Het verledene van het land waar men heengaat.
Den volgenden dag, den 27sten Januarij, waren de passagiers van de
_Macquarie_ bijeen in het bekrompen vooronder van de brik. Will Halley
had niet eens zijn kajuit aan de dames aangeboden. Zij behoefden
daarover trouwens geen spijt te gevoelen; want het hol was den beer
waardig.
Ten half een met de ebbe maakte men zich zeilree. Het anker kwam
loodregt en werd met moeite opgehaald. Een tamelijke koelte woei uit het
zuidwesten. De zeilen werden langzaam geheschen. De vijf matrozen deden
het werk op hun uiterste gemak. Wilson wilde hen helpen. Maar Halley
verzocht hem zich rustig te houden en zich niet te bemoeijen met hetgeen
hem niet aanging. Hij was gewoon alles alleen te doen en vroeg niet om
hulp of raad.
Dit was op John Mangles gemunt, dien de linkschheid van eenige
bewegingen deed glimlagchen. Hij hield zich voor gewaarschuwd, maar
behield zich voor om zooal niet regtens dan toch feitelijk tusschen
beide te komen, wanneer de onhandigheid der bemanning de veiligheid van
het schip soms in gevaar mogt brengen.
Met wat geduld en met de armen der vijf matrozen, aangevuurd door de
vloeken van den schipper, werden de zeilen toch eindelijk aangeslagen.
De _Macquarie_ liep met bakboordshalzen voor den wind onder haar
onderste zeilen, haar marszeilen, bramzeilen, haar groote bezaan en haar
kluivers. Later werden de lijzeilen en bovenbramstengen ook geheschen.
Maar in weerwil van die vermeerdering van doek vorderde de brik
naauwelijks. De breede voorsteven, de wijdte van het ruim, de lompheid
van het achterschip maakten haar tot een slechten zeiler, en gaven haar
geheel en al het voorkomen van een "klomp."
Men moest er zich echter in schikken. Gelukkig, hoe slecht de
_Macquarie_ ook zeilde, moest zij toch in vijf, hoogstens zes dagen, op
de reede van Auckland ankeren.
's Avonds ten zeven ure verloor men de kust van Australië en het staande
licht der haven van Eden uit het oog. De nog al holle zee deed het schip
erg stampen; het plompte neer in de golfdalen. De passagiers kregen
duchtige schokken, die hun verblijf in het vooronder juist niet
aangenamer maakten. Ook op het dek konden ze niet blijven; want het
regende juist hard. Zij zagen zich dus tot een strenge gevangenis
veroordeeld.
Elk liet nu zijn gedachten den vrijen loop. Er werd weinig gepraat. Ter
naauwernood wisselden lady Helena en Mary Grant eenige woorden.
Glenarvan kon het niet uithouden. Hij liep heen en weer, terwijl de
majoor zich niet verroerde. Door Robert vergezeld klom John Mangles van
tijd tot tijd op het dek om naar de zee te zien. En Paganel mompelde in
zijn hoek losse onzamenhangende woorden.
Waaraan dacht de waardige aardrijkskundige? Aan dat Nieuw-Zeeland,
waarheen het noodlot hem dreef. Deszelfs geheele geschiedenis ontrolde
zich voor zijn geest, en het verledene van dat akelige land doemde op
voor zijn oog.
Maar was er iets in die geschiedenis, een feit of een toeval, dat den
ontdekkers dier eilanden ooit het regt gegeven had om ze als een
vastland te beschouwen? Kon een nieuwere aardrijkskundige, een zeeman
hun dien naam geven? Zooals men ziet, kwam Paganel altijd weer terug op
de uitlegging van het document. Het was een bezetenheid, een vaststaande
gedachte. Na Patagonië, na Australië, klampte zijn verbeelding, die een
enkel woord bezig hield, zich vast aan Nieuw-Zeeland. Maar één enkel
punt stuitte hem op dien weg.
"Contin ... contin ..." herhaalde hij, "dat wil toch zeggen _continent_!
(vastland)"
En in gedachten volgde hij weder de zeevaarders, die deze twee groote
eilanden der zuidelijke zeeën vonden.
Den 13den December 1642 bereikte de Hollander Tasman, na Van Diemensland
ontdekt te hebben, de onbekende oevers van Nieuw-Zeeland. Hij zeilde er
verscheidene dagen langs en den 17den drongen zijn schepen in een breede
baai, aan wier uiteinde een naauwe straat lag, die twee eilanden
scheidde.
Het noordelijke eiland, was Ika-Na-Maoeï, zeelandsche woorden, die
beteekenen "de visch van Mauwi". Het zuidelijke eiland was
Tawaï-Poena-Moe, dat wil zeggen "de walvisch, die den groenen niersteen
voortbrengt[1]."
Abel Tasman zond zijn sloepen aan land, die met twee praauwen, bemand
met luidruchtige inwoners terugkwamen. Die wilden waren middelmatig van
gestalte, met een bruine en gele huid, met uitstekende beenderen, een
ruwe stem, en zwarte haren, evenals bij de Japanneezen op het hoofd
zaamgebonden, waarop een groote witte veer prijkte.
Die eerste ontmoeting tusschen de Europeanen en inlanders scheen
langdurige vrienschapsbetrekkingen te beloven. Maar den volgenden dag
werd een der sloepen van Tasman, die een ankerplaats digter bij het land
ging opzoeken, hevig bestookt door zeven praauwen met een groot aantal
inlanders bemand. De boot sloeg om en raakte vol water. De bootsman, die
het bevel voerde, werd terstond in de keel getroffen met een piek met
een grove punt. Hij viel in zee. Van zijn zes makkers werden er vier
gedood; de twee anderen en de bootsman zwommen naar de schepen en werden
opgevischt en gered.
Na dit noodlottig voorval zeilde Tasman weg. Hij vergenoegde zich met
den inlanders eenige musketkogels toe te zenden, die hen waarschijnlijk
niet raakten. Hij verliet de baai, nog de Moordbaai genoemd, stevende
langs de westkust en wierp den 5den Januarij het anker bij de noordpunt.
Te dezer plaatse verhinderde hem niet alleen de hevige branding maar ook
de slechte gezindheid der wilden om water in te nemen, en hij verliet
voor goed dit land, waaraan hij ter eere van de Staten Generaal den naam
gaf van Statenland.
De hollandsche zeeman meende inderdaad, dat het samenhing met de
eilanden van dienzelfden naam, ten oosten van Vuurland aan de zuidpunt
van Amerika ontdekt. Hij meende "het groot zuidelijk vastland" gevonden
te hebben.
"Maar," sprak Paganel bij zich zelven, "wat een zeeman der zeventiende
eeuw "vastland" noemen kon, kon dien naam niet dragen bij een zeeman der
negentiende; zulk een dwaling is niet te vooronderstellen! Neen! Er is
iets, dat mij ontgaat!"
Meer dan een eeuw lang bleef de ontdekking van Tasman onopgemerkt, en
Nieuw-Zeeland scheen niet meer te bestaan, tot eindelijk een fransch
zeevaarder, Surville, het op 35° 37' breedte in het gezigt kreeg. Eerst
had hij geen reden van klagen over de inboorlingen; maar de wind stak
geweldig op en een storm beliep hem, gedurende welken de sloep met de
zieken in de Toevlugtsbaai op het strand werd geworpen. Daar ontving een
opperhoofd, Nagui-Noeï genoemd, de Franschen zeer goed en huisvestte ze
in zijn eigene hut. Alles ging goed, tot het oogenblik, dat een sloep
van Surville werd gestolen. Surville eischte ze vergeefs op, en meende
voor dien diefstal een dorp te moeten straffen, dat hij geheel
verbrandde. Een verschrikkelijke en onregtvaardige wraak, die aanleiding
gaf tot de bloedige vergelding, waarvan Nieuw-Zeeland binnen kort het
tooneel zou worden.
Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook op deze kusten. Hij
ankerde in de Taoeë-Roa-baai met zijn schip de _Endeavour_ en trachtte
door goede behandeling de vriendschap der inboorlingen te winnen. Maar
om de menschen goed te behandelen, moet men beginnen met hen te krijgen.
Cook aarzelde niet om twee of drie gevangenen te maken en hun zijn
weldaden met geweld op te dringen. Met geschenken en liefkozingen
overladen werden zij weer aan land gezonden. Door hun verhalen uitgelokt
kwamen vervolgens een aantal inboorlingen vrijwillig aan boord en gingen
een ruilhandel met de Europeanen aan. Eenige dagen later stevende Cook
naar de Hawkes-baai, een diepe inham in de kust van het noordelijk
eiland. Daar trof hij oorlogzuchtige, schreeuwende en twistgierige
inboorlingen aan. Hun vijandelijke bedoelingen gingen zoover, dat het
noodig was hen met schrootvuur in toom te houden.
Den 20sten October ankerde de _Endeavour_ in de Toko-Maloe-baai, waar
een vreedzame bevolking van twee honderd zielen leefde. De
plantenkenners, die de reis medemaakten, zagen hun onderzoekingen in die
streek met een gewenschten uitslag bekroond, en de inboorlingen bragten
hen met hun praauwen aan wal. Cook bezocht twee dorpen met palen,
borstweringen en dubbele grachten versterkt, die bewezen, dat zij reeds
aanzienlijke vorderingen in den vestingbouw hadden gemaakt. Het
belangrijkste dier forten lag op een rots, die bij hoog water geheel een
eiland werd. En meer nog, want niet alleen werd ze door het water
omringd, maar dit stroomde ook door een natuurlijken boog van zestig
voet hoog, waarop die ongenaakbare "pâh" zich verhief.
Den 31sten Maart gaf Cook, die in vijf maanden een rijken oogst van
vreemde voorwerpen, inlandsche planten, en bijdragen tot de land- en
volkenkunde had bijeengebragt, zijn naam aan de straat, die de twee
eilanden scheidt, en verliet Nieuw-Zeeland. Hij bezocht het nog eens op
zijn latere reizen.
In 1773 toen verscheen de groote zeeman weder in de Hawkesbaai en was
daar getuige van tooneelen van kannibalisme. Het moet echter gezegd
worden, dat zijn reisgenooten er aanleiding toe gaven. Eenige
officieren, die aan land de verminkte ledematen van een jongen wilde
gevonden hadden, namen ze mee aan boord, "lieten ze braden," en zetten
ze den inboorlingen voor, die er met gretigheid op aanvielen. Treurige
liefhebberij, zich zoo tot koks te maken voor een maaltijd van
menscheneters!
Op zijn derde reis bezocht Cook andermaal dit land, waarvoor hij groote
voorliefde koesterde, en dat hij gaarne in kaart wilde brengen. Den
25sten Februarij 1777 verliet hij het voor goed.
In 1791 vertoefde Vancouver twintig dagen in de Sombere baai, zonder
eenig voordeel voor de natuur- of aardrijkskundige wetenschappen.
D'Entrecasteaux bragt in 1793 een kustlijn van vijf en twintig mijlen in
kaart op het noordelijke eiland Ika-Na-Maoeï. De koopvaardijkapiteins
Hausen en Dalrympe, later Baden, Richardson en Moody kwamen er even, en
dokter Savage verzamelde gedurende een verblijf van vijf weken
belangrijke bijzonderheden betreffende de zeden der Nieuw-Zeelanders.
In datzelfde jaar 1805 scheepte de neef van het opperhoofd van
Rangwi-Hoe, de schrandere Doea-Tara zich in op de _Argo_, kapitein
Baden, die in de Eilandenbaai lag.
Welligt zullen de lotgevallen van Doea-Tara eenmaal aan een Maori
Homerus het onderwerp voor een heldendicht verschaffen. Zij zijn een
aaneenschakeling van rampen, onregtvaardigheden en mishandelingen.
Trouwbreuk, verbeurdverklaring, slagen en wonden, waren het loon, dat de
arme wilde voor zijn goede diensten ontving. Welk denkbeeld moest hij
zich wel maken van menschen, die zich beschaafd noemen! Hij werd naar
Londen gebragt. Men maakte hem matroos van de laagste klasse, de
wrijfpaal der bemanning. Dat hij het leven er afbragt, had hij te danken
aan de tusschenkomst van den eerwaarden Marsden. Die zendeling trok zich
den jongen wilde aan, bij wien hij een scherp oordeel, een moedig hart,
en bewonderenswaardige hoedanigheden van zachtzinnigheid, innemendheid
en beleefdheid opmerkte. Marsden bezorgde zijn beschermeling eenige
zakken graan en landbouwwerktuigen, voor zijn land bestemd. Die kleine
bagaadje werd hem ontstolen. Ongelukken en lijden waren opnieuw het
deel van den armen Doea-Tara, tot in 1814, wanneer men hem eindelijk
in het land zijner vaderen terugvindt. Nu zou hij de vrucht van
zooveel lotswisselingen plukken; maar de dood rukte hem weg op
achtentwintigjarigen leeftijd, toen hij zich gereed maakte om het
bloeddorstige Zeeland te hervormen. Dit onherstelbare ongeluk zette de
beschaving ongetwijfeld vele jaren achteruit. Niets kan een verstandig
en goed man vervangen, die in zijn borst liefde tot het goede vereenigt
met liefde voor zijn land!
Tot in 1816 bleef Nieuw-Zeeland verlaten. Te dien tijde doorkruiste
Thompson, in 1817 Lidiard Nicholas, in 1819 Marsden, verscheidene deelen
der beide eilanden, en in 1820 bragt Richard Cruise, kapitein bij het
acht en tachtigste regiment infanterie, er tien maanden door met
grondige studiën over de zeden der inlanders.
In 1824 vertoefde Duperrey, bevelhebber dat _Coquille_, veertien dagen
in de Eilanden-baai, en ondervond hij veel vriendschap van de
inboorlingen.
Na hem, in 1827, moest de engelsche walvischvaarder _Mercury_ zich tegen
plundering en moord verdedigen. In hetzelfde jaar werd kapitein Dillon
tot tweemaal toe zeer gastvrij ontvangen.
In Maart 1827 kon de bevelhebber der _Astrolabe_, de beroemde
Dumont-d'Urville, ongedeerd en ongewapend eenige nachten onder de
inboorlingen doorbrengen, met hen zingen, geschenken geven en ontvangen,
in de hutten slapen, en zonder stoornis zijn belangrijke opmerkingen
voortzetten, waaraan de zoo schoone kaarten van het bureau van marine
het aanzijn te danken hebben.
De engelsche brik _Hawes_, kapitein John James, daarentegen, deed in het
volgende jaar de Eilanden-baai aan, stevende naar de Oostkaap, en had
veel te lijden van een trouweloos opperhoofd, Enararo geheeten.
Verscheidene zijner makkers ondergingen een verschrikkelijken dood.
Uit die tegenstrijdige voorvallen, uit die afwisseling van
zachtaardigheid en barbaarschheid moet men afleiden, dat de wreedheden
der Nieuw-Zeelanders maar al te dikwijls weerwraak waren. Goede of
slechte behandelingen hingen af van slechte of goede kapiteins. Zeker
hadden er wel eenige onregtvaardige aanvallen van de zijde der inlanders
plaats; maar meestal waren het wraakoefeningen, door de Europeanen
uitgelokt, en ongelukkig kwam de straf neer op het hoofd van
onschuldigen.
Na d'Urville werd de kennis van Nieuw-Zeeland aangevuld door een moedig
onderzoeker, die twintigmaal de geheele aarde doorkruiste, een zwerver,
een zigeuner van de wetenschap, een engelschman, Earle. Hij bezocht de
onbekende deelen der beide eilanden, zonder dat hem persoonlijk eenig
leed wedervoer, maar hij was dikwijls getuige van tooneelen, waarbij
menschenvleesch genuttigd werd. De Nieuw-Zeelanders verslonden elkander
met walgelijke gretigheid.
Dit ondervond ook kapitein Laplace, toen hij in 1881 in 4e Eilanden-baai
vertoefde. De gevechten waren ook reeds veel vreeselijker geworden; want
de wilden waren zeer bedreven in de behandeling der vuurwapenen. De
vroeger bloeijende en volkrijke gewesten van Ika-Na-Maoeï werden in
doodsche woestijnen veranderd. Geheele stammen waren verdwenen, evenals
kudden schapen verdwijnen, die men braadt en opeet.
De zendelingen hebben te vergeefs hun best gedaan om die bloeddorstige
neigingen te overwinnen. Van 1808 af had het _Anglikaansche
Zendeling-Genootschap_ zijn bekwaamste agenten,--die naam komt hun
toe,--naar de voornaamste plaatsen op het noordelijke eiland gezonden.
Maar de barbaarschheid der Nieuw-Zeelanders dwong het de vestiging van
zendelingsposten te staken. Eerst in 1814 landden de heeren Marsden, de
beschermer van Doea-Tara, Hall en King, in de Eilanden-baai en kochten
van de opperhoofden voor twaalf ijzeren bijlen een strook grond van
honderd bunders. Daar werd de zetel der anglikaansche zending gesticht.
Het begin was moeijelijk. Maar eindelijk ontzagen de inlanders het leven
der zendelingen. Zij namen hun diensten en hun leer aan. Eenige woeste
inboorlingen werden zachter gestemd. In die harde harten ontwaakte het
gevoel van dankbaarheid. In 1824 gebeurde het zelfs, dat de
Nieuw-Zeelanders hun "ariki's," dat wil zeggen de leeraars, tegen woeste
matrozen beschermden, die hen beleedigden en met mishandeling
bedreigden.
Langzamerhand geraakten dus de zendelingsposten tot bloei, ondanks
de tegenwoordigheid van uit Port Jackson ontvlugte misdadigers,
die de inlandsche bevolking bedierven. In 1831 vermeldden de
_Zendelingeberigten_ twee aanzienlijke posten, de een te Kidi-Kidi,
aan de oevers van het kanaal, dat in de Eilanden-baai in zee valt, de
andere te Paï-Hia, aan den oever der Kawa-Kawa. Onder opzigt hunner
leeraars hadden de bekeerde inlanders wegen aangelegd, paden door de
ontzaggelijke bosschen gebaand, bruggen over de stroomen geslagen. Elke
zendeling ging op zijn beurt de beschavende godsdienst prediken onder de
verderaf wonende stammen, rigtte kapellen van riet of boomschors op en
scholen voor de inlandsche jeugd, en op het dak dier nederige gebouwen
wapperde de vlag der zending, voerende het kruis van Christus en deze
woorden: "Rongo-Pai," dat wil zeggen "het Evangelie."
Het is jammer, dat de invloed der zendelingen beperkt blijft tot hun
nederzettingen. De geheele zwervende bevolking onttrekt zich aan hun
werkzaamheid. Het menscheneten is alleen bij de christenen uitgeroeid,
en nog zou men die pas bekeerden niet aan te groote verleiding moeten
blootstellen. De trek naar bloed leeft nog in hen.
Ook duurt de oorlog nog altijd voort in die woeste streken. De
Zeelanders zijn geen stompe Australiërs, die voor den europeeschen inval
wijken; zij verzetten zich, zij verdedigen zich, zij haten hun
onderdrukkers, en thans bezielt hen een gloeijende haat tegen de
engelsche landverhuizers. De toekomst dier groote eilanden staat op het
spel. Een onmiddellijke beschaving wacht hen of een eeuwenlange diepe
barbaarschheid, al naar het lot der wapenen.
Zoo had Paganel, wiens hersenen van ongeduld gloeiden, de geheele
geschiedenis van Nieuw-Zeeland zich voor den geest gehaald. Maar in deze
geschiedenis kwam niets voor, dat regt gaf om dit gewest, uit twee
eilanden bestaande, een vastland te noemen, en hadden eenige woorden van
het document zijn verbeelding geprikkeld, deze beide lettergrepen
_contin_ hielden hem hardnekkig tegen op den weg eener nieuwe
uitlegging.
[1] Later is gebleken, dat geheel Nieuw-Zeeland bij de inlanders
Tawai-Maoeï heet. Tawaï-Poena-Moe is alleen de naam van een gedeelte van
het middelste eiland.