IV.

De branding.

Nog was er geen eind te zien aan die lastige overvaart. Den 2den

Februarij, zes dagen na haar vertrek, was de _Macquarie_ nog niet eens

in het gezigt van Auckland. De wind was toch goed en bleef in het

zuidwesten; maar de stroom was tegen, en de brik vorderde bijna niet. De

onstuimige en holle zee deed het bovenschip werken; de inhouten

kraakten, en zij rees met moeite uit het golfdal op. Het want, de

pardoens, de slecht aangehaalde staggen lieten vrij spel aan de masten,

die bij iedere slingering hevig schudden.

Gelukkig dat Will Halley, als iemand die niet gehaast is, niet te veel

zeil bijzette; want dan zou al het want onfeilbaar naar beneden gekomen

zijn. John Mangles hoopte daarom, dat die slechte romp zonder verder

ongeval de haven zou bereiken; maar het deed hem leed dat zijn

reisgenooten zoo slecht gehuisvest waren aan boord van die brik.

Noch lady Helena noch Mary Grant klaagden echter, hoewel een aanhoudende

regen haar dwong in het vooronder te blijven. Daar hadden zij veel

hinder van het gebrek aan lucht en het stampen van het vaartuig. Daarom

kwamen zij ook dikwijls op het dek den toorn des hemels tarten, tot

onuitstaanbare windvlagen haar dwongen om weer naar beneden te gaan. Dan

keerden zij in die bekrompene ruimte terug, die beter geschikt was om

koopwaren te bergen dan passagiers en vooral dames.

Haar vrienden zochten haar dan wat afleiding te geven. Paganel deed zijn

best om den tijd met zijn verhalen te dooden; maar het gelukte hem

slecht. Want de gemoederen waren geheel ontstemd door deze thuisreis.

Hadden de verhandelingen van den aardrijkskundige over de Pampa's en

Australië vroeger allen veel belang ingeboezemd, koel en onverschillig

lieten hen thans zijn opmerkingen en mededeelingen over Nieuw-Zeeland.

Bovendien, naar dit nieuwe land treuriger gedachtenis ging men zonder

overtuiging, niet vrijwillig, maar door het lot voortgezweept.

Van al de passagiers der _Macquarie_ was lord Glenarvan het meest te

beklagen. Men zag hem zelden in het vooronder. Hij kon het er niet

uithouden. Zijn zenuwachtig overspannen gestel kon zich niet voegen naar

een opsluiting tusschen vier enge schotten. Des daags, 's nachts zelfs

bleef hij, zonder zich aan de regenbuijen te storen, op het dek, nu eens

over de leuning hangende, dan weer met koortsige drift op en neer

loopende. Zijn blik was onafgewend naar den gezigteinder gerigt. Wanneer

het weer een oogenblik bedaarde, onderzocht hij hem trouw met zijn

kijker. Het scheen, als wilde hij die stomme golven ondervragen. Hoe

gaarne zou hij met de hand den nevel verscheurd hebben, die den

gezigteinder omsluijerde, en de dampen, die zich daar zamenpakten. Hij

kon zich niet onderwerpen, en zijn gelaat teekende bittere smart. Het

was de krachtige tot nog toe steeds gelukkige en magtige man, wien de

magt en het geluk op eens ontvielen.

John Mangles verliet hem niet en verdroeg aan zijne zijde de guurheid

des weders. Dien dag bespiedde Glenarvan met nog grooter volharding den

gezigteinder, overal waar zich maar een scheur in den nevel vertoonde.

John ging bij hem staan en vroeg:

"Zoekt uwe Edelheid het land?"

Glenarvan schudde van neen.

"En toch moet gij wel verlangen van deze brik af te komen," hernam de

jonge kapitein. "Reeds voor zes en dertig uren hadden wij de vuren van

Auckland in het gezigt moeten hebben."

Glenarvan antwoordde niet. Hij bleef maar uitzien, en een minuut lang

hield hij den kijker op den gezigteinder te loefwaart gerigt.

"Het land ligt dien kant niet uit," zeide John Mangles. "Uwe Edelheid

moet het te lijwaart zoeken."

"Waarom, John?" antwoordde Glenarvan. "Ik zoek het land niet!"

"Wat dan, mylord?"

"Mijn jagt! Mijn _Duncan_!" antwoordde Glenarvan toornig. "Daar, in deze

wateren moet het zijn, daar rooft het op zee, daar oefent het het

treurig bedrijf van zeeschuimer uit! Daar is het, zeg ik u! daar, John!

op dezen weg van de schepen tusschen Australië en Nieuw-Zeeland. En mijn

voorgevoel zegt mij, dat wij het zullen ontmoeten."

"God beware ons voor die ontmoeting, mylord!"

"Waarom, John?"

"Uwe Edelheid vergeet den toestand, waarin wij verkeeren. Wat zouden we

op deze brik doen, als de _Duncan_ er jagt op maakte! Wij zouden niet

eens kunnen vlugten!"

"Vlugten, John?"

"Ja, mylord! wij zouden het te vergeefs beproeven! Wij zouden genomen en

aan de genade dier onmenschen overgeleverd worden, en Ben Joyce heeft

getoond, dat hij niet voor een misdaad terugdeinsde. Ik geef niet veel

om ons leven! Wij zouden ons tot het uiterste verdedigen! Het zij zoo!

Maar dan? Denk aan lady Glenarvan, mylord! Denk aan Mary Grant!"

"Arme vrouwen!" mompelde Glenarvan. "John! mijn hart is gebroken, en

soms voel ik het door de wanhoop overmeesteren. Het komt mij voor, dat

nieuwe rampen ons wachten, dat de hemel zich tegen ons heeft verklaard!

Ik ben bang!"

"Gij, mylord?"

"Niet voor mij zelven, John! maar voor degenen, die ik bemin, voor

degenen, die gij ook bemint!"

"Stel u gerust, mylord!" antwoordde de jonge kapitein. "Gij moet niet

meer vreezen! De _Macquarie_ zeilt slecht, maar vordert toch. Will

Halley is een stompzinnig wezen, maar ik ben er ook, en wanneer ik het

gevaarlijk acht het land te naderen, kies ik weder het ruime sop. Van

dien kant is er dus weinig of geen gevaar. Maar God beware ons, dat de

_Duncan_ ons aan boord klampt, en zoo Uwe Edelheid tracht haar in het

oog te krijgen, doe het dan om haar te vermijden, om haar te

ontvlugten."

John Mangles had gelijk. Een ontmoeting met de _Duncan_ zou noodlottig

afloopen voor de _Macquarie_. En die ontmoeting was toch zeer mogelijk

in die zeeën, welke de zeeroovers zonder gevaar konden afschuimen. Dien

dag ten minste verscheen het jagt echter niet, en de zesde nacht na het

vertrek uit de Twofold-baai brak aan, zonder dat de vrees van John

Mangles werd verwezenlijkt.

Maar die nacht zou verschrikkelijk zijn. Ten zeven ure werd het bijna

geheel donker. De hemel had een dreigend voorkomen. Het zeemansinstinct,

dat magtiger was dan de verstomping der dronkenschap, werkte op Will

Halley. Hij verliet zijn kajuit, wreef zich de oogen uit en schudde zijn

dik rood hoofd. Daarop haalde hij diep adem, gelijk een ander een groot

glas water zou uitgezwolgen hebben om weer bij te komen, en onderzocht

het tuig.

De wind stak op, en een streek westelijker draaijende, stond hij vlak op

de zeelandsche kust.

Will Halley riep vloekende zijn matrozen, liet de bramzeilsschoten

aanhalen en de nachtzeilen aanslaan. John Mangles keurde dit goed; maar

sprak geen woord. Hij wilde zich met dien lompen zeeman in geen gesprek

inlaten. Maar hij en Glenarvan verlieten het dek niet. Twee uren later

stak er een fiksche koelte op. Halley liet de marszeilen digtreven. Het

werk zou te zwaar geweest zijn voor vijf man, als de _Macquarie_ geen

dubbele ra had gevoerd, naar het amerikaansche stelsel. Daardoor was het

genoeg de bovenste ra te strijken, om het marszeil zoo klein mogelijk te

maken.

Zoo verliepen er twee uren. De zee werd onstuimiger. De _Macquarie_

schudde zoo hevig, dat het scheen, alsof ze met de kiel langs de rotsen

schuurde. Het was toch zoo niet, maar die logge romp rees moeijelijk op

de golven. Ook sloegen de terugloopende golven met geweld over het

schip. De boot, die aan bakboordszijde hing, werd door een golf

weggeslagen.

John Mangles begon ongerust te worden. Elk ander schip zou weinig

gegeven hebben om die golven, die niet heel geducht waren. Maar met

zoo'n log vaartuig liep men gevaar loodregt te zinken; want het dek liep

vol, zoo dikwijls het onder de golven dook, en het water, dat niet

spoedig genoeg door de spiegaten kon wegloopen, kon het schip

overstelpen. Om op alles voorbereid te zijn had men de schanskleeden met

bijlen moeten stuk hakken, om het wegloopen van het water te bevorderen.

Maar Will Halley weigerde die voorzorg te nemen.

Ook bedreigde een grooter gevaar de _Macquarie_, dat het nu te laat was

om te voorkomen.

Omstreeks half twaalf vernamen John Mangles en Wilson, die aan lij

stonden, een vreemd geraas. Hun zeemansinstinct ontwaakte. John greep de

hand van den matroos.

"De branding!" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Wilson. "De golven breken op banken."

"Hoogstens twee kabellengten van ons af?"

"Hoogstens! Daar is het land!"

John bukte over de verschansing, zag naar de donkere golven en riep:

"Het dieplood, Wilson! Het dieplood!"

De schipper, die op de voorplecht stond, scheen geen begrip van zijn

toestand te hebben. Wilson greep het dieplood, dat in een balie opgerold

lag, en snelde in de rusten van het fokkewant. Hij wierp het lood uit;

de lijn gleed tusschen zijn vingers door. Bij den derden knoop raakte

het lood grond.

"Drie vaâm!" riep Wilson.

"Kapitein!" zeide John op Will Halley toeloopende, "wij zijn in de

branding."

Halley haalde de schouders op, hetgeen John misschien niet eens zag.

Althans hij liep naar den roerganger, wendde het roer, terwijl Wilson

het dieplood liet slippen en het groot marszeil braste om het schip te

doen oploeven. De matroos aan het roer, zoo ruw weggeduwd, had niets van

dien onverwachten aanval begrepen.

"Los de loefbrassen!" schreeuwde de jonge kapitein, die zijn best deed

om van de riffen af te komen.

Een halve minuut lang streek de stuurboordswindvering van de brik er

langs, en ondanks de duisternis van den nacht bemerkte John een streep

van wit schuim op vier vaam van het schip.

Toen Will Halley eindelijk besef kreeg van dat dringende gevaar, was hij

radeloos. Zijn nog half beschonken matrozen begrepen zijn bevelen niet.

Ook bewezen zijn onzamenhangende woorden en tegenstrijdige bevelen, dat

die domme dronkaard geen koelbloedigheid bezat. Hij was verrast door de

nabijheid van het land, dat acht mijlen te lijwaart lag, toen hij er nog

wel dertig of veertig van af meende te zijn. De stroom had dien niets

beteekenenden sleurvolger van den gewonen weg afgedreven en in het naauw

gebragt.

De vlugge bewegingen van John Mangles hadden intusschen de _Macquarie_

buiten de branding gebragt. Maar John wist niet, waar hij was. Misschien

bevond hij zich wel in een kring van riffen. De wind was vlak oost en

bij iedere overlangsche slingering kon het schip stooten.

En werkelijk verdubbelde weldra het geraas van de branding vooruit aan

stuurboordszijde. Weder moest men oploeven. John wendde het roer en

braste. De branding nam toe onder den steven der brik, en hij was

verpligt bij den wind over te wenden om weer in het ruime sop te komen.

Zou die beweging gelukken met een schip, dat slecht in evenwigt lag en

zeil geminderd had? Dat was onzeker, maar het moest beproefd worden.

"Te lijwaart het roer!" beval John Mangles aan Wilson. De _Macquarie_

kwam weer digter bij de nieuwe rij riffen. Weldra schuimde de zee,

wanneer ze brak op de met water bedekte rotsen.

Het was een onbeschrijfelijk angstig oogenblik. Het schuim maakte de zee

lichtgevende. Men zou gezegd hebben, dat zij plotseling beschenen werden

door een verschijnsel van phosphorescentie. De zee loeide, alsof ze de

stem dier klippen uit de oudheid had bezeten, waaraan de heidensche

fabelleer leven gaf. Wilson en Mulrady hingen met hun volle zwaarte op

het stuurrad. Het roer raakte grond.

Daar had op eens een schok plaats. De _Macquarie_ was op een rots

geloopen. De schoren van den boegspriet braken en bragten de stevigheid

van den fokkemast in gevaar. Zou het wenden zonder verdere schade

afloopen?

Neen, want op eens werd het stil en het schip verviel weer in de lij.

Het werd terstond in zijne beweging gestuit. Een hooge golf greep het

van onderen aan en stuwde het verder op de riffen, waar het met groot

geweld neerviel. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. De brik

draaide een paar keeren rond en bleef onbewegelijk op zijde liggen,

waarbij het stuurboord een hoek van dertig graden maakte.

De ruiten der kap waren in duizend stukken gebroken. De passagiers

stormden naar buiten. Maar de golven sloegen met zulk een geweld over

het dek, dat zij er niet veilig waren. Wel wetende, dat het schip diep

in het zand was gewoeld, verzocht John Mangles hun weder in het

vooronder te gaan.

"De waarheid, John?" vroeg Glenarvan bedaard.

"De waarheid, mylord! is, dat wij niet zinken zullen," antwoordde John

Mangles. "Een andere vraag is, of het schip soms uiteen zal geslagen

worden; maar wij hebben tijd om middelen tot redding te bedenken."

"Het is middernacht?"

"Ja, mylord! Wij moeten den dag afwachten."

"Kunnen wij de boot niet uitzetten?"

"Bij zulk een holle zee en zulk een duisternis is dat onmogelijk! En

waar zullen wij ook landen?"

"Welnu, John! dan zullen wij hier blijven, tot het dag is."

Intusschen liep Will Halley als een krankzinnige over het dek van het

schip. Zijne matrozen, die van hun schrik bekomen waren, sloegen een vat

brandewijn den bodem in, en begonnen te drinken. John voorzag, dat hun

dronkenschap weldra aanleiding zou geven tot verschrikkelijke tooneelen.

Er viel niet op te rekenen, dat de kapitein hen in toom zou houden. De

ongelukkige rukte zich de haren uit het hoofd en wrong de handen. Hij

dacht alleen aan zijn lading, die niet verzekerd was.

"Ik ben doodarm! Ik ben doodarm!" riep hij, terwijl hij van het eene

boord naar het andere liep.

John Mangles dacht er volstrekt niet aan om hem te troosten. Hij zorgde,

dat zijn makkers zich wapenden, en allen hielden zich gereed om de

matrozen af te slaan, die onder ijselijke vloeken zich volzopen met

brandewijn.

"Den eersten van die ellendelingen, die het vooronder nadert, schiet ik

als een hond dood," zeide de majoor heel bedaard.

De matrozen zagen zeker, dat de passagiers voornemens waren hen op een

eerbiedigen afstand te houden; want na eenige pogingen om te plunderen

dropen zij af.

John Mangles bekommerde zich niet verder om die beschonkenen en wachtte

vol ongeduld, dat het dag werd.

Het schip zat nu zoo vast als een muur. De zee bedaarde langzamerhand.

De wind ging liggen. De romp kon het dus nog eenige uren uithouden. Bij

zonsopgang zou John het land onderzoeken. Wanneer het een gemakkelijke

landingsplaats opleverde, zou de jol, het eenig overgebleven bootje, tot

vervoer van de bemanning en de reizigers dienen. Minstens zouden er drie

reizen noodig zijn, want er was voor niet meer dan vier personen plaats.

Wat de boot betreft, deze was, zooals wij gezien hebben, door een golf

weggeslagen.

Terwijl hij zoo peinsde over het gevaarlijke van hun toestand, luisterde

John Mangles, die tegen de kap leunde, naar het geraas van de branding.

Zijn blik poogde door de diepe duisternis heen te boren. Hij vroeg zich

af, hoe ver dat tegelijk gewenschte en gevreesde land wel van hen af

was. De branding toch strekt zich dikwijls uren ver van een kust uit.

Zou het ranke vaartuigje bestand zijn tegen een eenigzins langen

overtogt?

Terwijl John zoo in gedachten verzonken was en licht vroeg aan dien

pikdonkeren hemel, lagen de reizigsters, op zijn woord vertrouwende, op

haar slaapsteden uitgestrekt. De onbewegelijkheid der brik verzekerde

haar eenige uren rust. Glenarvan, John en hunne makkers verkwikten zich

ook, nu het geschreeuw der stomdronken matrozen bedaard was, met een

korten slaap, en ten een ure na middernacht heerschte er een diepe

stilte op die brik, die zelve sluimerde op haar bed van zand.

Tegen vier ure begon het in het oosten te schemeren. De wolken werden

een weinig gekleurd door de zwakke stralen van het morgenlicht. John

klom weder op het dek. De gezigteinder was met een gordijn van nevelen

bedekt. Eenige flaauw begrensde omtrekken zweefden op zekere hoogte in

de morgendampen. De zee deinde nog een beetje, en de golven verloren

zich in digte onbewegelijke wolken.

John wachtte. Het werd langzamerhand lichter en de gezigteinder nam een

roode kleur aan. De gordijn werd langzaam voor het groote achtertooneel

opgehaald. Zwarte riffen staken boven het water uit. Daarop teekende

zich een lijn af op een streep van schuim; door de nog onzigtbare schijf

der opgaande zon beschenen, werd een hoog gelegen punt verlicht, als

ware het een kustvuur op een heuveltop.

"Land!" riep John Mangles.

Door dat geroep ontwaakt, ijlden zijne makkers naar het dek van de brik,

en beschouwden zij zwijgend de kust, die aan den gezigteinder opdoemde.

Herbergzaam of vijandelijk, zij moest nu wel hun toevlugtsoord zijn.

"Waar is Will Halley?" vroeg Glenarvan.

"Ik weet het niet, mylord!" antwoordde John Mangles.

"En zijn matrozen?"

"Ook verdwenen."

"En zeker even stomdronken als hij," voegde Mac Nabbs er bij.

"Zoek ze," zeide Glenarvan; "wij kunnen ze toch niet op dit schip

achterlaten."

Mulrady en Wilson gingen naar de bak en waren in een paar minuten terug.

Ze was ledig. Nu doorzochten zij het tusschendek en het ruim. Zij vonden

noch Will Halley noch diens matrozen.

"Hoe! niemand?" zeide Glenarvan.

"Zijn ze in zee gevallen?" vroeg Paganel.

"Alles is mogelijk," antwoordde John Mangles, die zeer ongerust werd

over die verdwijning.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 9 / 29 题