X.

De nationale stroom.

Toen de zon den volgenden morgen opging hing een vrij dikke mist zwaar

op het water der rivier. Een deel van de dampen, waarmee de lucht vol

was, had de afkoeling verdigt, zoodat ze nu de oppervlakte des waters

met een digte wolk bedekten. Maar de stralen der zon boorden spoedig

door die waterbellen heen, welke barstten, nu de dagvorstin ze bescheen.

De in nevel gehulde oevers werden zigtbaar, en de Waikato vertoonde zich

in al de schoonheid van den morgen.

Ter plaatse, waar de twee stroomen ineenliepen, stak de scherpe punt van

een met struiken bedekte landtong in het water uit. Het onstuimige water

der Waipa stuwde dat van de Waikato wel een kwartmijl weg, voor het zich

er mede vereenigde; maar de magtige en kalme stroom bragt de bruischende

rivier weldra ten onder, en sleepte haar rustig mede in zijn loop tot

aan het bekken der Stille Zuidzee.

Toen de damp optrok, kon men een boot de Waikato stroomopwaarts zien

roeijen. Het was een kano van zeventig voet lang, vijf breed en drie

diep, met een hoogen voorsteven als een venetiaansche gondel en geheel

vervaardigd van den stam van een kahikatea-denneboom. De bodem was

belegd met een bed van drooge varens. Acht roeijers, die voorin zaten,

deden ze over de oppervlakte des waters vliegen, terwijl een man, die

achteraan zat, ze met een beweegbare pagaai bestuurde.

Die man was een lange inboorling, omstreeks vijf en veertig jaar oud,

met een breede borst, gespierde leden, en forsche handen en voeten. Zijn

gewelfd en met diepe rimpels beploegd voorhoofd, zijn onvriendelijke

blik, zijn onheilspellend gelaat, boezemden schrik voor hem in.

Het was een maori-opperhoofd van hoogen rang. Dat bleek uit de fijne en

digte figuren, waarmede zijn ligchaam en aangezigt getatoeëerd waren.

Van de vleugels van zijn arendsneus liepen twee zwarte kromme lijnen,

die om zijn gele oogen zich slingerden, op zijn voorhoofd bijeen kwamen

en onder zijn prachtig hoofdhaar verdwenen. Zijn mond met sneeuwwitte

tanden en zijn kin verdwenen onder regelmatige bonte lijnen welker

sierlijke krullen zich door elkander slingerden tot op zijn sterke

borst.

Het tatoeëeren, het "moko" der Nieuw-Zeelanders, is een bewijs van hoog

aanzien. Hij alleen is die eervolle kringen waardig, die zich in een

aantal gevechten door zijn dapperheid heeft onderscheiden. De slaven en

de heffe des volks hebben er geen aanspraak op. De beroemde opperhoofden

zijn kenbaar aan het uitgewerkte, de juistheid en den aard der

teekening, die dikwijls afbeeldingen van dieren op hun ligchaam

voorstelt. Sommigen ondergaan tot vijfmaal toe de zeer smartelijke

bewerking van het moko. Hoe beroemder men is, des te meer wordt men

opgeschikt in dat Nieuw-Zeeland.

Dumont d'Urville heeft wetenswaardige bijzonderheden aangaande dat

gebruik medegedeeld. Hij heeft teregt opgemerkt, dat het moko de plaats

dier wapens vervangt, waarop in Europa sommige geslachten zich zoo veel

laten voorstaan. Maar hij merkt een verschil op tusschen die twee

teekenen van onderscheiding: namelijk, dat de wapens der Europeanen

dikwijls alleen het bewijs zijn van de persoonlijke verdienste desgenen,

die ze het allereerst verwierf, zonder dat men daaruit tot de verdienste

zijner kinderen mag besluiten; terwijl de persoonlijke wapens der

Nieuw-Zeelanders een wettig bewijs zijn, dat zij een buitengewonen

persoonlijken moed aan den dag hebben moeten leggen om het regt te

verkrijgen ze te dragen.

Ook is het niet te ontkennen, dat het tatoeëeren der Maori's, nog

daargelaten het aanzien, waarin het staat, ontegenzeggelijk zijn nut

heeft. Het geeft aan de huid meerdere dikte, waardoor ze in staat is

weerstand te bieden aan de guurheid des weders en aan de onophoudelijke

steken der muskieten.

Bij het opperhoofd, die het vaartuig stuurde, was geen twijfel aan zijn

beroemdheid mogelijk. Het scherpe albatros-been, dat de maori

tatoeëerders gebruiken, had zijn gezigt vijf maal doorkorven met digte

en diepe lijnen. Hij had de vijfde uitgave reeds beleefd, hetgeen wel te

zien was aan zijn trotsch voorkomen.

Zijn ligchaam, bedekt met een groot stuk doek van nieuw-zeelandsch vlas

gevoerd met hondenvellen, was omgord met een schaamteschort, dat in de

laatste gevechten met bloed was bemorst. Aan zijn uitgerekte oorlellen

prijkten hangers van groenen niersteen, en om den hals droeg hij

kettingen van "poenamoes," gewijde steenen, waaraan de Zeelanders eenige

bijgeloovige denkbeelden verbinden. Naast hem lag een geweer van

engelsen maaksel, en een "patoe-patoe," een soort van tweesnijdende,

smaragdkleurige, achttien duim lange bijl.

Negen krijgslieden van minderen rang, maar gewapend en met een woest

uiterlijk, waarvan enkelen nog leden aan versche wonden, zaten in hun

linnen mantels gewikkeld onbewegelijk bij hem. Aan hun voeten lagen drie

geduchte honden. De acht roeijers voorin schenen dienaren of slaven van

het opperhoofd te zijn. Zij roeiden stevig door, zoodat het bootje met

groote snelheid tegen den juist niet veel beteekenenden stroom der

Waikato opvoer.

In het midden van dat lange vaartuig stonden tien europeesche

gevangenen, alleen aan hun voeten gekluisterd, digt bij elkander.

Het waren Glenarvan en lady Helena, Mary Grant, Robert, Paganel, de

majoor, John Mangles, de hofmeester en de twee matrozen.

Door den digten nevel misleid, was het kleine gezelschap den vorigen

avond onder een talrijken troep inlanders vervallen. Omstreeks het

midden van den nacht werden de reizigers in hun slaap overvallen,

gevangen genomen en vervolgens naar het vaartuig gebragt. Zij hadden nog

geen mishandelingen ondergaan: maar tegenstand zou hun niets gebaat

hebben. Hun wapenen en kruid waren in de handen der wilden, en hun eigen

kogels zouden spoedig een eind aan hun leven gemaakt hebben.

Zij vernamen spoedig uit eenige engelsche woorden, waarvan de inlanders

zich bedienden, dat dezen, teruggedreven en geslagen door de britsche

troepen, na groote verliezen ondergaan te hebben naar de streken aan de

Boven-Waikato terugtrokken. Het maori-opperhoofd, wiens voornaamste

strijders na een hardnekkigen tegenstand door de soldaten van het 42ste

regiment gedood waren, ging een nieuwe oproeping doen aan de stammen van

den stroom, om den onbedwingbaren William Thompson te hulp te snellen,

die nog altijd met de veroveraars worstelde. Dat opperhoofd heette

"Kai-Koemoe," een vreeselijke naam, die in de volkstaal beteekent

"degene, die de ledematen van zijn vijand opeet." Hij was dapper en

vermetel; maar zijn wreedheid evenaarde zijn moed. Geen medelijden was

van hem te wachten. Zijn naam was welbekend bij de engelsche soldaten,

en de gouverneur van Nieuw-Zeeland had een prijs op zijn hoofd gesteld.

Die vreeselijke slag had lord Glenarvan juist getroffen, toen hij de zoo

gewenschte haven van Auckland bijna bereikt had, waar hij

scheepsgelegenheid naar Europa hoopte te vinden. Op zijn koud en bedaard

gelaat afgaande, zou men echter niet hebben kunnen gissen, dat een

vreeselijke angst hem kwelde. Want in ernstige omstandigheden toonde

Glenarvan steeds, dat het ongeluk hem niet kon ter nederslaan. Hij

gevoelde, dat hij, de echtgenoot, het hoofd, zijn vrouw en zijn

reisgenooten tot steun en voorbeeld zijn moest; maar tevens was hij

bereid om, indien de omstandigheden het vorderden, het eerst voor aller

redding te sterven. Innig vroom zijnde, wilde hij, met het oog op de

heiligheid zijner onderneming, niet twijfelen aan Gods regtvaardigheid,

en ondanks de tallooze gevaren op den weg, dien hij betrad, had hij nog

geen oogenblik spijt van de edelmoedige opwelling, die hem naar die

onbeschaafde landen gevoerd had.

Zijn makkers waren zijner waardig, zij dachten even edel als hij, en wie

hun rustig en fier gelaat had beschouwd, zou niet geloofd hebben, dat

zij een zekeren ondergang te gemoet gingen. Met algemeen goedvinden

hadden zij op raad van Glenarvan besloten, een trotsche

onverschilligheid voor de inlanders te veinzen. Dat was het eenige

middel om dien woestaards ontzag in te boezemen. De wilden in het

algemeen en de Maori's in het bijzonder hebben een zeker gevoel van

waardigheid, dat zij nooit verloochenen. Zij achten dengenen, die door

koelbloedigheid en moed achting inboezemt. Glenarvan wist, dat hij door

zoo te handelen zijn makkers en zichzelven noodelooze mishandelingen

bespaarde.

Sedert het verlaten van de legerplaats hadden de inlanders, weinig

spraakzaam evenals alle wilden, hen ter naauwernood toegesproken. Uit

eenige woorden, die zij wisselden, maakte Glenarvan echter op, dat zij

met het engelsch bekend waren. Hij besloot dus het zeelandsche

opperhoofd te vragen, wat hij met hen voor had. Zich tot Kai-Koemoe

rigtende, vroeg hij met rustige stem:

"Waar brengt gij ons heen, opperhoofd?"

Kai-Koemoe zag hem koel aan zonder te antwoorden.

"Wat zijt gij voornemens met ons te doen?" hernam Glenarvan.

Voor een poos flikkerden de oogen van Kai-Koemoe, en hij antwoordde op

ernstigen toon:

"U uitwisselen, wanneer de uwen u terug willen hebben, u dooden, als zij

weigeren."

Glenarvan vroeg niets meer, maar voelde de hoop in zijn hart herleven.

Zonder twijfel waren eenige opperhoofden van het leger der Maori's in

handen van de Engelschen gevallen, en wilden de inboorlingen beproeven

hen door uitwisseling terug te krijgen. Dat was dus een kans op redding,

en hun toestand nog niet hopeloos.

Inmiddels vorderde het vaartuig snel tegen den stroom op. Paganel, wiens

bewegelijk karakter hem ligt van het eene uiterste tot het andere deed

overslaan, was weer vol moed. Hij zeide bij zichzelven, dat de Maori's

hun de moeite bespaarden om naar de engelsche voorposten te gaan, en dat

was zooveel gewonnen. Volkomen berustend in zijn lot, ging hij op zijn

kaart den loop der Waikato door de vlakten en dalen der provincie na.

Lady Helena en Mary Grant bedwongen haar vrees en spraken zacht met

Glenarvan, en de bekwaamste gelaatskenner onder de inlanders had op haar

aangezigten den angst niet kunnen opmerken, die haar boezem benaauwde.

De Waikato is de nationale stroom van Nieuw-Zeeland. De Maori's zijn er

even trotsch en jaloersch op, als de Duitschers op den Rijn en de Slaven

op den Donau. In zijn twee honderd mijlen langen loop besproeit hij de

schoonste streken van het noordelijke eiland, van de provincie

Wellington af tot de provincie Auckland toe. Hij heeft zijn naam gegeven

aan al die stammen op zijn oevers, die onoverwinbaar en onoverwonnen,

als één man tegen de overheerschers zijn opgestaan.

Het water van dien stroom is nog bijna nooit door een vreemd schip

gekliefd. Alleen de praauwen der eilanders bevaren hem. Met moeite heeft

het een enkelen moedigen reiziger mogen gelukken tusschen die gewijde

oevers door te stevenen. De toegang tot de Boven-Waikato schijnt aan de

ongewijde Europeanen verboden te zijn.

Paganel was bekend met den eerbied, welken de inboorlingen voor die

groote slagader van Zeeland koesteren. Hij wist, dat de engelsche en

duitsche natuurkundigen ze niet verder bevaren hadden dan tot haar

vereeniging met de Waipa. Hoever zou de willekeur van Kai-Koemoe zijn

gevangenen medeslepen? Dat had hij niet kunnen gissen, indien het woord

"Taupo," dat hij bij herhaling van het opperhoofd en diens manschappen

hoorde, zijn aandacht niet gewekt had.

Hij raadpleegde zijn kaart en zag, dat die naam Taupo gegeven werd aan

een meer, dat beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde, en in het

bergachtigste gedeelte des eilands ligt, aan de zuidelijke grens der

provincie Auckland. De Waikato verlaat dat meer na het in zijn volle

breedte doorloopen te hebben. Van het vereenigingspunt af tot aan het

meer stroomt de rivier over een lengte van omtrent honderd twintig

mijlen.

Paganel sprak John Mangles in het fransch aan, om niet door de wilden

verstaan te worden en verzocht hem de snelheid van het vaartuig te

schatten. John berekende ze op omtrent drie mijlen in het uur.

"Dan zal," zeide de aardrijkskundige, "wanneer wij des nachts

stilliggen, onze reis tot het meer bijna vier dagen duren."

"Maar waar bevinden zich de engelsche posten?" vroeg Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen," antwoordde Paganel. "Echter zal de oorlog

wel in de provincie Taranaki overgebragt zijn, en naar alle

waarschijnlijkheid bevindt de hoofdmagt der troepen zich bij het meer,

aan de afhelling van het gebergte, waar het brandpunt van den opstand

is."

"God geve het!" zuchtte lady Helena.

Glenarvan sloeg een treurigen blik op zijn jeugdige gade en op Mary

Grant, die overgeleverd waren aan de genade dier woeste inboorlingen en

ver weggesleept in een onbeschaafd land, van alle menschelijke hulp

verstoken. Maar hij zag, dat Kai-Koemoe hem in het oog hield, en daar

hij uit voorzigtigheid hem niet wilde doen gissen, dat eene der

gevangenen zijn vrouw was, hield hij zijn gedachten in zijn binnenste

besloten en sloeg hij met volmaakte onverschilligheid de oevers van den

stroom gade.

Een halve mijl boven de zamenvloeijing was het vaartuig zonder aan te

leggen de vroegere woonplaats van koning Potatau voorbijgeroeid. Geen

andere boot was op de rivier te zien. Eenige ver van elkander gelegene

hutten op de oevers bewezen door haar bouwvalligheid, dat de oorlog daar

pas zijn verwoestingen had uitgeoefend. De streken langs de oevers

schenen verlaten, de boorden van den stroom onbewoond. Het treurige

landschap werd alleen verlevendigd door eenige vertegenwoordigers van de

familie der watervogels. Nu eens vlugtte de "taparunga," een steltlooper

met zwarte vleugels, witten buik en rooden snavel, zoo snel zijn lange

pooten hem wilden dragen. Dan weer keken driederlei reigers, de

aschgraauwe "matuku," een soort van roerdomp met een dom uitzigt, en de

prachtige "kotuku," met witte vederen, gelen snavel en zwarte pooten,

bedaard naar het voorbijvarende inlandsche vaartuig. Waar de glooijende

oevers een zekere diepte van het water aanduidden, loerde de

duikerkoning, de "kotare" der Maori's, op die kleine palingen, die bij

millioenen in de zeelandsche rivieren rondzwemmen. Waar de struiken over

den stroom hingen, maakten zeer aardige hoppen, riet- en purperhoenders

hun morgentoilet in de eerste stralen der zon. Al die gevleugelde dieren

smaakten de rust, die het afwezen der menschen, welke de oorlog verjaagd

of gedood had, hun schonk.

Gedurende dit eerste gedeelte van haar loop door groote vlakten had de

Waikato een aanzienlijke breedte. Maar hoogerop werd het dal, waar ze

haar bedding in had uitgehold, vernaauwd, eerst door heuvels, later door

bergen. Tien mijlen boven de vereeniging wees de kaart van Paganel op

den linkeroever het dorp Kirikiriroa, dat er ook lag. Kai-Koemoe legde

er niet aan. Hij liet aan de gevangenen hun eigen levensmiddelen

uitreiken, die bij de plundering van de legerplaats waren medegenomen.

Hij, zijn krijgslieden en zijn slaven vergenoegden zich met het gewone

voedsel der inlanders, eetbare varens, de "pteris esculenta" der

kruidkundigen, in den oven gekookte wortels, en "kapanas," aardappelen,

die op de beide eilanden overvloedig geteeld worden. Geen dierlijk

voedsel kwam bij hun maaltijd voor, en het drooge vleesch der gevangenen

scheen hun verlangen niet gaande te maken.

Ten drie ure verrezen er eenige bergen op den regter oever, de

Pokaroa-Ranges, die veel hadden van een ontmantelde vesting. Op sommige

loodregte spitsen verhieven zich verwoeste "pah," oude verschansingen,

die de maori krijgsbouwkundigen in onneembare stellingen hadden

opgeworpen. Men zou ze voor groote arendsnesten aangezien hebben.

De zon verdween haast onder de kimmen, toen het vaartuig op den steilen

oever aanhield, bezaaid met puimsteenen, welke de Waikato, op

vuurspuwende bergen ontsprongen, in haar loop medevoert. Daar groeiden

eenige boomen, die geschikt schenen om een legerplaats te beschutten.

Kai-Koemoe liet zijn gevangenen ontschepen; de handen der mannen werden

geboeid, de vrouwen bleven vrij, en allen werden in het midden van de

legerplaats gebragt, die door groote vuren met een onoverkomelijken muur

van vlammen werd omgeven.

Voor Kai-Koemoe aan zijn gevangenen zijn voornemen had te kennen gegeven

om hen uit te wisselen, hadden Glenarvan en John Mangles de middelen

besproken om hun vrijheid terug te krijgen. Wat zij in het vaartuig niet

konden beproeven, wilden zij, als hun bewakers sliepen, onder

begunstiging van het nachtelijk duister wagen.

Maar na het gesprek van Glenarvan met het zeelandsch opperhoofd scheen

het verstandiger dit niet te doen. Men moest geduld hebben. Dat was het

voorzigtigste. De uitwisseling bood kansen op redding aan, die niet

verbonden waren aan een gewapenden aanval of aan een vlugt door die

onbekende streken. Voorzeker konden er gebeurtenissen voorvallen, die

zulk een onderhandeling vertraagden, zelfs beletten, maar het beste was

nog haar uitslag af te wachten. En wat konden eigenlijk ook een tiental

ongewapenden uitrigten tegen een dertigtal goed gewapende wilden? Ook

vermoedde Glenarvan, dat de stam van Kai-Koemoe een opperhoofd van groot

aanzien verloren had, dien hij gaarne terughad, en hij vergiste zich

niet.

Den volgenden morgen voer het vaartuig met nieuwe snelheid den stroom

op. Ten tien ure vertoefde het even aan de zamenvloeijing met de

Pohaiwhenna, een riviertje, dat kronkelend door de vlakten op den

regteroever liep.

Daar voegde zich een boot met tien inboorlingen bemand bij het vaartuig

van Kai-Koemoe. De krijgslieden wisselden ter naauwernood den

welkomstgroet, het "aïre mai ra," dat zeggen wil: "komt hier in goede

gezondheid," en de beide booten voeren gezamenlijk verder. De

nieuwaangekomenen hadden eerst onlangs de engelsche troepen bestreden.

Dat zag men aan hun gescheurde kleeren, aan hun bebloede wapens, aan de

wonden, die nog onder hun lompen gaapten. Zij waren somber en zwijgend.

Met de aan alle wilde volken eigen onverschilligheid sloegen zij

volstrekt geen acht op de Europeanen.

Tegen den middag vertoonden zich in het westen de toppen van den

Maungatotari. Het dal van de Waikato werd al naauwer. Tusschen hooge

oevers besloten schoot de stroom voort met de snelheid van een val. Maar

de ligchaamskracht der inboorlingen, verdobbeld en geregeld door een

gezang, dat de maat aangaf voor de beweging der riemen, voerde het

vaartuig over het schuimende water. Zonder letsel kwam men over den val

heen, en de Waikato stroomde weer even langzaam als vroeger, daar van

mijl tot mijl de uitstekende hoeken harer oevers haar snelheid braken.

Tegen den avond legde Kai-Koemoe aan bij den voet der bergen, wier

voorloopers zich loodregt op de smalle oevers verhieven. Daar maakten

een twintigtal inboorlingen, die hun booten verlaten hadden, zich gereed

om den nacht door te brengen. Vuren brandden onder de boomen. Een even

aanzienlijk opperhoofd als Kai-Koemoe naderde met afgemeten schreden, en

zijn neus wrijvende tegen dien van Kai-Koemoe, gaf hij hem den

vriendengroet, "chongui" genaamd. De gevangenen werden in het midden van

de legerplaats gebragt en met groote strengheid bewaakt.

Den volgenden morgen werd de lange reis op de Waikato weder voortgezet.

Van de kleine zijstroompjes van de rivier kwamen andere booten afzakken.

Er waren nu zoo wat zestig krijgslieden bijeen, stellig vlugtelingen van

den laatsten opstand, en die, meer of min gehavend door de engelsche

kogels, de bergstreken weder opzochten. Soms werd er een gezang

aangeheven in de vaartuigen, die in een regte lijn elkander volgden. Een

inlander zette het volkslied van den geheimzinnigen "Pihe" in:

Papa ra ti wati tidi

I dounga nei....

den strijdzang, die de Maori's tot den onafhankelijkheidsoorlog

aanvuurt. De volle en welluidende stem des zangers werd door de echo's

van het gebergte nagebaauwd, en na ieder couplet herhaalden de

inboorlingen in koor het oorlogzuchtig refrein, waarbij zij op hun borst

sloegen, die als een trom klonk. Dan werden de riemen weer met nieuwe

krachten aangevat, de vaartuigen roeiden tegen den stroom op en vlogen

over den waterspiegel.

De vaart op de rivier werd dien dag gekenmerkt door een zonderling

verschijnsel. Tegen vier ure stoof het vaartuig zonder aarzelen, zonder

zijn loop te vertragen, door de vaste hand van het opperhoofd bestuurd,

door een eng dal. Woedend brak de branding op de talrijke eilandjes, die

ligt aanleiding tot ongelukken geven. Zoo ooit op dien buitengewonen

togt op de Waikato, moest men thans zorgen niet om te slaan, want haar

oevers leverden volstrekt geen toevlugtsoord op. Wie den voet op het

kokende slijk der oevers gezet had, zou onfeilbaar verloren zijn

geweest.

De stroom toch vloeide nu tusschen die warme bronnen door, welke ten

allen tijde de nieuwsgierigheid der reizigers hebben gaande gemaakt. Het

ijzeroxyde kleurde het slijk der oevers helderrood, waarop de voet geen

vaam stevigen grond zou kunnen vinden. De dampkring was verzadigd met

een zeer doordringende zwavellucht. De inboorlingen hadden er geen

hinder van; maar de gevangenen werden ernstig ongesteld door de

pestdampen, die uit de spleten van den grond opstegen, en door de

blaasjes, welke de spankracht der daarin bevatte gassen deed bersten.

Maar gewende de reuk zich moeijelijk aan die uitwasemingen, het oog kon

niet nalaten dat ontzagwekkend schouwspel te bewonderen.

De vaartuigen waagden zich in een digte wolk van witte dampen. Haar

oogverblindende kronkelingen stegen koepelsgewijs boven den stroom. Op

zijn oevers bragten een honderdtal heete bronnen, waarvan sommigen

massa's dampen opwierpen en anderen waterzuilen uitspoten, een even

afwisselende vertooning teweeg, als de waterstralen en watervallen van

een bekken, die de hand der menschen te voorschijn roept. Men zou gezegd

hebben, dat een machinist naar welgevallen de afwisselende

verschijnselen dier bronnen bestuurde. Het water en de dampen vermengden

zich in de lucht en vertoonden door de zon beschenen al de kleuren van

den regenboog.

Te dezer plaatse liep de Waikato over een bewegelijke bedding, die door

de werking van het onderaardsche vuur onophoudelijk kookt. Niet ver van

daar, naar den kant van het meer Rotorua in het oosten loeiden de warme

bronnen en de rookende watervallen van den Rotomohana en den Tetarata,

in wier nabijheid sommige stoute reizigers zich gewaagd hebben. Deze

geheele streek is doorboord van heete springbronnen, kraters en

zwavelgroeven. Daar ontsnapt het overtollige gas, dat geen uitweg heeft

kunnen vinden door de ontoereikende veiligheidskleppen van den Tongariro

en den Wakari, de twee eenige werkzame vuurspuwende bergen van

Nieuw-Zeeland.

Twee mijlen ver voeren de booten der inboorlingen onder dat gewelf van

dampen door, besloten in de warme wolkjes, die over den waterspiegel

heendreven; vervolgens trok de zwaveldamp op, en de benaauwde borst

ademde weer een zuivere lucht in, een gevolg van de snelheid van den

stroom. Men was de streek der bronnen voorbij.

Voor het einde van den dag voerden de krachtige riemslagen der wilden

hen weer over de twee stroomversnellingen van Hipapatua en Tamates. 's

Avonds legde Kai-Koemoe op honderd mijlen van de zamenvloeijing van de

Waipa en Waikato aan. De stroom, die zich naar het oosten had gewend,

rigtte zich nu weer zuidwaarts naar het meer Taupo, gelijk een

ontzaggelijke waterstraal, die in een bekken valt.

Toen Jacques Paganel den volgenden morgen de kaart raadpleegde, herkende

hij op den regteroever den berg Taubara, die tot een hoogte van drie

duizend voet oprijst.

Ten twaalf ure voer de geheele vloot door een zijtak van den stroom het

meer Taupo binnen, en begroetten de inlanders met luidruchtige gebaren

een stuk doek, dat in den wind wapperde op het dak eener hut. Het was de

vaderlandsche vlag.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 16 / 29 题