Tegenwoordige toestand van dat land.
Glenarvan had terstond langs de kust naar Auckland willen gaan. Maar
dien morgen was de lucht zwaar bewolkt, en tegen tien ure, na de
ontscheping, verdigtten de dampen zich tot een geweldige regenbui.
Derhalve was het onmogelijk om op reis te gaan en dwong de nood hen een
schuilplaats te zoeken.
Wilson ontdekte zeer van pas een grot, die de zee in de basaltrotsen aan
de kust had uitgehold. De reizigers vlugtten er in met hun wapens en
levensmiddelen. Daar lag een groote hoop gedroogd zeegras, dat de golven
er hadden ingespoeld. Men was zeer tevreden met die natuurlijke
legerstede, enige stukken hout werden aan den ingang der grot
opgestapeld en vervolgens aangestoken, en nu trachtten allen zich bij
dat vuur te droogen.
John hoopte, dat de duur van dien stortregen in omgekeerde verhouding
staan zou tot zijn hevigheid. Maar dat was zoo niet. Het eene uur na het
andere verliep, zonder dat er verandering kwam in den toestand der
lucht. Tegen elf ure begon het harder te waaijen en nog erger te
regenen. Die tegenspoed zou den geduldigsten mensch ongeduldig gemaakt
hebben. Maar wat er aan te doen? Het zou dwaasheid geweest zijn om
zonder voertuig zulk een storm te tarten. Ook kon men in weinige dagen
Auckland bereiken, en dus kwam het op een oponthoud van twaalf uren niet
aan, althans wanneer de inboorlingen niet opdaagden.
Gedurende die gedwongen rust liep het gesprek over de voorvallen van den
oorlog, waarvan Nieuw-Zeeland toen het tooneel was. Maar om het gewigt
der omstandigheden goed te begrijpen, waarin de schipbreukelingen der
_Macquarie_ verkeerden, moet men de geschiedenis dier worsteling kennen,
die het eiland Ika-Na-Maoeï van bloed deed stroomen.
Sedert de komst van Abel Tasman in de Cook-straat, den 18den December
1642, waren de Nieuw-Zeelanders wel dikwijls door europeesche schepen
bezocht, maar toch vrij gebleven op hun onafhankelijke eilanden. Geen
enkele europeesche mogendheid dacht er aan om zich van dien archipel
meester te maken, die de Stille Zuidzee beheerscht. De zendelingen, op
verschillende punten gevestigd, waren de eenigen, die aan deze nieuwe
landstreken de weldaden der christelijke beschaving bragten. Sommigen
hunner, en voornamelijk de anglikaansche, bereidden de zeelandsche
opperhoofden er echter op voor om zich te krommen onder het engelsche
juk. Zij wisten dezen zoo slim om den tuin te leiden, dit zij een brief
teekenden aan koningin Victoria gerigt om haar bescherming in te roepen.
Maar de schrandersten onder hen voelden de dwaasheid van dien stap, en
een hunner liet, na op den brief een afbeelding van de figuren, waarmee
hij getatoeëerd was, gedrukt te hebben, deze profetische woorden hooren:
"Wij hebben ons land verloren; voortaan behoort het ons niet meer;
weldra zal de vreemdeling zich er meester van komen maken en wij zullen
zijn slaven zijn."
Werkelijk kwam den 29sten Januarij 1840 de korvet _Herald_ in de
Eilanden-baai, in het noorden van Ika-Na-Maoeï. De scheepskapitein
Hobson landde bij het dorp Korora-Reka. De inwoners werden uitgenoodigd
een volksvergadering in de protestantsche kerk bij te wonen. Daar werden
hun de regten voorgelezen, die kapitein Hobson van de koningin van
Engeland had verkregen.
Den 5den Februarij daaraanvolgenden werden de voornaamste zeelandsche
opperhoofden bij den engelschen resident in het dorp Païa geroepen.
Kapitein Hobson trachtte hun onderwerping te verkrijgen, zeggende, dat
de koningin troepen en schepen zou zenden om hen te beschermen, dat hun
regten gewaarborgd bleven, dat hun vrijheid onaangerand zou blijven. Hun
eigendommen echter zouden aan koningin Victoria toebehooren, aan wie zij
verpligt waren ze te verkoopen.
De meeste opperhoofden vonden die bescherming wat duur en weigerden ze
aan te nemen. Maar de beloften en geschenken vermogten meer op die
onbeschaafde gemoederen dan de groote woorden van kapitein Hobson, en de
inbezitneming werd bekrachtigd.
Maar wat was er voorgevallen van dat jaar 1840 af tot den dag toe,
waarop de _Duncan_ de golf van Clyde verliet? Jacques Paganel wist
alles, en was bereid om zijn reisgenooten alles mede te deelen.
"Mevrouw!" antwoordde hij op de vragen van lady Helena, "ik herhaal, wat
ik vroeger reeds gezegd heb, dat de Nieuw-Zeelanders een moedig volk
zijn, dat na een oogenblik toegegeven te hebben, zijn land voet voor
voet betwist aan de engelsche indringers. De stammen der Maori's zijn op
dezelfde leest geschoeid als de oude schotsche clans. Het zijn eigenlijk
groote famieljes, die een opperhoofd erkennen, welke streng staat op
volslagen onderwerping aan zijn gezag. De mannen van dit ras zijn fier
en dapper; sommigen zijn groot en hebben gladde haren, gelijk de
Maltezers of de joden uit Bagdad, en maken den heerschenden stand uit;
anderen zijn kleiner en ineengedrongen, evenals de Mulatten; maar allen
zijn sterk, trotsch en oorlogzuchtig. Zij hebben een beroemd opperhoofd
gehad, Hibi geheeten, een echte Vercingetorix. Het behoeft u dus niet te
verwonderen, dat de oorlog met de Engelschen eindeloos duurt op
Ika-Na-Maoeï, want daar woont de vermaarde stam der Waikato's, die
William Thompson tot verdediging van den grond in het gevecht brengt."
"Maar zijn de Engelschen geen meesters van de voornaamste punten vau
Nieuw-Zeeland?" vroeg John Mangles.
"Zonder twijfel, waarde John!" antwoordde Paganel. "Na de inbezitneming
door kapitein Hobson, later gouverneur van het eiland, zijn er allengs
van 1840 tot 62 negen koloniën gesticht op de voordeeligste plaatsen.
Zij vormen negen provinciën; vier op het noordelijke eiland: de
provinciën Auckland, Taranaki, Wellington en Hawkesbay; vijf op het
zuidelijke eiland: de provinciën Nelson, Marlborough, Otago en
Southland; de geheele bevolking dier negen provinciën bedroeg den 8sten
Junij 1864 honderd tachtig duizend driehonderd zes en veertig inwoners.
Allerwegen zijn belangrijke koopsteden verrezen. Wanneer wij te Auckland
komen, zult gij genoodzaakt zijn onvoorwaardelijk de ligging te
bewonderen van dat Corinthe van het zuiden, dat de naauwe landengte
beheerscht, die als een brug over de Stille Zuidzee is geslagen, en
reeds twaalf duizend zielen telt. Nieuw-Plymouth in het westen. Ahuhiri
in het oosten, Wellington in het zuiden zijn reeds bloeijende steden vol
vertier. Op het eiland Tavai-Poenamoe zoudt gij verlegen zijn in de keus
tusschen Nelson, het Montpellier der tegenvoeters, den tuin van Nieuw
Zeeland, Picton aan de Cooks-straat, Christchurch, Invercargill en
Dunedin, in de rijke provincie Otago, waar de goudzoekers van heinde en
ver heenstroomen. En merk op, dat hier niet bedoeld wordt een
verzameling van eenige hutten, een opeenhooping van wilde gezinnen, maar
wel echte steden, met havens, kerken, banken, dokken, kruidtuinen,
museums van natuurlijke historie, acclimatatietuinen, dagbladen,
hospitalen, inrigtingen van liefdadigheid, hoogescholen,
vrijmetselaars-loges, clubs, zangverenigingen, schouwburgen en gebouwen
voor wereldtentoonstellingen, niet meer noch minder dan te Londen of te
Parijs! En als mijn geheugen mij geen parten speelt, zijn in 1865, in
dit jaar, en misschien terwijl ik met u spreek, de voortbrengselen der
nijverheid van de geheele aarde tentoongesteld in een land van
menscheneters!"
"Hoe! ondanks den oorlog met de inboorlingen?" vroeg lady Helena.
"De Engelschen geven ook wat om een oorlog, mevrouw!" antwoordde
Paganel. "Zij vechten en houden tentoonstellingen te gelijk. Dat hindert
hen niet. Zij leggen zelfs spoorwegen aan onder bet bereik van de kogels
der Nieuw-Zeelanders. In de provincie Auckland loopen de spoorweg van
Drury en die van Mere-Mere door de voornaamste punten, welke de
opstandelingen bezet houden. Ik wil wedden, dat de werklieden
geweerschoten wisselen van de locomotief."
"Maar hoe staat het thans met dien eindeloozen oorlog?" vroeg John
Mangles.
"Het is nu reeds meer dan zes maanden geleden, dat wij Europa verlaten
hebben," antwoordde Paganel; "dus kan ik niet weten, wat er sedert ons
vertrek voorgevallen is, op eenige feiten echter na, die ik op onze reis
door Australië in de Maryborougsche en Seymoursche kranten gelezen heb.
Maar toen werd er hard gevochten op het eiland Ika-Na-Maoeï."
"En wanneer is die oorlog begonnen?" zeide Mary Grant.
"Gij wilt zeggen "weder begonnen", lieve miss!" antwoordde Paganel,
"want de eerste opstand had in 1845 plaats. Tegen het einde van 1863;
maar reeds lang te voren maakten de Maori's zich gereed om het juk der
engelsche heerschappij af te schudden. De nationale partij onder de
inboorlingen deed haar uiterste best om de verkiezing van een maori
opperhoofd te bewerken. Zij wilde den ouden Potatau koning, en van zijn
dorp, tusschen de Waikato en de Waipa gelegen, de hoofdstad van het
nieuwe koningrijk maken. Die Potatau was een meer sluwe dan stoute
grijsaard; maar hij had een krachtvollen en schranderen eersten
minister, een afstammeling van den stam dier Ngatihahua's, die voor den
inval der vreemdelingen de landengte van Auckland bewoonden. Die
minister, William Thompson geheeten, werd de ziel van dien
onafhankelijkheidsoorlog. Hij bragt de troepen der Maori's op een zeer
goeden voet. Op zijn aansporing vereenigde een opperhoofd van Taranaki
de verstrooide stammen tot een zelfde doel; een ander opperhoofd van de
Waikato's vormde het "landverbond," een echt verbond voor het algemeene
welzijn, dat zich voorstelt de inboorlingen te verhinderen hun
landerijen aan de engelsche regeering te verkoopen; er werden maaltijden
gehouden, evenals in beschaafde landen, waar een omwenteling op het punt
staat van uit te barsten. De engelsche dagbladen begonnen die
onrustbarende voorteekenen mede te deelen, en de regeering werd ernstig
ongerust over dat drijven van het "landverbond." Kortom, de gemoederen
waren opgewonden, de mijn gereed om te springen. Er was maar een vonk
noodig of liever de botsing van twee belangen om ze voort te brengen."
"En die botsing?..." vroeg Glenarvan.
"Had in 1860 plaats," antwoordde Paganel, "in de provincie Taranaki, op
de zuidwestkust van Ika-Na-Maoeï. Een inlander bezat drie honderd
bunders land in de nabijheid van Nieuw-Plymouth. Hij verkocht ze aan het
engelsch bestuur. Maar toen de landmeters kwamen om den verkochten grond
op te meten, verzette zich het opperhoofd Kingi, en in de maand Maart
legde hij op de betwiste drie honderd bunders een met palissaden
versterkte legerplaats aan. Eenige dagen later nam kolonel Gold aan bet
hoofd zijner troepen dat kamp in, en dienzelfden dag werd het eerste
schot in den volksoorlog gelost."
"Zijn de Maori's talrijk?" vroeg John Mangles.
"De inlandsche bevolking is in een eeuw sterk verminderd," antwoordde de
aardrijkskundige. "In 1769 schatte Cook ze op vier honderd duizend
inwoners. Volgens de opgave van het _Inlandsch Beschermheerschap_
bedroeg ze in 1845 honderd negen duizend. De beschavende moorden, de
ziekten en het vuurwater hebben ze gedund; maar op de twee eilanden
blijven nog negentig duizend inboorlingen over, waaronder dertig duizend
krijgslieden, die de europeesche troepen lang werk zullen geven."
"Is de opstand tot nog toe gelukt?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw! en de Engelschen zelven hebben dikwijls den moed der
Nieuw-Zeelenders bewonderd. Zij voeren een partijgangers-oorlog, wagen
schermutselingen, overvallen kleine afdeelingen, plunderen de hoeven der
kolonisten. Generaal Cameron was niet op zijn gemak in die velden,
waarvan hij alle struiken moest laten doorzoeken. Na een langdurige en
moorddadige worsteling hadden de Maori's in 1863 een groote versterkte
stelling ingenomen aan de Boven-Waikato, aan de uitloopers van een
steile heuvelketen, door drie verdedigings-liniën gedekt. Profeten
riepen de geheele inlandsche bevolking op tot verdediging van den
vaderlandschen grond en beloofden de verdelging der "pakeka's," dat wil
zeggen van de blanken. Drie duizend man trokken op onder bevel van
generaal Cameron en gaven den Maori's geen kwartier meer, na den
barbaarschen moord op kapitein Sprent gepleegd. Bloedige slagen werden
geleverd. Sommige duurden twaalf uren, zonder dat de Maori's voor de
europeesche kanonnen weken. De strijdhaftige stam der Waikato's onder
bevel van William Thompson vormde de kern der strijders voor de
onafhankelijkheid. Die inlandsche veldheer had eerst derdehalf, later
acht duizend krijgslieden onder zijn bevel. De onderdanen van Shongi en
Heki, twee geduchte opperhoofden, kwamen hem te hulp. In dien heiligen
oorlog deelden de vrouwen in de zwaarste vermoeienissen. Maar het regt
zegeviert niet altijd. Na moorddadige gevechten gelukte het generaal
Cameron het district Waikato te onderwerpen, een ledig en ontvolkt
district, want de Maori's ontvlugtten naar alle zijden. Er hadden
bewonderenswaardige wapenfeiten plaats. Vier honderd Maori's, in de
vesting Orakan opgesloten en door duizend Engelschen onder bevel van den
brigadier-generaal Carey belegerd, weigerden zich over te geven, hoewel
honger en dorst hen kwelden. En op klaarlichten dag baanden zij zich een
weg door het verzwakte 40ste regiment en redden zich over de moerassen."
"En heeft de onderwerping van het district Waikato een eind gemaakt aan
dien bloedigen oorlog?" vroeg John Mangles.
"Neen, mijn vriend!" antwoordde Paganel. "De Engelschen hebben het
voornemen om in de provincie Taranaki binnen te rukken en Mataitawa, de
vesting van William Thompson, te belegeren. Maar zij zullen ze niet
zonder aanmerkelijke verliezen innemen. Toen ik gereed stond Parijs te
verlaten, vernam ik, dat de gouverneur en de generaal de onderwerping
der Tarangastammen aangenomen en hun drievierden hunner landerijen
gelaten hebben. Er was ook sprake van, dat de hoofdaanvoerder van den
opstand, William Thompson, er aan dacht om zich over te geven; maar de
australische dagbladen hebben die tijding niet bevestigd; het tegendeel
is veeleer waar. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat men zich thans met
kracht gereedmaakt voor den strijd."
"En naar uwe meening, Paganel!" zeide Glenarvan, "zouden de provinciën
Taranaki en Auckland het tooneel dier worsteling zijn?"
"Dat denk ik."
"Diezelfde provincie, waar de schipbreuk der _Macquarie_ ons heeft doen
aankomen?"
"Juist. Wij zijn geland eenige mijlen benoorden de haven Kawhia, waar de
nationale vlag der Maori's nog moet wapperen."
"Dan zal het geraden zijn, dat wij noordwaarts trekken," zeide
Glenarvan.
"Dat is waarlijk hoog noodig," antwoordde Paganel. "De Nieuw-Zeelanders
zijn razend op de Europeanen en vooral op de Engelschen. Wij mogen dus
wel zorgen niet in hun handen te vallen."
"Misschien zullen wij wel een afdeeling europeesche troepen ontmoeten,"
zeide lady Helena. "Dat zou een buitenkansje zijn."
"Misschien, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik reken er
niet op. De afzonderlijke afdeelingen zijn niet gaarne in het open veld,
wanneer de geringste struik, het nietigste kreupelhout een bekwamen
schutter verbergt. Ik reken dus niet op een geleide van de soldaten van
het 40ste regiment. Maar er zijn eenige zendingsposten gevestigd op de
westkust, die wij langs moeten, en wij kunnen ze gemakkelijk allen
aandoen tot Auckland toe. Ik denk er zelfs aan om den weg te nemen, dien
de heer Von Hochstetter gevolgd is, namelijk den loop van de Waikato."
"Was dat een reiziger, mijnheer Paganel?" vroeg Robert Grant.
"Ja, mijn jongen! een lid der wetenschappelijke commissie, die met het
oostenrijksche fregat de _Novara_ in 1858 de reis om de wereld
medemaakte."
"Mijnheer Paganel!" hernam Robert, wiens oogen fonkelden bij de gedachte
aan groote aardrijkskundige togten, "heeft Nieuw-Zeeland beroemde
reizigers gehad, zooals Burke en Stuart in Australië?"
"Eenige, mijn kind! zooals dokter Hooker, professor Brizard, de
natuurkundigen Dieffenbach en Julius Haast; maar ofschoon verscheidene
hunner met hun leven geboet hebben voor hun zucht naar avonturen, zijn
zij toch minder beroemd dan de australische of afrikaansche
reizigers...."
"En kent gij hun geschiedenis?" vroeg de jonge Grant.
"Dat zou ik denken, mijn jongen! en daar ik zie dat gij brandt van
verlangen om er evenveel van te weten als ik, zal ik ze u vertellen."
"Ik dank u, mijnheer Paganel! ik luister al!"
"En wij luisteren ook," zeide lady Helena, "Het is niet voor het eerst,
dat het slechte weder ons dwingt om wat te leeren. Spreek voor ons
allen, mijnbeer Paganel!"
"Ik ben tot uw bevelen, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar
mijn verhaal zal kort zijn. Er is hier geen sprake van die stoute
ontdekkers, die man tegen man met den australischen minotaurus
worstelden. Nieuw-Zeeland is te klein om zich te verzetten tegen de
nasporingen van den mensch. Mijn helden zijn dan ook geen eigenlijk
gezegde reizigers geweest, maar eenvoudige pleizier-reizigers, die het
offer werden van de meest dagelijksche voorvallen."
"En zij heeten?..." vroeg Mary Grant.
"De wiskunstenaar Witcombe en Charlton Howitt, dezelfde die het
overblijfsel van Burke heeft teruggevonden op dien merkwaardigen togt,
dien ik u verhaald heb bij ons vertoef aan de oevers der Wimerra.
Witcombe en Howitt bestuurden elk een onderzoekingstogt op het eiland
Tawaï-Poe-namoe. Beiden vertrokken van Christchurch in het begin van
1863, om verschillende wegen over de noordelijke bergen der provincie
Canterbury op te zoeken. Howitt trok op de noordelijke grens der
provincie over de keten en sloeg zijn hoofdkwartier op aan het meer
Brunner. Witcombe daarentegen vond in het dal van de Rakaia een weg, die
op het oostelijke gedeelte van den Tyndall-berg uitliep. Witcombe had
een medgezel, Jacob Louper, die in de _Lyttelton-Times_ het verhaal van
de reis en de ramp heeft openbaar gemaakt. Zooveel ik mij herinner waren
de twee onderzoekers den 22sten April 1863 aan den voet van een
gletscher, waar de Bakaia uit ontspringt. Zij beklommen den bergtop en
gingen nieuwe paden opzoeken. Den volgenden dag bragten Witcombe en
Louper, uitgeput van vermoeijenis en koude, onder een zware sneeuwbui
ter hoogte van vier duizend voet boven den zeespiegel door. Zeven dagen
lang dwaalden zij in het gebergte rond, in dalen, wier loodregte wanden
geen uitgang verleenden, dikwijls zonder vuur, soms zonder voedsel, hun
suiker veranderde in stroop, hun beschuit in nat deeg, hun kleeren en
dekens dropen van water, insecten wondden hen, soms maakten zij groote
dagreizen van drie mijlen en dan weer vorderden zij op een dag nog geen
twee honderd el. Den 29sten April troffen zij eindelijk een hut van
Maori's aan, en in een tuin eenige handenvol aardappelen. Dit was de
laatste maaltijd, dien de beide vrienden zamen deelden. 's Avonds
bereikten zij de zeekust, nabij den mond der Taramakau. Nu kwam het er
op aan om op den regteroever over te gaan, ten einde noordwaarts de
rivier de Grey te bereiken. De Taramakau was diep en breed. Na een uur
zoekens vond Louper twee beschadigde bootjes, die hij zoo goed mogelijk
herstelde en aan elkander bond. Tegen den avond gingen de twee reizigers
scheep. Maar pas waren zij in het midden van den stroom, toen de bootjes
vol water liepen. Witcombe sprong in het water en zwom naar den
linkeroever terug. Jacob Louper, die niet zwemmen kon, hield zich aan
het bootje vast. Dit redde hem, maar niet zonder dat hij veel angst
moest uitstaan. De ongelukkige dreef naar de branding. De eerste golf
slingerde hem in de diepte. De tweede bragt hem aan de oppervlakte
terug. Hij werd tegen de rotsen geslagen. De nacht was vreeselijk
donker. Het stortregende. Zoo werd Louper met een bloedend en door het
zeewater opgezet ligchaam verscheidene uren heen en weêr geslingerd.
Eindelijk stiet het bootje tegen den wal, en de schipbreukeling werd
bewusteloos op de kust geworpen. Toen de zon den volgenden morgen
opging, sleepte hij zich naar een bron en bemerkte, dat de stroom hem
een mijl van de plaats had afgevoerd, waar hij den overtogt over de
rivier had beproefd. Hij stond op, volgde de kust en vond weldra den
ongelukkigen Witcombe, wiens hoofd en geheele ligchaam onder den modder
begraven was. Hij was dood. Louper groef met zijn handen een kuil in het
zand en begroef het lijk van zijn makker. Twee dagen daarna werd hij,
stervende van honger, door gastvrije Maori's opgenomen,--er zijn er wel
enkele,--en den 4den Mei bereikte hij het meer Brunner en de legerplaats
van Charlton Howitt, die zes weken later hetzelfde lot onderging als de
ongelukkige Witcombe."
"Ja!" zeide John Mangles, "het schijnt, dat die rampen zich
aaneenschakelen, dat een noodlottige band de reizigers onderling
verbindt, en dat zij allen sterven, wanneer die band verbroken wordt."
"Gij hebt gelijk, vriend John!" antwoordde Paganel, "en ik heb dikwijls
diezelfde opmerking gemaakt. Door welk noodzakelijk verband Howitt bijna
onder dezelfde omstandigheden moest omkomen, kan men niet zeggen.
Charlton Howitt was door den heer Wyde, chef der landswerken, aangenomen
om een voor paarden bruikbaren weg aan te leggen van de vlakten van
Hurunuï tot aan den mond der Taramakau. Hij vertrok den 1en Januarij
1863 met vijf man. Hij kweet zich uitstekend van zijn last, en een weg
van veertig mijlen werd in orde gebragt tot aan een onoverkomelijk punt
van de Taramakau. Howitt keerde nu naar Christchurch terug, en in
weerwil van den naderenden winter verzocht hij zijn werk te mogen
voortzetten. De heer Wyde gaf hem daartoe verlof. Howitt vertrok weer
met de noodige levensmiddelen om het slechte jaargetijde in zijn
legerplaats door te brengen. Omstreeks dien tijd kwam Jacob Louper bij
hem. Den 27sten Junij verliet Howitt met twee man, Robert Little en
Henry Mullis, de legerplaats. Zij staken het meer Brunner over. Sedert
heeft men hen nooit terug gezien. Hun rank en laag op het water liggend
bootje werd op de kust, waar het gestrand was, teruggevonden. Negen
weken lang heeft men te vergeefs naar hen gezocht, en het is duidelijk,
dat die ongelukkigen, welke niet konden zwemmen, in de golven van het
meer verdronken zijn."
"Maar zouden zij niet ongedeerd bij een zeelandschen stam kunnen zijn?"
zeide lady Helena. "Men mag toch altijd nog aan hun dood twijfelen."
"Helaas neen! mevrouw!" antwoordde Paganel, "want in de maand Augustus
1865, een jaar na de ramp, waren zij nog niet terug ... en," mompelde
hij zachtjes, "wanneer men in geen jaar in dat Nieuw-Zeeland te
voorschijn komt, dan is het alleen, omdat men reddeloos verloren is."