Dertig mijlen noordelijker.
Den 7den Februarij, 's morgens ten zes ure, gaf Glenarvan het sein om te
vertrekken. De regen had dien nacht opgehouden. Graauwe wolkjes, die ter
hoogte van drie mijlen boven den grond zweefden, hielden de zonnestralen
tegen. De matige warmte liet toe, dat men de vermoeijenissen van de reis
overdag trotseerde.
Paganel had op de kaart een afstand van tachtig mijlen tusschen hoek
Cahua en Auckland gemeten; dat was tegen tien mijlen per dag een reis
van acht dagen. Maar in plaats van de bogtige zeekust te volgen, achtte
hij het beter om op een afstand van dertig mijlen de samenvloeijing der
Waikato en Waipa, bij het dorp Ngarnavahia te bereiken. Daar gaat de
postweg over, of beter gezegd een voor rijtuigen bruikbaar pad, dat een
groot gedeelte van het eiland Napier van de Hawkes-baai tot Auckland
doorsnijdt. Dan zou het gemakkelijk zijn Drury te bereiken en er in een
uitmuntend logement uit te rusten, dat de natuurkundige Hochstetter
aanbeveelt.
De reizigers belastten zich elk met een gedeelte der mondbehoeften en
volgden den oever der baai van Aotea. Uit voorzigtigheid verwijderden
zij zich niet van elkander en hadden zij hun karabijnen geladen, terwijl
zij uit instinct de golvende vlakten in het oosten gadesloegen. Met zijn
uitstekende kaart in de hand vond Paganel er het genoegen van een
kunstenaar in om de naauwkeurigheid van de geringste daarop
aangeteekende bijzonderheden te onderzoeken.
Een gedeelte van den dag betrad het kleine gezelschap een zandgrond,
bestaande uit overblijfselen van tweekleppige schelpen en graten van den
inktvisch, sterk vermengd met over-oxyde en eerste ijzer-oxyde. Een
magneet, dien men digt bij den grond hield, zou terstond met
schitterende kristallen bedekt zijn geworden.
Op den oever, dien het wassende water allengs bespoelde, dartelden
eenige zeedieren, die volstrekt geen haast maakten om te vlugten. De
robben met hun ronde koppen, hun breed en gebogen voorhoofd, hun
sprekende oogen, hadden een zacht, zelfs een innemend voorkomen. Men kon
het ligt begrijpen, dat de fabel, die zonderlinge waterbewoners op hare
wijze in een dichterlijk waas hullende, er betooverende sirenen van
gemaakt had, hoewel hun stem niets anders is dan een onwelluidend
geknor. Op de kusten van Nieuw-Zeeland zijn die talrijke dieren het
voorwerp van een levendigen handel. Zij worden gevangen om hun traan en
hun vel.
Onder hen merkte men drie of vier zee-olifanten op, blaauwachtig grijs
en vijf en twintig tot dertig voet lang. Die ontzaggelijke vierpootige
zoogdieren lagen lui op dikke bedden reusachtig zeegras, staken hun
snuit in de hoogte en schudden grijnzend de grove haren van hun lange en
ineengedraaide knevels, echte kurketrekkers, die gekruld waren als de
baard van een saletjonker. Robert keek met genoegen naar dat
belangwekkend schouwspel, toen hij op eens zeer verbaasd uitriep:
"Kijk eens! die robben eten keisteenen!"
En waarlijk slikten verscheidene van deze dieren met gulzigheid de
steenen in die op het strand lagen.
"Drommels! het feit is waar!" antwoordde Paganel. "Men kan niet
ontkennen, dat deze dieren hun maag met strandkeitjes vullen."
"Een vreemd voedsel," zeide Robert, "dat moeijelijk te verteren zal
zijn!"
"Die zeedieren slikken geen steenen in om zich te voeden, mijn jongen!
maar om zich te ballasten. Het is een middel om hun soortelijk gewigt te
vermeerderen en gemakkelijker te zinken. Zoodra zij weer aan land zijn,
zullen ze die steenen wel zonder verteren omslag overgeven. Gij zult
zien, dat dezen te water gaan."
Zoo was het ook. Een half dozijn robben, die voldoenden ballast hadden
ingenomen, kropen weldra met veel moeite langs het strand en verdwenen
in hun vochtig element. Maar Glenarvan kon geen kostbaren tijd
verspillen met op hun terugkomst te wachten, teneinde gade te slaan hoe
zij hun ballast weer opruimden en tot groote spijt van Paganel werd de
afgebroken marsch weder hervat.
Ten tien ure hield men stil om te ontbijten aan den voet van groote
basalt-rotsen, die als celtische dolmens aan den zeekant lagen. Een
oesterbank leverde een groot aantal van die weekdieren op. Die oesters
waren klein en niet lekker. Maar op raad van Paganel braadde Olbinett ze
op gloeijende kolen en zoo toebereid werden ze bij dozijnen gedurende
dien maaltijd gebruikt.
Toen de rusttijd om was, zette men den togt langs den oever der baai
voort. Op de getande rotsen, op de kruin dier klippen, waren een menigte
zeevogels gevlugt, fregatvogels, domme zeezwaluwen, zeemeeuwen, en
groote albatrossen, die onbewegelijk op den top der scherpe pieken
zaten. 's Namiddags ten vier ure had men tien mijlen afgelegd zonder
hinderpalen ontmoet te hebben of vermoeid te zijn. De dames verzochten
de reis tot den avond toe voort te zetten. Nu moest de rigting van den
weg veranderd worden; om den voet van eenige bergen heen, die zich in
het noorden vertoonden, moest men het dal van de Waipa in.
In de verte vertoonde de bodem onafzienbare grasvlakten, waarop men
makkelijk zou voortkunnen. Maar toen de reizigers aan den rand dier
groene velden kwamen, waren zij bitter teleurgesteld. Het gras werd
vervangen door een kreupelbosch van heesters met kleine witte bloemen,
vermengd met die hooge en tallooze varens, die zoo menigvuldig voorkomen
op de gronden van Nieuw-Zeeland. Men moest zich door die houtachtige
stengels een weg banen, hetgeen zeer moeijelijk ging. Echter was men 's
avonds ten acht ure om de eerste ruggen der Hakarihoata-Ranges
heengekomen, en nu sloeg men terstond de legerplaats op.
Na een togt van veertien mijlen hadden zij waarlijk aanspraak op rust.
Daar zij geen wagen noch tent hadden, zocht ieder aan den voet van
prachtige norfolksche dennen een goede ligplaats. Aan dekens was geen
gebrek, zij werden als bedden uitgespreid.
Glenarvan nam duchtige voorzorgmaatregelen voor den nacht. Twee aan twee
zouden hij en zijn reisgenooten tot zonsopgang behoorlijk gewapend de
wacht houden. Vuur werd niet aangelegd. Die brandende slagboomen zijn
goed tegen wilde beesten; maar Nieuw-Zeeland heeft tijgers, leeuwen,
beeren noch andere verscheurende dieren: trouwens de Nieuw-Zeelanders
vervangen genoegzaam hun plaats. En een vuur zou alleen gediend hebben
om die tweevoetige tijgerkatten te lokken.
Kortom, de nacht was goed, op eenige zandvliegen na, in de landtaal
"ngamu" genoemd, wier steek zeer lastig is, en een vermetele
rattensoort, die wakker knaagde aan de zakken met mondvoorraad.
Toen Paganel den volgenden dag, den 8sten Februarij, ontwaakte, was hij
vol moed en bijna met het land verzoend. De Maori's, die hij vooral
duchtte, waren niet opgedaagd, en die wreede menscheneters bedreigden
hem niet eens in zijn droomen. Hij deelde zijn blijdschap daarover aan
Glenarvan mede.
"Ik denk dus," zeide hij, "dat deze kleine wandeling goed zal afloopen.
Dezen avond zullen wij de samenvloeijing der Waipa en Waikato bereikt
hebben, en zijn wij daar voorbij, dan behoeven wij niet bang te zijn
voor een ontmoeting met de inboorlingen op den weg naar Auckland."
"Hoe ver moeten wij gaan," vroeg Glenarvan, "om de samenvloeijing der
Waipa en Waikato te bereiken?"
"Vijftien mijlen, zoo wat even ver, als wij gisteren gegaan zijn."
"Maar het zal ons heel wat oponthoud veroorzaken, als dat eindelooze
kreupelhout de paden blijft versperren."
"Neen," antwoordde Paganel, "wij zullen de Waipa langs gaan, en daar
geen hinderpalen meer vinden, maar integendeel een gemakkelijken weg."
"Vooruit dan!" beval Glenarvan, die zag dat de dames gereed waren om te
vertrekken.
Gedurende de eerste uren van dien dag maakte het digte kreupelbosch het
gaan nog zeer lastig. Wagen noch paarden hadden er kunnen doordringen;
zij beklaagden zich daarom niet sterk over het gemis van hun australisch
voertuig. Zoo lang geen voor wagens berijdbare wegen door die bosschen
van planten zijn gebaand, zal Nieuw-Zeeland alleen door voetgangers
bereisd kunnen worden. De varens, wier soorten hier ontelbaar zijn,
werken even onverzettelijk als de Maori's mede tot verdediging van den
vaderlandschen bodem.
Het kleine gezelschap ondervond dus duizend bezwaren bij het overtrekken
der vlakten, waar de heuvels van Hakarihoata zich verheffen. Maar voor
twaalf ure bereikte het de oevers der Waipa en rigtte het zich zonder
moeite noordwaarts langs de steile oevers der rivier.
Het was een liefelijk dal, doorsneden met frissche en heldere
stroompjes, die zich vrolijk tusschen de struiken kronkelden. Volgens
den kruidkundige Hooker heeft Nieuw-Zeeland tot nog toe twee duizend
plantensoorten opgeleverd, waarvan er vijf honderd daar alleen te huis
behooren. Bloemen vindt men er weinig, en er is bijna geen
verscheidenheid in haar kleuren. Er is bijna volslagen gebrek aan
eenjarige planten, maar een overvloed van varenkruiden, grassoorten en
schermbloemen.
Buiten de eerste donkergroene plekken verhieven zich hier en daar eenige
groote boomen, ijzermirten met scharlakenroode bloemen, norfolksche
denneboomen, levensboomen met loodregt opgaande takken, en een
cypresseboom, de "rimu," niet minder treurig dan zijn europeesche
broederen; al die stammen waren letterlijk begroeid met talrijke
verscheidenheden van varens.
Tusschen de takken der groote boomen en boven de struiken fladderden en
babbelden eenige kakatoes, de groene "kakariki," met een gele streep
onder de keel, de "taupo," pronkende met een mooi paar zwarte knevels,
en een papegaai, zoo groot als een eend, met rood gevederte, dat vooral
onder de vleugels zeer schitterde en dien de natuurkundigen den "Nestor
van het zuiden" hebben bijgenaamd.
Zonder zich van hun makkers te verwijderen konden de majoor en Robert
eenige watersnippen en patrijzen schieten, die onder het lage
struikgewas der vlakten nestelden. Om tijd te winnen plukte Olbinett ze
onderweg.
Paganel, die minder ophad met de voedende eigenschappen van het wild,
had liever een vogel meester willen worden, die uitsluitend op
Nieuw-Zeeland te huis behoort. De weetgierigheid van den natuurkundige
bragt in hem den eetlust van den reiziger tot zwijgen. Bedroog zijn
geheugen hem niet, dan bragt het hem de vreemde manieren van den "twi"
der inlanders te binnen, die nu eens om zijn onophoudelijk hoongelach
"spotvogel" genoemd wordt en dan weer "pastoor," omdat hij op zijn
gevederte, dat zoo zwart is als een priesterrok, een witten kraag
draagt.
"Die twi," zeide Paganel tot den majoor, "wordt 's winters zoo vet, dat
hij er ziek van is. Hij kan niet meer vliegen. Dan rijt hij zich met
zijn snavel de borst open, om zich van zijn vet te ontlasten en zich
ligter te maken. Vindt gij dat niet vreemd, Mac Nabbs?"
"Zoo vreemd," antwoordde de majoor, "dat ik er geen woord van geloof!"
Tot zijn groote spijt kon Paganel geen enkelen van die vogels in handen
krijgen om aan den ongeloovigen majoor de bloedige inkervingen in hun
borst te laten zien.
Maar het geluk diende hem beter met een zonderling dier, dat door
menschen, katten en honden vervolgd, naar de onbewoonde streken gevlugt
is en gevaar loopt uit de zeelandsche dierenwereld te verdwijnen. Robert
die als een echte speurhond rondsnuffelde, ontdekte in een nest van
gevlochten wortels een paar ongevleugelde en staartlooze hoenders, met
vier teenen aan de pooten, een langen bek als een snip en witte op haar
gelijkende vederen over het geheele ligchaam. Vreemde dieren, die den
schakel schenen uit te maken tusschen de eijerleggende dieren en de
zoogdieren.
Het was de zeelandsche "kiwi," de "apterix australis" der
natuurkundigen, die zich al naar het valt voedt met maskers, insecten,
wormen of zaden. Deze vogel is aan dit land eigen. Met moeite heeft men
hem kunnen overbrengen in de dierentuinen van Europa. Zijn half
afgewerkte vormen, zijn lachwekkende bewegingen, hebben altijd de
aandacht der reizigers getrokken, en op de groote ontdekkingsreis in
Oceanië van de _Astrolabe_ en de _Zélée_, kreeg Dumont d'Urville
uitdrukkelijk last van de Akademie van Wetenschappen om een van die
zonderlinge vogels mede te brengen. Maar ondanks de belooningen, die hij
aan de inlanders uitloofde, kon hij geen enkelen levenden kiwi krijgen.
Paganel, die regt blijde was met dit buitenkansje, bond zijn twee
hoenders aan elkander en nam ze vol vreugde mede, daar hij voornemens
was ze aan den Plantentuin te Parijs te vereeren "_Geschenk van den heer
Jacques Paganel_," dat verleidelijke opschrift las hij reeds op de
schoonste kooi in die verzameling, die ligtgeloovige aardrijkskundige!
Inmiddels zakte het kleine gezelschap zonder veel vermoeijenis de oevers
der Waipa af. De streek was verlaten, geen spoor van inboorlingen, geen
pad was er te zien, dat de aanwezigheid van den mensch in deze vlakten
verried. Het water der rivier stroomde tusschen hooge struiken door of
kabbelde een eind weegs over den vlakken zandigen oever. Dan had men een
vrijgezigt tot op de bergjes, die het dal in het oosten begrensden. Met
hun vreemde vormen en hun toppen, die in een bedriegelijken nevel waren
gehuld, geleken zij op reusachtige dieren uit de voorwereld. Men zou
wanen, een heele school walvischachtige dieren te zien, die op eens
versteend waren. Die dooreen geworpen massa's droegen den stempel van
een echt vulkanisch karakter. Nieuw-Zeeland is dan ook niets anders dan
een jong voortbrengsel van een plutonische werking. Gestadig rijst het
hooger boven den zeespiegel. Sommige punten zijn in twintig jaar wel een
vaam gestegen. Het vuur blaakt nog in zijn binnenste, schudt het, doet
het trillen, en ontsnapt op menige plaats door den mond der heete
bronnen en den krater der vuurspuwende bergen.
's Namiddags ten vier ure had men in opgeruimde stemming negen mijlen
afgelegd. Volgens de kaart, die Paganel onophoudelijk raadpleegde, lag
de zamenvloeijing der Waipa en Waikato nog bijna vijf mijlen verder.
Daar liep de weg naar Auckland; daar zou men dien nacht verblijven. Wat
de vijftig mijlen aangaat, die hen van de hoofdstad scheidden, die kon
men in twee of drie dagen afleggen, en in hoogstens acht uren, wanneer
Glenarvan den postwagen aantrof, die tweemaal in de maand van Auckland
naar de Hawkes-baai vice versa rijdt.
"Dus zullen wij nog dezen nacht in de open lucht moeten slapen?" vroeg
Glenarvan.
"Ja," antwoordde Paganel; "maar voor het laatst, hoop ik."
"Des te beter; want het wil wat zeggen voor lady Helena en Mary Grant."
"En zij verdragen het geduldig," voegde John Mangles er bij. "Maar,
vergis ik mij niet, mijnheer Paganel! dan hadt gij van een dorp aan de
zamenvloeijing der beide rivieren gesproken."
"Ja," antwoordde de aardrijkskundige, "hier staat het op de kaart van
Johnston. Het is Ngarnavahia, omtrent twee mijlen beneden de
zamenvloeijing."
"Welnu! zouden wij daar van nacht niet kunnen slapen? Lady Helena en
miss Grant zouden gaarne nog een paar mijlen loopen om een redelijk
logement te vinden."
"Een logement!" riep Paganel, "een logement in een maoridorp! niet eens
een herberg of een kroeg! Dat dorp is niets anders dan een verzameling
van hutten van inlanders, en wel verre van er een schuilplaats te
zoeken, raad ik aan het voorzigtig te vermijden."
"Wat zijt gij altijd bang, Paganel!" zeide Glenarvan.
"Waarde lord! wantrouwen kan minder kwaad dan vertrouwen bij die
Maori's. Ik weet niet, op welken voet zij met de Engelschen staan, of de
opstand gedempt is of zegepraalt, of wij niet midden in den oorlog
komen. En wij mogen zonder aanmatiging zeggen, dat lieden van onzen rang
goede gevangenen zouden zijn, en ik ben er volstrekt niet op gesteld om
tegen wil en dank kennis te maken met de zeelandsche gastvrijheid.
Daarom oordeel ik het best, dat wij dat dorp Ngarnavahia vermijden, het
omreizen, alle ontmoeting met de inlanders ontwijken. Zijn wij eens te
Drury, dan verandert de zaak, en dan kunnen onze wakkere medereizigsters
op haar gemak uitrusten van de vermoeienissen der reis."
Het gevoelen van Paganel behield de overhand. Lady Helena wilde liever
nog een nacht in de open lucht doorbrengen dan haar medgezellen in
gevaar brengen. Mary Grant vroeg evenmin als zij om stil te houden, en
dus zetten zij den togt langs den rivieroever voort.
Twee uren later daalde de eerste avondschemering van de bergen. Voor de
zon in het westen onder de kimmen zonk, had zij gebruik gemaakt van een
onverwachte opening in de wolkengordijn om nog eenige late stralen te
schieten. De laatste zonneschijn gaf aan de verwijderde toppen in het
oosten een purperglans. Het was als het ware een laatste groet aan de
reizigers.
Glenarvan en de zijnen verhaastten hun tred. Zij wisten, hoe kort de
avondschemering, op deze reeds vrij hooge breedte duurde, en hoe spoedig
de duisternis inviel. Zij dienden de zamenvloeijing der twee rivieren te
bereiken, voor het geheel donker werd. Maar er steeg een zware mist uit
den grond op en deze maakte het zeer moeijelijk om den weg te
onderscheiden.
Gelukkig verving het oor het door de duisternis nuttelooze oog. Weldra
verkondigde een duidelijker gemurmel des waters de vereeniging der twee
rivieren in hetzelfde bed. Ten acht ure bereikte het kleine gezelschap
het punt, waar de Waipa zich met eenig gedruisch in de Waikato stort.
"Daar is de Waikato!" riep Paganel, "en de weg naar Auckland loopt langs
den regteroever."
"Morgen zullen wij hem zien," antwoordde de majoor. "Wij blijven hier.
Mij dunkt, dat die donkerder schaduwen afkomstig zijn van een klein
boschje, dat daar met opzet gegroeid is om ons te beschutten. Laten wij
eten en slapen."
"Eten, dat is goed!" zeide Paganel; "maar beschuit en droog vleesch,
andere niet, zonder een vuur aan te leggen. Wij zijn hier onbekend
gekomen; wij moeten ons best doen ook onbekend heen te gaan! Gelukkig
maakt die mist ons onzigtbaar."
Het boschje werd bereikt, en allen hielden zich stipt aan de strenge
voorschriften van den aardrijkskundige. Het koude avondeten werd in alle
stilte genuttigd, en weldra vielen de reizigers, die zeer vermoeid waren
door een marsch van vijftien mijlen, in een diepen slaap.