VII.

Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden.

De feiten, door Paganel medegedeeld, waren ontegensprekelijk. De

wreedheid der Nieuw-Zeelanders was aan geen twijfel onderhevig. Aan land

gaan was dus met gevaar gepaard. Maar al was dat gevaar nog honderdmaal

grooter geweest, men moest het tarten. John Mangles gevoelde de

noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk een schip te verlaten, dat aan

een zekeren ondergang was gewijd. Geen aarzeling was mogelijk bij de

keus tusschen twee gevaren, waarvan het eene zeker, het andere slechts

waarschijnlijk was.

En op de kans van door een schip opgenomen te worden viel eigenlijk niet

te rekenen. De _Macquarie_ lag niet op den weg der schepen, die naar

Nieuw-Zeeland stevenen. Zij gaan óf noordelijker naar Auckland óf

zuidelijker naar Nieuw-Plymouth. De schipbreuk had juist tusschen die

twee punten plaats gehad, op het onbewoonde gedeelte der kust van

Ika-Na-Maoeï. Die kust stond in een slechten reuk. De schepen doen hun

uiterste best om ze te mijden, en zoo de wind hen er heenvoert, om zich

zoo spoedig mogelijk er van te verwijderen.

"Wanneer zullen wij vertrekken?" vroeg Glenarvan.

"Morgen ochtend om tien ure," antwoordde John Mangles. "Dan komt de

vloed opzetten, die ons aan land zal brengen."

Daags daaraan, den 5den Februarij, ten acht ure, was het vlot

afgetimmerd. John had de uiterste zorg besteed aan het want. De

voormars, die voor het uitbrengen der ankers gediend had, was niet

toereikend om reizigers en levensmiddelen over te voeren. Een stevig

vaartuig, dat bestuurd kon worden en in staat was om gedurende een

overtogt van negen mijlen zee te bouwen, was een volstrekte behoefte.

Het scheepswant alleen kon de noodige bouwstoffen daartoe opleveren.

Wilson en Mulrady waren aan het werk gegaan. Het tuig werd afgekapt en

na een aantal bijlslagen viel de groote mast, die van onderen

aangevallen werd, aan stuurboord over de verschansing, die onder zijn

val kraakte. De _Macquarie_ was nu zoo kaal als een pont.

De ondermast, de fokkesteng en de bramsteng werden doorgezaagd en

gescheiden. Nu dreven de voornaamste stukken van het vlot. Zij werden

met de overblijfselen van den fokkemast vereenigd en deze sparren stevig

met elkander verbonden. John zorgde, dat er in de tusschenruimten een

half dozijn leege vaten geplaatst werden, die het geheel boven water

moesten houden.

Toen deze onderlaag goed vast was, had Wilson er een soort van openen

vloer over gelegd, gemaakt van de roosters van het schip. De golven

konden dus op het vlot breken zonder er op te blijven, en de reizigers

waren beveiligd tegen nat worden. Ook vormden eenige stevig vastgezette

watervaten een soort van cirkelvormig schanskleed en beschermden het

vlot tegen de zware golven.

Toen John zag, dat de wind dien morgen gunstig was, liet hij midden op

het vlot de bramra zetten bij wijze van een mast. Zij werd met touwen

vastgemaakt en van een noodzeil voorzien. Een groote riem met een breed

blad, die achter werd aangebragt, stelde hem in staat om het vlot te

sturen, wanneer de wind het genoeg snelheid verleende.

Zoo kon dit goed zamengestelde vlot de deining weerstaan. Maar zou het

naar het roer luisteren, zou het de kust bereiken, wanneer de wind eens

omliep? dat was de vraag.

Ten negen ure begon men het te laden.

Eerst werden er genoeg levensmiddelen opgebragt om tot Auckland te

strekken; want er viel niet te rekenen op de voortbrengselen van dien

ondankbaren bodem.

Olbinett had nog wat over van het verduurzaamde vleesch, het overschot

van de levensmiddelen, die voor de reis met de _Macquarie_ waren

aangekocht. Het beteekende echter niet veel. Men moest zich vergenoegen

met den groven scheepskost, wat middelmatige scheepsbeschuit en twee

vaatjes gezouten visch. De hofmeester schaamde zich de oogen uit het

hoofd.

Deze levensmiddelen werden in luchtdigte, gestopte en voor het zeewater

ondoordringbare kisten gedaan, vervolgens op het vlot gebragt en met

sterke krabbers aan den voet van den noodmast vastgesjord. De wapenen en

het kruid werden op een veilige drooge plaats gelegd. Gelukkig waren de

reizigers goed gewapend met karabijnen en revolvers.

Ook een werpanker werd medegenomen, in geval John niet met één getij het

land kon bereiken en dus in zee zou moeten ankeren.

Ten tien ure werd de vloed merkbaar. De wind was noordwest, wel zwak,

maar gunstig. De oppervlakte der zee stond een weinig hol.

"Zijt gij gereed?" vroeg John Mangles.

"Alles in orde, kapitein!" antwoordde Wilson.

"Valt!" riep John.

Lady Helena en Mary Grant klommen een ruwe touwladder af en gingen aan

den voet van den mast op de kisten met levensmiddelen zitten; haar

reisgenooten omringden haar. Wilson greep het roer. John plaatste zich

bij de geitouwen, en Mulrady hakte het sjortouw door, waarmede het vlot

naast het schip vast lag.

Het zeil werd losgemaakt, en door tij en wind voortgestuwd zette het

vlot koers naar de kust.

Het land was negen mijlen van hen af, een middelmatige afstand, dien een

sloep met goede roeijers bemand in drie uren zou afgelegd hebben. Maar

met het vlot zou het langer duren. Bleef de wind in dien hoek, dan kon

men misschien in één getij de kust bereiken. Maar ging de wind liggen,

dan zou de eb het doen afdrijven, en men zou ten anker moeten gaan om

den volgenden vloed af te wachten. Dat was zeer bedenkelijk, en John

Mangles maakte zich er ook wel ongerust over.

Toch gaf hij den moed niet op. De wind werd sterker. De vloed was om

tien ure begonnen, en derhalve moesten zij ten drie ure landen, op

straffe van het anker te moeten werpen of door het vallende water weer

naar zee te worden gedreven.

Het begin van den overtogt was zeer gelukkig. Langzamerhand bedekten de

vloedgolven de zwarte toppen der riffen en het gele tapijt der banken.

Groote oplettendheid en buitengewone bekwaamheid waren noodig om die

overstroomde ondiepten te mijden en een vaartuig te besturen, dat slecht

naar het roer luisterde en ligt uit den koers dreef.

Om twaalf ure was het nog vijf mijlen van de kust. De tamelijk heldere

lucht veroorloofde om het afwisselende voorkomen van den grond te

onderscheiden. In het noord-oosten verhief zich een twee duizend vijf

honderd voet hooge berg. Hij teekende zich op een vreemde wijze tegen

den gezigteinder af, en zijn schaduwbeeld vertoonde den grijnzenden kop

van een aap van ter zijde gezien, met den nek van boven. Het was de

Pirongia, die volgens de kaart juist op acht en dertig graden breedte

ligt.

Om half een wees Paganel, dat alle klippen onder het wassende water

verdwenen waren.

"Op ééne na," antwoordde lady Helena.

"Welke, mevrouw?" vroeg Paganel.

"Daar," antwoordde lady Helena op een zwarte stip wijzende een mijl voor

hen uit.

"Zoo waar," antwoordde Paganel. "Wij dienen ze goed in het oog te houden

om er niet op te stooten; want de vloed zal ze weldra overdekken."

"Ze ligt juist voor den noordelijken top van den berg," zeide John

Mangles. "Wilson! draag zorg, dat wij ze ter zijde laten liggen."

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, die met zijn geheele zwaarte op

het ruwe roer ging liggen. In een half uur vorderden zij een halve mijl.

Maar, wat vreemd was, de zwarte stip bleef maar altijd boven water.

John bezag ze naauwkeurig, en om ze nog beter waar te nemen, leende hij

den kijker van Paganel.

"Dat is geen rif," zeide hij na een kort onderzoek, "dat is een drijvend

voorwerp, dat met de golven op en neergaat."

"Is het soms een stuk van de masten der _Macquarie_?" vroeg lady Helena.

"Neen!" antwoordde Glenarvan, "geen stuk van het wrak heeft zoo ver

kunnen afdrijven."

"Wacht eens!" riep John Mangles, "ik zie wat het is, het is de sloep!"

"De sloep van de brik!" riep Glenarvan.

"Ja, mylord! De sloep van de brik het onderst boven!"

"Die ongelukkigen!" riep lady Helena. "Zij zijn stellig verdronken!"

"Ja, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "en zij moesten verdrinken; want

in deze branding op een holle zee, in dien duisteren nacht, liepen zij

het verderf in den mond!"

"De hemel zij hun genadig!" mompelde Mary Grant. De passagiers zwegen

eenige oogenblikken. Zij beschouwden het ranke bootje, dat al meer

naderde. Het was zeker op vier mijlen van het land gestrand, en

ongetwijfeld was geen een van de opvarenden gered.

"Maar die boot kan ons van dienst zijn," zeide Glenarvan.

"Dat is zoo," antwoordde John Mangles. "Zet den koers daarheen, Wilson!"

De rigting van het vlot werd eenigzins veranderd; maar de koelte begon

te minderen, en eerst om twee ure waren ze bij het bootje.

Mulrady, die voorop stond, keerde den schok, en de gestrande jol werd op

zijde van het vlot gehaald.

"Ledig?" vroeg John Mangles.

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, "de boot is leeg en haar

boordplanken zijn open. Wij hebben er dus niets aan."

"Kunnen wij er niets mee uitvoeren?" vroeg Mac Nabbs.

"Niets," antwoordde John Mangles. "Het is goed brandhout."

"Dat spijt me," zeide Paganel; "want die jol had ons te Auckland kunnen

brengen."

"Wij moeten ons er in schikken, mijnheer Paganel!" antwoordde John

Mangles. "Op een zoo onstuimige zee verkies ik ook ons vlot nog boven

dit zwakke bootje. Een ligte schok is genoeg geweest om het te

verbrijzelen! Wij hebben hier dus niet langer noodig, mylord!"

"Zooals gij goedvindt, John!" zeide Glenarvan.

"Vooruit, Wilson!" hernam de jonge kapitein; "en regt op de kust aan!"

De vloed zou nog omtrent een uur duren. Men vorderde nog een paar

mijlen. Maar toen ging de wind bijna geheel liggen, en scheen hij een

landwind te willen worden. Het vlot bleef onbewegelijk. Weldra begon het

zelfs met de ebbe zee in te drijven.

John kon geen seconde aarzelen. "Laat vallen 't anker!" riep hij.

Mulrady, die dit bevel wel verwacht had, liet het anker op vijf vaam

water vallen. Het vlot week een weinig terug, zoover het sterk gespannen

ankertouw toeliet, en bleef met het voorste gedeelte naar de kust

gekeerd. Het noodzeil werd opgegeid, en de noodige maatregelen genomen

voor een vrij lang oponthoud.

Het zou toch wel 's avonds negen ure worden, voor de vloed weer kwam

opzetten, en daar John Mangles volstrekt geen lust had om 's nachts te

varen, bleef hij tot 's morgens vijf ure ten anker. Het land was drie

mijlen verder zigtbaar.

De zee stond zeer bol en scheen voortdurend op de kust te staan. Daarom

vroeg Glenarvan ook, toen hij vernam, dat zij den gebeelen nacht daar

blijven zouden, waarom John van dien stroom geen gebruik maakte om

digter bij de kust te komen.

"Uwe oogen misleiden u, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein.

"Hoewel de golven schijnen vooruit te gaan is het toch zoo niet. Het is

slechts een schommeling der waterdeeltjes, anders niet. Werp maar een

stuk hout op die golven, en gij zult het op dezelfde plaats zien

blijven, zoolang de eb zich niet doet gevoelen. Er zit dus niets anders

op dan geduld te oefenen."

"En te gaan eten," voegde de majoor er bij.

Olbinett haalde uit een kist met levensmiddelen eenige stukken gedroogd

vleesch en een dozijn beschuiten. De hofmeester schaamde zich, dat hij

zijn meester zulk een schralen kost moest voorzetten. Maar een ieder was

er mee te vreden, zelfs de dames, die echter weinig trek hadden ten

gevolge van de slingerende beweging van het vlot.

Die schokken van het vlot en de rukken van het kabeltouw, waaraan het

vastlag, waren onuitstaanbaar. Onophoudelijk geslingerd op korte en

dansende golven, kon het niet harder stooten op de scherpe punten eener

blinde klip. Soms scheen het, dat het aan den grond raakte. Het

ankertouw schuurde hevig en om het half uur vierde John er een vaâm van

uit, om het te vernieuwen. Zonder die voorzorg zou het stellig gebroken

zijn en dan moest het vlot, aan zich zelf overgelaten, zeker in zee

drijven en vergaan.

Men kan dus ligt begrijpen, hoe beangst John was. Het touw kon breken of

het anker slippen, en in beide gevallen was hij verloren.

Het werd nacht. Reeds dook de zonneschijf, door de straalbreking

vergroot, bloedrood onder de kim. De laatste strepen water blonken in

het westen en fonkelden als stroomen gesmolten zilver. Aan dien kant was

alles lucht en water, op één scherp begrensd punt na, de romp van de

_Macquarie_, die onbewegelijk op de bank vastzat.

De kortstondige schemering maakte bijna geen scheiding tusschen nacht en

dag, en spoedig werd het land ten oosten en ten noorden onzigtbaar.

Die schipbreukelingen verkeerden op dat bekrompene vlot in die zwarte

duisternis waarlijk in geen benijdbaren toestand! Sommigen vielen in een

angstige en door benaauwde droomen afgebroken sluimering, anderen konden

geen uur slapen. Toen de zon opging waren allen afgemat door de

vermoeienissen van dien nacht.

Met den vloed stak ook de zeewind weer op. Het was 's morgens vier ure.

De tijd drong. John maakte zich gereed om onder zeil te gaan. Hij gaf

bevel om het anker te ligten. Maar de ankertanden waren door de rukken

van het touw diep in het zand gewoeld. Zonder braadspil was het niet los

te krijgen, ook niet met de talies, die Wilson gebruikte.

Een half uur verliep met vergeefsche pogingen. In zijn ongeduld om onder

zeil te gaan liet John den kabel kappen, waarbij hij natuurlijk zijn

anker verspeelde en zich de mogelijkheid benam om, als de nood het

eischte, wanneer soms die vloed niet toereikend was om hen aan wal te

brengen, te ankeren. Maar hij wilde niet langer wachten, en een houw met

de bijl leverde het vlot over aan de genade van den wind en van een

stroom van twee knoopen in het uur.

Het zeil werd losgemaakt. Langzaam dreven zij naar het land, dat zich

als een graauwe massa voordeed tegen den achtergrond des hemels, dien de

opgaande zon verlichtte. Met veel beleid werden de riffen vermeden en

omgevaren. Maar met dien zwakken zeewind scheen het vlot maar niet te

vorderen. Wat al moeite kostte het om dat Nieuw-Zeeland te bereiken,

waar een landing zoo gevaarlijk was.

Om zeven ure waren zij echter nog maar een mijl van het land af. De

branding was vreeselijk, de kust zeer steil. Men moest een geschikte

landingsplaats zoeken. De wind verzwakte allengs en ging eindelijk

geheel liggen. Het slappe zeil klapperde tegen den mast. John liet het

opgeijen. De vloed alleen dreef het vlot naar de kust; maar aan besturen

viel niet meer te denken, en ontzaggelijke wierplanten vertraagden nog

zijn vaart.

Ten acht ure zag John, dat zij zoo goed als stil bleven liggen, drie

kabellengten van den oever af. Hij had geen anker meer. Zou de eb hem

dan misschien weer naar zee meevoeren? Met gebalde vuisten, inwendig

door onrust verteerd, sloeg John een woesten blik op dat ongenaakbare

land.

Gelukkig,--ditmaal althans gelukkig,--had er een schok plaats. Het vlot

lag stil. Het was gestrand op een zandbank vijf en twintig vaam van de

kust af.

Glenarvan, Robert, Wilson en Mulrady sprongen in zee. Van de eene hand

in de andere overgaande, kwamen de dames aan land, zonder een plooi van

haar kleedjes nat gemaakt te hebben, en weldra zetten allen, met wapens

en levensmiddelen, den voet op die geduchte kust van Nieuw-Zeeland.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 13 / 29 题