

die geheele hoogvlakte in een gloeijenden oven wegzinken, wanneer de

gevangen dampen niet twaalf mijlen verder een uitweg vonden door de

kraters van den Tongariro.

Van den noordelijken oever gezien, schenen vederbossen van rook en

vlammen boven dien vulkaan, door kleine vuurspuwende bergen omringd, te

wapperen. De Tongariro scheen in verband te staan met een vrij

ingewikkeld bergstelsel. Achter hem verborg de afgezonderd in de vlakte

staande Ruapohoe zijn met sneeuw bedekte kruin ter hoogte van negen

duizend voet in de lucht. Geen sterveling heeft nog den voet gezet op

zijn ongenaakbaren kegel; het menschelijk oog heeft nooit de diepte van

zijn krater gepeild, terwijl tot driemalen toe in twintig jaar de heeren

Bidwill en Dyson, en laatst Von Hochstetter de toegankelijker toppen van

den Tongariro hebben gemeten.

Aan die vuurspuwende bergen zijn legenden verbonden, en bij iedere

andere gelegenheid zou Paganel ze zeker aan zijn makkers verteld hebben.

Hij zou hun medegedeeld hebben, hoe er eens over een vrouw twist

ontstond tusschen den Tongariro en den Taranaki, die toen zijn buurman

en vriend was. De Tongariro, die wat heethoofdig is, zooals alle

vulkanen, werd zoo driftig, dat hij den Taranaki sloeg. Geslagen en

vernederd vlugtte deze door het Whanganni-dal, liet onderweg twee

brokken van bergen vallen, en bereikte de zeekust, waar hij nu eenzaam

staat onder den naam van den Egmont.

Maar Paganel had even weinig lust om te vertellen, als zijn vrienden om

toe te luisteren. Zij sloegen zwijgend den noordoostelijken oever van

het Taupo-meer gade, waar hun ongelukkig gesternte hen heenvoerde. De

zendingspost door den eerwaarden Grace te Pukawa op den westelijken

oever van het meer gesticht, bestond niet meer. De oorlog had den

leeraar ver weggedreven van het voornaamste brandpunt van den opstand.

De gevangenen waren alleen, overgelaten aan de willekeur van

wraakzuchtige Maori's, en juist in dat onbeschaafde gedeelte des

eilands, waar het christendom nooit doorgedrongen is.

Toen Kai-Koemoe de Waikato verlaten had, stak hij de kleine kreek over,

die tot uitwatering van den stroom dient, voer om een spits voorgebergte

en landde op den oostelijken oever van het meer, aan den voet van den

Mauga-berg, die een hoogte van achttien honderd voet bereikt. Daar

breidden zich akkers uit met het kostbare nieuw-zeelandsche vlas. De

inboorlingen noemen het "harakeke." Al wat die nuttige plant oplevert,

is bruikbaar. Haar bloemen verschaffen een soort van uitmuntenden honig,

haar stam brengt een gomachtige zelfstandigheid voort, die de plaats van

was of stijfsel vervangt; haar nog nuttiger blad leent zich tot allerlei

gedaanteverwisselingen; versch, gebruikt men het als papier; gedroogd,

levert het een uitstekende zwam; gekorven, verandert het in koord,

kabeltouw en draad; uitgeplozen en gevlochten wordt het deken of mantel,

mat of schaamteschort, en rood of zwart geverfd kleedt het de deftigste

Maori's.

Dat kostbare vlas wordt dan ook allerwege op de twee eilanden gevonden,

aan de zeekust zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Hier

bedekten zijn in het wild groeijende struiken geheele akkers; zijn

bruinroode op de aloë gelijkende bloemen ontloken overal buiten zijn

digte en lange bladeren, die een zegeteeken van scherpe zwaarden

vormden. Liefelijke vogels, de honigvogels, de gewone bezoekers der

vlasakkers, vlogen in groote troepen rond en vergastten zich op het

honigsap der bloemen.

In het water van het meer plasten troepen eenden, met een kakelbont

gevederte, van zwartachtige, grijze en groene pennen, en die zich

gemakkelijk tam laten maken.

Een kwart mijl verder verrees op een steilte van den berg in een

onneembare stelling een "pah" of verschansing. De gevangenen werden één

voor één aan land gebragt, ontboeid en door de krijgslieden daarheen

geleid. Een pad, dat op de verschansing uitkwam, liep door vlasakkers en

een boschje schoone boomen, bestaande uit "kaikatea's," met blijvende

bladeren en roode bessen, "dracenas australis," de "ti" der

inboorlingen, wier kruin zeer goed de palmkool vervangen kan, en

"huious," waarvan men zich bedient om de stoffen zwart te verwen. Groote

duiven met een metaalglans, aschgraauwe lappenvogels en een menigte

spreeuwen met roodachtige lellen vlogen weg bij de nadering der

inboorlingen.

Na een vrij langen omweg kwamen Glenarvan, lady Helena, Mary Grant en de

overigen in de sterkte.

Deze vesting werd verdedigd door een eerste omheining van stevige,

vijftien voet hooge palissaden; een tweede linie van palen en daarna een

schutting van gevlochten wilgentakken met schietgaten voorzien omgaven

den anderen omtrek, dat is het hoogste gedeelte der vesting, waarop

versterkingen waren aangelegd en een veertigtal hutten ordelijk bij

elkander stonden.

Daar komende maakte het gezigt der hoofden, waarmede de palen der tweede

omwalling versierd waren, een vreeselijken indruk op de gevangenen. Lady

Helena en Mary Grant wendden de oogen af, meer nog uit walging dan van

schrik. Die hoofden hadden toebehoord aan vijandelijke opperhoofden, die

in den strijd gesneuveld waren en wier ligchamen den overwinnaars tot

spijs hadden gediend. De aardrijkskundige herkende ze terstond aan hun

holle en ledige oogkassen.

Het oog der opperhoofden wordt namelijk verslonden en het hoofd op

inlandsche manier toebereid. De hersens worden er uit gehaald, de huid

er afgestroopt, de neus met kleine plankjes vastgezet, de neusgaten met

vlas gestopt, en mond en oogleden digtgenaaid. Daarna wordt het in den

oven gelegd en dertig uren gerookt. Zoo toebereid blijft het zeer lang

onveranderd en ongerimpeld, en vormt zegeteekenen.

Dikwijls bewaren de Maori's het hoofd hunner eigen opperhoofden; maar in

dat geval blijft het oog in de holte en staart de voorbijgangers aan. De

Nieuw-Zeelanders vertoonen die overblijfselen met trots; zij laten ze

door de jonge krijgslieden bewonderen en brengen hun de schatting hunner

hulde door plegtige feesten.

Maar in de vesting van Kai-Koemoe versierden alleen hoofden van vijanden

dit afschuwelijk museum, en ongetwijfeld vermeerderde meer dan één

Engelschman met ledige oogholte de verzameling van het opperhoofd der

Maori's.

Achter in de vesting, voor een groote opene plek gronds, die Europeanen

het "slagveld" zouden genoemd hebben, stak de woning van Kai-Koemoe

boven verscheidene geringere hutten uit. Die woning was opgetrokken van

palen met een vlechtwerk van takken onderling verbonden en van binnen

bekleed met linnen. Zij was twintig voet lang, vijftien breed en tien

hoog, en had dus een inhoud van drie duizend kubieke voeten. Meer ruimte

heeft een zeelandsch opperhoofd niet noodig.

Er was maar eene opening, die toegang tot de hut verleende; een digt

weefsel van plantenvezels, dat opgehaald kon worden, diende voor deur.

Het dak stak er overheen bij wijze van een goot. Eenige figuren in het

uiteinde der sparren gebeiteld versierden de hut, en het "wharepuni" of

portaal vertoonde aan de bewondering der bezoekers bladeren,

zinnebeeldige figuren, monsters, lofwerk, kortom een vreemd mengelmoes,

het voortbrengsel van den beitel der inlandsche kunstenaars.

Binnen in de hut lag de vloer, van vastgetrapte aarde gemaakt, een

halven voet boven den beganen grond. Eenige teenen horden en matrassen

van drooge varens, bedekt met een mat uit de lange en buigzame bladeren

van den "typha" gevlochten, dienden tot bedden. In het midden was de

vuurhaard, een gemetseld gat, en in het dak was een ander gat, dat tot

schoorsteen diende. Wanneer de rook zwaar genoeg was, vond hij eindelijk

goed dien uitweg te gebruiken, maar niet voor hij op de wanden der

woning een heerlijk zwart vernis had aangebragt.

Naast de hut stonden de pakhuizen met den voorraad van het opperhoofd,

zijn oogst van vlas, pataten, taro's, eetbare varens, en de ovens,

waarin al die spijzen op heete steenen geroosterd worden. In kleine

omheinde plaatsen weidden wat verder eenige zwijnen en geiten, de

schaarsche afstammelingen der nuttige dieren, welke kapitein Cook hier

had ingevoerd. Hier en daar liepen honden om hun sober maal op te

zoeken. Zij werden vrij slecht onderhouden voor dieren, met wier behulp

de Maori dagelijks zijn voedsel moet zoeken.

Glenarvan en zijn lotgenooten hadden dit alles met een oogopslag

overzien. Bij een ledige hut wachtten zij af, wat het opperhoofd over

hen zou beschikken, en hadden veel te lijden van de beleedigingen van

een troep oude vrouwen. Die bende harpijen omringde hen, dreigde hen met

vuisten, huilde en vloekte. Eenige engelsche woorden kwamen over haar

dikke lippen, waaruit duidelijk bleek, dat zij onmiddellijk om wraak

riepen.

Onder al die verwenschingen en bedreigingen toonde lady Helena,

uiterlijk bedaard, een gerustheid, die toch niet in haar wonen kon. Om

lord Glenarvan zijn koelbloedigheid niet te doen verliezen, deed die

moedige vrouw heldhaftige pogingen om zich te bedwingen. De arme Mary

Grant voelde, dat haar krachten haar begaven, en John Mangles

ondersteunde haar, bereid om haar tot het uiterste toe te verdedigen.

Die vloed van verwenschingen werd door zijn makkers in zeer

verschillende stemming aangehoord, sommigen, zooals de majoor, bleven er

kalm onder, anderen, zooals Paganel, waren ten prooi aan een steeds

toenemende verbittering.

Daar hij lady Helena wilde behoeden voor de vuisten dier grijze

hellevegen, ging Glenarvan regelregt op Kai-Koemoe af, en zeide, op dien

afzigtelijken hoop wijzende: "Jaag ze weg!"

Het maori opperhoofd zag zijn gevangene stijf aan zonder hem te

antwoorden; vervolgens bragt hij met een wenk die huilende horde tot

zwijgen. Glenarvan boog om hem te bedanken, en keerde weder langzaam

naar zijn plaats in het midden der zijnen terug.

Er waren nu zoowat honderd Nieuw-Zeelanders, grijsaards, volwassenen en

jongelieden, in het fort bijeen; sommigen wachtten bedaard maar

droefgeestig de bevelen van Kai-Koemoe af, anderen gaven zich over aan

al de vervoeringen eener hevige smart; enkelen beweenden hun

bloedverwanten of vrienden, die in de laatste gevechten gevallen waren.

Van al de opperhoofden, die op de roepstem van William Thompson waren

toegesneld, was Kai-Koemoe de eenige, die in de aan het meer gelegen

streken terugkeerde, en hij was de eerste, die aan zijn stam de

nederlaag verhaalde, die de opstandelingen in de vlakten van de

Beneden-Waikato geleden hadden. Van de twee honderd krijgslieden, die

onder zijn bevel tot verdediging van den vaderlandschen grond waren

uitgetrokken, ontbraken er honderd vijftig bij de terugkomst. Sommigen

waren door de overwinnaars gevangen genomen; maar de meeste hadden op

het slagveld den dood gevonden en zouden het land hunner vaderen nimmer

terugzien!

Hieruit was de diepe droefheid te verklaren, die de komst van Kai-Koemoe

bij zijn stam had opgewekt. Er was nog niets van de laatste nederlaag

uitgelekt, en die noodlottige tijding was pas ruchtbaar geworden.

Bij de wilden openbaart zich de zielsdroefheid altijd door uiterlijke

teekenen. De bloedverwanten en vrienden der gesneuvelde krijgslieden,

vooral de vrouwen, reten hun gelaat en schouders met scherpe schelpen

open. Het bloed stroomde uit de wonden en vermengde zich met hun tranen.

De grootte der wanhoop was af te meten naar de diepte der inkervingen.

De bloedende en razende nieuw-zeelandsche vrouwen waren vreeselijk om te

zien.

Een andere, in de oogen der inlanders zeer gewigtige oorzaak, vergrootte

nog hun wanhoop. Niet alleen was de bloedverwant, de vriend, dien zij

beweenden, niet meer; maar zijn gebeente zou niet in het familiegraf

rusten. Het bezit nu van dat overschot wordt in de godsdienst der

Maori's als onmisbaar voor het lot in het eeuwige leven beschouwd; niet

het vergankelijke vleesch, maar de beenderen, die zorgvuldig worden

bijeengezameld, gereinigd, afgekrabd, gepolijst, ja zelfs gevernist; ten

slotte worden zij in het "oedoepa" gelegd, dat wil zeggen "het huis des

roems." Die graven zijn met houten beelden versierd, die met volkomen

juistheid de tatoeëering des overledenen voorstellen. Maar nu zouden die

graven ledig blijven, de godsdienstige plegtigheden niet volbragt

worden, en de beenderen, welke de tand der wilde honden mogt sparen,

onbegraven verbleeken op het slagveld.

Toen verdubbelden de teekenen der smart. Op de bedreigingen der vrouwen

volgden de vervloekingen der mannen tegen de Europeanen. Scheldwoorden

werden uitgebraakt, de gebaren heviger. Op het geschreeuw zouden daden

van geweld volgen.

Kai-Koemoe vreesde, dat de dweepers onder zijn stamgenooten hem te

magtig zouden worden, en liet daarom zijn gevangenen naar een gewijde

plaats brengen, die aan het andere einde der verschansing op een steilen

bergtop lag. Die hut leunde tegen een rotswand, die honderd voet boven

haar uitstak, en aan die zijde van het fort een vrij steile helling

vormde.

In dit "wareatoea," heilig huis, predikten de priesters of ariki's aan

de Zeelanders een god in drie personen, den vader, den zoon, en den

vogel of geest. De ruime en goed gesloten hut bevatte het gewijde en

uitgezochte voedsel, dat Maoeï-Ranga-Ranguï eet met den mond zijner

priesters.

Daar gingen de gevangenen, voorloopig beveiligd tegen de woede der

inlanders, op matten van vlas liggen. Lady Helena, wier krachten

uitgeput, wier geestkracht overwonnen was, viel in de armen van haar

echtgenoot. Glenarvan klemde haar aan zijn borst en herhaalde: "Houd

moed, lieve Helena! de Hemel zal ons niet verlaten!"

Pas was Robert opgesloten, of hij klom op Wilsons schouder, en slaagde

er in zijn hoofd door een opening tusschen het dak en den muur te

steken, waaraan snoeren amuletten hingen. Van daar kon hij de geheele

vesting overzien tot aan de hut van Kai-Koemoe.

"Zij zijn om het opperhoofd vereenigd," fluisterde hij.... "Zij zwaaijen

met hun armen.... Zij brullen.... Kai-Koemoe wil spreken...."

De knaap zweeg een poos en hervatte toen:

"Kai-Koemoe spreekt.... De wilden komen tot rust.... Zij luisteren naar

hem...."

"Zeker heeft dat opperhoofd er persoonlijk belang bij om ons te

beschermen," zeide de majoor. "Hij wil zijn gevangenen tegen

opperhoofden van zijn stam uitwisselen! Maar zullen zijn krijgslieden er

in bewilligen?"

"Ja!... Zij luisteren naar hem...." hervatte Robert. "Zij gaan

uiteen.... Enkelen keeren naar hun hutten terug.... Anderen verlaten de

verschansing...."

"Zegt gij de waarheid?" riep de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de knaap. "Kai-Koemoe is alleen

gebleven met de manschappen, die in zijn boot waren.... Ha! daar komt er

een naar onze hut...."

"Kom af, Robert!" gebood Glenarvan.

Nu vatte lady Helena, die weer bijgekomen was, den arm van haar

echtgenoot.

"Edward!" sprak zij op vasten toon, "Mary Grant en ik moeten niet levend

in de handen der wilden vallen!"

Dit zeggende overhandigde zij aan Glenarvan een geladen revolver.

"Een wapen!" riep Glenarvan, wiens oogen met een plotselingen glans

schitterden.

"Ja! de Maori's onderzoeken hun vrouwelijke gevangenen niet! Maar dit

wapen is voor ons, Edward! niet voor hen!..."

"Glenarvan!" zeide de majoor snel, "verberg dien revolver! Het is nog

geen tijd...."

De revolver verdween onder de kleeren van den lord. De mat, waarmede de

ingang der hut gesloten was, werd opgeligt. Een inlander verscheen.

Hij gaf den gevangenen een wenk om hem te volgen. Digt aaneengesloten

stapten Glenarvan en de zijnen voort en bleven eindelijk voor Kai-Koemoe

staan.

Rondom dit opperhoofd waren de voornaamste krijgslieden van zijn stam

vereenigd. Onder hen was ook die Maori, wiens boot zich bij die van

Kai-Koemoe had gevoegd, ter plaatse waar de Pohainhenna in de Waikato

valt. Het was een gespierd man van veertig jaar, en met een woest en

wreed voorkomen. Hij heette Kara-Tete, dat wil zeggen "de opvliegende."

Kai-Koemoe behandelde hem met zekere achting; aan de fijnheid zijner

tatoeëering kon men zien, dat Kara-Tete een hoogen rang in zijn stam

bekleedde. Toch had een scherp waarnemer kunnen zien, dat er een zekere

naijver tusschen die twee opperhoofden bestond. De majoor merkte op, dat

de invloed van Kara-Tete Kai-Koemoe hinderde. Zij heerschten beiden over

de belangrijke stammen aan de Waikato en met gelijke magt. Bij dit

onderhoud mogt Kai-Koemoe dan al glimlagchen, diepe haat straalde uit

zijn oogen.

Kai-Koemoe ondervroeg Glenarvan, en zeide:

"Zijt gij een Engelschman?"

"Ja!" antwoordde de lord zonder aarzelen; want dit zou een uitwisseling

gemakkelijker maken.

"En uw medgezellen?" zeide Kai-Koemoe.

"Zijn Engelschen evenals ik. Wij zijn reizigers, schipbreukelingen.

Maar, als gij het weten wilt, wij hebben geen deel genomen aan den

strijd."

"Dat raakt mij niet!" antwoordde de onbeschofte Kara-Tete. "Elke

Engelschman is onze vijand. De uwen hebben ons eiland bemagtigd! Zij

hebben onze akkers gestolen! Zij hebben onze dorpen verbrand!"

"Zij hebben verkeerd gehandeld!" antwoordde Glenarvan op ernstigen toon.

"Ik zeg dat, omdat ik het denk, en niet, omdat ik in uw magt ben."

"Luister!" hernam Kai-Koemoe, "de Tohonga, de opperpriester van

Noeï-Atoea[1], is in de handen uwer broeders gevallen. Hij is gevangen

bij de Pakeka's[2]. Onze God beveelt ons hem los te koopen. Ik had u het

hart uit het lijf willen rukken, ik had gewenscht, dat uw hoofd en het

hoofd uwer medgezellen ten eeuwigen dage op de punten van dit paalwerk

gestaan hadden! Maar Noeï-Atoea heeft gesproken."

Terwijl hij zoo sprak, beefde Kai-Koemoe, die zich tot nog toe

ingehouden had, van toorn, en stond er een woeste geestdrijverij op zijn

gelaat te lezen.

Na een poos hervatte hij op bedaarden toon:

"Denkt gij, dat de Engelschen onzen opperpriester tegen uw persoon

zullen uitwisselen?"

Glenarvan aarzelde met een antwoord, en zag het maori opperhoofd

oplettend aan.

"Ik weet het niet," zeide hij na een oogenblik zwijgens.

"Spreek!" hernam Kai-Koemoe. "Is uw leven evenveel waard als het leven

van onzen opperpriester?"

"Neen!" antwoordde Glenarvan. "Ik ben noch een opperhoofd noch een

priester onder de mijnen!"

Over dit antwoord verbaasd zag Paganel Glenarvan met diepe verwondering

aan.

Kai-Koemoe scheen insgelijks verrast.

"Dus twijfelt gij?" zeide hij.

"Ik weet het niet," herhaalde Glenarvan.

"Zullen de uwen u niet tegen onzen opperpriester uitwisselen?"

"Mij alleen? neen!" antwoordde Glenarvan. "Ons allen? misschien."

"Bij de Maori's is het hoofd voor hoofd," zeide Kai-Koemoe.

"Bied eerst deze vrouwen ter uitwisseling tegen uw priester aan," zeide

Glenarvan op lady Helena en Mary Grant wijzende.

Lady Helena wilde naar haar man snellen. De majoor hield haar tegen.

"Die twee vrouwen bekleeden een hoogen rang in haar land," hernam

Glenarvan met een eerbiedige buiging voor lady Helena en Mary Grant.

De krijgsman zag zijn gevangene koel aan. Een valsch glimlachje speelde

om zijn lippen; maar hij onderdrukte het bijna terstond en antwoordde

met een stem, die hij naauwelijks bedwingen kon:

"Denkt gij Kai-Koemoe met valsche woorden te bedriegen, vervloekte

Europeaan? Denkt gij, dat de oogen van Kai-Koemoe niet in de harten

kunnen lezen?"

En op lady Helena wijzende, ging hij voort:

"Dat is uw vrouw!"

"Neen! de mijne!" riep Kara-Tete.

De gevangenen wegduwende legde het opperhoofd nu zijn hand op den

schouder van lady Helena, die bij die aanraking verbleekte.

"Edward!" riep de rampzalige vrouw in haar radeloosheid.

Zonder een woord te spreken hief Glenarvan den arm op. Een schot knalde

en Kara-Tete viel dood neder.

Op die losbranding stroomde een vloed van inlanders uit de hutten. Het

plein was in een oogenblik vol. Honderd armen werden tegen de

ongelukkigen opgeheven. De revolver werd Glenarvan uit de hand gerukt.

Kai-Koemoe sloeg een vreemden blik op Glenarvan; daarop bedekte hij met

de eene hand het ligchaam van den moordenaar, terwijl hij met de andere

de menigte in toom hield, die woedend op de Europeanen indrong.

Eindelijk deed zijn stem het oproer bedaren.

"Taboe! Taboe!" riep hij.

Op dat woord hield de menigte voor Glenarvan en de zijnen stand, die nu

voor het oogenblik door een bovennatuurlijke magt beschermd werden.

Eenige oogenblikken daarna werden zij naar het heilige huis

teruggevoerd, dat hun tot gevangenis diende. Maar Robert Grant en

Jacques Paganel waren niet meer bij hen.

[1] Naam van den God der Zeelanders.

[2] Europeanen.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 17 / 29 题