IX.

Dertig mijlen noordelijker.

Den 7den Februarij, 's morgens ten zes ure, gaf Glenarvan het sein om te

vertrekken. De regen had dien nacht opgehouden. Graauwe wolkjes, die ter

hoogte van drie mijlen boven den grond zweefden, hielden de zonnestralen

tegen. De matige warmte liet toe, dat men de vermoeijenissen van de reis

overdag trotseerde.

Paganel had op de kaart een afstand van tachtig mijlen tusschen hoek

Cahua en Auckland gemeten; dat was tegen tien mijlen per dag een reis

van acht dagen. Maar in plaats van de bogtige zeekust te volgen, achtte

hij het beter om op een afstand van dertig mijlen de samenvloeijing der

Waikato en Waipa, bij het dorp Ngarnavahia te bereiken. Daar gaat de

postweg over, of beter gezegd een voor rijtuigen bruikbaar pad, dat een

groot gedeelte van het eiland Napier van de Hawkes-baai tot Auckland

doorsnijdt. Dan zou het gemakkelijk zijn Drury te bereiken en er in een

uitmuntend logement uit te rusten, dat de natuurkundige Hochstetter

aanbeveelt.

De reizigers belastten zich elk met een gedeelte der mondbehoeften en

volgden den oever der baai van Aotea. Uit voorzigtigheid verwijderden

zij zich niet van elkander en hadden zij hun karabijnen geladen, terwijl

zij uit instinct de golvende vlakten in het oosten gadesloegen. Met zijn

uitstekende kaart in de hand vond Paganel er het genoegen van een

kunstenaar in om de naauwkeurigheid van de geringste daarop

aangeteekende bijzonderheden te onderzoeken.

Een gedeelte van den dag betrad het kleine gezelschap een zandgrond,

bestaande uit overblijfselen van tweekleppige schelpen en graten van den

inktvisch, sterk vermengd met over-oxyde en eerste ijzer-oxyde. Een

magneet, dien men digt bij den grond hield, zou terstond met

schitterende kristallen bedekt zijn geworden.

Op den oever, dien het wassende water allengs bespoelde, dartelden

eenige zeedieren, die volstrekt geen haast maakten om te vlugten. De

robben met hun ronde koppen, hun breed en gebogen voorhoofd, hun

sprekende oogen, hadden een zacht, zelfs een innemend voorkomen. Men kon

het ligt begrijpen, dat de fabel, die zonderlinge waterbewoners op hare

wijze in een dichterlijk waas hullende, er betooverende sirenen van

gemaakt had, hoewel hun stem niets anders is dan een onwelluidend

geknor. Op de kusten van Nieuw-Zeeland zijn die talrijke dieren het

voorwerp van een levendigen handel. Zij worden gevangen om hun traan en

hun vel.

Onder hen merkte men drie of vier zee-olifanten op, blaauwachtig grijs

en vijf en twintig tot dertig voet lang. Die ontzaggelijke vierpootige

zoogdieren lagen lui op dikke bedden reusachtig zeegras, staken hun

snuit in de hoogte en schudden grijnzend de grove haren van hun lange en

ineengedraaide knevels, echte kurketrekkers, die gekruld waren als de

baard van een saletjonker. Robert keek met genoegen naar dat

belangwekkend schouwspel, toen hij op eens zeer verbaasd uitriep:

"Kijk eens! die robben eten keisteenen!"

En waarlijk slikten verscheidene van deze dieren met gulzigheid de

steenen in die op het strand lagen.

"Drommels! het feit is waar!" antwoordde Paganel. "Men kan niet

ontkennen, dat deze dieren hun maag met strandkeitjes vullen."

"Een vreemd voedsel," zeide Robert, "dat moeijelijk te verteren zal

zijn!"

"Die zeedieren slikken geen steenen in om zich te voeden, mijn jongen!

maar om zich te ballasten. Het is een middel om hun soortelijk gewigt te

vermeerderen en gemakkelijker te zinken. Zoodra zij weer aan land zijn,

zullen ze die steenen wel zonder verteren omslag overgeven. Gij zult

zien, dat dezen te water gaan."

Zoo was het ook. Een half dozijn robben, die voldoenden ballast hadden

ingenomen, kropen weldra met veel moeite langs het strand en verdwenen

in hun vochtig element. Maar Glenarvan kon geen kostbaren tijd

verspillen met op hun terugkomst te wachten, teneinde gade te slaan hoe

zij hun ballast weer opruimden en tot groote spijt van Paganel werd de

afgebroken marsch weder hervat.

Ten tien ure hield men stil om te ontbijten aan den voet van groote

basalt-rotsen, die als celtische dolmens aan den zeekant lagen. Een

oesterbank leverde een groot aantal van die weekdieren op. Die oesters

waren klein en niet lekker. Maar op raad van Paganel braadde Olbinett ze

op gloeijende kolen en zoo toebereid werden ze bij dozijnen gedurende

dien maaltijd gebruikt.

Toen de rusttijd om was, zette men den togt langs den oever der baai

voort. Op de getande rotsen, op de kruin dier klippen, waren een menigte

zeevogels gevlugt, fregatvogels, domme zeezwaluwen, zeemeeuwen, en

groote albatrossen, die onbewegelijk op den top der scherpe pieken

zaten. 's Namiddags ten vier ure had men tien mijlen afgelegd zonder

hinderpalen ontmoet te hebben of vermoeid te zijn. De dames verzochten

de reis tot den avond toe voort te zetten. Nu moest de rigting van den

weg veranderd worden; om den voet van eenige bergen heen, die zich in

het noorden vertoonden, moest men het dal van de Waipa in.

In de verte vertoonde de bodem onafzienbare grasvlakten, waarop men

makkelijk zou voortkunnen. Maar toen de reizigers aan den rand dier

groene velden kwamen, waren zij bitter teleurgesteld. Het gras werd

vervangen door een kreupelbosch van heesters met kleine witte bloemen,

vermengd met die hooge en tallooze varens, die zoo menigvuldig voorkomen

op de gronden van Nieuw-Zeeland. Men moest zich door die houtachtige

stengels een weg banen, hetgeen zeer moeijelijk ging. Echter was men 's

avonds ten acht ure om de eerste ruggen der Hakarihoata-Ranges

heengekomen, en nu sloeg men terstond de legerplaats op.

Na een togt van veertien mijlen hadden zij waarlijk aanspraak op rust.

Daar zij geen wagen noch tent hadden, zocht ieder aan den voet van

prachtige norfolksche dennen een goede ligplaats. Aan dekens was geen

gebrek, zij werden als bedden uitgespreid.

Glenarvan nam duchtige voorzorgmaatregelen voor den nacht. Twee aan twee

zouden hij en zijn reisgenooten tot zonsopgang behoorlijk gewapend de

wacht houden. Vuur werd niet aangelegd. Die brandende slagboomen zijn

goed tegen wilde beesten; maar Nieuw-Zeeland heeft tijgers, leeuwen,

beeren noch andere verscheurende dieren: trouwens de Nieuw-Zeelanders

vervangen genoegzaam hun plaats. En een vuur zou alleen gediend hebben

om die tweevoetige tijgerkatten te lokken.

Kortom, de nacht was goed, op eenige zandvliegen na, in de landtaal

"ngamu" genoemd, wier steek zeer lastig is, en een vermetele

rattensoort, die wakker knaagde aan de zakken met mondvoorraad.

Toen Paganel den volgenden dag, den 8sten Februarij, ontwaakte, was hij

vol moed en bijna met het land verzoend. De Maori's, die hij vooral

duchtte, waren niet opgedaagd, en die wreede menscheneters bedreigden

hem niet eens in zijn droomen. Hij deelde zijn blijdschap daarover aan

Glenarvan mede.

"Ik denk dus," zeide hij, "dat deze kleine wandeling goed zal afloopen.

Dezen avond zullen wij de samenvloeijing der Waipa en Waikato bereikt

hebben, en zijn wij daar voorbij, dan behoeven wij niet bang te zijn

voor een ontmoeting met de inboorlingen op den weg naar Auckland."

"Hoe ver moeten wij gaan," vroeg Glenarvan, "om de samenvloeijing der

Waipa en Waikato te bereiken?"

"Vijftien mijlen, zoo wat even ver, als wij gisteren gegaan zijn."

"Maar het zal ons heel wat oponthoud veroorzaken, als dat eindelooze

kreupelhout de paden blijft versperren."

"Neen," antwoordde Paganel, "wij zullen de Waipa langs gaan, en daar

geen hinderpalen meer vinden, maar integendeel een gemakkelijken weg."

"Vooruit dan!" beval Glenarvan, die zag dat de dames gereed waren om te

vertrekken.

Gedurende de eerste uren van dien dag maakte het digte kreupelbosch het

gaan nog zeer lastig. Wagen noch paarden hadden er kunnen doordringen;

zij beklaagden zich daarom niet sterk over het gemis van hun australisch

voertuig. Zoo lang geen voor wagens berijdbare wegen door die bosschen

van planten zijn gebaand, zal Nieuw-Zeeland alleen door voetgangers

bereisd kunnen worden. De varens, wier soorten hier ontelbaar zijn,

werken even onverzettelijk als de Maori's mede tot verdediging van den

vaderlandschen bodem.

Het kleine gezelschap ondervond dus duizend bezwaren bij het overtrekken

der vlakten, waar de heuvels van Hakarihoata zich verheffen. Maar voor

twaalf ure bereikte het de oevers der Waipa en rigtte het zich zonder

moeite noordwaarts langs de steile oevers der rivier.

Het was een liefelijk dal, doorsneden met frissche en heldere

stroompjes, die zich vrolijk tusschen de struiken kronkelden. Volgens

den kruidkundige Hooker heeft Nieuw-Zeeland tot nog toe twee duizend

plantensoorten opgeleverd, waarvan er vijf honderd daar alleen te huis

behooren. Bloemen vindt men er weinig, en er is bijna geen

verscheidenheid in haar kleuren. Er is bijna volslagen gebrek aan

eenjarige planten, maar een overvloed van varenkruiden, grassoorten en

schermbloemen.

Buiten de eerste donkergroene plekken verhieven zich hier en daar eenige

groote boomen, ijzermirten met scharlakenroode bloemen, norfolksche

denneboomen, levensboomen met loodregt opgaande takken, en een

cypresseboom, de "rimu," niet minder treurig dan zijn europeesche

broederen; al die stammen waren letterlijk begroeid met talrijke

verscheidenheden van varens.

Tusschen de takken der groote boomen en boven de struiken fladderden en

babbelden eenige kakatoes, de groene "kakariki," met een gele streep

onder de keel, de "taupo," pronkende met een mooi paar zwarte knevels,

en een papegaai, zoo groot als een eend, met rood gevederte, dat vooral

onder de vleugels zeer schitterde en dien de natuurkundigen den "Nestor

van het zuiden" hebben bijgenaamd.

Zonder zich van hun makkers te verwijderen konden de majoor en Robert

eenige watersnippen en patrijzen schieten, die onder het lage

struikgewas der vlakten nestelden. Om tijd te winnen plukte Olbinett ze

onderweg.

Paganel, die minder ophad met de voedende eigenschappen van het wild,

had liever een vogel meester willen worden, die uitsluitend op

Nieuw-Zeeland te huis behoort. De weetgierigheid van den natuurkundige

bragt in hem den eetlust van den reiziger tot zwijgen. Bedroog zijn

geheugen hem niet, dan bragt het hem de vreemde manieren van den "twi"

der inlanders te binnen, die nu eens om zijn onophoudelijk hoongelach

"spotvogel" genoemd wordt en dan weer "pastoor," omdat hij op zijn

gevederte, dat zoo zwart is als een priesterrok, een witten kraag

draagt.

"Die twi," zeide Paganel tot den majoor, "wordt 's winters zoo vet, dat

hij er ziek van is. Hij kan niet meer vliegen. Dan rijt hij zich met

zijn snavel de borst open, om zich van zijn vet te ontlasten en zich

ligter te maken. Vindt gij dat niet vreemd, Mac Nabbs?"

"Zoo vreemd," antwoordde de majoor, "dat ik er geen woord van geloof!"

Tot zijn groote spijt kon Paganel geen enkelen van die vogels in handen

krijgen om aan den ongeloovigen majoor de bloedige inkervingen in hun

borst te laten zien.

Maar het geluk diende hem beter met een zonderling dier, dat door

menschen, katten en honden vervolgd, naar de onbewoonde streken gevlugt

is en gevaar loopt uit de zeelandsche dierenwereld te verdwijnen. Robert

die als een echte speurhond rondsnuffelde, ontdekte in een nest van

gevlochten wortels een paar ongevleugelde en staartlooze hoenders, met

vier teenen aan de pooten, een langen bek als een snip en witte op haar

gelijkende vederen over het geheele ligchaam. Vreemde dieren, die den

schakel schenen uit te maken tusschen de eijerleggende dieren en de

zoogdieren.

Het was de zeelandsche "kiwi," de "apterix australis" der

natuurkundigen, die zich al naar het valt voedt met maskers, insecten,

wormen of zaden. Deze vogel is aan dit land eigen. Met moeite heeft men

hem kunnen overbrengen in de dierentuinen van Europa. Zijn half

afgewerkte vormen, zijn lachwekkende bewegingen, hebben altijd de

aandacht der reizigers getrokken, en op de groote ontdekkingsreis in

Oceanië van de _Astrolabe_ en de _Zélée_, kreeg Dumont d'Urville

uitdrukkelijk last van de Akademie van Wetenschappen om een van die

zonderlinge vogels mede te brengen. Maar ondanks de belooningen, die hij

aan de inlanders uitloofde, kon hij geen enkelen levenden kiwi krijgen.

Paganel, die regt blijde was met dit buitenkansje, bond zijn twee

hoenders aan elkander en nam ze vol vreugde mede, daar hij voornemens

was ze aan den Plantentuin te Parijs te vereeren "_Geschenk van den heer

Jacques Paganel_," dat verleidelijke opschrift las hij reeds op de

schoonste kooi in die verzameling, die ligtgeloovige aardrijkskundige!

Inmiddels zakte het kleine gezelschap zonder veel vermoeijenis de oevers

der Waipa af. De streek was verlaten, geen spoor van inboorlingen, geen

pad was er te zien, dat de aanwezigheid van den mensch in deze vlakten

verried. Het water der rivier stroomde tusschen hooge struiken door of

kabbelde een eind weegs over den vlakken zandigen oever. Dan had men een

vrijgezigt tot op de bergjes, die het dal in het oosten begrensden. Met

hun vreemde vormen en hun toppen, die in een bedriegelijken nevel waren

gehuld, geleken zij op reusachtige dieren uit de voorwereld. Men zou

wanen, een heele school walvischachtige dieren te zien, die op eens

versteend waren. Die dooreen geworpen massa's droegen den stempel van

een echt vulkanisch karakter. Nieuw-Zeeland is dan ook niets anders dan

een jong voortbrengsel van een plutonische werking. Gestadig rijst het

hooger boven den zeespiegel. Sommige punten zijn in twintig jaar wel een

vaam gestegen. Het vuur blaakt nog in zijn binnenste, schudt het, doet

het trillen, en ontsnapt op menige plaats door den mond der heete

bronnen en den krater der vuurspuwende bergen.

's Namiddags ten vier ure had men in opgeruimde stemming negen mijlen

afgelegd. Volgens de kaart, die Paganel onophoudelijk raadpleegde, lag

de zamenvloeijing der Waipa en Waikato nog bijna vijf mijlen verder.

Daar liep de weg naar Auckland; daar zou men dien nacht verblijven. Wat

de vijftig mijlen aangaat, die hen van de hoofdstad scheidden, die kon

men in twee of drie dagen afleggen, en in hoogstens acht uren, wanneer

Glenarvan den postwagen aantrof, die tweemaal in de maand van Auckland

naar de Hawkes-baai vice versa rijdt.

"Dus zullen wij nog dezen nacht in de open lucht moeten slapen?" vroeg

Glenarvan.

"Ja," antwoordde Paganel; "maar voor het laatst, hoop ik."

"Des te beter; want het wil wat zeggen voor lady Helena en Mary Grant."

"En zij verdragen het geduldig," voegde John Mangles er bij. "Maar,

vergis ik mij niet, mijnheer Paganel! dan hadt gij van een dorp aan de

zamenvloeijing der beide rivieren gesproken."

"Ja," antwoordde de aardrijkskundige, "hier staat het op de kaart van

Johnston. Het is Ngarnavahia, omtrent twee mijlen beneden de

zamenvloeijing."

"Welnu! zouden wij daar van nacht niet kunnen slapen? Lady Helena en

miss Grant zouden gaarne nog een paar mijlen loopen om een redelijk

logement te vinden."

"Een logement!" riep Paganel, "een logement in een maoridorp! niet eens

een herberg of een kroeg! Dat dorp is niets anders dan een verzameling

van hutten van inlanders, en wel verre van er een schuilplaats te

zoeken, raad ik aan het voorzigtig te vermijden."

"Wat zijt gij altijd bang, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Waarde lord! wantrouwen kan minder kwaad dan vertrouwen bij die

Maori's. Ik weet niet, op welken voet zij met de Engelschen staan, of de

opstand gedempt is of zegepraalt, of wij niet midden in den oorlog

komen. En wij mogen zonder aanmatiging zeggen, dat lieden van onzen rang

goede gevangenen zouden zijn, en ik ben er volstrekt niet op gesteld om

tegen wil en dank kennis te maken met de zeelandsche gastvrijheid.

Daarom oordeel ik het best, dat wij dat dorp Ngarnavahia vermijden, het

omreizen, alle ontmoeting met de inlanders ontwijken. Zijn wij eens te

Drury, dan verandert de zaak, en dan kunnen onze wakkere medereizigsters

op haar gemak uitrusten van de vermoeienissen der reis."

Het gevoelen van Paganel behield de overhand. Lady Helena wilde liever

nog een nacht in de open lucht doorbrengen dan haar medgezellen in

gevaar brengen. Mary Grant vroeg evenmin als zij om stil te houden, en

dus zetten zij den togt langs den rivieroever voort.

Twee uren later daalde de eerste avondschemering van de bergen. Voor de

zon in het westen onder de kimmen zonk, had zij gebruik gemaakt van een

onverwachte opening in de wolkengordijn om nog eenige late stralen te

schieten. De laatste zonneschijn gaf aan de verwijderde toppen in het

oosten een purperglans. Het was als het ware een laatste groet aan de

reizigers.

Glenarvan en de zijnen verhaastten hun tred. Zij wisten, hoe kort de

avondschemering, op deze reeds vrij hooge breedte duurde, en hoe spoedig

de duisternis inviel. Zij dienden de zamenvloeijing der twee rivieren te

bereiken, voor het geheel donker werd. Maar er steeg een zware mist uit

den grond op en deze maakte het zeer moeijelijk om den weg te

onderscheiden.

Gelukkig verving het oor het door de duisternis nuttelooze oog. Weldra

verkondigde een duidelijker gemurmel des waters de vereeniging der twee

rivieren in hetzelfde bed. Ten acht ure bereikte het kleine gezelschap

het punt, waar de Waipa zich met eenig gedruisch in de Waikato stort.

"Daar is de Waikato!" riep Paganel, "en de weg naar Auckland loopt langs

den regteroever."

"Morgen zullen wij hem zien," antwoordde de majoor. "Wij blijven hier.

Mij dunkt, dat die donkerder schaduwen afkomstig zijn van een klein

boschje, dat daar met opzet gegroeid is om ons te beschutten. Laten wij

eten en slapen."

"Eten, dat is goed!" zeide Paganel; "maar beschuit en droog vleesch,

andere niet, zonder een vuur aan te leggen. Wij zijn hier onbekend

gekomen; wij moeten ons best doen ook onbekend heen te gaan! Gelukkig

maakt die mist ons onzigtbaar."

Het boschje werd bereikt, en allen hielden zich stipt aan de strenge

voorschriften van den aardrijkskundige. Het koude avondeten werd in alle

stilte genuttigd, en weldra vielen de reizigers, die zeer vermoeid waren

door een marsch van vijftien mijlen, in een diepen slaap.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 15 / 29 题