Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland.
Den 31sten Januarij, vier dagen na haar vertrek, had de _Macquarie_ nog
geen twee derden van den oceaan afgelegd, die tusschen Australië en
Nieuw-Zeeland is ingeklemd. Will Halley hield zich weinig bezig met het
bestuur van zijn vaartuig; hij liet alles maar begaan. Men zag hem
zelden, waarover trouwens niemand zich beklaagde. Niemand zou er iets
van gezegd hebben, dat hij altijd in zijn kajuit bleef, als de lompe
schipper maar niet dagelijks dronken was geweest van jenever of
brandewijn. Zijn matrozen volgden zijn voorbeeld, en zoo ooit een schip
op Gods genade dreef, dan was het wel de _Macquarie_ van de
Twofold-baai.
Die onvergefelijke achteloosheid verpligtte John Mangles steeds een oog
in het zeil te houden. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer
om, op het oogenblik dat een stortzee de brik op zijde zou geworpen
hebben. Dikwijls kwam Will Halley tusschen beide en raasde en tierde
tegen de twee zeelieden. Dezen, die vrij kitteloorig waren, wenschten
den dronkaard te mogen knevelen en hem, zoolang de reis nog mogt duren,
in het ruim te stoppen. Maar John Mangles hield hen tegen en bedwong,
niet zonder moeite, hun billijke verontwaardiging.
Deze toestand van het schip bekommerde hem; maar om Glenarvan niet
ongerust te maken sprak hij er alleen met den majoor en met Paganel
over. Mac Nabbs gaf hem met andere woorden denzelfden raad als Mulrady
en Wilson.
"Als gij dien maatregel noodig acht, John!" zeide Mac Nabbs, "moet gij
zonder bedenken het bevel, of als gij dat liever wilt het bestuur van
het schip op u nemen. Als die dronkaard ons te Auckland gebragt heeft,
wordt hij weer meester aan boord, en mag hij, als hij lust daarin heeft,
omslaan."
"Zonder twijfel, mijnheer Mac Nabbs," antwoordde John, "en ik zal het
doen ook, als het volstrekt moet. Zoo lang wij in volle zee zijn, is een
beetje toezigt genoeg; mijn matrozen en ik verlaten het dek niet. Maar
bij de nadering der kust wil ik wel weten, dat ik verlegen zal staan,
wanneer die Will Halley niet nuchteren is."
"Kunt gij den koers niet aangeven?" vroeg Paganel.
"Dat zal moeijelijk gaan," antwoordde John. "Gij moet niet denken, dat
er een zeekaart aan boord is."
"Toch niet?"
"Wel neen. De _Macquarie_ is slechts een kustvaarder tusschen Eden en
Auckland, en die Will Halley is zoo met dit vaarwater bekend, dat hij
nooit hoogte neemt."
"Hij verbeeldt zich zeker," antwoordde Paganel, "dat zijn schip den weg
weet en zich zelf stuurt."
"Ho! ho!" hernam John Mangles, "ik geloof niet aan schepen, die zich
zelven sturen, en wanneer Will Halley in de nabijheid der kust dronken
is, zal hij ons in groote verlegenheid brengen."
"Dan mag ik wel lijden, dat hij zijn verstand op de kust zal
opvisschen," zeide Paganel.
"Dan zoudt gij geen kans zien om de _Macquarie_ als het noodig zijn mogt
naar Auckland te brengen?" vroeg Mac Nabbs.
"Zonder de kaart van dit gedeelte der kust is het onmogelijk. De
stranden zijn hier zeer gevaarlijk. Het is een reeks van onregelmatige
en grillige inhammen, evenals de noorweegsche fiords. De riffen zijn
talrijk en er is veel ervaring noodig om ze te vermijden. Hoe stevig een
schip ook moge zijn, het moet vergaan, wanneer zijn kiel op een dier
rotsen stoot, die maar eenige voeten onder water liggen."
"En dan zit er voor de bemanning niets anders op dan naar de kust te
vlugten?" zeide de majoor.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs! wanneer de tijd het toelaat."
"Een hard lot!" antwoordde Paganel, "want de kusten van Nieuw-Zeeland
zijn juist niet herbergzaam, en de gevaren zijn even groot aan gene als
aan deze zijde van den oever!"
"Spreekt gij van de Maori's, mijnheer Paganel?" vroeg John Mangles.
"Ja, mijn vriend! Hun naam is gevestigd in den Indischen oceaan. Het
zijn geen beschroomde of stompe Australiërs, maar een schrander en
bloeddorstig ras, kannibalen, die verlekkerd zijn op menschenvleesch,
menscheneters, die geen medelijden kennen."
"Wanneer dus," zeide de majoor, "kapitein Grant op de kusten van
Nieuw-Zeeland schipbreuk geleden had, zoudt gij niet aanraden hem te
gaan opzoeken?"
"Op de kusten wel," antwoordde de aardrijkskundige; "want men zou alligt
sporen van de _Britannia_ vinden: maar in het binnenland niet; want dat
zou niets baten. Elke Europeaan, die zich in dit noodlottige land waagt,
valt in de handen der Maori's, en elke gevangene der Maori's is
verloren. Ik heb mijn vrienden aangespoord om de Pampa's te doorkruisen,
om Australië door te trekken; maar nooit zou ik ze medeslepen op de
paden van Nieuw-Zeeland. De hemel zij ons genadig en God geve, dat wij
nooit in de magt dier woeste inboorlingen vallen!"
De vrees van Paganel was maar al te gegrond. Nieuw-Zeeland is zeer
berucht, en al de voorvallen, die deszelfs ontdekking hebben gekenmerkt,
staan met bloedige letters aangeteekend.
Lang is de lijst der slagtoffers, die opgeschreven staan in het
martelaarsboek der zeevaarders. Abel Tasman opende met zijn vijf gedoode
en verslonden matrozen de bloedige jaarboeken van het kannibalisme. Na
hem onderging kapitein Tukney met al zijn sloeproeijers hetzelfde lot.
Op de hoogte van het noordelijke gedeelte der straat van Foveaux vonden
vijf visschers van de _Sydney Cove_ insgelijks den dood onder de tand
der inboorlingen. Nog moeten aangehaald worden vier man van den schoener
_Brothers_, in de haven van Molineux vermoord, verscheidene soldaten van
generaal Gates, en drie weggeloopen matrozen van de _Mathilda_, voor men
komt aan den naam van kapitein Marion Du Frène, die een treurige
beroemdheid heeft verkregen.
Den 11den Mei 1772, na de eerste reis van Cook, ankerde de fransche
kapitein Marion in de Eilanden-baai met zijn schip de _Mascarin_ en de
_Castries_, kapitein Crozet. De huichelachtige Nieuw-Zeelanders
ontvingen de aankomelingen zeer goed. Zij toonden zich zelfs beschroomd,
en er waren geschenken, goede diensten, een dagelijksche verbroedering,
een langdurige vriendelijke omgang noodig om hen aan boord te gewennen.
Hun opperhoofd, de schrandere Takoeri, behoorde naar het zeggen van
Dumont d'Urville tot den stam der Wangaroa, en was een bloedverwant van
den inboorling, dien Surville twee jaren voor de komst van kapitein
Marion verraderlijk had opgeligt.
In een land, waar de eer van iederen Maori eischt, om ondergane
beleedigingen met bloed af te wasschen, kon Takoeri den hoon niet
vergeten, die zijn stam was aangedaan. Hij wachtte geduldig de komst van
een europeesch schip af, zon op wraak, en volbragt ze met afgrijselijke
koelbloedigheid.
Na vrees voor de Franschen geveinsd te hebben, vergat Takoeri niets om
hen in een bedriegelijke gerustheid te doen insluimeren. Hij sleet
dikwijls met zijn makkers den nacht aan boord van de schepen. Zij
bragten lekkere visschen mede. Hun dochters en vrouwen vergezelden hen.
Zij leerden weldra de namen der officieren en noodigden hen uit om hun
dorpen te bezoeken. Door den schijn bedrogen, doorliepen Marion en
Crozet dus die geheele kust, die meer dan vier duizend innwoners telde.
De inboorlingen gingen hun ongewapend te gemoet en trachtten hun een
volkomen vertrouwen in te boezemen.
Kapitein Marion was de Eilanden-baai ingelopen met plan om de tuigaadje
der _Castries_ te veranderen, die door de laatste stormen veel had
geleden. Hij onderzocht daarom het binnenland, en vond den 23sten Mei
een bosch van prachtige ceders, twee uren van de kust en digt bij een
baai, een uur van de schepen.
Daar werd een legerplaats opgeslagen, waar twee derden van de bemanning
met bijlen en andere gereedschappen werkten om de boomen te vellen en de
wegen te verbeteren, die naar de baai leidden. Twee andere posten werden
uitgekozen, de een op het eilandje Motoe-Aro in het midden der haven,
waar de zieken, de smeden en kuipers werden heengebragt, de andere aan
den zeekant op het groote eiland, anderhalf uur van de schepen af; deze
laatste stond in verband met de legerplaats der timmerlieden. Op al deze
posten hielpen sterke en vriendelijke wilden de matrozen in hun
verschillende werkzaamheden.
Kapitein Marion had tot nog toe evenwel sommige maatregelen van
voorzigtigheid niet verzuimd. De wilden kwamen nooit gewapend op zijn
schip, en de sloepen gingen nooit anders dan goed gewapend aan land.
Maar Marion en de wantrouwendste zijner officieren werden door de
manieren der inboorlingen om den tuin geleid, en de bevelhebber gaf last
de sloepen te ontwapenen. Kapitein Crozet wilde echter Marion bewegen om
dit bevel in te trekken. Het gelukte hem niet.
Nu verdubbelden de oplettendheden en de voorkomendheid der
Nieuw-Zeelanders. Hun opperhoofden en de officieren leefden op den voet
van volkomen hartelijkheid. Meermalen nam Takoeri zijn zoon mede aan
boord en liet hem in de hutten slapen. Den 8sten Junij werd Marion, bij
een plegtig bezoek, dat bij aan land aflegde als het "grootste
opperhoofd" van het geheele land erkend, en vier witte vederen
versierden als eereteekens zijn haar.
Zoo verliepen drie en dertig dagen na de aankomst der schepen in de
Eilanden-baai. De werkzaamheden aan de tuigaadje vorderden goed; de
watervaten werden aan de bron van Motoe-Aro gevuld. Kapitein Crozet
bestuurde in persoon den post der timmerlieden, en alles gaf regt tot de
hoop, dat de onderneming met een goeden uitslag bekroond zou worden.
Den 12den Junij ten twee ure werd de sloep van den bevelhebber uitgezet
voor een voorgenomen vischpartij aan den voet van het dorp van Takoeri.
Marion stapte er in met de twee jonge officieren Vaudricourt en Leboux,
een vrijwilliger, den wapenkapitein en twaalf matrozen. Takoeri en vijf
andere opperhoofden vergezelden hem. Niets kon de vreeselijke ramp doen
vermoeden, die zestien van de zeventien Europeanen wachtte.
De sloep stak af, roeide naar land en weldra was ze uit het gezigt van
de twee schepen.
's Avonds kwam kapitein Marion niet aan boord slapen. Niemand maakte
zich ongerust over zijn uitblijven. Men meende, dat hij de werf had
willen bezoeken en er den nacht doorbrengen.
Den volgenden dag, ten vijf ure, ging de sloep der _Castries_ volgens
gewoonte water halen op het eiland Motoe-Aro. Zij kwam zonder ongelukken
aan boord terug.
Ten negen ure zag de wachthebbende matroos van de _Mascarin_ een bijna
uitgeput man in zee, die naar de schepen zwom. Een sloep roeide naar hem
toe en bragt hem aan boord terug.
Het was Turner, een der roeijers van Marion. In de zijde had hij een
wond, door twee lanssteken veroorzaakt, en hij alleen kwam terug van de
zeventien man, die den vorigen dag het schip hadden verlaten.
Hij werd ondervraagd, en nu kwamen spoedig al de bijzonderheden van dit
verschrikkelijk treurspel aan het licht.
De sloep van den ongelukkigen Marion was 's morgens ten zeven ure bij
het dorp gekomen. De wilden gingen hun gasten vrolijk te gemoet. Op hun
schouders droegen zij de officieren en matrozen, die zich niet wilden
natmaken bij het aan land gaan. Daarna verstrooiden de Franschen zich.
Dadelijk vielen de wilden met lansen, knodsen en stokken op hen aan,
tien tegen één, en vermoordden hen. De matroos Turner, door twee
lanssteken getroffen, had het geluk zijn vijanden te ontsnappen en zich
in het kreupelhout te verbergen. Daar was hij getuige van afschuwelijke
tooneelen. De wilden beroofden de lijken van hun kleeren, sneden hun den
buik open, hakten ze in stukken....
Nu sprong Turner onbemerkt in zee, en werd stervende door de sloep der
_Mascarin_ opgenomen.
Die gebeurtenis verspreidde ontsteltenis onder de bemanning der twee
schepen. Een wraakgeschrei steeg omhoog. Maar voor men de dooden
wreekte, moest men de levenden redden. Er waren drie posten aan wal, en
duizenden bloedgierige wilden, op menschenvleesch beluste kannibalen,
omsingelden hen.
Bij ontstentenis van kapitein Crozet, die den nacht had doorgebragt op
de werf, nam de eerste officier Duclesmeur de noodige maatregelen. De
sloep der _Mascarin_ werd afgezonden met een officier en een afdeeling
soldaten. Voor alles moest die officier bijstand verleenen aan de
timmerlieden. Hij vertrok, voer de kust langs, zag de boot van den
kommandant Marion op het strand liggen en landde.
Kapitein Crozet, die, zooals reeds gezegd is, niet aan boord was, wist
niets van den moord af, toen hij 's namiddags tegen twee ure de
afdeeling zag verschijnen. Hij vermoedde een ongeluk. Hij ging vooruit
en vernam het gebeurde. Hij verbood er zijn makkers kennis van te geven,
om hen niet te beangstigen.
De wilden bezetten in groote troepen al de hoogten. Kapitein Crozet liet
de voornaamste gereedschappen medenemen, begroef de andere, verbrandde
de loodsen en ving met zestig man den terugtogt aan.
De inboorlingen volgden hem onder het geschreeuw: "Takoeri heeft Marion
gedood!" Zij hoopten den matrozen schrik aan te jagen, door hun den dood
hunner opperhoofden mede te deelen. In woede ontstoken wilden dezen op
die ellendelingen instormen. Kapitein Crozet kon hen naauwelijks in
bedwang houden.
Twee uren duurde de aftogt. De afdeeling bereikte den oever, trok de
manschappen van den tweeden post aan zich, en ging aan boord van de
sloepen. Een duizendtal wilden hadden al dien tijd roerloos op den grond
gezeten. Maar toen de sloepen van wal staken, begonnen de steenen te
vliegen.
Terstond velden vier matrozen, goede schutters, achtereenvolgens al de
opperhoofden, tot groote verbazing der inboorlingen, die onbekend waren
met de uitwerking der vuurwapenen.
Kapitein Crozet beklom de _Mascarin_ en zond de sloep terstond naar bet
eiland Motoe-Aro. Een afdeelig soldaten bleef den nacht over op het
eiland, en de zieken werden weder aan boord gebragt.
's Anderendaags werd de post door een tweede afdeling soldaten
versterkt. Het eiland moest schoongeveegd worden van de wilden, die het
onveilig maakten, en men moest verder water innemen. Motoe-Aro had een
dorp met drie honderd inwoners. De Franschen tastten het aan.
Zes opperhoofden werden gedood, de overige inlanders met de bajonnet
overhoop gestoken, het dorp verbrand.
De _Castries_ kon echter zonder masten geen zee kiezen, en Crozet, nu
verpligt om af te zien van de boomen uit het cederbosch, moest gewangde
masten maken. Het water innemen werd voortgezet.
Zoo verliep er een maand. De wilden beproefden eenige malen het eiland
Motoe-Aro te hernemen; maar het gelukte hun niet. Wanneer hun praauwen
onder het bereik van bet scheepsgeschut kwamen, werden ze in den grond
geschoten.
Eindelijk waren de werkzaamheden afgeloopen. Nu moest men men nog te
weten komen, of soms een der zestien slagtoffers den moord had
overleefd; de anderen moesten gewroken worden. De sloep, sterk bemand
met officieren en soldaten, roeide naar het dorp van Takoeri. Bij hun
nadering vlugtte dat trouwelooze en lafhartige opperhoofd, met den
mantel van den kommandant Marion over de schouders. De hutten van zijn
dorp werden naauwkeurig onderzocht. In zijn woning vond men den
hersenpan van een man, die pas gebraden was. De indruksels van de tanden
des kannibaals waren er nog aan te zien. Een menschendij was aan een
houten braadspit gestoken. Een hemd met bebloeden boord werd herkend als
het hemd van Marion, daarna de kleederen en pistolen van den jeugdigen
Vaudricourt, de wapenen der sloep en verscheurde kleedingstukken.
Verder, in een ander dorp, schoongemaakte en gebraden ingewanden van een
mensch.
Die onweersprekelijke bewijzen van moord en menscheneten werden
bijeengezameld en die menschelijke overblijfselen eerbiedig begraven.
Vervolgens werden de dorpen van Takoeri en Piki-Ore, zijn medepligtige,
in den asch gelegd. Den 14den Julij 1772 verlieten de twee schepen die
noodlottige wateren.
Ziedaar het verhaal van een onheil, waarmede iedere reiziger moet bekend
zijn, die een voet zet op de kust van Nieuw-Zeeland. De kapitein, die
zijn voordeel niet doet met die les, handelt hoogst onvoorzigtig. De
Nieuw-Zeelanders zijn altijd trouweloos en menscheneters. Ook Cook
ondervond dit op zijn tweede reis in 1773.
Toen de sloep van een zijner schepen, de _Adventure_, kapitein Furneaux,
den 17den December aan land was gegaan om een voorraad wilde kruiden te
halen, kwam ze niet terug. Zij was bemand met een adelborst en negen
matrozen. Kapitein Furneaux werd ongerust en zond luitenant Burney om
hen op te zoeken. Toen Burney aan de landingsplaats kwam, vond hij, zegt
hij, "een tooneel van bloeddorst en barbaarschheid, waarvan men
onmogelijk zonder afgrijzen kan spreken; de hoofden, ingewanden en
longen van verscheidene onzer makkers lagen op het zand verstrooid, en
op korten afstand verslonden eenige honden nog andere overblijfselen van
dien aard."
Ten besluite van die bloedige lijst voegen wij er nog het schip
_Brothers_ bij, dat in 1815 door de Nieuw-Zeelanders aangetast werd, en
de geheele bemanning der _Boyd_, kapitein Thompson, die in 1820 werd
vermoord. Den 1sten Maart 1829 eindelijk plunderde te Valkitas het
opperhoofd Enararo de engelsche brik _Hawes_ van Sydney; zijn
kannibalenhorde vermoordde verscheidene matrozen, braadde de lijken en
verslond ze.
Zoo'n land was dat Nieuw-Zeeland, waarheen de _Macquarie_ stevende, met
haar onbekwame bemanning onder het bevel van een dronkaard.