III.

Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland.

Den 31sten Januarij, vier dagen na haar vertrek, had de _Macquarie_ nog

geen twee derden van den oceaan afgelegd, die tusschen Australië en

Nieuw-Zeeland is ingeklemd. Will Halley hield zich weinig bezig met het

bestuur van zijn vaartuig; hij liet alles maar begaan. Men zag hem

zelden, waarover trouwens niemand zich beklaagde. Niemand zou er iets

van gezegd hebben, dat hij altijd in zijn kajuit bleef, als de lompe

schipper maar niet dagelijks dronken was geweest van jenever of

brandewijn. Zijn matrozen volgden zijn voorbeeld, en zoo ooit een schip

op Gods genade dreef, dan was het wel de _Macquarie_ van de

Twofold-baai.

Die onvergefelijke achteloosheid verpligtte John Mangles steeds een oog

in het zeil te houden. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer

om, op het oogenblik dat een stortzee de brik op zijde zou geworpen

hebben. Dikwijls kwam Will Halley tusschen beide en raasde en tierde

tegen de twee zeelieden. Dezen, die vrij kitteloorig waren, wenschten

den dronkaard te mogen knevelen en hem, zoolang de reis nog mogt duren,

in het ruim te stoppen. Maar John Mangles hield hen tegen en bedwong,

niet zonder moeite, hun billijke verontwaardiging.

Deze toestand van het schip bekommerde hem; maar om Glenarvan niet

ongerust te maken sprak hij er alleen met den majoor en met Paganel

over. Mac Nabbs gaf hem met andere woorden denzelfden raad als Mulrady

en Wilson.

"Als gij dien maatregel noodig acht, John!" zeide Mac Nabbs, "moet gij

zonder bedenken het bevel, of als gij dat liever wilt het bestuur van

het schip op u nemen. Als die dronkaard ons te Auckland gebragt heeft,

wordt hij weer meester aan boord, en mag hij, als hij lust daarin heeft,

omslaan."

"Zonder twijfel, mijnheer Mac Nabbs," antwoordde John, "en ik zal het

doen ook, als het volstrekt moet. Zoo lang wij in volle zee zijn, is een

beetje toezigt genoeg; mijn matrozen en ik verlaten het dek niet. Maar

bij de nadering der kust wil ik wel weten, dat ik verlegen zal staan,

wanneer die Will Halley niet nuchteren is."

"Kunt gij den koers niet aangeven?" vroeg Paganel.

"Dat zal moeijelijk gaan," antwoordde John. "Gij moet niet denken, dat

er een zeekaart aan boord is."

"Toch niet?"

"Wel neen. De _Macquarie_ is slechts een kustvaarder tusschen Eden en

Auckland, en die Will Halley is zoo met dit vaarwater bekend, dat hij

nooit hoogte neemt."

"Hij verbeeldt zich zeker," antwoordde Paganel, "dat zijn schip den weg

weet en zich zelf stuurt."

"Ho! ho!" hernam John Mangles, "ik geloof niet aan schepen, die zich

zelven sturen, en wanneer Will Halley in de nabijheid der kust dronken

is, zal hij ons in groote verlegenheid brengen."

"Dan mag ik wel lijden, dat hij zijn verstand op de kust zal

opvisschen," zeide Paganel.

"Dan zoudt gij geen kans zien om de _Macquarie_ als het noodig zijn mogt

naar Auckland te brengen?" vroeg Mac Nabbs.

"Zonder de kaart van dit gedeelte der kust is het onmogelijk. De

stranden zijn hier zeer gevaarlijk. Het is een reeks van onregelmatige

en grillige inhammen, evenals de noorweegsche fiords. De riffen zijn

talrijk en er is veel ervaring noodig om ze te vermijden. Hoe stevig een

schip ook moge zijn, het moet vergaan, wanneer zijn kiel op een dier

rotsen stoot, die maar eenige voeten onder water liggen."

"En dan zit er voor de bemanning niets anders op dan naar de kust te

vlugten?" zeide de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs! wanneer de tijd het toelaat."

"Een hard lot!" antwoordde Paganel, "want de kusten van Nieuw-Zeeland

zijn juist niet herbergzaam, en de gevaren zijn even groot aan gene als

aan deze zijde van den oever!"

"Spreekt gij van de Maori's, mijnheer Paganel?" vroeg John Mangles.

"Ja, mijn vriend! Hun naam is gevestigd in den Indischen oceaan. Het

zijn geen beschroomde of stompe Australiërs, maar een schrander en

bloeddorstig ras, kannibalen, die verlekkerd zijn op menschenvleesch,

menscheneters, die geen medelijden kennen."

"Wanneer dus," zeide de majoor, "kapitein Grant op de kusten van

Nieuw-Zeeland schipbreuk geleden had, zoudt gij niet aanraden hem te

gaan opzoeken?"

"Op de kusten wel," antwoordde de aardrijkskundige; "want men zou alligt

sporen van de _Britannia_ vinden: maar in het binnenland niet; want dat

zou niets baten. Elke Europeaan, die zich in dit noodlottige land waagt,

valt in de handen der Maori's, en elke gevangene der Maori's is

verloren. Ik heb mijn vrienden aangespoord om de Pampa's te doorkruisen,

om Australië door te trekken; maar nooit zou ik ze medeslepen op de

paden van Nieuw-Zeeland. De hemel zij ons genadig en God geve, dat wij

nooit in de magt dier woeste inboorlingen vallen!"

De vrees van Paganel was maar al te gegrond. Nieuw-Zeeland is zeer

berucht, en al de voorvallen, die deszelfs ontdekking hebben gekenmerkt,

staan met bloedige letters aangeteekend.

Lang is de lijst der slagtoffers, die opgeschreven staan in het

martelaarsboek der zeevaarders. Abel Tasman opende met zijn vijf gedoode

en verslonden matrozen de bloedige jaarboeken van het kannibalisme. Na

hem onderging kapitein Tukney met al zijn sloeproeijers hetzelfde lot.

Op de hoogte van het noordelijke gedeelte der straat van Foveaux vonden

vijf visschers van de _Sydney Cove_ insgelijks den dood onder de tand

der inboorlingen. Nog moeten aangehaald worden vier man van den schoener

_Brothers_, in de haven van Molineux vermoord, verscheidene soldaten van

generaal Gates, en drie weggeloopen matrozen van de _Mathilda_, voor men

komt aan den naam van kapitein Marion Du Frène, die een treurige

beroemdheid heeft verkregen.

Den 11den Mei 1772, na de eerste reis van Cook, ankerde de fransche

kapitein Marion in de Eilanden-baai met zijn schip de _Mascarin_ en de

_Castries_, kapitein Crozet. De huichelachtige Nieuw-Zeelanders

ontvingen de aankomelingen zeer goed. Zij toonden zich zelfs beschroomd,

en er waren geschenken, goede diensten, een dagelijksche verbroedering,

een langdurige vriendelijke omgang noodig om hen aan boord te gewennen.

Hun opperhoofd, de schrandere Takoeri, behoorde naar het zeggen van

Dumont d'Urville tot den stam der Wangaroa, en was een bloedverwant van

den inboorling, dien Surville twee jaren voor de komst van kapitein

Marion verraderlijk had opgeligt.

In een land, waar de eer van iederen Maori eischt, om ondergane

beleedigingen met bloed af te wasschen, kon Takoeri den hoon niet

vergeten, die zijn stam was aangedaan. Hij wachtte geduldig de komst van

een europeesch schip af, zon op wraak, en volbragt ze met afgrijselijke

koelbloedigheid.

Na vrees voor de Franschen geveinsd te hebben, vergat Takoeri niets om

hen in een bedriegelijke gerustheid te doen insluimeren. Hij sleet

dikwijls met zijn makkers den nacht aan boord van de schepen. Zij

bragten lekkere visschen mede. Hun dochters en vrouwen vergezelden hen.

Zij leerden weldra de namen der officieren en noodigden hen uit om hun

dorpen te bezoeken. Door den schijn bedrogen, doorliepen Marion en

Crozet dus die geheele kust, die meer dan vier duizend innwoners telde.

De inboorlingen gingen hun ongewapend te gemoet en trachtten hun een

volkomen vertrouwen in te boezemen.

Kapitein Marion was de Eilanden-baai ingelopen met plan om de tuigaadje

der _Castries_ te veranderen, die door de laatste stormen veel had

geleden. Hij onderzocht daarom het binnenland, en vond den 23sten Mei

een bosch van prachtige ceders, twee uren van de kust en digt bij een

baai, een uur van de schepen.

Daar werd een legerplaats opgeslagen, waar twee derden van de bemanning

met bijlen en andere gereedschappen werkten om de boomen te vellen en de

wegen te verbeteren, die naar de baai leidden. Twee andere posten werden

uitgekozen, de een op het eilandje Motoe-Aro in het midden der haven,

waar de zieken, de smeden en kuipers werden heengebragt, de andere aan

den zeekant op het groote eiland, anderhalf uur van de schepen af; deze

laatste stond in verband met de legerplaats der timmerlieden. Op al deze

posten hielpen sterke en vriendelijke wilden de matrozen in hun

verschillende werkzaamheden.

Kapitein Marion had tot nog toe evenwel sommige maatregelen van

voorzigtigheid niet verzuimd. De wilden kwamen nooit gewapend op zijn

schip, en de sloepen gingen nooit anders dan goed gewapend aan land.

Maar Marion en de wantrouwendste zijner officieren werden door de

manieren der inboorlingen om den tuin geleid, en de bevelhebber gaf last

de sloepen te ontwapenen. Kapitein Crozet wilde echter Marion bewegen om

dit bevel in te trekken. Het gelukte hem niet.

Nu verdubbelden de oplettendheden en de voorkomendheid der

Nieuw-Zeelanders. Hun opperhoofden en de officieren leefden op den voet

van volkomen hartelijkheid. Meermalen nam Takoeri zijn zoon mede aan

boord en liet hem in de hutten slapen. Den 8sten Junij werd Marion, bij

een plegtig bezoek, dat bij aan land aflegde als het "grootste

opperhoofd" van het geheele land erkend, en vier witte vederen

versierden als eereteekens zijn haar.

Zoo verliepen drie en dertig dagen na de aankomst der schepen in de

Eilanden-baai. De werkzaamheden aan de tuigaadje vorderden goed; de

watervaten werden aan de bron van Motoe-Aro gevuld. Kapitein Crozet

bestuurde in persoon den post der timmerlieden, en alles gaf regt tot de

hoop, dat de onderneming met een goeden uitslag bekroond zou worden.

Den 12den Junij ten twee ure werd de sloep van den bevelhebber uitgezet

voor een voorgenomen vischpartij aan den voet van het dorp van Takoeri.

Marion stapte er in met de twee jonge officieren Vaudricourt en Leboux,

een vrijwilliger, den wapenkapitein en twaalf matrozen. Takoeri en vijf

andere opperhoofden vergezelden hem. Niets kon de vreeselijke ramp doen

vermoeden, die zestien van de zeventien Europeanen wachtte.

De sloep stak af, roeide naar land en weldra was ze uit het gezigt van

de twee schepen.

's Avonds kwam kapitein Marion niet aan boord slapen. Niemand maakte

zich ongerust over zijn uitblijven. Men meende, dat hij de werf had

willen bezoeken en er den nacht doorbrengen.

Den volgenden dag, ten vijf ure, ging de sloep der _Castries_ volgens

gewoonte water halen op het eiland Motoe-Aro. Zij kwam zonder ongelukken

aan boord terug.

Ten negen ure zag de wachthebbende matroos van de _Mascarin_ een bijna

uitgeput man in zee, die naar de schepen zwom. Een sloep roeide naar hem

toe en bragt hem aan boord terug.

Het was Turner, een der roeijers van Marion. In de zijde had hij een

wond, door twee lanssteken veroorzaakt, en hij alleen kwam terug van de

zeventien man, die den vorigen dag het schip hadden verlaten.

Hij werd ondervraagd, en nu kwamen spoedig al de bijzonderheden van dit

verschrikkelijk treurspel aan het licht.

De sloep van den ongelukkigen Marion was 's morgens ten zeven ure bij

het dorp gekomen. De wilden gingen hun gasten vrolijk te gemoet. Op hun

schouders droegen zij de officieren en matrozen, die zich niet wilden

natmaken bij het aan land gaan. Daarna verstrooiden de Franschen zich.

Dadelijk vielen de wilden met lansen, knodsen en stokken op hen aan,

tien tegen één, en vermoordden hen. De matroos Turner, door twee

lanssteken getroffen, had het geluk zijn vijanden te ontsnappen en zich

in het kreupelhout te verbergen. Daar was hij getuige van afschuwelijke

tooneelen. De wilden beroofden de lijken van hun kleeren, sneden hun den

buik open, hakten ze in stukken....

Nu sprong Turner onbemerkt in zee, en werd stervende door de sloep der

_Mascarin_ opgenomen.

Die gebeurtenis verspreidde ontsteltenis onder de bemanning der twee

schepen. Een wraakgeschrei steeg omhoog. Maar voor men de dooden

wreekte, moest men de levenden redden. Er waren drie posten aan wal, en

duizenden bloedgierige wilden, op menschenvleesch beluste kannibalen,

omsingelden hen.

Bij ontstentenis van kapitein Crozet, die den nacht had doorgebragt op

de werf, nam de eerste officier Duclesmeur de noodige maatregelen. De

sloep der _Mascarin_ werd afgezonden met een officier en een afdeeling

soldaten. Voor alles moest die officier bijstand verleenen aan de

timmerlieden. Hij vertrok, voer de kust langs, zag de boot van den

kommandant Marion op het strand liggen en landde.

Kapitein Crozet, die, zooals reeds gezegd is, niet aan boord was, wist

niets van den moord af, toen hij 's namiddags tegen twee ure de

afdeeling zag verschijnen. Hij vermoedde een ongeluk. Hij ging vooruit

en vernam het gebeurde. Hij verbood er zijn makkers kennis van te geven,

om hen niet te beangstigen.

De wilden bezetten in groote troepen al de hoogten. Kapitein Crozet liet

de voornaamste gereedschappen medenemen, begroef de andere, verbrandde

de loodsen en ving met zestig man den terugtogt aan.

De inboorlingen volgden hem onder het geschreeuw: "Takoeri heeft Marion

gedood!" Zij hoopten den matrozen schrik aan te jagen, door hun den dood

hunner opperhoofden mede te deelen. In woede ontstoken wilden dezen op

die ellendelingen instormen. Kapitein Crozet kon hen naauwelijks in

bedwang houden.

Twee uren duurde de aftogt. De afdeeling bereikte den oever, trok de

manschappen van den tweeden post aan zich, en ging aan boord van de

sloepen. Een duizendtal wilden hadden al dien tijd roerloos op den grond

gezeten. Maar toen de sloepen van wal staken, begonnen de steenen te

vliegen.

Terstond velden vier matrozen, goede schutters, achtereenvolgens al de

opperhoofden, tot groote verbazing der inboorlingen, die onbekend waren

met de uitwerking der vuurwapenen.

Kapitein Crozet beklom de _Mascarin_ en zond de sloep terstond naar bet

eiland Motoe-Aro. Een afdeelig soldaten bleef den nacht over op het

eiland, en de zieken werden weder aan boord gebragt.

's Anderendaags werd de post door een tweede afdeling soldaten

versterkt. Het eiland moest schoongeveegd worden van de wilden, die het

onveilig maakten, en men moest verder water innemen. Motoe-Aro had een

dorp met drie honderd inwoners. De Franschen tastten het aan.

Zes opperhoofden werden gedood, de overige inlanders met de bajonnet

overhoop gestoken, het dorp verbrand.

De _Castries_ kon echter zonder masten geen zee kiezen, en Crozet, nu

verpligt om af te zien van de boomen uit het cederbosch, moest gewangde

masten maken. Het water innemen werd voortgezet.

Zoo verliep er een maand. De wilden beproefden eenige malen het eiland

Motoe-Aro te hernemen; maar het gelukte hun niet. Wanneer hun praauwen

onder het bereik van bet scheepsgeschut kwamen, werden ze in den grond

geschoten.

Eindelijk waren de werkzaamheden afgeloopen. Nu moest men men nog te

weten komen, of soms een der zestien slagtoffers den moord had

overleefd; de anderen moesten gewroken worden. De sloep, sterk bemand

met officieren en soldaten, roeide naar het dorp van Takoeri. Bij hun

nadering vlugtte dat trouwelooze en lafhartige opperhoofd, met den

mantel van den kommandant Marion over de schouders. De hutten van zijn

dorp werden naauwkeurig onderzocht. In zijn woning vond men den

hersenpan van een man, die pas gebraden was. De indruksels van de tanden

des kannibaals waren er nog aan te zien. Een menschendij was aan een

houten braadspit gestoken. Een hemd met bebloeden boord werd herkend als

het hemd van Marion, daarna de kleederen en pistolen van den jeugdigen

Vaudricourt, de wapenen der sloep en verscheurde kleedingstukken.

Verder, in een ander dorp, schoongemaakte en gebraden ingewanden van een

mensch.

Die onweersprekelijke bewijzen van moord en menscheneten werden

bijeengezameld en die menschelijke overblijfselen eerbiedig begraven.

Vervolgens werden de dorpen van Takoeri en Piki-Ore, zijn medepligtige,

in den asch gelegd. Den 14den Julij 1772 verlieten de twee schepen die

noodlottige wateren.

Ziedaar het verhaal van een onheil, waarmede iedere reiziger moet bekend

zijn, die een voet zet op de kust van Nieuw-Zeeland. De kapitein, die

zijn voordeel niet doet met die les, handelt hoogst onvoorzigtig. De

Nieuw-Zeelanders zijn altijd trouweloos en menscheneters. Ook Cook

ondervond dit op zijn tweede reis in 1773.

Toen de sloep van een zijner schepen, de _Adventure_, kapitein Furneaux,

den 17den December aan land was gegaan om een voorraad wilde kruiden te

halen, kwam ze niet terug. Zij was bemand met een adelborst en negen

matrozen. Kapitein Furneaux werd ongerust en zond luitenant Burney om

hen op te zoeken. Toen Burney aan de landingsplaats kwam, vond hij, zegt

hij, "een tooneel van bloeddorst en barbaarschheid, waarvan men

onmogelijk zonder afgrijzen kan spreken; de hoofden, ingewanden en

longen van verscheidene onzer makkers lagen op het zand verstrooid, en

op korten afstand verslonden eenige honden nog andere overblijfselen van

dien aard."

Ten besluite van die bloedige lijst voegen wij er nog het schip

_Brothers_ bij, dat in 1815 door de Nieuw-Zeelanders aangetast werd, en

de geheele bemanning der _Boyd_, kapitein Thompson, die in 1820 werd

vermoord. Den 1sten Maart 1829 eindelijk plunderde te Valkitas het

opperhoofd Enararo de engelsche brik _Hawes_ van Sydney; zijn

kannibalenhorde vermoordde verscheidene matrozen, braadde de lijken en

verslond ze.

Zoo'n land was dat Nieuw-Zeeland, waarheen de _Macquarie_ stevende, met

haar onbekwame bemanning onder het bevel van een dronkaard.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 8 / 29 题