VI.

Verdediging van het menscheneten.

De eerste poging tot redding, door John Mangles beproefd, was mislukt.

Zonder uitstel moest men nu tot de tweede overgaan. Het was duidelijk,

dat men de _Macquarie_ niet vlot kon krijgen, en even duidelijk, dat er

niets anders overschoot dan bet schip te verlaten. Het zou onvoorzigtig

en dwaas geweest zijn om aan boord te blijven, tot er hulp kwam opdagen.

Lang voor dat het toeval een schip op de plaats der schipbreuk zou

brengen, zou de _Macquarie_ verbrijzeld zijn! De eerste storm de beste,

zelfs een onstuimige zee door de zeewinden opgejaagd, zoo het tegen de

banken slaan, het verbrijzelen, vernielen en het wrak in alle rigtingen

verstrooijen. Voor het zoo ver kwam, dat het uit elkander geslagen werd,

wilde John aan land wezen.

Hij stelde dus voor een vlot te timmeren, sterk genoeg om de passagiers

en een voldoende hoeveelheid levensmiddelen naar de zeelandsche kust

over te brengen.

Het was nu geen tijd om te praten maar om te handelen. Men ging aan het

werk en was reeds een goed eind gevorderd, toen de duisternis het deed

staken.

Ten acht ure, toen het avondeten gebruikt was en lady Helena en Mary

reeds in het vooronder te bed waren gegaan, spraken Paganel en zijn

vrienden, terwijl zij het dek op en neer gingen, over belangrijke zaken.

Robert had hen niet willen verlaten. De wakkere knaap luisterde met open

mond, gereed om een dienst te bewijzen, gereed ook om het een of ander

waagstuk te ondernemen.

Paganel had aan John Mangles gevraagd, of het vlot niet de kust kon

langs varen tot aan Auckland, in plaats van de reizigers aan wal te

zetten.

John antwoordde, dat zulk een togt onmogelijk was met zulk een gebrekkig

vaartuig.

"En zouden we met de sloep der brik hebben kunnen doen," zeide Paganel,

"wat wij op een vlot niet kunnen wagen?"

"Als het moest, ja!" antwoordde John Mangles; "maar op voorwaarde, dat

wij over dag voeren en 's nachts voor anker bleven liggen."

"Dus hebben die schurken, die ons achtergelaten hebben...."

"O! die waren dronken," antwoordde John Mangles, "en in die zwarte

duisternis vrees ik zeer, dat zij die laaghartige vlugt met hun leven

geboet hebben."

"Zooveel te erger voor hen," hernam Paganel, "en zooveel te erger voor

ons; want die sloep zou ons goede diensten bewezen hebben."

"Wat er aan te doen, Paganel?" zeide Glenarvan. "Het vlot zal ons ook

wel aan den wal brengen."

"Dat had ik juist willen vermijden," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! kan een reis van hoogstens twintig mijlen schrik aanjagen aan

menschen, die tegen vermoeijenis bestand zijn, na alles wat wij in de

Pampa's en op onzen togt door Australië hebben uitgestaan?"

"Vrienden!" antwoordde Paganel, "ik trek evenmin onzen moed als de

wakkerheid onzer gezellinnen in twijfel. Twintig mijlen; dat is niets in

ieder ander land dan Nieuw-Zeeland. Gij zult mij niet van lafhartigheid

verdenken. Ik was het, die u door Amerika, door Australië heb

medegevoerd. Maar, ik herhaal het, dat alles is niets in vergelijking

met een reis door dat verraderlijke land."

"Het ergste wat ons kan overkomen wacht ons op dit gestrande schip: een

zekere ondergang!" antwoordde John Mangles.

"Wat hebben we dan toch op Nieuw-Zeeland te duchten!" vroeg Glenarvan.

"De wilden," antwoordde Paganel

"De wilden!" hernam Glenarvan. "Kunnen wij ze niet vermijden, door de

kust te volgen?" Bovendien, tien goed gewapende en vastberaden

Europeanen behoeven zich niet beangst te maken voor een aanval van

eenige ellendige wilden."

"Het zijn geen ellendige wilden," antwoordde Paganel hoofdschuddende.

"De Nieuw-Zeelanders zijn verschrikkelijke lieden, die tegen de

engelsche heerschappij zich verzetten, die de indringers bestrijden, die

hen dikwijls overwinnen, die hen altijd opeten!"

"Menscheneters!" riep Robert, "menscheneters!"

Vervolgens hoorde men hem deze beide namen mompelen: "Mijne zuster!

mevrouw Helena!"

"Vrees niet, mijn kind!" sprak Glenarvan om den knaap gerust te stellen.

"Onze vriend Paganel overdrijft!"

"Ik overdrijf niets," hervatte Paganel. "Robert heeft getoond een man te

zijn, en ik behandel hem als een man door hem de waarheid niet te

verbergen. De Nieuw-Zeelanders zijn de wreedste, om niet te zeggen de

gulzigste van alle menscheneters. Zij verslinden alles wat onder hun

bereik komt. De oorlog is voor hen alleen een jagt op dat uitstekende

wild, dat mensch heet, en om de waarheid te zeggen is dat de eenige

verstandige oorlog. De Europeanen dooden hun vijanden en begraven ze. De

wilden dooden hun vijanden en eten ze op, en volgens het gevoelen van

mijn landgenoot Toussenel ligt het kwaad niet zoozeer in het braden van

zijn vijand als hij dood is, als wel daarin, dat men hem doodt, wanneer

hij niet sterven wil."

"Paganel!" zeide de majoor, "dat is een rijke stof voor een gesprek,

maar het oogenblik is er niet geschikt voor. Of het verstandig is of

niet om opgegeten te worden, wij willen niet, dat men ons zal opeten.

Maar hoe komt het, dat het christendom die afschuwelijke gewoonte om

menschenvleesch te eten nog niet heeft uitgeroeid?"

"Gelooft gij dan, dat alle Nieuw-Zeelanders christenen zijn?" antwoordde

Paganel. "Slechts een gering aantal is het, en de zendelingen zijn nog

maar al te dikwijls de slagtoffers dier woestaards. Verleden jaar nog is

de eerwaarde Walkner met de afschuwelijkste wreedheid doodgemarteld. De

Maori's hebben hem opgehangen. Hun vrouwen hebben hem de oogen uit het

hoofd gehaald. Men heeft zijn bloed gedronken, zijn hersenen opgegeten.

En die moord heeft plaats gehad in 1864, te Opotiki, eenige uren van

Auckland af, om zoo te zeggen onder het oog der engelsche autoriteiten.

Er zijn eeuwen noodig, mijne vrienden! om den aard van een menschenras

te veranderen. Wat de Maori's geweest zijn, zullen zij nog lang zijn.

Hun geheele geschiedenis is met bloed geschreven. Wat al schepelingen

hebben zij vermoord, en verslonden, van de matrozen van Tasman af tot de

bemanning der _Hawes_ toe! En het is geenszins het blanke vleesch, dat

hen zoo graag heeft gemaakt. Lang voor de komst der Europeanen zochten

de Zeelanders door moord hun lust te bevredigen. Menig reiziger heeft

onder hen verkeerd, die maaltijden van menscheneters heeft bijgewoond,

waarbij de gasten alleen gedreven werden door het verlangen om iets

lekkers te eten, zooals het vleesch van een vrouw of een kind."

"Ba!" zeide de majoor, "zijn die verhalen niet grootendeels in de

verbeelding der reizigers ontstaan? Men is er soms op gesteld om uit

gevaarlijke landen en uit de maag der menscheneters terug te komen!"

"Ik geef toe, dat er soms overdrijving plaats heeft," antwoordde

Paganel. "Maar geloofwaardige mannen hebben gesproken, de zendelingen

Kendall en Marsden, de kapiteins Dillon, d'Urville, Laplace en anderen,

en ik geloof hun verhalen, ik moet ze gelooven. De Zeelanders zijn wreed

van aard. Bij den dood hunner opperhoofden slagten zij menschenoffers.

Zij beweren door die offers den toorn des overledenen te stillen, die de

levenden zou kunnen treffen, en tevens hem dienaren voor het andere

leven aan te bieden! Maar daar zij die nagelaten bedienden opeten na ze

vermoord te hebben, mag men gelooven, dat de maag er even groot deel aan

heeft als het bijgeloof."

"Ik meen toch," zeide John Mangles, "dat de godsdienst een rol speelt in

die tooneelen van kannibalisme. Wanneer de godsdienst verandert, zullen

de zeden dus ook veranderen."

"Goed, vriend John!" antwoordde Paganel. "Gij werpt daar de gewigtige

vraag op van den oorsprong van het menscheneten. Heeft de godsdienst of

de honger de menschen er toegebragt om elkander te verslinden? Dat

onderzoek zou in dit oogenblik ontijdig zijn. Waarom het menscheneten

bestaat? die vraag is nog niet opgelost; maar het bestaat, en dat is een

ernstig feit, waarover wij maar al te veel reden hebben om ons ongerust

te maken."

Paganel zeide de waarheid. Het menscheneten is even diep geworteld op

Nieuw-Zeeland, als op de Fidsji-eilanden of aan de Torres-straat.

Ontwijfelbaar komt het bijgeloof in het spel bij die afschuwelijke

gewoonten; maar er zijn menscheneters, omdat het wild soms schaarsch is

en de honger groot. De wilden zijn begonnen met menschenvleesch te eten

om aan de eischen van den honger te voldoen, die slechts zelden

verzadigd wordt; vervolgens hebben de priesters die ijselijke gewoonten

tot wet gemaakt en gewijd. De maaltijd is een godsdienstige plegtigheid

geworden, ziedaar alles.

In de oogen van de Maori's is er dan ook niets natuurlijker dan elkander

op te eten. De zendelingen hebben hen dikwijls over het menscheneten

ondervraagd. Zij hebben hun gevraagd, waarom zij hun broeders opaten.

Hierop antwoordden de hoofden, dat de visschen de visschen opeten, dat

de honden de menschen opeten, dat de menschen de honden opeten, en dat

de honden elkander opeten. In hun godenleer komt zelfs de overlevering

voor, dat een god een anderen god opat. Hoe zouden zij met dit alles

voor oogen zich het genoegen kunnen ontzeggen om hun evenmensch op te

eten?

Ook beweren de Zeelanders, dat men door een dooden vijand op te eten ook

zijn geestelijk deel vernietigt. Zoo erft men zijn ziel, zijn kracht,

zijn dapperheid, die vooral in de hersenen zetelen. Dit gedeelte van den

mensch komt daarom op de feestmalen als hoofdschotel en lekker beetje

voor.

Paganel hield intusschen niet zonder grond staande, dat de zinnelijkheid

en vooral de nood de Zeelanders tot menscheneten aanspoorden, en niet

alleen de wilden van Oceanië, maar ook de wilden van Europa.

"Ja," voegde hij er bij, "het menscheneten heeft lang bestaan onder de

voorvaderen der beschaafde volken, en, beschouwt dit niet als op u

persoonlijk gemunt, vooral bij de Schotten."

"Inderdaad?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor!" hernam Paganel. "Wanneer gij zekere uitdrukkingen van den

heiligen Hieronymus over de Atticoli van Schotland leest, zult gij zien,

wat gij van uwe voorvaderen denken moet! En zonder tot vóórhistorische

tijden op te klimmen, werd onder de regeering van Elisabeth, in

denzelfden tijd toen Shakspeare over zijn Shilock peinsde, de schotsche

struikroover Sawney Bean niet ter dood gebragt om de misdaad van

menscheneten? En welk gevoel had hem aangezet om menschenvleesch te

eten? De godsdienst? Neen de honger."

"De honger?" vroeg John Mangles.

"De honger," verzekerde Paganel; "maar vooral de noodzakelijkheid,

waarin het vleeschetend dier zich bevindt, om zijn vleesch en bloed weer

te herstellen door de stikstof in de dierlijke zelfstandigheden. De

longen moeten tot haar werkzaamheid in staat worden gesteld door

knolvormige en zetmeel bevattende planten. Maar wie sterk en werkzaam

zijn wil, moet die bloedvormende spijzen gebruiken, die het slijten der

spieren herstellen. Zoo lang de Maori's geen leden zijn van de

maatschappij der groenteneters, zullen zij vleesch eten en wel

menschenvleesch."

"Waarom geen vleesch van dieren?" vroeg Glenarvan.

"Omdat zij geen dieren hebben," antwoordde Paganel, "en dit moet men

weten, niet om hun gewoonte van menschenvleesch te eten te

verontschuldigen, maar om ze te verklaren. Viervoetige dieren, zelfs

vogels zijn zeldzaam in dit onherbergzaam land. De Maori's hebben zich

daarom altijd met menschenvleesch gevoed. Er zijn zelfs "jaargetijden om

de menschen te eten," gelijk in de beschaafde landen jaargetijden om te

jagen. Dan beginnen de groote drijfjagten, dat wil zeggen de groote

oorlogen, en geheele volksstammen worden op de tafels der overwinnaars

opgedischt."

"Volgens uw gevoelen, Paganel!" sprak Glenarvan, zal het menscheneten

dus eerst ophouden, wanneer schapen, runderen en zwijnen in de weiden

van Nieuw-Zeeland sterk zullen vermenigvuldigen?"

"Zeker, waarde lord! en dan nog zal het jaren duren, voor de Maori's het

zeelandsche vleesch ontwend zijn, dat ze boven alles verkiezen; want de

zoons zullen lang beminnen wat hun vaders bemind hebben. Volgens hun

zeggen heeft dat vleesch den smaak van varkensvleesch, maar met meer

wildsmaak. Op blank vleesch zijn ze minder verlekkerd, omdat de blanken

zout in hun eten doen, hetgeen hun een bijzondere geur heeft, die bij de

lekkerbekken niet zeer getrokken is."

"Ze zijn nog al moeijelijk te voldoen!" zeide de majoor. "Maar eten ze

dat blanke of zwarte vleesch raauw of gebraden?"

"Waar ge al niet naar vraagt, mijnheer Mac Nabbs!" riep Robert.

"Wel, mijn jongen!" antwoordde de majoor ernstig, "als ik ooit tot spijs

moet strekken aan een menscheneter, zou ik liefst gebraden worden!"

"Waarom?"

"Om zeker te zijn, dat ik niet levend verslonden werd!"

"Goed, majoor!" hernam Paganel; "maar als gij nu eens levend gebraden

werd?"

"In ieder geval," antwoordde de majoor, "zou ik het niet graag in mijn

keus hebben."

"Dat mag wezen zooals het wil, Mac Nabbs! maar als het u genoegen doet,"

antwoordde Paganel, "weet dan, dat de Nieuw-Zeelanders het vleesch

alleen gebraden of gerookt eten. Het zijn goed onderwezen menschen, die

wel weten wat lekker smaakt. Maar wat mij aangaat, ik vind de gedachte

van opgegeten te worden hoogst onaangenaam! Zijn leven te eindigen in de

maag van een wilde, foei!"

"Het slot van dit alles is," zeide John Mangles, "dat wij niet in hun

handen moeten vallen. Ook willen wij maar hopen, dat het christendom

eenmaal die ijselijke gewoonten zal afschaffen."

"Ja, dat moeten wij hopen," antwoordde Paganel; "maar, geloof mij, een

wilde, die menachenvleesch geproefd heeft, zal er niet ligt van afzien.

Gij kunt er zelven over oordeelen uit deze twee feiten."

"Vertel ons die feiten, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Het eerste wordt medegedeeld in de Verslagen der Jezuïten-orde in

Brazilië. Een portugeesch zendeling ontmoette eens een oude zeer zieke

braziliaansche vrouw. Zij had nog maar weinige dagen te leven. De Jezuït

onderrigtte haar in de waarheden van het christendom, die de stervende

zonder tegenspraak aannam. Na het zielevoedsel dacht hij ook aan het

voedsel des ligchaams, en bood der boetelinge eenige europeesche

versnaperingen aan. "Helaas!" antwoordde de oude, "mijn maag kan

volstrekt geen voedsel meer verdragen. Er is nog maar één ding, waarin

ik trek zou hebben, maar bij ongeluk kan hier niemand het mij

bezorgen."--"Wat is dat dan?" vroeg de Jezuït.--"Ach, mijn zoon! het is

de hand van een jongentje! Ik verbeeld mij, dat ik die beentjes met

smaak zou afkluiven!"

"Zoo! zoo! maar is dat dan goed?" vroeg Robert.

"Mijn tweede geschiedenis zal u het antwoord geven, mijn jongen!" hernam

Paganel. "Eens verweet een zendeling aan een menscheneter die

afgrijselijke gewoonte om menschenvleesch te eten, die strijdt met de

goddelijke wetten. "En dus moet het slecht zijn," voegde hij er

bij.--"Ach! vader!" antwoordde de wilde, terwijl hij een begeerigen blik

op den zendeling sloeg, "zeg, dat God het verbiedt! Maar zeg niet, dat

het slecht is! Als gij het maar eens gegeten hadt!..."

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 12 / 29 题