Het meer Taupo.
Lang voor de historische tijden heeft zich door de instorting van holen
in de trachietlava op het midden des eilands een onpeilbare kolk
gevormd, lang vijf en twintig, breed twintig mijlen. Het water, dat van
de omliggende bergtoppen stortte, heeft die ontzettende holte gevuld. De
kolk is een meer geworden, maar nog altijd een afgrond gebleven, en het
dieplood heeft er de diepte nog niet van kunnen meten.
Dat is het vreemde meer Taupo, dat twaalf honderd vijftig voet boven den
zeespiegel en tusschen een kring van bergen in ligt, die derdehalf
duizend voet hoog zijn. Die uitgestrekte watervlakte, wier hevige
stormen bijna te vergelijken zijn met de kringvormige stormen op den
oceaan, wordt heerlijk ingesloten, ten westen door hooge loodregte
rotsen, ten noorden, door eenige verwijderde en met boschjes bekroonde
toppen, ten oosten door een breed strand, waarover een weg loopt en dat
met puimsteenen versierd is, die tusschen de bladeren der struiken heen
blinken, en ten zuiden, door vulkanische kegelbergen, aan den zoom van
een woud gelegen.
Die geheele streek kookt als een ontzaggelijke waterketel, hangende over
de onderaardsche vlammen. De grond beeft onder de liefkozingen van het
inwendige vuur. Op vele plaatsen stijgt een heete damp op. De aardkorst
scheurt en barst als een koek, die te sterk rijst, en ongetwijfeld zou
die geheele hoogvlakte in een gloeijenden oven wegzinken, wanneer de
gevangen dampen niet twaalf mijlen verder een uitweg vonden door de
kraters van den Tongariro.
Van den noordelijken oever gezien, schenen vederbossen van rook en
vlammen boven dien vulkaan, door kleine vuurspuwende bergen omringd, te
wapperen. De Tongariro scheen in verband te staan met een vrij
ingewikkeld bergstelsel. Achter hem verborg de afgezonderd in de vlakte
staande Ruapohoe zijn met sneeuw bedekte kruin ter hoogte van negen
duizend voet in de lucht. Geen sterveling heeft nog den voet gezet op
zijn ongenaakbaren kegel; het menschelijk oog heeft nooit de diepte van
zijn krater gepeild, terwijl tot driemalen toe in twintig jaar de heeren
Bidwill en Dyson, en laatst Von Hochstetter de toegankelijker toppen van
den Tongariro hebben gemeten.
Aan die vuurspuwende bergen zijn legenden verbonden, en bij iedere
andere gelegenheid zou Paganel ze zeker aan zijn makkers verteld hebben.
Hij zou hun medegedeeld hebben, hoe er eens over een vrouw twist
ontstond tusschen den Tongariro en den Taranaki, die toen zijn buurman
en vriend was. De Tongariro, die wat heethoofdig is, zooals alle
vulkanen, werd zoo driftig, dat hij den Taranaki sloeg. Geslagen en
vernederd vlugtte deze door het Whanganni-dal, liet onderweg twee
brokken van bergen vallen, en bereikte de zeekust, waar hij nu eenzaam
staat onder den naam van den Egmont.
Maar Paganel had even weinig lust om te vertellen, als zijn vrienden om
toe te luisteren. Zij sloegen zwijgend den noordoostelijken oever van
het Taupo-meer gade, waar hun ongelukkig gesternte hen heenvoerde. De
zendingspost door den eerwaarden Grace te Pukawa op den westelijken
oever van het meer gesticht, bestond niet meer. De oorlog had den
leeraar ver weggedreven van het voornaamste brandpunt van den opstand.
De gevangenen waren alleen, overgelaten aan de willekeur van
wraakzuchtige Maori's, en juist in dat onbeschaafde gedeelte des
eilands, waar het christendom nooit doorgedrongen is.
Toen Kai-Koemoe de Waikato verlaten had, stak hij de kleine kreek over,
die tot uitwatering van den stroom dient, voer om een spits voorgebergte
en landde op den oostelijken oever van het meer, aan den voet van den
Mauga-berg, die een hoogte van achttien honderd voet bereikt. Daar
breidden zich akkers uit met het kostbare nieuw-zeelandsche vlas. De
inboorlingen noemen het "harakeke." Al wat die nuttige plant oplevert,
is bruikbaar. Haar bloemen verschaffen een soort van uitmuntenden honig,
haar stam brengt een gomachtige zelfstandigheid voort, die de plaats van
was of stijfsel vervangt; haar nog nuttiger blad leent zich tot allerlei
gedaanteverwisselingen; versch, gebruikt men het als papier; gedroogd,
levert het een uitstekende zwam; gekorven, verandert het in koord,
kabeltouw en draad; uitgeplozen en gevlochten wordt het deken of mantel,
mat of schaamteschort, en rood of zwart geverfd kleedt het de deftigste
Maori's.
Dat kostbare vlas wordt dan ook allerwege op de twee eilanden gevonden,
aan de zeekust zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Hier
bedekten zijn in het wild groeijende struiken geheele akkers; zijn
bruinroode op de aloë gelijkende bloemen ontloken overal buiten zijn
digte en lange bladeren, die een zegeteeken van scherpe zwaarden
vormden. Liefelijke vogels, de honigvogels, de gewone bezoekers der
vlasakkers, vlogen in groote troepen rond en vergastten zich op het
honigsap der bloemen.
In het water van het meer plasten troepen eenden, met een kakelbont
gevederte, van zwartachtige, grijze en groene pennen, en die zich
gemakkelijk tam laten maken.
Een kwart mijl verder verrees op een steilte van den berg in een
onneembare stelling een "pah" of verschansing. De gevangenen werden één
voor één aan land gebragt, ontboeid en door de krijgslieden daarheen
geleid. Een pad, dat op de verschansing uitkwam, liep door vlasakkers en
een boschje schoone boomen, bestaande uit "kaikatea's," met blijvende
bladeren en roode bessen, "dracenas australis," de "ti" der
inboorlingen, wier kruin zeer goed de palmkool vervangen kan, en
"huious," waarvan men zich bedient om de stoffen zwart te verwen. Groote
duiven met een metaalglans, aschgraauwe lappenvogels en een menigte
spreeuwen met roodachtige lellen vlogen weg bij de nadering der
inboorlingen.
Na een vrij langen omweg kwamen Glenarvan, lady Helena, Mary Grant en de
overigen in de sterkte.
Deze vesting werd verdedigd door een eerste omheining van stevige,
vijftien voet hooge palissaden; een tweede linie van palen en daarna een
schutting van gevlochten wilgentakken met schietgaten voorzien omgaven
den anderen omtrek, dat is het hoogste gedeelte der vesting, waarop
versterkingen waren aangelegd en een veertigtal hutten ordelijk bij
elkander stonden.
Daar komende maakte het gezigt der hoofden, waarmede de palen der tweede
omwalling versierd waren, een vreeselijken indruk op de gevangenen. Lady
Helena en Mary Grant wendden de oogen af, meer nog uit walging dan van
schrik. Die hoofden hadden toebehoord aan vijandelijke opperhoofden, die
in den strijd gesneuveld waren en wier ligchamen den overwinnaars tot
spijs hadden gediend. De aardrijkskundige herkende ze terstond aan hun
holle en ledige oogkassen.
Het oog der opperhoofden wordt namelijk verslonden en het hoofd op
inlandsche manier toebereid. De hersens worden er uit gehaald, de huid
er afgestroopt, de neus met kleine plankjes vastgezet, de neusgaten met
vlas gestopt, en mond en oogleden digtgenaaid. Daarna wordt het in den
oven gelegd en dertig uren gerookt. Zoo toebereid blijft het zeer lang
onveranderd en ongerimpeld, en vormt zegeteekenen.
Dikwijls bewaren de Maori's het hoofd hunner eigen opperhoofden; maar in
dat geval blijft het oog in de holte en staart de voorbijgangers aan. De
Nieuw-Zeelanders vertoonen die overblijfselen met trots; zij laten ze
door de jonge krijgslieden bewonderen en brengen hun de schatting hunner
hulde door plegtige feesten.
Maar in de vesting van Kai-Koemoe versierden alleen hoofden van vijanden
dit afschuwelijk museum, en ongetwijfeld vermeerderde meer dan één
Engelschman met ledige oogholte de verzameling van het opperhoofd der
Maori's.
Achter in de vesting, voor een groote opene plek gronds, die Europeanen
het "slagveld" zouden genoemd hebben, stak de woning van Kai-Koemoe
boven verscheidene geringere hutten uit. Die woning was opgetrokken van
palen met een vlechtwerk van takken onderling verbonden en van binnen
bekleed met linnen. Zij was twintig voet lang, vijftien breed en tien
hoog, en had dus een inhoud van drie duizend kubieke voeten. Meer ruimte
heeft een zeelandsch opperhoofd niet noodig.
Er was maar eene opening, die toegang tot de hut verleende; een digt
weefsel van plantenvezels, dat opgehaald kon worden, diende voor deur.
Het dak stak er overheen bij wijze van een goot. Eenige figuren in het
uiteinde der sparren gebeiteld versierden de hut, en het "wharepuni" of
portaal vertoonde aan de bewondering der bezoekers bladeren,
zinnebeeldige figuren, monsters, lofwerk, kortom een vreemd mengelmoes,
het voortbrengsel van den beitel der inlandsche kunstenaars.
Binnen in de hut lag de vloer, van vastgetrapte aarde gemaakt, een
halven voet boven den beganen grond. Eenige teenen horden en matrassen
van drooge varens, bedekt met een mat uit de lange en buigzame bladeren
van den "typha" gevlochten, dienden tot bedden. In het midden was de
vuurhaard, een gemetseld gat, en in het dak was een ander gat, dat tot
schoorsteen diende. Wanneer de rook zwaar genoeg was, vond hij eindelijk
goed dien uitweg te gebruiken, maar niet voor hij op de wanden der
woning een heerlijk zwart vernis had aangebragt.
Naast de hut stonden de pakhuizen met den voorraad van het opperhoofd,
zijn oogst van vlas, pataten, taro's, eetbare varens, en de ovens,
waarin al die spijzen op heete steenen geroosterd worden. In kleine
omheinde plaatsen weidden wat verder eenige zwijnen en geiten, de
schaarsche afstammelingen der nuttige dieren, welke kapitein Cook hier
had ingevoerd. Hier en daar liepen honden om hun sober maal op te
zoeken. Zij werden vrij slecht onderhouden voor dieren, met wier behulp
de Maori dagelijks zijn voedsel moet zoeken.
Glenarvan en zijn lotgenooten hadden dit alles met een oogopslag
overzien. Bij een ledige hut wachtten zij af, wat het opperhoofd over
hen zou beschikken, en hadden veel te lijden van de beleedigingen van
een troep oude vrouwen. Die bende harpijen omringde hen, dreigde hen met
vuisten, huilde en vloekte. Eenige engelsche woorden kwamen over haar
dikke lippen, waaruit duidelijk bleek, dat zij onmiddellijk om wraak
riepen.
Onder al die verwenschingen en bedreigingen toonde lady Helena,
uiterlijk bedaard, een gerustheid, die toch niet in haar wonen kon. Om
lord Glenarvan zijn koelbloedigheid niet te doen verliezen, deed die
moedige vrouw heldhaftige pogingen om zich te bedwingen. De arme Mary
Grant voelde, dat haar krachten haar begaven, en John Mangles
ondersteunde haar, bereid om haar tot het uiterste toe te verdedigen.
Die vloed van verwenschingen werd door zijn makkers in zeer
verschillende stemming aangehoord, sommigen, zooals de majoor, bleven er
kalm onder, anderen, zooals Paganel, waren ten prooi aan een steeds
toenemende verbittering.
Daar hij lady Helena wilde behoeden voor de vuisten dier grijze
hellevegen, ging Glenarvan regelregt op Kai-Koemoe af, en zeide, op dien
afzigtelijken hoop wijzende: "Jaag ze weg!"
Het maori opperhoofd zag zijn gevangene stijf aan zonder hem te
antwoorden; vervolgens bragt hij met een wenk die huilende horde tot
zwijgen. Glenarvan boog om hem te bedanken, en keerde weder langzaam
naar zijn plaats in het midden der zijnen terug.
Er waren nu zoowat honderd Nieuw-Zeelanders, grijsaards, volwassenen en
jongelieden, in het fort bijeen; sommigen wachtten bedaard maar
droefgeestig de bevelen van Kai-Koemoe af, anderen gaven zich over aan
al de vervoeringen eener hevige smart; enkelen beweenden hun
bloedverwanten of vrienden, die in de laatste gevechten gevallen waren.
Van al de opperhoofden, die op de roepstem van William Thompson waren
toegesneld, was Kai-Koemoe de eenige, die in de aan het meer gelegen
streken terugkeerde, en hij was de eerste, die aan zijn stam de
nederlaag verhaalde, die de opstandelingen in de vlakten van de
Beneden-Waikato geleden hadden. Van de twee honderd krijgslieden, die
onder zijn bevel tot verdediging van den vaderlandschen grond waren
uitgetrokken, ontbraken er honderd vijftig bij de terugkomst. Sommigen
waren door de overwinnaars gevangen genomen; maar de meeste hadden op
het slagveld den dood gevonden en zouden het land hunner vaderen nimmer
terugzien!
Hieruit was de diepe droefheid te verklaren, die de komst van Kai-Koemoe
bij zijn stam had opgewekt. Er was nog niets van de laatste nederlaag
uitgelekt, en die noodlottige tijding was pas ruchtbaar geworden.
Bij de wilden openbaart zich de zielsdroefheid altijd door uiterlijke
teekenen. De bloedverwanten en vrienden der gesneuvelde krijgslieden,
vooral de vrouwen, reten hun gelaat en schouders met scherpe schelpen
open. Het bloed stroomde uit de wonden en vermengde zich met hun tranen.
De grootte der wanhoop was af te meten naar de diepte der inkervingen.
De bloedende en razende nieuw-zeelandsche vrouwen waren vreeselijk om te
zien.
Een andere, in de oogen der inlanders zeer gewigtige oorzaak, vergrootte
nog hun wanhoop. Niet alleen was de bloedverwant, de vriend, dien zij
beweenden, niet meer; maar zijn gebeente zou niet in het familiegraf
rusten. Het bezit nu van dat overschot wordt in de godsdienst der
Maori's als onmisbaar voor het lot in het eeuwige leven beschouwd; niet
het vergankelijke vleesch, maar de beenderen, die zorgvuldig worden
bijeengezameld, gereinigd, afgekrabd, gepolijst, ja zelfs gevernist; ten
slotte worden zij in het "oedoepa" gelegd, dat wil zeggen "het huis des
roems." Die graven zijn met houten beelden versierd, die met volkomen
juistheid de tatoeëering des overledenen voorstellen. Maar nu zouden die
graven ledig blijven, de godsdienstige plegtigheden niet volbragt
worden, en de beenderen, welke de tand der wilde honden mogt sparen,
onbegraven verbleeken op het slagveld.
Toen verdubbelden de teekenen der smart. Op de bedreigingen der vrouwen
volgden de vervloekingen der mannen tegen de Europeanen. Scheldwoorden
werden uitgebraakt, de gebaren heviger. Op het geschreeuw zouden daden
van geweld volgen.
Kai-Koemoe vreesde, dat de dweepers onder zijn stamgenooten hem te
magtig zouden worden, en liet daarom zijn gevangenen naar een gewijde
plaats brengen, die aan het andere einde der verschansing op een steilen
bergtop lag. Die hut leunde tegen een rotswand, die honderd voet boven
haar uitstak, en aan die zijde van het fort een vrij steile helling
vormde.
In dit "wareatoea," heilig huis, predikten de priesters of ariki's aan
de Zeelanders een god in drie personen, den vader, den zoon, en den
vogel of geest. De ruime en goed gesloten hut bevatte het gewijde en
uitgezochte voedsel, dat Maoeï-Ranga-Ranguï eet met den mond zijner
priesters.
Daar gingen de gevangenen, voorloopig beveiligd tegen de woede der
inlanders, op matten van vlas liggen. Lady Helena, wier krachten
uitgeput, wier geestkracht overwonnen was, viel in de armen van haar
echtgenoot. Glenarvan klemde haar aan zijn borst en herhaalde: "Houd
moed, lieve Helena! de Hemel zal ons niet verlaten!"
Pas was Robert opgesloten, of hij klom op Wilsons schouder, en slaagde
er in zijn hoofd door een opening tusschen het dak en den muur te
steken, waaraan snoeren amuletten hingen. Van daar kon hij de geheele
vesting overzien tot aan de hut van Kai-Koemoe.
"Zij zijn om het opperhoofd vereenigd," fluisterde hij.... "Zij zwaaijen
met hun armen.... Zij brullen.... Kai-Koemoe wil spreken...."
De knaap zweeg een poos en hervatte toen:
"Kai-Koemoe spreekt.... De wilden komen tot rust.... Zij luisteren naar
hem...."
"Zeker heeft dat opperhoofd er persoonlijk belang bij om ons te
beschermen," zeide de majoor. "Hij wil zijn gevangenen tegen
opperhoofden van zijn stam uitwisselen! Maar zullen zijn krijgslieden er
in bewilligen?"
"Ja!... Zij luisteren naar hem...." hervatte Robert. "Zij gaan
uiteen.... Enkelen keeren naar hun hutten terug.... Anderen verlaten de
verschansing...."
"Zegt gij de waarheid?" riep de majoor.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de knaap. "Kai-Koemoe is alleen
gebleven met de manschappen, die in zijn boot waren.... Ha! daar komt er
een naar onze hut...."
"Kom af, Robert!" gebood Glenarvan.
Nu vatte lady Helena, die weer bijgekomen was, den arm van haar
echtgenoot.
"Edward!" sprak zij op vasten toon, "Mary Grant en ik moeten niet levend
in de handen der wilden vallen!"
Dit zeggende overhandigde zij aan Glenarvan een geladen revolver.
"Een wapen!" riep Glenarvan, wiens oogen met een plotselingen glans
schitterden.
"Ja! de Maori's onderzoeken hun vrouwelijke gevangenen niet! Maar dit
wapen is voor ons, Edward! niet voor hen!..."
"Glenarvan!" zeide de majoor snel, "verberg dien revolver! Het is nog
geen tijd...."
De revolver verdween onder de kleeren van den lord. De mat, waarmede de
ingang der hut gesloten was, werd opgeligt. Een inlander verscheen.
Hij gaf den gevangenen een wenk om hem te volgen. Digt aaneengesloten
stapten Glenarvan en de zijnen voort en bleven eindelijk voor Kai-Koemoe
staan.
Rondom dit opperhoofd waren de voornaamste krijgslieden van zijn stam
vereenigd. Onder hen was ook die Maori, wiens boot zich bij die van
Kai-Koemoe had gevoegd, ter plaatse waar de Pohainhenna in de Waikato
valt. Het was een gespierd man van veertig jaar, en met een woest en
wreed voorkomen. Hij heette Kara-Tete, dat wil zeggen "de opvliegende."
Kai-Koemoe behandelde hem met zekere achting; aan de fijnheid zijner
tatoeëering kon men zien, dat Kara-Tete een hoogen rang in zijn stam
bekleedde. Toch had een scherp waarnemer kunnen zien, dat er een zekere
naijver tusschen die twee opperhoofden bestond. De majoor merkte op, dat
de invloed van Kara-Tete Kai-Koemoe hinderde. Zij heerschten beiden over
de belangrijke stammen aan de Waikato en met gelijke magt. Bij dit
onderhoud mogt Kai-Koemoe dan al glimlagchen, diepe haat straalde uit
zijn oogen.
Kai-Koemoe ondervroeg Glenarvan, en zeide:
"Zijt gij een Engelschman?"
"Ja!" antwoordde de lord zonder aarzelen; want dit zou een uitwisseling
gemakkelijker maken.
"En uw medgezellen?" zeide Kai-Koemoe.
"Zijn Engelschen evenals ik. Wij zijn reizigers, schipbreukelingen.
Maar, als gij het weten wilt, wij hebben geen deel genomen aan den
strijd."
"Dat raakt mij niet!" antwoordde de onbeschofte Kara-Tete. "Elke
Engelschman is onze vijand. De uwen hebben ons eiland bemagtigd! Zij
hebben onze akkers gestolen! Zij hebben onze dorpen verbrand!"
"Zij hebben verkeerd gehandeld!" antwoordde Glenarvan op ernstigen toon.
"Ik zeg dat, omdat ik het denk, en niet, omdat ik in uw magt ben."
"Luister!" hernam Kai-Koemoe, "de Tohonga, de opperpriester van
Noeï-Atoea[1], is in de handen uwer broeders gevallen. Hij is gevangen
bij de Pakeka's[2]. Onze God beveelt ons hem los te koopen. Ik had u het
hart uit het lijf willen rukken, ik had gewenscht, dat uw hoofd en het
hoofd uwer medgezellen ten eeuwigen dage op de punten van dit paalwerk
gestaan hadden! Maar Noeï-Atoea heeft gesproken."
Terwijl hij zoo sprak, beefde Kai-Koemoe, die zich tot nog toe
ingehouden had, van toorn, en stond er een woeste geestdrijverij op zijn
gelaat te lezen.
Na een poos hervatte hij op bedaarden toon:
"Denkt gij, dat de Engelschen onzen opperpriester tegen uw persoon
zullen uitwisselen?"
Glenarvan aarzelde met een antwoord, en zag het maori opperhoofd
oplettend aan.
"Ik weet het niet," zeide hij na een oogenblik zwijgens.
"Spreek!" hernam Kai-Koemoe. "Is uw leven evenveel waard als het leven
van onzen opperpriester?"
"Neen!" antwoordde Glenarvan. "Ik ben noch een opperhoofd noch een
priester onder de mijnen!"
Over dit antwoord verbaasd zag Paganel Glenarvan met diepe verwondering
aan.
Kai-Koemoe scheen insgelijks verrast.
"Dus twijfelt gij?" zeide hij.
"Ik weet het niet," herhaalde Glenarvan.
"Zullen de uwen u niet tegen onzen opperpriester uitwisselen?"
"Mij alleen? neen!" antwoordde Glenarvan. "Ons allen? misschien."
"Bij de Maori's is het hoofd voor hoofd," zeide Kai-Koemoe.
"Bied eerst deze vrouwen ter uitwisseling tegen uw priester aan," zeide
Glenarvan op lady Helena en Mary Grant wijzende.
Lady Helena wilde naar haar man snellen. De majoor hield haar tegen.
"Die twee vrouwen bekleeden een hoogen rang in haar land," hernam
Glenarvan met een eerbiedige buiging voor lady Helena en Mary Grant.
De krijgsman zag zijn gevangene koel aan. Een valsch glimlachje speelde
om zijn lippen; maar hij onderdrukte het bijna terstond en antwoordde
met een stem, die hij naauwelijks bedwingen kon:
"Denkt gij Kai-Koemoe met valsche woorden te bedriegen, vervloekte
Europeaan? Denkt gij, dat de oogen van Kai-Koemoe niet in de harten
kunnen lezen?"
En op lady Helena wijzende, ging hij voort:
"Dat is uw vrouw!"
"Neen! de mijne!" riep Kara-Tete.
De gevangenen wegduwende legde het opperhoofd nu zijn hand op den
schouder van lady Helena, die bij die aanraking verbleekte.
"Edward!" riep de rampzalige vrouw in haar radeloosheid.
Zonder een woord te spreken hief Glenarvan den arm op. Een schot knalde
en Kara-Tete viel dood neder.
Op die losbranding stroomde een vloed van inlanders uit de hutten. Het
plein was in een oogenblik vol. Honderd armen werden tegen de
ongelukkigen opgeheven. De revolver werd Glenarvan uit de hand gerukt.
Kai-Koemoe sloeg een vreemden blik op Glenarvan; daarop bedekte hij met
de eene hand het ligchaam van den moordenaar, terwijl hij met de andere
de menigte in toom hield, die woedend op de Europeanen indrong.
Eindelijk deed zijn stem het oproer bedaren.
"Taboe! Taboe!" riep hij.
Op dat woord hield de menigte voor Glenarvan en de zijnen stand, die nu
voor het oogenblik door een bovennatuurlijke magt beschermd werden.
Eenige oogenblikken daarna werden zij naar het heilige huis
teruggevoerd, dat hun tot gevangenis diende. Maar Robert Grant en
Jacques Paganel waren niet meer bij hen.
[1] Naam van den God der Zeelanders.
[2] Europeanen.