De nieuwbakken matrozen.
Er viel niet aan te twijfelen, of Will Halley en zijn matrozen hadden
van den nacht en den slaap der passagiers gebruik gemaakt om met het
eenige bootje van de brik te ontvlugten. Die kapitein, wien de pligt
gebood tot het laatste aan boord te blijven, was de eerste geweest om
het te verlaten.
"Die schurken zijn weg!" zeide John Mangles. "Welnu, des te beter,
mylord! Zij besparen ons daardoor menig onaangenaam tooneel."
"Dat denk ik ook," antwoordde Glenarvan; "bovendien is er toch nog een
kapitein aan boord, John, en moedige, zooal niet bekwame, matrozen, uwe
makkers. Beveel! wij zijn gereed om te gehoorzamen."
De majoor, Paganel, Robert, Wilson, Mulrady, zelfs Olbinett juichten de
woorden van Glenarvan toe, en op het dek geschaard stelden zij zich ter
beschikking van John Mangles.
"Wat moeten wij doen?" vroeg Glenarvan.
De jonge kapitein zag naar de zee, naar het gebrekkige tuig van de brik,
en zeide na eenig nadenken:
"Wij hebben twee middelen; mylord! om ons uit dezen toestand te redden:
het schip ligten en zee kiezen, of op een vlot, dat gemakkelijk
getimmerd kan worden, de kust bereiken."
"Wanneer het schip geligt kan worden, moesten we dat doen," antwoordde
Glenarvan. "Het is het beste, wat wij doen kunnen, niet waar?"
"Ja, Uwe Edelheid! want al zijn wij aan land, wat zouden wij dan nog
aanvangen zonder middelen van vervoer?"
"Wij moeten de kust mijden," voegde Paganel er bij. "Nieuw-Zeeland is
niet te vertrouwen!"
"Te meer, omdat wij een heel eind uit den koers gedreven zijn," hernam
John. "De lompheid van Halley heeft ons zeker te ver zuidelijk gebragt.
Ten twaalf ure zal ik mijn bestek maken, en wanneer wij, zooals ik gis,
beneden Auckland zijn, zal ik trachten met de _Macquarie_ langs de kust
op te werken."
"Maar de avery van de brik?" vroeg lady Helena.
"Ik geloof niet, dat die van veel belang is, mevrouw!" antwoordde John
Mangles. "Ik zal een noodmast opzetten in plaats van den fokkemast, en
wij zullen varen,--langzaam, weliswaar,--maar wij zullen toch gaan,
waarheen wij willen. Is bij ongeluk het hol van het schip lek, of kan
het niet vlot gemaakt worden, dan zullen wij ons moeten getroosten aan
wal te gaan en te land naar Auckland reizen."
"Onderzoeken wij dan eerst den staat van het schip," zeide de majoor.
"Dat is vooreerst het noodigste."
Glenarvan, John en Mulrady openden het groote luik en klommen in het
ruim af. Daar stonden omtrent twee honderd slecht gestuwde vaten met
gelooide huiden. Men kon ze, zonder veel moeite verplaatsen, door middel
van takels vastgemaakt aan de groote stag loodregt boven het luik. John
liet terstond een gedeelte van die lading over boord werpen om het
vaartuig te ligten.
Na drie uren hard gewerkt te hebben kon men den bodem van de brik
onderzoeken. Twee naden van de buitenhuid op de hoogte van de barghouten
waren aan bakboordszijde open. Daar nu de _Macquarie_ over stuurboord
krengde, stak de andere zijde boven water uit, en waren de beschadigde
naden zigtbaar. Het water kon er derhalve indringen. Wilson haastte zich
om de reten te stoppen met werk en een blad koper, dat hij zorgvuldig
vast spijkerde.
Bij peiling bleek het, dat er geen twee voet water in het ruim stond. De
pompen konden dat water gemnakkekelijk verwijderen en zoodoende het
schip ligten.
Toen het onderzoek van het hol afgeloopen was, vond John, dat het weinig
door de stranding geleden had. Wel zou een gedeelte van de looze kiel in
het zand blijven zitten; maar die kon men missen.
Nadat Wilson het schip van binnen bezien had, dook hij om te
onderzoeken, hoe het van onderen gesteld was.
De _Macquarie_, wier voorsteven naar het noordnoordwesten gerigt was,
zat op een modderige zandbank met zeer steilen rand. Het onderste
gedeelte van den steven en omtrent twee derden van de kiel waren er diep
ingezakt. Het andere gedeelte tot aan den achtersteven had vijf vaam
water beneden zich. Het roer zat dus niet vast en werkte onbelemmerd.
John achtte het niet noodig het uit te ligten. Dit was een groot
voordeel; want nu kon men het gebruiken, zoodra dit noodig mogt zijn.
De getijden zijn in de Stille Zuidzee niet belangrijk. Evenwel rekende
John Mangles op den vloed om de _Macquarie_ vlot te doen worden. De brik
was omstreeks een uur voor hoog water gestrand. Zoodra de ebbe opkwam,
was ze aan stuurboordszijde hoe langer hoe meer gezakt, hetgeen tot 's
morgens ten zes ure, toen het laag water was, voortduurde. Het scheen
onnoodig het schip met stutten te schoren. Nu konden de raas en andere
sparren aan boord blijven, die John wilde gebruiken om een noodmast te
maken.
Nu moesten de noodige maatregelen genomen worden om de _Macquarie_ vlot
te maken. Dat was een lang en moeijelijk werk. Het was bepaald
onmogelijk om klaar te wezen voor kwart over twaalven, wanneer het hoog
water zou zijn. Men zou alleen kunnen zien hoe, nu een gedeelte der
lading over boord was geworpen, de vloed op het schip zou werken en bij
het volgende tij zou men nog een nieuwe poging aanwenden.
"Aan het werk!" beval John Mangles.
Zijn nieuwbakken matrozen wachtten zijn bevelen af.
John liet eerst de zeilen bergen, die nog opgegeid waren. Onder toezigt
van Wilson klommen de majoor, Robert en Paganel in de groote mars. Het
groote marszeil door den wind strak gespannen, zou het losraken van het
vaartuig belemmerd hebben. Het moest dus geborgen worden, hetgeen zoo
goed en kwaad als het wilde geschiedde. Vervolgens werd na een
volhardenden arbeid, die zeer zwaar viel aan handen, welke zoo iets niet
gewoon waren, de grootbramsteng gestreken. De jonge Robert die zoo vlug
als een kat en zoo moedig als een scheepsjongen was, had bij dit
moeijelijke werk de grootste diensten bewezen.
Nu moest er nog een, misschien twee ankers uitgebragt worden, achteraan
het schip en voor de kiel. De trekkende kracht moest op deze ankers
werken om de _Macquarie_ bij hoog water te doen rijzen. Dit werk is
volstrekt niet moeijelijk, wanneer men over een sloep beschikt; men
neemt een anker mede en legt het op een geschikte plaats, die men
vooruit heeft opgezocht. Maar hier miste men een sloep en men moest zich
behelpen.
Glenarvan had genoeg kennis van zeezaken om het noodzakelijke van die
werkzaamheden in te zien. Er moest een anker uitgebragt worden om het
schip, dat met laag water gestrand was, vlot te maken.
"Maar hoe zullen wij het zonder sloep redden?" vroeg hij aan John.
"Wij zullen de stukken van den fokkemast en ledige vaten gebruiken,"
antwoordde de jonge kapitein. "Het werk zal moeijelijk, maar niet
onmogelijk zijn; want de ankers der _Macquarie_ zijn maar klein. Zijn ze
maar gevallen, dan ben ik vol hoop; althans, wanneer ze niet
doorslippen."
"Goed! Dan moeten we geen tijd verliezen, John!"
Alleman, matrozen en passagiers, werd op het dek geroepen. Elk werkte
mede. Met de bijl werden de touwen stuk gebakt, die den fokkemast nog
tegenhielden. De ondermast was in zijn val bij den top afgebroken,
zoodat de mars er gemakkelijk uitgenomen kon worden. John Mangles wilde
van dien vloer een vlot maken. Het dreef op ledige vaten en kon de
ankers dragen. Er werd een wrikriem aan vastgemaakt om den toestel te
sturen. Verder zou de ebbe hem juist achter de brik aandrijven; en
wanneer dan de ankers waren uitgeworpen, kon men gemakkelijk weder aan
boord komen, door langs het ankertouw te varen.
Dat werk was half klaar, toen de zon den middagcirkel naderde. John
Mangles liet den arbeid onder Glenarvans toezigt voortzetten en maakte
zich gereed om zijn bestek op te maken. Dit was van groot belang.
Gelukkig had John in de kajuit van Will Halley, behalve een jaarboekje
van de sterrewacht van Greenwich, een zeer vuilen sextant gevonden, maar
die toch goed genoeg was om hoogte te nemen. Hij maakte dien schoon en
kwam er mee op het dek.
Door een aantal beweegbare spiegels brengt dit werktuig de zon weder aan
den gezigteinder, op het oogenblik, dat het twaalf ure is, dat wil
zeggen, wanneer de dagvorstin het hoogste punt van haar baan bereikt.
Het is dus ligt te begrijpen, dat wie er mede wil werken, met den kijker
van den sextant een waren gezigteinder moet waarnemen, namelijk dien,
welke zich bevindt ter plaatse, waar lucht en water ineenloopen. Maar
hier liep het land juist ten noorden in een groot voorgebergte uit, en
maakte, daar het zich tusschen den waarnemer en den waren gezigteinder
inschoof, de waarneming onmogelijk.
In geval de gezigteinder ontbreekt, vervangt men hem door een
kunstmatigen; gewoonlijk is dit een vlakke schaal vol kwik, waarboven
men zijn waarneming verrigt. Het kwik levert dus van zelf een zuiver
waterpassen spiegel op.
John vond geen kwik aan boord; maar hief dit bezwaar op door zich te
bedienen van een balie, vol vloeibaar pek, welks oppervlakte tamelijk
goed het beeld der zon terugkaatste.
De lengte was hem reeds bekend, daar hij op de westkust van
Nieuw-Zeeland was. Dat was gelukkig; want zonder tijdmeter had hij ze
niet kunnen berekenen. De breedte alleen ontbrak, en die wilde bij nu
gaan zoeken.
Met den sextant nam hij dus de middaghoogte der zon boven den
gezigteinder. Die hoogte bleek 68°80' te zijn. De afstand van de zon tot
het toppunt bedroeg derhalve 21°30', omdat de som dier beide getallen
90° bedraagt. Volgens het jaarboekje bedroeg voor dien dag, den 3den
Februarij, de declinatie der zon 16°80', hetgeen, gevoegd bij den
afstand van het toppunt, zijnde 21°30', voor breedte gaf 88°.
De _Macquarie_ lag dus op 171°13' lengte en 38° breedte; waren er soms,
door de gebrekkige werktuigen eenige dwalingen in de berekening
geslopen, dan waren zij toch onbeteekenend en kon het verschil niet
groot zijn.
John Mangles zag met een blik op de kaart van Johnston, die Paganel te
Eden had gekocht, dat de schipbreuk had plaats gehad aan den ingang der
Aotea-baai, boven hoek Cahua, op de kust der provincie Auckland. De stad
van dien naam lag op zeven en dertig graden. Dus was de _Macquarie_ een
graad zuidelijker gedreven, en bij gevolg moest men een graad
noordelijker gaan om de hoofdstad van Nieuw-Zeeland te bereiken.
"Een togt van hoogstens vijf en twintig mijlen," zeide Glenarvan, "dat
beteekent niets."
"Wat ter zee niets is, zal lang en moeijelijk zijn te land," antwoordde
Paganel.
"Daarom moeten wij ook alles doen," sprak John Mangles, "wat
menschelijker wijze mogelijk is, om de _Macquarie_ vlot te krijgen."
Toen het bestek was gemaakt, werd het werk hervat. Kwart over twaalven
was het hoog water. Dit baatte John niets; want zijn ankers waren nog
niet uitgebragt. Niettemin sloeg hij de _Macquarie_ met zekeren angst
gade. Zou de vloed haar optillen? Die vraag moest in vijf minuten
beslist zijn.
Men wachtte. Er kraakte iets; dit werd veroorzaakt, zooal niet door een
optilling, dan toch door een schudding van de buitenhuid. John kreeg
goeden moed voor het volgende tij, maar bij slot van rekening bewoog de
brik zich niet.
Het werk werd voortgezet. Ten twee ure was het vlot klaar. Het stopanker
werd er op gebragt. John en Wilson gingen mede, na een greling aan het
achterschip vastgemaakt te hebben. De eb voerde ze mede en zij lieten
het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water
vallen. De ankergrond was goed en het vlot voer weer langs het stoptouw
naar boord.
Nu was het groote boeganker nog over. Het werd niet zonder moeite
neergelaten. Het vlot voer nog eens weg, en spoedig lieten ze dit tweede
anker achter het eerste vallen op vijftien vaam diepte. Het vlot langs
het kabeltouw voortduwende, keerden John en Wilson naar de _Macquarie_
terug.
De kabel en de greling werden om het braadspil gewonden en men wachtte
den volgenden vloed af, die 's nachts ten één ure zou opkomen. Het was
nu 's avonds zes ure.
John Mangles prees zijn matrozen en voorspelde Paganel, dat hij, wanneer
hij moed betoonde en goed oppaste, eenmaal bootsman zou kunnen worden.
Inmiddels was Olbinett, na eerst hard meegewerkt te hebben, naar de
kombuis gegaan. Hij had een versterkend maal toebereid, dat goed te pas
kwam. De geheele bemanning had razenden honger. Hij werd ruimschoots
bevredigd, en allen gevoelden zich gesterkt voor het werk, dat hen
wachtte.
Na den eten nam John Mangles de laatste voorzorgen, die het welslagen
der onderneming moesten verzekeren. Men mag niets verzuimen, wanneer het
er op aankomt een schip vlot te maken. Dikwijls mislukt de onderneming
uit gebrek aan eenige ligtings-lijnen, en de vastgeraakte kiel verlaat
het zandbed niet.
John Mangles had een groot deel der koopwaren in zee laten werpen, om de
brik te ligten; maar de overige balen, de zware sparren, de waarlooze
raas, eenige tonnen ballastschuitjes, die den ballast uitmaakten, werden
naar achteren gebragt om door hun zwaarte het losraken van den
voorsteven gemakkelijk te maken. Wilson en Mulrady rolden er ook eenige
volle watervaten heen om den neus der brik te doen rijzen.
Het sloeg twaalf ure, toen deze laatste werkzaamheden afgeloopen waren.
De bemanning was doodmoede, hetgeen zeer jammer was, omdat ze weldra
alle kracht zou moeten inspannen om het braadspil om te draaijen.
Dit bragt John Mangles op een nieuw besluit.
De wind bedaarde thans en rimpelde naauwlijks de oppervlakte der golven.
John onderzocht den gezigteinder ten noorden en ten oosten, en
bespeurde, dat de wind weder uit het zuidwesten naar het noordwesten zou
loopen. Een zeeman kan zich niet vergissen in de plaatsing en kleur der
wolken. Wilson en Mulrady waren het eens met hun kapitein.
John Mangles deelde zijn opmerkingen aan Glenarvan mede en stelde hem
voor om het vlotmaken tot den volgenden dag uit te stellen.
"Ik heb mijne redenen daarvoor," zeide hij. "Vooreerst zijn wij zeer
vermoeid door het werk van dezen dag, en wij hebben al onze krachten
noodig om het schip los te krijgen. En zijn we vlot, hoe zullen wij het
bij zulk een pikzwarte duisternis door de branding heensturen? Het is
beter bij het daglicht te werken. Maar nog een andere reden zet mij aan
om te wachten. De wind belooft ons te helpen, en daar zou ik zeer mee
gediend zijn. Ik wil, dat hij dezen ouden romp achteruit drijve, terwijl
de zee hem opligt. Morgen zal de wind, als ik mij niet vergis, uit het
noordwesten waaijen. Wij zullen de zeilen aan den grooten mast aanslaan;
en die zullen een handje medehelpen om de brik vlot te maken."
Deze redenen waren geldig. Glenarvan en Paganel, de ongeduldigsten aan
boord, gaven toe en het werk werd tot den volgenden dag uitgesteld.
De nacht ging rustig voorbij. Er werd wacht gehouden, vooral om voor het
slippen der ankers te waken.
De dag brak aan. Wat John Mangles voorzien had gebeurde. Er woei een
noord-noord-weste koelte, die sterker scheen te zullen worden. Dit was
een zeer voordeelige vermeerdering van kracht. De bemanning werd op haar
post geroepen. In den grooten mast hielden Robert, Wilson en Mulrady, op
het dek de majoor, Glenarvan en Paganel zich gereed om de zeilen op het
juiste oogenblik los te maken. De groot marszeilra werd op het
ezelshoofd geheschen, het groote zeil en het groot marszeil bleven
opgegeid.
Het was nu 's morgens negen ure. Over vier uren zou het hoog water zijn.
Die tijd werd niet nutteloos doorgebragt. John besteedde hem om zijn
noodmast, die den fokkemast vervangen moest, op te rigten. Zoo kon hij
zich, zoodra het achip vlot was, uit dit gevaarlijke vaarwater
verwijderen. De arbeiders deden hun uiterste best, en voor twaalven was
de marsra bij wijze van mast stevig overeind gezet. Lady Helena en Mary
Grant maakten zich zeer verdienstelijk, en sloegen een waarloos zeil aan
de bramra. Zij waren regt in haar schik, dat zij mede konden werken tot
aller redding. Toen dit tuig klaar was, liet de _Macquarie_ weliswaar
heel wat te wenschen over uit het oogpunt van sierlijkheid, maar kon ze
toch varen, althans wanneer ze het digt langs de kust hield.
Intusschen kwam de vloed opzetten. De oppervlakte der zee begon in
golvende beweging te raken. De kruinen der blinde klippen verdwenen
langzamerhand als zeedieren, die onderduiken. Het uur naderde, om het
groote werk te ondernemen. Een koortsachtig ongeduld hield allen in
spanning. Niemand sprak. Aller oog was op John gevestigd. Men wachtte
zijn bevelen af.
Over de leuning van het achterverdek gebogen, staarde John Mangles op de
zee. Hij sloeg een angstigen blik op de uitgebragte en strak gespannen
kabeltouwen.
Ten een ure bereikte de zee haar hoogste punt. Het was stil water, dat
wil zeggen het korte oogenblik, waarop het water niet meer stijgt en nog
niet valt. Nu was het tijd. Het groote zeil en het groot marszeil werden
losgemaakt, en deden den mast buigen door de kracht van den wind.
"Aan het braadspil!" riep John.
Het braadspil was van pompzwengels voorzien, gelijk een brandspuit.
Glenarvan, Mulrady, Robert aan de eene zijde, Paganel, de majoor en
Olbinett aan de andere, drukten op de pompzwengels, die de beweging op
den toestel overbragten. Ook John en Wilson hielpen hun makkers.
"Toe maar! toe maar!" riep de jonge kapitein, "allen te gelijk!"
De kabeltouwen rekten uit door de krachtige werking van het braadspil.
De ankers hielden goed en slipten niet.
Men moest spoedig slagen. Het hoog water duurt maar eenige minuten.
Weldra zou de waterspiegel weder dalen.
Nog eens spande men alle krachten in. De wind woei hevig en sloeg de
twee zeilen tegen den mast. Er werd eenige schudding in het schip
opgemerkt. De brik scheen op het punt om te rijzen. Misschien was de
hulp van nog een paar armen genoeg om ze uit de zandbank los te werken.
"Helena! Mary!" riep Glenarvan.
De beide jonge vrouwen voegden haar krachten bij die van hare
reisgenooten. Nog eens rammelde de spilpal.
Maar dat was alles. De brik bewoog zich niet. Het werk was vergeefsch
geweest. Reeds liep de ebbe en het bleek duidelijk, dat die geringe
bemanning er zelfs met behulp van den wind en de zee niet in zou slagen
om het vaartuig vlot te maken.