Verdediging van het menscheneten.
De eerste poging tot redding, door John Mangles beproefd, was mislukt.
Zonder uitstel moest men nu tot de tweede overgaan. Het was duidelijk,
dat men de _Macquarie_ niet vlot kon krijgen, en even duidelijk, dat er
niets anders overschoot dan bet schip te verlaten. Het zou onvoorzigtig
en dwaas geweest zijn om aan boord te blijven, tot er hulp kwam opdagen.
Lang voor dat het toeval een schip op de plaats der schipbreuk zou
brengen, zou de _Macquarie_ verbrijzeld zijn! De eerste storm de beste,
zelfs een onstuimige zee door de zeewinden opgejaagd, zoo het tegen de
banken slaan, het verbrijzelen, vernielen en het wrak in alle rigtingen
verstrooijen. Voor het zoo ver kwam, dat het uit elkander geslagen werd,
wilde John aan land wezen.
Hij stelde dus voor een vlot te timmeren, sterk genoeg om de passagiers
en een voldoende hoeveelheid levensmiddelen naar de zeelandsche kust
over te brengen.
Het was nu geen tijd om te praten maar om te handelen. Men ging aan het
werk en was reeds een goed eind gevorderd, toen de duisternis het deed
staken.
Ten acht ure, toen het avondeten gebruikt was en lady Helena en Mary
reeds in het vooronder te bed waren gegaan, spraken Paganel en zijn
vrienden, terwijl zij het dek op en neer gingen, over belangrijke zaken.
Robert had hen niet willen verlaten. De wakkere knaap luisterde met open
mond, gereed om een dienst te bewijzen, gereed ook om het een of ander
waagstuk te ondernemen.
Paganel had aan John Mangles gevraagd, of het vlot niet de kust kon
langs varen tot aan Auckland, in plaats van de reizigers aan wal te
zetten.
John antwoordde, dat zulk een togt onmogelijk was met zulk een gebrekkig
vaartuig.
"En zouden we met de sloep der brik hebben kunnen doen," zeide Paganel,
"wat wij op een vlot niet kunnen wagen?"
"Als het moest, ja!" antwoordde John Mangles; "maar op voorwaarde, dat
wij over dag voeren en 's nachts voor anker bleven liggen."
"Dus hebben die schurken, die ons achtergelaten hebben...."
"O! die waren dronken," antwoordde John Mangles, "en in die zwarte
duisternis vrees ik zeer, dat zij die laaghartige vlugt met hun leven
geboet hebben."
"Zooveel te erger voor hen," hernam Paganel, "en zooveel te erger voor
ons; want die sloep zou ons goede diensten bewezen hebben."
"Wat er aan te doen, Paganel?" zeide Glenarvan. "Het vlot zal ons ook
wel aan den wal brengen."
"Dat had ik juist willen vermijden," antwoordde de aardrijkskundige.
"Hoe! kan een reis van hoogstens twintig mijlen schrik aanjagen aan
menschen, die tegen vermoeijenis bestand zijn, na alles wat wij in de
Pampa's en op onzen togt door Australië hebben uitgestaan?"
"Vrienden!" antwoordde Paganel, "ik trek evenmin onzen moed als de
wakkerheid onzer gezellinnen in twijfel. Twintig mijlen; dat is niets in
ieder ander land dan Nieuw-Zeeland. Gij zult mij niet van lafhartigheid
verdenken. Ik was het, die u door Amerika, door Australië heb
medegevoerd. Maar, ik herhaal het, dat alles is niets in vergelijking
met een reis door dat verraderlijke land."
"Het ergste wat ons kan overkomen wacht ons op dit gestrande schip: een
zekere ondergang!" antwoordde John Mangles.
"Wat hebben we dan toch op Nieuw-Zeeland te duchten!" vroeg Glenarvan.
"De wilden," antwoordde Paganel
"De wilden!" hernam Glenarvan. "Kunnen wij ze niet vermijden, door de
kust te volgen?" Bovendien, tien goed gewapende en vastberaden
Europeanen behoeven zich niet beangst te maken voor een aanval van
eenige ellendige wilden."
"Het zijn geen ellendige wilden," antwoordde Paganel hoofdschuddende.
"De Nieuw-Zeelanders zijn verschrikkelijke lieden, die tegen de
engelsche heerschappij zich verzetten, die de indringers bestrijden, die
hen dikwijls overwinnen, die hen altijd opeten!"
"Menscheneters!" riep Robert, "menscheneters!"
Vervolgens hoorde men hem deze beide namen mompelen: "Mijne zuster!
mevrouw Helena!"
"Vrees niet, mijn kind!" sprak Glenarvan om den knaap gerust te stellen.
"Onze vriend Paganel overdrijft!"
"Ik overdrijf niets," hervatte Paganel. "Robert heeft getoond een man te
zijn, en ik behandel hem als een man door hem de waarheid niet te
verbergen. De Nieuw-Zeelanders zijn de wreedste, om niet te zeggen de
gulzigste van alle menscheneters. Zij verslinden alles wat onder hun
bereik komt. De oorlog is voor hen alleen een jagt op dat uitstekende
wild, dat mensch heet, en om de waarheid te zeggen is dat de eenige
verstandige oorlog. De Europeanen dooden hun vijanden en begraven ze. De
wilden dooden hun vijanden en eten ze op, en volgens het gevoelen van
mijn landgenoot Toussenel ligt het kwaad niet zoozeer in het braden van
zijn vijand als hij dood is, als wel daarin, dat men hem doodt, wanneer
hij niet sterven wil."
"Paganel!" zeide de majoor, "dat is een rijke stof voor een gesprek,
maar het oogenblik is er niet geschikt voor. Of het verstandig is of
niet om opgegeten te worden, wij willen niet, dat men ons zal opeten.
Maar hoe komt het, dat het christendom die afschuwelijke gewoonte om
menschenvleesch te eten nog niet heeft uitgeroeid?"
"Gelooft gij dan, dat alle Nieuw-Zeelanders christenen zijn?" antwoordde
Paganel. "Slechts een gering aantal is het, en de zendelingen zijn nog
maar al te dikwijls de slagtoffers dier woestaards. Verleden jaar nog is
de eerwaarde Walkner met de afschuwelijkste wreedheid doodgemarteld. De
Maori's hebben hem opgehangen. Hun vrouwen hebben hem de oogen uit het
hoofd gehaald. Men heeft zijn bloed gedronken, zijn hersenen opgegeten.
En die moord heeft plaats gehad in 1864, te Opotiki, eenige uren van
Auckland af, om zoo te zeggen onder het oog der engelsche autoriteiten.
Er zijn eeuwen noodig, mijne vrienden! om den aard van een menschenras
te veranderen. Wat de Maori's geweest zijn, zullen zij nog lang zijn.
Hun geheele geschiedenis is met bloed geschreven. Wat al schepelingen
hebben zij vermoord, en verslonden, van de matrozen van Tasman af tot de
bemanning der _Hawes_ toe! En het is geenszins het blanke vleesch, dat
hen zoo graag heeft gemaakt. Lang voor de komst der Europeanen zochten
de Zeelanders door moord hun lust te bevredigen. Menig reiziger heeft
onder hen verkeerd, die maaltijden van menscheneters heeft bijgewoond,
waarbij de gasten alleen gedreven werden door het verlangen om iets
lekkers te eten, zooals het vleesch van een vrouw of een kind."
"Ba!" zeide de majoor, "zijn die verhalen niet grootendeels in de
verbeelding der reizigers ontstaan? Men is er soms op gesteld om uit
gevaarlijke landen en uit de maag der menscheneters terug te komen!"
"Ik geef toe, dat er soms overdrijving plaats heeft," antwoordde
Paganel. "Maar geloofwaardige mannen hebben gesproken, de zendelingen
Kendall en Marsden, de kapiteins Dillon, d'Urville, Laplace en anderen,
en ik geloof hun verhalen, ik moet ze gelooven. De Zeelanders zijn wreed
van aard. Bij den dood hunner opperhoofden slagten zij menschenoffers.
Zij beweren door die offers den toorn des overledenen te stillen, die de
levenden zou kunnen treffen, en tevens hem dienaren voor het andere
leven aan te bieden! Maar daar zij die nagelaten bedienden opeten na ze
vermoord te hebben, mag men gelooven, dat de maag er even groot deel aan
heeft als het bijgeloof."
"Ik meen toch," zeide John Mangles, "dat de godsdienst een rol speelt in
die tooneelen van kannibalisme. Wanneer de godsdienst verandert, zullen
de zeden dus ook veranderen."
"Goed, vriend John!" antwoordde Paganel. "Gij werpt daar de gewigtige
vraag op van den oorsprong van het menscheneten. Heeft de godsdienst of
de honger de menschen er toegebragt om elkander te verslinden? Dat
onderzoek zou in dit oogenblik ontijdig zijn. Waarom het menscheneten
bestaat? die vraag is nog niet opgelost; maar het bestaat, en dat is een
ernstig feit, waarover wij maar al te veel reden hebben om ons ongerust
te maken."
Paganel zeide de waarheid. Het menscheneten is even diep geworteld op
Nieuw-Zeeland, als op de Fidsji-eilanden of aan de Torres-straat.
Ontwijfelbaar komt het bijgeloof in het spel bij die afschuwelijke
gewoonten; maar er zijn menscheneters, omdat het wild soms schaarsch is
en de honger groot. De wilden zijn begonnen met menschenvleesch te eten
om aan de eischen van den honger te voldoen, die slechts zelden
verzadigd wordt; vervolgens hebben de priesters die ijselijke gewoonten
tot wet gemaakt en gewijd. De maaltijd is een godsdienstige plegtigheid
geworden, ziedaar alles.
In de oogen van de Maori's is er dan ook niets natuurlijker dan elkander
op te eten. De zendelingen hebben hen dikwijls over het menscheneten
ondervraagd. Zij hebben hun gevraagd, waarom zij hun broeders opaten.
Hierop antwoordden de hoofden, dat de visschen de visschen opeten, dat
de honden de menschen opeten, dat de menschen de honden opeten, en dat
de honden elkander opeten. In hun godenleer komt zelfs de overlevering
voor, dat een god een anderen god opat. Hoe zouden zij met dit alles
voor oogen zich het genoegen kunnen ontzeggen om hun evenmensch op te
eten?
Ook beweren de Zeelanders, dat men door een dooden vijand op te eten ook
zijn geestelijk deel vernietigt. Zoo erft men zijn ziel, zijn kracht,
zijn dapperheid, die vooral in de hersenen zetelen. Dit gedeelte van den
mensch komt daarom op de feestmalen als hoofdschotel en lekker beetje
voor.
Paganel hield intusschen niet zonder grond staande, dat de zinnelijkheid
en vooral de nood de Zeelanders tot menscheneten aanspoorden, en niet
alleen de wilden van Oceanië, maar ook de wilden van Europa.
"Ja," voegde hij er bij, "het menscheneten heeft lang bestaan onder de
voorvaderen der beschaafde volken, en, beschouwt dit niet als op u
persoonlijk gemunt, vooral bij de Schotten."
"Inderdaad?" vroeg Mac Nabbs.
"Ja, majoor!" hernam Paganel. "Wanneer gij zekere uitdrukkingen van den
heiligen Hieronymus over de Atticoli van Schotland leest, zult gij zien,
wat gij van uwe voorvaderen denken moet! En zonder tot vóórhistorische
tijden op te klimmen, werd onder de regeering van Elisabeth, in
denzelfden tijd toen Shakspeare over zijn Shilock peinsde, de schotsche
struikroover Sawney Bean niet ter dood gebragt om de misdaad van
menscheneten? En welk gevoel had hem aangezet om menschenvleesch te
eten? De godsdienst? Neen de honger."
"De honger?" vroeg John Mangles.
"De honger," verzekerde Paganel; "maar vooral de noodzakelijkheid,
waarin het vleeschetend dier zich bevindt, om zijn vleesch en bloed weer
te herstellen door de stikstof in de dierlijke zelfstandigheden. De
longen moeten tot haar werkzaamheid in staat worden gesteld door
knolvormige en zetmeel bevattende planten. Maar wie sterk en werkzaam
zijn wil, moet die bloedvormende spijzen gebruiken, die het slijten der
spieren herstellen. Zoo lang de Maori's geen leden zijn van de
maatschappij der groenteneters, zullen zij vleesch eten en wel
menschenvleesch."
"Waarom geen vleesch van dieren?" vroeg Glenarvan.
"Omdat zij geen dieren hebben," antwoordde Paganel, "en dit moet men
weten, niet om hun gewoonte van menschenvleesch te eten te
verontschuldigen, maar om ze te verklaren. Viervoetige dieren, zelfs
vogels zijn zeldzaam in dit onherbergzaam land. De Maori's hebben zich
daarom altijd met menschenvleesch gevoed. Er zijn zelfs "jaargetijden om
de menschen te eten," gelijk in de beschaafde landen jaargetijden om te
jagen. Dan beginnen de groote drijfjagten, dat wil zeggen de groote
oorlogen, en geheele volksstammen worden op de tafels der overwinnaars
opgedischt."
"Volgens uw gevoelen, Paganel!" sprak Glenarvan, zal het menscheneten
dus eerst ophouden, wanneer schapen, runderen en zwijnen in de weiden
van Nieuw-Zeeland sterk zullen vermenigvuldigen?"
"Zeker, waarde lord! en dan nog zal het jaren duren, voor de Maori's het
zeelandsche vleesch ontwend zijn, dat ze boven alles verkiezen; want de
zoons zullen lang beminnen wat hun vaders bemind hebben. Volgens hun
zeggen heeft dat vleesch den smaak van varkensvleesch, maar met meer
wildsmaak. Op blank vleesch zijn ze minder verlekkerd, omdat de blanken
zout in hun eten doen, hetgeen hun een bijzondere geur heeft, die bij de
lekkerbekken niet zeer getrokken is."
"Ze zijn nog al moeijelijk te voldoen!" zeide de majoor. "Maar eten ze
dat blanke of zwarte vleesch raauw of gebraden?"
"Waar ge al niet naar vraagt, mijnheer Mac Nabbs!" riep Robert.
"Wel, mijn jongen!" antwoordde de majoor ernstig, "als ik ooit tot spijs
moet strekken aan een menscheneter, zou ik liefst gebraden worden!"
"Waarom?"
"Om zeker te zijn, dat ik niet levend verslonden werd!"
"Goed, majoor!" hernam Paganel; "maar als gij nu eens levend gebraden
werd?"
"In ieder geval," antwoordde de majoor, "zou ik het niet graag in mijn
keus hebben."
"Dat mag wezen zooals het wil, Mac Nabbs! maar als het u genoegen doet,"
antwoordde Paganel, "weet dan, dat de Nieuw-Zeelanders het vleesch
alleen gebraden of gerookt eten. Het zijn goed onderwezen menschen, die
wel weten wat lekker smaakt. Maar wat mij aangaat, ik vind de gedachte
van opgegeten te worden hoogst onaangenaam! Zijn leven te eindigen in de
maag van een wilde, foei!"
"Het slot van dit alles is," zeide John Mangles, "dat wij niet in hun
handen moeten vallen. Ook willen wij maar hopen, dat het christendom
eenmaal die ijselijke gewoonten zal afschaffen."
"Ja, dat moeten wij hopen," antwoordde Paganel; "maar, geloof mij, een
wilde, die menachenvleesch geproefd heeft, zal er niet ligt van afzien.
Gij kunt er zelven over oordeelen uit deze twee feiten."
"Vertel ons die feiten, Paganel!" zeide Glenarvan.
"Het eerste wordt medegedeeld in de Verslagen der Jezuïten-orde in
Brazilië. Een portugeesch zendeling ontmoette eens een oude zeer zieke
braziliaansche vrouw. Zij had nog maar weinige dagen te leven. De Jezuït
onderrigtte haar in de waarheden van het christendom, die de stervende
zonder tegenspraak aannam. Na het zielevoedsel dacht hij ook aan het
voedsel des ligchaams, en bood der boetelinge eenige europeesche
versnaperingen aan. "Helaas!" antwoordde de oude, "mijn maag kan
volstrekt geen voedsel meer verdragen. Er is nog maar één ding, waarin
ik trek zou hebben, maar bij ongeluk kan hier niemand het mij
bezorgen."--"Wat is dat dan?" vroeg de Jezuït.--"Ach, mijn zoon! het is
de hand van een jongentje! Ik verbeeld mij, dat ik die beentjes met
smaak zou afkluiven!"
"Zoo! zoo! maar is dat dan goed?" vroeg Robert.
"Mijn tweede geschiedenis zal u het antwoord geven, mijn jongen!" hernam
Paganel. "Eens verweet een zendeling aan een menscheneter die
afgrijselijke gewoonte om menschenvleesch te eten, die strijdt met de
goddelijke wetten. "En dus moet het slecht zijn," voegde hij er
bij.--"Ach! vader!" antwoordde de wilde, terwijl hij een begeerigen blik
op den zendeling sloeg, "zeg, dat God het verbiedt! Maar zeg niet, dat
het slecht is! Als gij het maar eens gegeten hadt!..."