Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden.
De feiten, door Paganel medegedeeld, waren ontegensprekelijk. De
wreedheid der Nieuw-Zeelanders was aan geen twijfel onderhevig. Aan land
gaan was dus met gevaar gepaard. Maar al was dat gevaar nog honderdmaal
grooter geweest, men moest het tarten. John Mangles gevoelde de
noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk een schip te verlaten, dat aan
een zekeren ondergang was gewijd. Geen aarzeling was mogelijk bij de
keus tusschen twee gevaren, waarvan het eene zeker, het andere slechts
waarschijnlijk was.
En op de kans van door een schip opgenomen te worden viel eigenlijk niet
te rekenen. De _Macquarie_ lag niet op den weg der schepen, die naar
Nieuw-Zeeland stevenen. Zij gaan óf noordelijker naar Auckland óf
zuidelijker naar Nieuw-Plymouth. De schipbreuk had juist tusschen die
twee punten plaats gehad, op het onbewoonde gedeelte der kust van
Ika-Na-Maoeï. Die kust stond in een slechten reuk. De schepen doen hun
uiterste best om ze te mijden, en zoo de wind hen er heenvoert, om zich
zoo spoedig mogelijk er van te verwijderen.
"Wanneer zullen wij vertrekken?" vroeg Glenarvan.
"Morgen ochtend om tien ure," antwoordde John Mangles. "Dan komt de
vloed opzetten, die ons aan land zal brengen."
Daags daaraan, den 5den Februarij, ten acht ure, was het vlot
afgetimmerd. John had de uiterste zorg besteed aan het want. De
voormars, die voor het uitbrengen der ankers gediend had, was niet
toereikend om reizigers en levensmiddelen over te voeren. Een stevig
vaartuig, dat bestuurd kon worden en in staat was om gedurende een
overtogt van negen mijlen zee te bouwen, was een volstrekte behoefte.
Het scheepswant alleen kon de noodige bouwstoffen daartoe opleveren.
Wilson en Mulrady waren aan het werk gegaan. Het tuig werd afgekapt en
na een aantal bijlslagen viel de groote mast, die van onderen
aangevallen werd, aan stuurboord over de verschansing, die onder zijn
val kraakte. De _Macquarie_ was nu zoo kaal als een pont.
De ondermast, de fokkesteng en de bramsteng werden doorgezaagd en
gescheiden. Nu dreven de voornaamste stukken van het vlot. Zij werden
met de overblijfselen van den fokkemast vereenigd en deze sparren stevig
met elkander verbonden. John zorgde, dat er in de tusschenruimten een
half dozijn leege vaten geplaatst werden, die het geheel boven water
moesten houden.
Toen deze onderlaag goed vast was, had Wilson er een soort van openen
vloer over gelegd, gemaakt van de roosters van het schip. De golven
konden dus op het vlot breken zonder er op te blijven, en de reizigers
waren beveiligd tegen nat worden. Ook vormden eenige stevig vastgezette
watervaten een soort van cirkelvormig schanskleed en beschermden het
vlot tegen de zware golven.
Toen John zag, dat de wind dien morgen gunstig was, liet hij midden op
het vlot de bramra zetten bij wijze van een mast. Zij werd met touwen
vastgemaakt en van een noodzeil voorzien. Een groote riem met een breed
blad, die achter werd aangebragt, stelde hem in staat om het vlot te
sturen, wanneer de wind het genoeg snelheid verleende.
Zoo kon dit goed zamengestelde vlot de deining weerstaan. Maar zou het
naar het roer luisteren, zou het de kust bereiken, wanneer de wind eens
omliep? dat was de vraag.
Ten negen ure begon men het te laden.
Eerst werden er genoeg levensmiddelen opgebragt om tot Auckland te
strekken; want er viel niet te rekenen op de voortbrengselen van dien
ondankbaren bodem.
Olbinett had nog wat over van het verduurzaamde vleesch, het overschot
van de levensmiddelen, die voor de reis met de _Macquarie_ waren
aangekocht. Het beteekende echter niet veel. Men moest zich vergenoegen
met den groven scheepskost, wat middelmatige scheepsbeschuit en twee
vaatjes gezouten visch. De hofmeester schaamde zich de oogen uit het
hoofd.
Deze levensmiddelen werden in luchtdigte, gestopte en voor het zeewater
ondoordringbare kisten gedaan, vervolgens op het vlot gebragt en met
sterke krabbers aan den voet van den noodmast vastgesjord. De wapenen en
het kruid werden op een veilige drooge plaats gelegd. Gelukkig waren de
reizigers goed gewapend met karabijnen en revolvers.
Ook een werpanker werd medegenomen, in geval John niet met één getij het
land kon bereiken en dus in zee zou moeten ankeren.
Ten tien ure werd de vloed merkbaar. De wind was noordwest, wel zwak,
maar gunstig. De oppervlakte der zee stond een weinig hol.
"Zijt gij gereed?" vroeg John Mangles.
"Alles in orde, kapitein!" antwoordde Wilson.
"Valt!" riep John.
Lady Helena en Mary Grant klommen een ruwe touwladder af en gingen aan
den voet van den mast op de kisten met levensmiddelen zitten; haar
reisgenooten omringden haar. Wilson greep het roer. John plaatste zich
bij de geitouwen, en Mulrady hakte het sjortouw door, waarmede het vlot
naast het schip vast lag.
Het zeil werd losgemaakt, en door tij en wind voortgestuwd zette het
vlot koers naar de kust.
Het land was negen mijlen van hen af, een middelmatige afstand, dien een
sloep met goede roeijers bemand in drie uren zou afgelegd hebben. Maar
met het vlot zou het langer duren. Bleef de wind in dien hoek, dan kon
men misschien in één getij de kust bereiken. Maar ging de wind liggen,
dan zou de eb het doen afdrijven, en men zou ten anker moeten gaan om
den volgenden vloed af te wachten. Dat was zeer bedenkelijk, en John
Mangles maakte zich er ook wel ongerust over.
Toch gaf hij den moed niet op. De wind werd sterker. De vloed was om
tien ure begonnen, en derhalve moesten zij ten drie ure landen, op
straffe van het anker te moeten werpen of door het vallende water weer
naar zee te worden gedreven.
Het begin van den overtogt was zeer gelukkig. Langzamerhand bedekten de
vloedgolven de zwarte toppen der riffen en het gele tapijt der banken.
Groote oplettendheid en buitengewone bekwaamheid waren noodig om die
overstroomde ondiepten te mijden en een vaartuig te besturen, dat slecht
naar het roer luisterde en ligt uit den koers dreef.
Om twaalf ure was het nog vijf mijlen van de kust. De tamelijk heldere
lucht veroorloofde om het afwisselende voorkomen van den grond te
onderscheiden. In het noord-oosten verhief zich een twee duizend vijf
honderd voet hooge berg. Hij teekende zich op een vreemde wijze tegen
den gezigteinder af, en zijn schaduwbeeld vertoonde den grijnzenden kop
van een aap van ter zijde gezien, met den nek van boven. Het was de
Pirongia, die volgens de kaart juist op acht en dertig graden breedte
ligt.
Om half een wees Paganel, dat alle klippen onder het wassende water
verdwenen waren.
"Op ééne na," antwoordde lady Helena.
"Welke, mevrouw?" vroeg Paganel.
"Daar," antwoordde lady Helena op een zwarte stip wijzende een mijl voor
hen uit.
"Zoo waar," antwoordde Paganel. "Wij dienen ze goed in het oog te houden
om er niet op te stooten; want de vloed zal ze weldra overdekken."
"Ze ligt juist voor den noordelijken top van den berg," zeide John
Mangles. "Wilson! draag zorg, dat wij ze ter zijde laten liggen."
"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, die met zijn geheele zwaarte op
het ruwe roer ging liggen. In een half uur vorderden zij een halve mijl.
Maar, wat vreemd was, de zwarte stip bleef maar altijd boven water.
John bezag ze naauwkeurig, en om ze nog beter waar te nemen, leende hij
den kijker van Paganel.
"Dat is geen rif," zeide hij na een kort onderzoek, "dat is een drijvend
voorwerp, dat met de golven op en neergaat."
"Is het soms een stuk van de masten der _Macquarie_?" vroeg lady Helena.
"Neen!" antwoordde Glenarvan, "geen stuk van het wrak heeft zoo ver
kunnen afdrijven."
"Wacht eens!" riep John Mangles, "ik zie wat het is, het is de sloep!"
"De sloep van de brik!" riep Glenarvan.
"Ja, mylord! De sloep van de brik het onderst boven!"
"Die ongelukkigen!" riep lady Helena. "Zij zijn stellig verdronken!"
"Ja, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "en zij moesten verdrinken; want
in deze branding op een holle zee, in dien duisteren nacht, liepen zij
het verderf in den mond!"
"De hemel zij hun genadig!" mompelde Mary Grant. De passagiers zwegen
eenige oogenblikken. Zij beschouwden het ranke bootje, dat al meer
naderde. Het was zeker op vier mijlen van het land gestrand, en
ongetwijfeld was geen een van de opvarenden gered.
"Maar die boot kan ons van dienst zijn," zeide Glenarvan.
"Dat is zoo," antwoordde John Mangles. "Zet den koers daarheen, Wilson!"
De rigting van het vlot werd eenigzins veranderd; maar de koelte begon
te minderen, en eerst om twee ure waren ze bij het bootje.
Mulrady, die voorop stond, keerde den schok, en de gestrande jol werd op
zijde van het vlot gehaald.
"Ledig?" vroeg John Mangles.
"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, "de boot is leeg en haar
boordplanken zijn open. Wij hebben er dus niets aan."
"Kunnen wij er niets mee uitvoeren?" vroeg Mac Nabbs.
"Niets," antwoordde John Mangles. "Het is goed brandhout."
"Dat spijt me," zeide Paganel; "want die jol had ons te Auckland kunnen
brengen."
"Wij moeten ons er in schikken, mijnheer Paganel!" antwoordde John
Mangles. "Op een zoo onstuimige zee verkies ik ook ons vlot nog boven
dit zwakke bootje. Een ligte schok is genoeg geweest om het te
verbrijzelen! Wij hebben hier dus niet langer noodig, mylord!"
"Zooals gij goedvindt, John!" zeide Glenarvan.
"Vooruit, Wilson!" hernam de jonge kapitein; "en regt op de kust aan!"
De vloed zou nog omtrent een uur duren. Men vorderde nog een paar
mijlen. Maar toen ging de wind bijna geheel liggen, en scheen hij een
landwind te willen worden. Het vlot bleef onbewegelijk. Weldra begon het
zelfs met de ebbe zee in te drijven.
John kon geen seconde aarzelen. "Laat vallen 't anker!" riep hij.
Mulrady, die dit bevel wel verwacht had, liet het anker op vijf vaam
water vallen. Het vlot week een weinig terug, zoover het sterk gespannen
ankertouw toeliet, en bleef met het voorste gedeelte naar de kust
gekeerd. Het noodzeil werd opgegeid, en de noodige maatregelen genomen
voor een vrij lang oponthoud.
Het zou toch wel 's avonds negen ure worden, voor de vloed weer kwam
opzetten, en daar John Mangles volstrekt geen lust had om 's nachts te
varen, bleef hij tot 's morgens vijf ure ten anker. Het land was drie
mijlen verder zigtbaar.
De zee stond zeer bol en scheen voortdurend op de kust te staan. Daarom
vroeg Glenarvan ook, toen hij vernam, dat zij den gebeelen nacht daar
blijven zouden, waarom John van dien stroom geen gebruik maakte om
digter bij de kust te komen.
"Uwe oogen misleiden u, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein.
"Hoewel de golven schijnen vooruit te gaan is het toch zoo niet. Het is
slechts een schommeling der waterdeeltjes, anders niet. Werp maar een
stuk hout op die golven, en gij zult het op dezelfde plaats zien
blijven, zoolang de eb zich niet doet gevoelen. Er zit dus niets anders
op dan geduld te oefenen."
"En te gaan eten," voegde de majoor er bij.
Olbinett haalde uit een kist met levensmiddelen eenige stukken gedroogd
vleesch en een dozijn beschuiten. De hofmeester schaamde zich, dat hij
zijn meester zulk een schralen kost moest voorzetten. Maar een ieder was
er mee te vreden, zelfs de dames, die echter weinig trek hadden ten
gevolge van de slingerende beweging van het vlot.
Die schokken van het vlot en de rukken van het kabeltouw, waaraan het
vastlag, waren onuitstaanbaar. Onophoudelijk geslingerd op korte en
dansende golven, kon het niet harder stooten op de scherpe punten eener
blinde klip. Soms scheen het, dat het aan den grond raakte. Het
ankertouw schuurde hevig en om het half uur vierde John er een vaâm van
uit, om het te vernieuwen. Zonder die voorzorg zou het stellig gebroken
zijn en dan moest het vlot, aan zich zelf overgelaten, zeker in zee
drijven en vergaan.
Men kan dus ligt begrijpen, hoe beangst John was. Het touw kon breken of
het anker slippen, en in beide gevallen was hij verloren.
Het werd nacht. Reeds dook de zonneschijf, door de straalbreking
vergroot, bloedrood onder de kim. De laatste strepen water blonken in
het westen en fonkelden als stroomen gesmolten zilver. Aan dien kant was
alles lucht en water, op één scherp begrensd punt na, de romp van de
_Macquarie_, die onbewegelijk op de bank vastzat.
De kortstondige schemering maakte bijna geen scheiding tusschen nacht en
dag, en spoedig werd het land ten oosten en ten noorden onzigtbaar.
Die schipbreukelingen verkeerden op dat bekrompene vlot in die zwarte
duisternis waarlijk in geen benijdbaren toestand! Sommigen vielen in een
angstige en door benaauwde droomen afgebroken sluimering, anderen konden
geen uur slapen. Toen de zon opging waren allen afgemat door de
vermoeienissen van dien nacht.
Met den vloed stak ook de zeewind weer op. Het was 's morgens vier ure.
De tijd drong. John maakte zich gereed om onder zeil te gaan. Hij gaf
bevel om het anker te ligten. Maar de ankertanden waren door de rukken
van het touw diep in het zand gewoeld. Zonder braadspil was het niet los
te krijgen, ook niet met de talies, die Wilson gebruikte.
Een half uur verliep met vergeefsche pogingen. In zijn ongeduld om onder
zeil te gaan liet John den kabel kappen, waarbij hij natuurlijk zijn
anker verspeelde en zich de mogelijkheid benam om, als de nood het
eischte, wanneer soms die vloed niet toereikend was om hen aan wal te
brengen, te ankeren. Maar hij wilde niet langer wachten, en een houw met
de bijl leverde het vlot over aan de genade van den wind en van een
stroom van twee knoopen in het uur.
Het zeil werd losgemaakt. Langzaam dreven zij naar het land, dat zich
als een graauwe massa voordeed tegen den achtergrond des hemels, dien de
opgaande zon verlichtte. Met veel beleid werden de riffen vermeden en
omgevaren. Maar met dien zwakken zeewind scheen het vlot maar niet te
vorderen. Wat al moeite kostte het om dat Nieuw-Zeeland te bereiken,
waar een landing zoo gevaarlijk was.
Om zeven ure waren zij echter nog maar een mijl van het land af. De
branding was vreeselijk, de kust zeer steil. Men moest een geschikte
landingsplaats zoeken. De wind verzwakte allengs en ging eindelijk
geheel liggen. Het slappe zeil klapperde tegen den mast. John liet het
opgeijen. De vloed alleen dreef het vlot naar de kust; maar aan besturen
viel niet meer te denken, en ontzaggelijke wierplanten vertraagden nog
zijn vaart.
Ten acht ure zag John, dat zij zoo goed als stil bleven liggen, drie
kabellengten van den oever af. Hij had geen anker meer. Zou de eb hem
dan misschien weer naar zee meevoeren? Met gebalde vuisten, inwendig
door onrust verteerd, sloeg John een woesten blik op dat ongenaakbare
land.
Gelukkig,--ditmaal althans gelukkig,--had er een schok plaats. Het vlot
lag stil. Het was gestrand op een zandbank vijf en twintig vaam van de
kust af.
Glenarvan, Robert, Wilson en Mulrady sprongen in zee. Van de eene hand
in de andere overgaande, kwamen de dames aan land, zonder een plooi van
haar kleedjes nat gemaakt te hebben, en weldra zetten allen, met wapens
en levensmiddelen, den voet op die geduchte kust van Nieuw-Zeeland.