De branding.
Nog was er geen eind te zien aan die lastige overvaart. Den 2den
Februarij, zes dagen na haar vertrek, was de _Macquarie_ nog niet eens
in het gezigt van Auckland. De wind was toch goed en bleef in het
zuidwesten; maar de stroom was tegen, en de brik vorderde bijna niet. De
onstuimige en holle zee deed het bovenschip werken; de inhouten
kraakten, en zij rees met moeite uit het golfdal op. Het want, de
pardoens, de slecht aangehaalde staggen lieten vrij spel aan de masten,
die bij iedere slingering hevig schudden.
Gelukkig dat Will Halley, als iemand die niet gehaast is, niet te veel
zeil bijzette; want dan zou al het want onfeilbaar naar beneden gekomen
zijn. John Mangles hoopte daarom, dat die slechte romp zonder verder
ongeval de haven zou bereiken; maar het deed hem leed dat zijn
reisgenooten zoo slecht gehuisvest waren aan boord van die brik.
Noch lady Helena noch Mary Grant klaagden echter, hoewel een aanhoudende
regen haar dwong in het vooronder te blijven. Daar hadden zij veel
hinder van het gebrek aan lucht en het stampen van het vaartuig. Daarom
kwamen zij ook dikwijls op het dek den toorn des hemels tarten, tot
onuitstaanbare windvlagen haar dwongen om weer naar beneden te gaan. Dan
keerden zij in die bekrompene ruimte terug, die beter geschikt was om
koopwaren te bergen dan passagiers en vooral dames.
Haar vrienden zochten haar dan wat afleiding te geven. Paganel deed zijn
best om den tijd met zijn verhalen te dooden; maar het gelukte hem
slecht. Want de gemoederen waren geheel ontstemd door deze thuisreis.
Hadden de verhandelingen van den aardrijkskundige over de Pampa's en
Australië vroeger allen veel belang ingeboezemd, koel en onverschillig
lieten hen thans zijn opmerkingen en mededeelingen over Nieuw-Zeeland.
Bovendien, naar dit nieuwe land treuriger gedachtenis ging men zonder
overtuiging, niet vrijwillig, maar door het lot voortgezweept.
Van al de passagiers der _Macquarie_ was lord Glenarvan het meest te
beklagen. Men zag hem zelden in het vooronder. Hij kon het er niet
uithouden. Zijn zenuwachtig overspannen gestel kon zich niet voegen naar
een opsluiting tusschen vier enge schotten. Des daags, 's nachts zelfs
bleef hij, zonder zich aan de regenbuijen te storen, op het dek, nu eens
over de leuning hangende, dan weer met koortsige drift op en neer
loopende. Zijn blik was onafgewend naar den gezigteinder gerigt. Wanneer
het weer een oogenblik bedaarde, onderzocht hij hem trouw met zijn
kijker. Het scheen, als wilde hij die stomme golven ondervragen. Hoe
gaarne zou hij met de hand den nevel verscheurd hebben, die den
gezigteinder omsluijerde, en de dampen, die zich daar zamenpakten. Hij
kon zich niet onderwerpen, en zijn gelaat teekende bittere smart. Het
was de krachtige tot nog toe steeds gelukkige en magtige man, wien de
magt en het geluk op eens ontvielen.
John Mangles verliet hem niet en verdroeg aan zijne zijde de guurheid
des weders. Dien dag bespiedde Glenarvan met nog grooter volharding den
gezigteinder, overal waar zich maar een scheur in den nevel vertoonde.
John ging bij hem staan en vroeg:
"Zoekt uwe Edelheid het land?"
Glenarvan schudde van neen.
"En toch moet gij wel verlangen van deze brik af te komen," hernam de
jonge kapitein. "Reeds voor zes en dertig uren hadden wij de vuren van
Auckland in het gezigt moeten hebben."
Glenarvan antwoordde niet. Hij bleef maar uitzien, en een minuut lang
hield hij den kijker op den gezigteinder te loefwaart gerigt.
"Het land ligt dien kant niet uit," zeide John Mangles. "Uwe Edelheid
moet het te lijwaart zoeken."
"Waarom, John?" antwoordde Glenarvan. "Ik zoek het land niet!"
"Wat dan, mylord?"
"Mijn jagt! Mijn _Duncan_!" antwoordde Glenarvan toornig. "Daar, in deze
wateren moet het zijn, daar rooft het op zee, daar oefent het het
treurig bedrijf van zeeschuimer uit! Daar is het, zeg ik u! daar, John!
op dezen weg van de schepen tusschen Australië en Nieuw-Zeeland. En mijn
voorgevoel zegt mij, dat wij het zullen ontmoeten."
"God beware ons voor die ontmoeting, mylord!"
"Waarom, John?"
"Uwe Edelheid vergeet den toestand, waarin wij verkeeren. Wat zouden we
op deze brik doen, als de _Duncan_ er jagt op maakte! Wij zouden niet
eens kunnen vlugten!"
"Vlugten, John?"
"Ja, mylord! wij zouden het te vergeefs beproeven! Wij zouden genomen en
aan de genade dier onmenschen overgeleverd worden, en Ben Joyce heeft
getoond, dat hij niet voor een misdaad terugdeinsde. Ik geef niet veel
om ons leven! Wij zouden ons tot het uiterste verdedigen! Het zij zoo!
Maar dan? Denk aan lady Glenarvan, mylord! Denk aan Mary Grant!"
"Arme vrouwen!" mompelde Glenarvan. "John! mijn hart is gebroken, en
soms voel ik het door de wanhoop overmeesteren. Het komt mij voor, dat
nieuwe rampen ons wachten, dat de hemel zich tegen ons heeft verklaard!
Ik ben bang!"
"Gij, mylord?"
"Niet voor mij zelven, John! maar voor degenen, die ik bemin, voor
degenen, die gij ook bemint!"
"Stel u gerust, mylord!" antwoordde de jonge kapitein. "Gij moet niet
meer vreezen! De _Macquarie_ zeilt slecht, maar vordert toch. Will
Halley is een stompzinnig wezen, maar ik ben er ook, en wanneer ik het
gevaarlijk acht het land te naderen, kies ik weder het ruime sop. Van
dien kant is er dus weinig of geen gevaar. Maar God beware ons, dat de
_Duncan_ ons aan boord klampt, en zoo Uwe Edelheid tracht haar in het
oog te krijgen, doe het dan om haar te vermijden, om haar te
ontvlugten."
John Mangles had gelijk. Een ontmoeting met de _Duncan_ zou noodlottig
afloopen voor de _Macquarie_. En die ontmoeting was toch zeer mogelijk
in die zeeën, welke de zeeroovers zonder gevaar konden afschuimen. Dien
dag ten minste verscheen het jagt echter niet, en de zesde nacht na het
vertrek uit de Twofold-baai brak aan, zonder dat de vrees van John
Mangles werd verwezenlijkt.
Maar die nacht zou verschrikkelijk zijn. Ten zeven ure werd het bijna
geheel donker. De hemel had een dreigend voorkomen. Het zeemansinstinct,
dat magtiger was dan de verstomping der dronkenschap, werkte op Will
Halley. Hij verliet zijn kajuit, wreef zich de oogen uit en schudde zijn
dik rood hoofd. Daarop haalde hij diep adem, gelijk een ander een groot
glas water zou uitgezwolgen hebben om weer bij te komen, en onderzocht
het tuig.
De wind stak op, en een streek westelijker draaijende, stond hij vlak op
de zeelandsche kust.
Will Halley riep vloekende zijn matrozen, liet de bramzeilsschoten
aanhalen en de nachtzeilen aanslaan. John Mangles keurde dit goed; maar
sprak geen woord. Hij wilde zich met dien lompen zeeman in geen gesprek
inlaten. Maar hij en Glenarvan verlieten het dek niet. Twee uren later
stak er een fiksche koelte op. Halley liet de marszeilen digtreven. Het
werk zou te zwaar geweest zijn voor vijf man, als de _Macquarie_ geen
dubbele ra had gevoerd, naar het amerikaansche stelsel. Daardoor was het
genoeg de bovenste ra te strijken, om het marszeil zoo klein mogelijk te
maken.
Zoo verliepen er twee uren. De zee werd onstuimiger. De _Macquarie_
schudde zoo hevig, dat het scheen, alsof ze met de kiel langs de rotsen
schuurde. Het was toch zoo niet, maar die logge romp rees moeijelijk op
de golven. Ook sloegen de terugloopende golven met geweld over het
schip. De boot, die aan bakboordszijde hing, werd door een golf
weggeslagen.
John Mangles begon ongerust te worden. Elk ander schip zou weinig
gegeven hebben om die golven, die niet heel geducht waren. Maar met
zoo'n log vaartuig liep men gevaar loodregt te zinken; want het dek liep
vol, zoo dikwijls het onder de golven dook, en het water, dat niet
spoedig genoeg door de spiegaten kon wegloopen, kon het schip
overstelpen. Om op alles voorbereid te zijn had men de schanskleeden met
bijlen moeten stuk hakken, om het wegloopen van het water te bevorderen.
Maar Will Halley weigerde die voorzorg te nemen.
Ook bedreigde een grooter gevaar de _Macquarie_, dat het nu te laat was
om te voorkomen.
Omstreeks half twaalf vernamen John Mangles en Wilson, die aan lij
stonden, een vreemd geraas. Hun zeemansinstinct ontwaakte. John greep de
hand van den matroos.
"De branding!" zeide hij.
"Ja!" antwoordde Wilson. "De golven breken op banken."
"Hoogstens twee kabellengten van ons af?"
"Hoogstens! Daar is het land!"
John bukte over de verschansing, zag naar de donkere golven en riep:
"Het dieplood, Wilson! Het dieplood!"
De schipper, die op de voorplecht stond, scheen geen begrip van zijn
toestand te hebben. Wilson greep het dieplood, dat in een balie opgerold
lag, en snelde in de rusten van het fokkewant. Hij wierp het lood uit;
de lijn gleed tusschen zijn vingers door. Bij den derden knoop raakte
het lood grond.
"Drie vaâm!" riep Wilson.
"Kapitein!" zeide John op Will Halley toeloopende, "wij zijn in de
branding."
Halley haalde de schouders op, hetgeen John misschien niet eens zag.
Althans hij liep naar den roerganger, wendde het roer, terwijl Wilson
het dieplood liet slippen en het groot marszeil braste om het schip te
doen oploeven. De matroos aan het roer, zoo ruw weggeduwd, had niets van
dien onverwachten aanval begrepen.
"Los de loefbrassen!" schreeuwde de jonge kapitein, die zijn best deed
om van de riffen af te komen.
Een halve minuut lang streek de stuurboordswindvering van de brik er
langs, en ondanks de duisternis van den nacht bemerkte John een streep
van wit schuim op vier vaam van het schip.
Toen Will Halley eindelijk besef kreeg van dat dringende gevaar, was hij
radeloos. Zijn nog half beschonken matrozen begrepen zijn bevelen niet.
Ook bewezen zijn onzamenhangende woorden en tegenstrijdige bevelen, dat
die domme dronkaard geen koelbloedigheid bezat. Hij was verrast door de
nabijheid van het land, dat acht mijlen te lijwaart lag, toen hij er nog
wel dertig of veertig van af meende te zijn. De stroom had dien niets
beteekenenden sleurvolger van den gewonen weg afgedreven en in het naauw
gebragt.
De vlugge bewegingen van John Mangles hadden intusschen de _Macquarie_
buiten de branding gebragt. Maar John wist niet, waar hij was. Misschien
bevond hij zich wel in een kring van riffen. De wind was vlak oost en
bij iedere overlangsche slingering kon het schip stooten.
En werkelijk verdubbelde weldra het geraas van de branding vooruit aan
stuurboordszijde. Weder moest men oploeven. John wendde het roer en
braste. De branding nam toe onder den steven der brik, en hij was
verpligt bij den wind over te wenden om weer in het ruime sop te komen.
Zou die beweging gelukken met een schip, dat slecht in evenwigt lag en
zeil geminderd had? Dat was onzeker, maar het moest beproefd worden.
"Te lijwaart het roer!" beval John Mangles aan Wilson. De _Macquarie_
kwam weer digter bij de nieuwe rij riffen. Weldra schuimde de zee,
wanneer ze brak op de met water bedekte rotsen.
Het was een onbeschrijfelijk angstig oogenblik. Het schuim maakte de zee
lichtgevende. Men zou gezegd hebben, dat zij plotseling beschenen werden
door een verschijnsel van phosphorescentie. De zee loeide, alsof ze de
stem dier klippen uit de oudheid had bezeten, waaraan de heidensche
fabelleer leven gaf. Wilson en Mulrady hingen met hun volle zwaarte op
het stuurrad. Het roer raakte grond.
Daar had op eens een schok plaats. De _Macquarie_ was op een rots
geloopen. De schoren van den boegspriet braken en bragten de stevigheid
van den fokkemast in gevaar. Zou het wenden zonder verdere schade
afloopen?
Neen, want op eens werd het stil en het schip verviel weer in de lij.
Het werd terstond in zijne beweging gestuit. Een hooge golf greep het
van onderen aan en stuwde het verder op de riffen, waar het met groot
geweld neerviel. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. De brik
draaide een paar keeren rond en bleef onbewegelijk op zijde liggen,
waarbij het stuurboord een hoek van dertig graden maakte.
De ruiten der kap waren in duizend stukken gebroken. De passagiers
stormden naar buiten. Maar de golven sloegen met zulk een geweld over
het dek, dat zij er niet veilig waren. Wel wetende, dat het schip diep
in het zand was gewoeld, verzocht John Mangles hun weder in het
vooronder te gaan.
"De waarheid, John?" vroeg Glenarvan bedaard.
"De waarheid, mylord! is, dat wij niet zinken zullen," antwoordde John
Mangles. "Een andere vraag is, of het schip soms uiteen zal geslagen
worden; maar wij hebben tijd om middelen tot redding te bedenken."
"Het is middernacht?"
"Ja, mylord! Wij moeten den dag afwachten."
"Kunnen wij de boot niet uitzetten?"
"Bij zulk een holle zee en zulk een duisternis is dat onmogelijk! En
waar zullen wij ook landen?"
"Welnu, John! dan zullen wij hier blijven, tot het dag is."
Intusschen liep Will Halley als een krankzinnige over het dek van het
schip. Zijne matrozen, die van hun schrik bekomen waren, sloegen een vat
brandewijn den bodem in, en begonnen te drinken. John voorzag, dat hun
dronkenschap weldra aanleiding zou geven tot verschrikkelijke tooneelen.
Er viel niet op te rekenen, dat de kapitein hen in toom zou houden. De
ongelukkige rukte zich de haren uit het hoofd en wrong de handen. Hij
dacht alleen aan zijn lading, die niet verzekerd was.
"Ik ben doodarm! Ik ben doodarm!" riep hij, terwijl hij van het eene
boord naar het andere liep.
John Mangles dacht er volstrekt niet aan om hem te troosten. Hij zorgde,
dat zijn makkers zich wapenden, en allen hielden zich gereed om de
matrozen af te slaan, die onder ijselijke vloeken zich volzopen met
brandewijn.
"Den eersten van die ellendelingen, die het vooronder nadert, schiet ik
als een hond dood," zeide de majoor heel bedaard.
De matrozen zagen zeker, dat de passagiers voornemens waren hen op een
eerbiedigen afstand te houden; want na eenige pogingen om te plunderen
dropen zij af.
John Mangles bekommerde zich niet verder om die beschonkenen en wachtte
vol ongeduld, dat het dag werd.
Het schip zat nu zoo vast als een muur. De zee bedaarde langzamerhand.
De wind ging liggen. De romp kon het dus nog eenige uren uithouden. Bij
zonsopgang zou John het land onderzoeken. Wanneer het een gemakkelijke
landingsplaats opleverde, zou de jol, het eenig overgebleven bootje, tot
vervoer van de bemanning en de reizigers dienen. Minstens zouden er drie
reizen noodig zijn, want er was voor niet meer dan vier personen plaats.
Wat de boot betreft, deze was, zooals wij gezien hebben, door een golf
weggeslagen.
Terwijl hij zoo peinsde over het gevaarlijke van hun toestand, luisterde
John Mangles, die tegen de kap leunde, naar het geraas van de branding.
Zijn blik poogde door de diepe duisternis heen te boren. Hij vroeg zich
af, hoe ver dat tegelijk gewenschte en gevreesde land wel van hen af
was. De branding toch strekt zich dikwijls uren ver van een kust uit.
Zou het ranke vaartuigje bestand zijn tegen een eenigzins langen
overtogt?
Terwijl John zoo in gedachten verzonken was en licht vroeg aan dien
pikdonkeren hemel, lagen de reizigsters, op zijn woord vertrouwende, op
haar slaapsteden uitgestrekt. De onbewegelijkheid der brik verzekerde
haar eenige uren rust. Glenarvan, John en hunne makkers verkwikten zich
ook, nu het geschreeuw der stomdronken matrozen bedaard was, met een
korten slaap, en ten een ure na middernacht heerschte er een diepe
stilte op die brik, die zelve sluimerde op haar bed van zand.
Tegen vier ure begon het in het oosten te schemeren. De wolken werden
een weinig gekleurd door de zwakke stralen van het morgenlicht. John
klom weder op het dek. De gezigteinder was met een gordijn van nevelen
bedekt. Eenige flaauw begrensde omtrekken zweefden op zekere hoogte in
de morgendampen. De zee deinde nog een beetje, en de golven verloren
zich in digte onbewegelijke wolken.
John wachtte. Het werd langzamerhand lichter en de gezigteinder nam een
roode kleur aan. De gordijn werd langzaam voor het groote achtertooneel
opgehaald. Zwarte riffen staken boven het water uit. Daarop teekende
zich een lijn af op een streep van schuim; door de nog onzigtbare schijf
der opgaande zon beschenen, werd een hoog gelegen punt verlicht, als
ware het een kustvuur op een heuveltop.
"Land!" riep John Mangles.
Door dat geroep ontwaakt, ijlden zijne makkers naar het dek van de brik,
en beschouwden zij zwijgend de kust, die aan den gezigteinder opdoemde.
Herbergzaam of vijandelijk, zij moest nu wel hun toevlugtsoord zijn.
"Waar is Will Halley?" vroeg Glenarvan.
"Ik weet het niet, mylord!" antwoordde John Mangles.
"En zijn matrozen?"
"Ook verdwenen."
"En zeker even stomdronken als hij," voegde Mac Nabbs er bij.
"Zoek ze," zeide Glenarvan; "wij kunnen ze toch niet op dit schip
achterlaten."
Mulrady en Wilson gingen naar de bak en waren in een paar minuten terug.
Ze was ledig. Nu doorzochten zij het tusschendek en het ruim. Zij vonden
noch Will Halley noch diens matrozen.
"Hoe! niemand?" zeide Glenarvan.
"Zijn ze in zee gevallen?" vroeg Paganel.
"Alles is mogelijk," antwoordde John Mangles, die zeer ongerust werd
over die verdwijning.