V.

De nieuwbakken matrozen.

Er viel niet aan te twijfelen, of Will Halley en zijn matrozen hadden

van den nacht en den slaap der passagiers gebruik gemaakt om met het

eenige bootje van de brik te ontvlugten. Die kapitein, wien de pligt

gebood tot het laatste aan boord te blijven, was de eerste geweest om

het te verlaten.

"Die schurken zijn weg!" zeide John Mangles. "Welnu, des te beter,

mylord! Zij besparen ons daardoor menig onaangenaam tooneel."

"Dat denk ik ook," antwoordde Glenarvan; "bovendien is er toch nog een

kapitein aan boord, John, en moedige, zooal niet bekwame, matrozen, uwe

makkers. Beveel! wij zijn gereed om te gehoorzamen."

De majoor, Paganel, Robert, Wilson, Mulrady, zelfs Olbinett juichten de

woorden van Glenarvan toe, en op het dek geschaard stelden zij zich ter

beschikking van John Mangles.

"Wat moeten wij doen?" vroeg Glenarvan.

De jonge kapitein zag naar de zee, naar het gebrekkige tuig van de brik,

en zeide na eenig nadenken:

"Wij hebben twee middelen; mylord! om ons uit dezen toestand te redden:

het schip ligten en zee kiezen, of op een vlot, dat gemakkelijk

getimmerd kan worden, de kust bereiken."

"Wanneer het schip geligt kan worden, moesten we dat doen," antwoordde

Glenarvan. "Het is het beste, wat wij doen kunnen, niet waar?"

"Ja, Uwe Edelheid! want al zijn wij aan land, wat zouden wij dan nog

aanvangen zonder middelen van vervoer?"

"Wij moeten de kust mijden," voegde Paganel er bij. "Nieuw-Zeeland is

niet te vertrouwen!"

"Te meer, omdat wij een heel eind uit den koers gedreven zijn," hernam

John. "De lompheid van Halley heeft ons zeker te ver zuidelijk gebragt.

Ten twaalf ure zal ik mijn bestek maken, en wanneer wij, zooals ik gis,

beneden Auckland zijn, zal ik trachten met de _Macquarie_ langs de kust

op te werken."

"Maar de avery van de brik?" vroeg lady Helena.

"Ik geloof niet, dat die van veel belang is, mevrouw!" antwoordde John

Mangles. "Ik zal een noodmast opzetten in plaats van den fokkemast, en

wij zullen varen,--langzaam, weliswaar,--maar wij zullen toch gaan,

waarheen wij willen. Is bij ongeluk het hol van het schip lek, of kan

het niet vlot gemaakt worden, dan zullen wij ons moeten getroosten aan

wal te gaan en te land naar Auckland reizen."

"Onderzoeken wij dan eerst den staat van het schip," zeide de majoor.

"Dat is vooreerst het noodigste."

Glenarvan, John en Mulrady openden het groote luik en klommen in het

ruim af. Daar stonden omtrent twee honderd slecht gestuwde vaten met

gelooide huiden. Men kon ze, zonder veel moeite verplaatsen, door middel

van takels vastgemaakt aan de groote stag loodregt boven het luik. John

liet terstond een gedeelte van die lading over boord werpen om het

vaartuig te ligten.

Na drie uren hard gewerkt te hebben kon men den bodem van de brik

onderzoeken. Twee naden van de buitenhuid op de hoogte van de barghouten

waren aan bakboordszijde open. Daar nu de _Macquarie_ over stuurboord

krengde, stak de andere zijde boven water uit, en waren de beschadigde

naden zigtbaar. Het water kon er derhalve indringen. Wilson haastte zich

om de reten te stoppen met werk en een blad koper, dat hij zorgvuldig

vast spijkerde.

Bij peiling bleek het, dat er geen twee voet water in het ruim stond. De

pompen konden dat water gemnakkekelijk verwijderen en zoodoende het

schip ligten.

Toen het onderzoek van het hol afgeloopen was, vond John, dat het weinig

door de stranding geleden had. Wel zou een gedeelte van de looze kiel in

het zand blijven zitten; maar die kon men missen.

Nadat Wilson het schip van binnen bezien had, dook hij om te

onderzoeken, hoe het van onderen gesteld was.

De _Macquarie_, wier voorsteven naar het noordnoordwesten gerigt was,

zat op een modderige zandbank met zeer steilen rand. Het onderste

gedeelte van den steven en omtrent twee derden van de kiel waren er diep

ingezakt. Het andere gedeelte tot aan den achtersteven had vijf vaam

water beneden zich. Het roer zat dus niet vast en werkte onbelemmerd.

John achtte het niet noodig het uit te ligten. Dit was een groot

voordeel; want nu kon men het gebruiken, zoodra dit noodig mogt zijn.

De getijden zijn in de Stille Zuidzee niet belangrijk. Evenwel rekende

John Mangles op den vloed om de _Macquarie_ vlot te doen worden. De brik

was omstreeks een uur voor hoog water gestrand. Zoodra de ebbe opkwam,

was ze aan stuurboordszijde hoe langer hoe meer gezakt, hetgeen tot 's

morgens ten zes ure, toen het laag water was, voortduurde. Het scheen

onnoodig het schip met stutten te schoren. Nu konden de raas en andere

sparren aan boord blijven, die John wilde gebruiken om een noodmast te

maken.

Nu moesten de noodige maatregelen genomen worden om de _Macquarie_ vlot

te maken. Dat was een lang en moeijelijk werk. Het was bepaald

onmogelijk om klaar te wezen voor kwart over twaalven, wanneer het hoog

water zou zijn. Men zou alleen kunnen zien hoe, nu een gedeelte der

lading over boord was geworpen, de vloed op het schip zou werken en bij

het volgende tij zou men nog een nieuwe poging aanwenden.

"Aan het werk!" beval John Mangles.

Zijn nieuwbakken matrozen wachtten zijn bevelen af.

John liet eerst de zeilen bergen, die nog opgegeid waren. Onder toezigt

van Wilson klommen de majoor, Robert en Paganel in de groote mars. Het

groote marszeil door den wind strak gespannen, zou het losraken van het

vaartuig belemmerd hebben. Het moest dus geborgen worden, hetgeen zoo

goed en kwaad als het wilde geschiedde. Vervolgens werd na een

volhardenden arbeid, die zeer zwaar viel aan handen, welke zoo iets niet

gewoon waren, de grootbramsteng gestreken. De jonge Robert die zoo vlug

als een kat en zoo moedig als een scheepsjongen was, had bij dit

moeijelijke werk de grootste diensten bewezen.

Nu moest er nog een, misschien twee ankers uitgebragt worden, achteraan

het schip en voor de kiel. De trekkende kracht moest op deze ankers

werken om de _Macquarie_ bij hoog water te doen rijzen. Dit werk is

volstrekt niet moeijelijk, wanneer men over een sloep beschikt; men

neemt een anker mede en legt het op een geschikte plaats, die men

vooruit heeft opgezocht. Maar hier miste men een sloep en men moest zich

behelpen.

Glenarvan had genoeg kennis van zeezaken om het noodzakelijke van die

werkzaamheden in te zien. Er moest een anker uitgebragt worden om het

schip, dat met laag water gestrand was, vlot te maken.

"Maar hoe zullen wij het zonder sloep redden?" vroeg hij aan John.

"Wij zullen de stukken van den fokkemast en ledige vaten gebruiken,"

antwoordde de jonge kapitein. "Het werk zal moeijelijk, maar niet

onmogelijk zijn; want de ankers der _Macquarie_ zijn maar klein. Zijn ze

maar gevallen, dan ben ik vol hoop; althans, wanneer ze niet

doorslippen."

"Goed! Dan moeten we geen tijd verliezen, John!"

Alleman, matrozen en passagiers, werd op het dek geroepen. Elk werkte

mede. Met de bijl werden de touwen stuk gebakt, die den fokkemast nog

tegenhielden. De ondermast was in zijn val bij den top afgebroken,

zoodat de mars er gemakkelijk uitgenomen kon worden. John Mangles wilde

van dien vloer een vlot maken. Het dreef op ledige vaten en kon de

ankers dragen. Er werd een wrikriem aan vastgemaakt om den toestel te

sturen. Verder zou de ebbe hem juist achter de brik aandrijven; en

wanneer dan de ankers waren uitgeworpen, kon men gemakkelijk weder aan

boord komen, door langs het ankertouw te varen.

Dat werk was half klaar, toen de zon den middagcirkel naderde. John

Mangles liet den arbeid onder Glenarvans toezigt voortzetten en maakte

zich gereed om zijn bestek op te maken. Dit was van groot belang.

Gelukkig had John in de kajuit van Will Halley, behalve een jaarboekje

van de sterrewacht van Greenwich, een zeer vuilen sextant gevonden, maar

die toch goed genoeg was om hoogte te nemen. Hij maakte dien schoon en

kwam er mee op het dek.

Door een aantal beweegbare spiegels brengt dit werktuig de zon weder aan

den gezigteinder, op het oogenblik, dat het twaalf ure is, dat wil

zeggen, wanneer de dagvorstin het hoogste punt van haar baan bereikt.

Het is dus ligt te begrijpen, dat wie er mede wil werken, met den kijker

van den sextant een waren gezigteinder moet waarnemen, namelijk dien,

welke zich bevindt ter plaatse, waar lucht en water ineenloopen. Maar

hier liep het land juist ten noorden in een groot voorgebergte uit, en

maakte, daar het zich tusschen den waarnemer en den waren gezigteinder

inschoof, de waarneming onmogelijk.

In geval de gezigteinder ontbreekt, vervangt men hem door een

kunstmatigen; gewoonlijk is dit een vlakke schaal vol kwik, waarboven

men zijn waarneming verrigt. Het kwik levert dus van zelf een zuiver

waterpassen spiegel op.

John vond geen kwik aan boord; maar hief dit bezwaar op door zich te

bedienen van een balie, vol vloeibaar pek, welks oppervlakte tamelijk

goed het beeld der zon terugkaatste.

De lengte was hem reeds bekend, daar hij op de westkust van

Nieuw-Zeeland was. Dat was gelukkig; want zonder tijdmeter had hij ze

niet kunnen berekenen. De breedte alleen ontbrak, en die wilde bij nu

gaan zoeken.

Met den sextant nam hij dus de middaghoogte der zon boven den

gezigteinder. Die hoogte bleek 68°80' te zijn. De afstand van de zon tot

het toppunt bedroeg derhalve 21°30', omdat de som dier beide getallen

90° bedraagt. Volgens het jaarboekje bedroeg voor dien dag, den 3den

Februarij, de declinatie der zon 16°80', hetgeen, gevoegd bij den

afstand van het toppunt, zijnde 21°30', voor breedte gaf 88°.

De _Macquarie_ lag dus op 171°13' lengte en 38° breedte; waren er soms,

door de gebrekkige werktuigen eenige dwalingen in de berekening

geslopen, dan waren zij toch onbeteekenend en kon het verschil niet

groot zijn.

John Mangles zag met een blik op de kaart van Johnston, die Paganel te

Eden had gekocht, dat de schipbreuk had plaats gehad aan den ingang der

Aotea-baai, boven hoek Cahua, op de kust der provincie Auckland. De stad

van dien naam lag op zeven en dertig graden. Dus was de _Macquarie_ een

graad zuidelijker gedreven, en bij gevolg moest men een graad

noordelijker gaan om de hoofdstad van Nieuw-Zeeland te bereiken.

"Een togt van hoogstens vijf en twintig mijlen," zeide Glenarvan, "dat

beteekent niets."

"Wat ter zee niets is, zal lang en moeijelijk zijn te land," antwoordde

Paganel.

"Daarom moeten wij ook alles doen," sprak John Mangles, "wat

menschelijker wijze mogelijk is, om de _Macquarie_ vlot te krijgen."

Toen het bestek was gemaakt, werd het werk hervat. Kwart over twaalven

was het hoog water. Dit baatte John niets; want zijn ankers waren nog

niet uitgebragt. Niettemin sloeg hij de _Macquarie_ met zekeren angst

gade. Zou de vloed haar optillen? Die vraag moest in vijf minuten

beslist zijn.

Men wachtte. Er kraakte iets; dit werd veroorzaakt, zooal niet door een

optilling, dan toch door een schudding van de buitenhuid. John kreeg

goeden moed voor het volgende tij, maar bij slot van rekening bewoog de

brik zich niet.

Het werk werd voortgezet. Ten twee ure was het vlot klaar. Het stopanker

werd er op gebragt. John en Wilson gingen mede, na een greling aan het

achterschip vastgemaakt te hebben. De eb voerde ze mede en zij lieten

het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water

vallen. De ankergrond was goed en het vlot voer weer langs het stoptouw

naar boord.

Nu was het groote boeganker nog over. Het werd niet zonder moeite

neergelaten. Het vlot voer nog eens weg, en spoedig lieten ze dit tweede

anker achter het eerste vallen op vijftien vaam diepte. Het vlot langs

het kabeltouw voortduwende, keerden John en Wilson naar de _Macquarie_

terug.

De kabel en de greling werden om het braadspil gewonden en men wachtte

den volgenden vloed af, die 's nachts ten één ure zou opkomen. Het was

nu 's avonds zes ure.

John Mangles prees zijn matrozen en voorspelde Paganel, dat hij, wanneer

hij moed betoonde en goed oppaste, eenmaal bootsman zou kunnen worden.

Inmiddels was Olbinett, na eerst hard meegewerkt te hebben, naar de

kombuis gegaan. Hij had een versterkend maal toebereid, dat goed te pas

kwam. De geheele bemanning had razenden honger. Hij werd ruimschoots

bevredigd, en allen gevoelden zich gesterkt voor het werk, dat hen

wachtte.

Na den eten nam John Mangles de laatste voorzorgen, die het welslagen

der onderneming moesten verzekeren. Men mag niets verzuimen, wanneer het

er op aankomt een schip vlot te maken. Dikwijls mislukt de onderneming

uit gebrek aan eenige ligtings-lijnen, en de vastgeraakte kiel verlaat

het zandbed niet.

John Mangles had een groot deel der koopwaren in zee laten werpen, om de

brik te ligten; maar de overige balen, de zware sparren, de waarlooze

raas, eenige tonnen ballastschuitjes, die den ballast uitmaakten, werden

naar achteren gebragt om door hun zwaarte het losraken van den

voorsteven gemakkelijk te maken. Wilson en Mulrady rolden er ook eenige

volle watervaten heen om den neus der brik te doen rijzen.

Het sloeg twaalf ure, toen deze laatste werkzaamheden afgeloopen waren.

De bemanning was doodmoede, hetgeen zeer jammer was, omdat ze weldra

alle kracht zou moeten inspannen om het braadspil om te draaijen.

Dit bragt John Mangles op een nieuw besluit.

De wind bedaarde thans en rimpelde naauwlijks de oppervlakte der golven.

John onderzocht den gezigteinder ten noorden en ten oosten, en

bespeurde, dat de wind weder uit het zuidwesten naar het noordwesten zou

loopen. Een zeeman kan zich niet vergissen in de plaatsing en kleur der

wolken. Wilson en Mulrady waren het eens met hun kapitein.

John Mangles deelde zijn opmerkingen aan Glenarvan mede en stelde hem

voor om het vlotmaken tot den volgenden dag uit te stellen.

"Ik heb mijne redenen daarvoor," zeide hij. "Vooreerst zijn wij zeer

vermoeid door het werk van dezen dag, en wij hebben al onze krachten

noodig om het schip los te krijgen. En zijn we vlot, hoe zullen wij het

bij zulk een pikzwarte duisternis door de branding heensturen? Het is

beter bij het daglicht te werken. Maar nog een andere reden zet mij aan

om te wachten. De wind belooft ons te helpen, en daar zou ik zeer mee

gediend zijn. Ik wil, dat hij dezen ouden romp achteruit drijve, terwijl

de zee hem opligt. Morgen zal de wind, als ik mij niet vergis, uit het

noordwesten waaijen. Wij zullen de zeilen aan den grooten mast aanslaan;

en die zullen een handje medehelpen om de brik vlot te maken."

Deze redenen waren geldig. Glenarvan en Paganel, de ongeduldigsten aan

boord, gaven toe en het werk werd tot den volgenden dag uitgesteld.

De nacht ging rustig voorbij. Er werd wacht gehouden, vooral om voor het

slippen der ankers te waken.

De dag brak aan. Wat John Mangles voorzien had gebeurde. Er woei een

noord-noord-weste koelte, die sterker scheen te zullen worden. Dit was

een zeer voordeelige vermeerdering van kracht. De bemanning werd op haar

post geroepen. In den grooten mast hielden Robert, Wilson en Mulrady, op

het dek de majoor, Glenarvan en Paganel zich gereed om de zeilen op het

juiste oogenblik los te maken. De groot marszeilra werd op het

ezelshoofd geheschen, het groote zeil en het groot marszeil bleven

opgegeid.

Het was nu 's morgens negen ure. Over vier uren zou het hoog water zijn.

Die tijd werd niet nutteloos doorgebragt. John besteedde hem om zijn

noodmast, die den fokkemast vervangen moest, op te rigten. Zoo kon hij

zich, zoodra het achip vlot was, uit dit gevaarlijke vaarwater

verwijderen. De arbeiders deden hun uiterste best, en voor twaalven was

de marsra bij wijze van mast stevig overeind gezet. Lady Helena en Mary

Grant maakten zich zeer verdienstelijk, en sloegen een waarloos zeil aan

de bramra. Zij waren regt in haar schik, dat zij mede konden werken tot

aller redding. Toen dit tuig klaar was, liet de _Macquarie_ weliswaar

heel wat te wenschen over uit het oogpunt van sierlijkheid, maar kon ze

toch varen, althans wanneer ze het digt langs de kust hield.

Intusschen kwam de vloed opzetten. De oppervlakte der zee begon in

golvende beweging te raken. De kruinen der blinde klippen verdwenen

langzamerhand als zeedieren, die onderduiken. Het uur naderde, om het

groote werk te ondernemen. Een koortsachtig ongeduld hield allen in

spanning. Niemand sprak. Aller oog was op John gevestigd. Men wachtte

zijn bevelen af.

Over de leuning van het achterverdek gebogen, staarde John Mangles op de

zee. Hij sloeg een angstigen blik op de uitgebragte en strak gespannen

kabeltouwen.

Ten een ure bereikte de zee haar hoogste punt. Het was stil water, dat

wil zeggen het korte oogenblik, waarop het water niet meer stijgt en nog

niet valt. Nu was het tijd. Het groote zeil en het groot marszeil werden

losgemaakt, en deden den mast buigen door de kracht van den wind.

"Aan het braadspil!" riep John.

Het braadspil was van pompzwengels voorzien, gelijk een brandspuit.

Glenarvan, Mulrady, Robert aan de eene zijde, Paganel, de majoor en

Olbinett aan de andere, drukten op de pompzwengels, die de beweging op

den toestel overbragten. Ook John en Wilson hielpen hun makkers.

"Toe maar! toe maar!" riep de jonge kapitein, "allen te gelijk!"

De kabeltouwen rekten uit door de krachtige werking van het braadspil.

De ankers hielden goed en slipten niet.

Men moest spoedig slagen. Het hoog water duurt maar eenige minuten.

Weldra zou de waterspiegel weder dalen.

Nog eens spande men alle krachten in. De wind woei hevig en sloeg de

twee zeilen tegen den mast. Er werd eenige schudding in het schip

opgemerkt. De brik scheen op het punt om te rijzen. Misschien was de

hulp van nog een paar armen genoeg om ze uit de zandbank los te werken.

"Helena! Mary!" riep Glenarvan.

De beide jonge vrouwen voegden haar krachten bij die van hare

reisgenooten. Nog eens rammelde de spilpal.

Maar dat was alles. De brik bewoog zich niet. Het werk was vergeefsch

geweest. Reeds liep de ebbe en het bleek duidelijk, dat die geringe

bemanning er zelfs met behulp van den wind en de zee niet in zou slagen

om het vaartuig vlot te maken.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 11 / 29 题