II.

Het verledene van het land waar men heengaat.

Den volgenden dag, den 27sten Januarij, waren de passagiers van de

_Macquarie_ bijeen in het bekrompen vooronder van de brik. Will Halley

had niet eens zijn kajuit aan de dames aangeboden. Zij behoefden

daarover trouwens geen spijt te gevoelen; want het hol was den beer

waardig.

Ten half een met de ebbe maakte men zich zeilree. Het anker kwam

loodregt en werd met moeite opgehaald. Een tamelijke koelte woei uit het

zuidwesten. De zeilen werden langzaam geheschen. De vijf matrozen deden

het werk op hun uiterste gemak. Wilson wilde hen helpen. Maar Halley

verzocht hem zich rustig te houden en zich niet te bemoeijen met hetgeen

hem niet aanging. Hij was gewoon alles alleen te doen en vroeg niet om

hulp of raad.

Dit was op John Mangles gemunt, dien de linkschheid van eenige

bewegingen deed glimlagchen. Hij hield zich voor gewaarschuwd, maar

behield zich voor om zooal niet regtens dan toch feitelijk tusschen

beide te komen, wanneer de onhandigheid der bemanning de veiligheid van

het schip soms in gevaar mogt brengen.

Met wat geduld en met de armen der vijf matrozen, aangevuurd door de

vloeken van den schipper, werden de zeilen toch eindelijk aangeslagen.

De _Macquarie_ liep met bakboordshalzen voor den wind onder haar

onderste zeilen, haar marszeilen, bramzeilen, haar groote bezaan en haar

kluivers. Later werden de lijzeilen en bovenbramstengen ook geheschen.

Maar in weerwil van die vermeerdering van doek vorderde de brik

naauwelijks. De breede voorsteven, de wijdte van het ruim, de lompheid

van het achterschip maakten haar tot een slechten zeiler, en gaven haar

geheel en al het voorkomen van een "klomp."

Men moest er zich echter in schikken. Gelukkig, hoe slecht de

_Macquarie_ ook zeilde, moest zij toch in vijf, hoogstens zes dagen, op

de reede van Auckland ankeren.

's Avonds ten zeven ure verloor men de kust van Australië en het staande

licht der haven van Eden uit het oog. De nog al holle zee deed het schip

erg stampen; het plompte neer in de golfdalen. De passagiers kregen

duchtige schokken, die hun verblijf in het vooronder juist niet

aangenamer maakten. Ook op het dek konden ze niet blijven; want het

regende juist hard. Zij zagen zich dus tot een strenge gevangenis

veroordeeld.

Elk liet nu zijn gedachten den vrijen loop. Er werd weinig gepraat. Ter

naauwernood wisselden lady Helena en Mary Grant eenige woorden.

Glenarvan kon het niet uithouden. Hij liep heen en weer, terwijl de

majoor zich niet verroerde. Door Robert vergezeld klom John Mangles van

tijd tot tijd op het dek om naar de zee te zien. En Paganel mompelde in

zijn hoek losse onzamenhangende woorden.

Waaraan dacht de waardige aardrijkskundige? Aan dat Nieuw-Zeeland,

waarheen het noodlot hem dreef. Deszelfs geheele geschiedenis ontrolde

zich voor zijn geest, en het verledene van dat akelige land doemde op

voor zijn oog.

Maar was er iets in die geschiedenis, een feit of een toeval, dat den

ontdekkers dier eilanden ooit het regt gegeven had om ze als een

vastland te beschouwen? Kon een nieuwere aardrijkskundige, een zeeman

hun dien naam geven? Zooals men ziet, kwam Paganel altijd weer terug op

de uitlegging van het document. Het was een bezetenheid, een vaststaande

gedachte. Na Patagonië, na Australië, klampte zijn verbeelding, die een

enkel woord bezig hield, zich vast aan Nieuw-Zeeland. Maar één enkel

punt stuitte hem op dien weg.

"Contin ... contin ..." herhaalde hij, "dat wil toch zeggen _continent_!

(vastland)"

En in gedachten volgde hij weder de zeevaarders, die deze twee groote

eilanden der zuidelijke zeeën vonden.

Den 13den December 1642 bereikte de Hollander Tasman, na Van Diemensland

ontdekt te hebben, de onbekende oevers van Nieuw-Zeeland. Hij zeilde er

verscheidene dagen langs en den 17den drongen zijn schepen in een breede

baai, aan wier uiteinde een naauwe straat lag, die twee eilanden

scheidde.

Het noordelijke eiland, was Ika-Na-Maoeï, zeelandsche woorden, die

beteekenen "de visch van Mauwi". Het zuidelijke eiland was

Tawaï-Poena-Moe, dat wil zeggen "de walvisch, die den groenen niersteen

voortbrengt[1]."

Abel Tasman zond zijn sloepen aan land, die met twee praauwen, bemand

met luidruchtige inwoners terugkwamen. Die wilden waren middelmatig van

gestalte, met een bruine en gele huid, met uitstekende beenderen, een

ruwe stem, en zwarte haren, evenals bij de Japanneezen op het hoofd

zaamgebonden, waarop een groote witte veer prijkte.

Die eerste ontmoeting tusschen de Europeanen en inlanders scheen

langdurige vrienschapsbetrekkingen te beloven. Maar den volgenden dag

werd een der sloepen van Tasman, die een ankerplaats digter bij het land

ging opzoeken, hevig bestookt door zeven praauwen met een groot aantal

inlanders bemand. De boot sloeg om en raakte vol water. De bootsman, die

het bevel voerde, werd terstond in de keel getroffen met een piek met

een grove punt. Hij viel in zee. Van zijn zes makkers werden er vier

gedood; de twee anderen en de bootsman zwommen naar de schepen en werden

opgevischt en gered.

Na dit noodlottig voorval zeilde Tasman weg. Hij vergenoegde zich met

den inlanders eenige musketkogels toe te zenden, die hen waarschijnlijk

niet raakten. Hij verliet de baai, nog de Moordbaai genoemd, stevende

langs de westkust en wierp den 5den Januarij het anker bij de noordpunt.

Te dezer plaatse verhinderde hem niet alleen de hevige branding maar ook

de slechte gezindheid der wilden om water in te nemen, en hij verliet

voor goed dit land, waaraan hij ter eere van de Staten Generaal den naam

gaf van Statenland.

De hollandsche zeeman meende inderdaad, dat het samenhing met de

eilanden van dienzelfden naam, ten oosten van Vuurland aan de zuidpunt

van Amerika ontdekt. Hij meende "het groot zuidelijk vastland" gevonden

te hebben.

"Maar," sprak Paganel bij zich zelven, "wat een zeeman der zeventiende

eeuw "vastland" noemen kon, kon dien naam niet dragen bij een zeeman der

negentiende; zulk een dwaling is niet te vooronderstellen! Neen! Er is

iets, dat mij ontgaat!"

Meer dan een eeuw lang bleef de ontdekking van Tasman onopgemerkt, en

Nieuw-Zeeland scheen niet meer te bestaan, tot eindelijk een fransch

zeevaarder, Surville, het op 35° 37' breedte in het gezigt kreeg. Eerst

had hij geen reden van klagen over de inboorlingen; maar de wind stak

geweldig op en een storm beliep hem, gedurende welken de sloep met de

zieken in de Toevlugtsbaai op het strand werd geworpen. Daar ontving een

opperhoofd, Nagui-Noeï genoemd, de Franschen zeer goed en huisvestte ze

in zijn eigene hut. Alles ging goed, tot het oogenblik, dat een sloep

van Surville werd gestolen. Surville eischte ze vergeefs op, en meende

voor dien diefstal een dorp te moeten straffen, dat hij geheel

verbrandde. Een verschrikkelijke en onregtvaardige wraak, die aanleiding

gaf tot de bloedige vergelding, waarvan Nieuw-Zeeland binnen kort het

tooneel zou worden.

Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook op deze kusten. Hij

ankerde in de Taoeë-Roa-baai met zijn schip de _Endeavour_ en trachtte

door goede behandeling de vriendschap der inboorlingen te winnen. Maar

om de menschen goed te behandelen, moet men beginnen met hen te krijgen.

Cook aarzelde niet om twee of drie gevangenen te maken en hun zijn

weldaden met geweld op te dringen. Met geschenken en liefkozingen

overladen werden zij weer aan land gezonden. Door hun verhalen uitgelokt

kwamen vervolgens een aantal inboorlingen vrijwillig aan boord en gingen

een ruilhandel met de Europeanen aan. Eenige dagen later stevende Cook

naar de Hawkes-baai, een diepe inham in de kust van het noordelijk

eiland. Daar trof hij oorlogzuchtige, schreeuwende en twistgierige

inboorlingen aan. Hun vijandelijke bedoelingen gingen zoover, dat het

noodig was hen met schrootvuur in toom te houden.

Den 20sten October ankerde de _Endeavour_ in de Toko-Maloe-baai, waar

een vreedzame bevolking van twee honderd zielen leefde. De

plantenkenners, die de reis medemaakten, zagen hun onderzoekingen in die

streek met een gewenschten uitslag bekroond, en de inboorlingen bragten

hen met hun praauwen aan wal. Cook bezocht twee dorpen met palen,

borstweringen en dubbele grachten versterkt, die bewezen, dat zij reeds

aanzienlijke vorderingen in den vestingbouw hadden gemaakt. Het

belangrijkste dier forten lag op een rots, die bij hoog water geheel een

eiland werd. En meer nog, want niet alleen werd ze door het water

omringd, maar dit stroomde ook door een natuurlijken boog van zestig

voet hoog, waarop die ongenaakbare "pâh" zich verhief.

Den 31sten Maart gaf Cook, die in vijf maanden een rijken oogst van

vreemde voorwerpen, inlandsche planten, en bijdragen tot de land- en

volkenkunde had bijeengebragt, zijn naam aan de straat, die de twee

eilanden scheidt, en verliet Nieuw-Zeeland. Hij bezocht het nog eens op

zijn latere reizen.

In 1773 toen verscheen de groote zeeman weder in de Hawkesbaai en was

daar getuige van tooneelen van kannibalisme. Het moet echter gezegd

worden, dat zijn reisgenooten er aanleiding toe gaven. Eenige

officieren, die aan land de verminkte ledematen van een jongen wilde

gevonden hadden, namen ze mee aan boord, "lieten ze braden," en zetten

ze den inboorlingen voor, die er met gretigheid op aanvielen. Treurige

liefhebberij, zich zoo tot koks te maken voor een maaltijd van

menscheneters!

Op zijn derde reis bezocht Cook andermaal dit land, waarvoor hij groote

voorliefde koesterde, en dat hij gaarne in kaart wilde brengen. Den

25sten Februarij 1777 verliet hij het voor goed.

In 1791 vertoefde Vancouver twintig dagen in de Sombere baai, zonder

eenig voordeel voor de natuur- of aardrijkskundige wetenschappen.

D'Entrecasteaux bragt in 1793 een kustlijn van vijf en twintig mijlen in

kaart op het noordelijke eiland Ika-Na-Maoeï. De koopvaardijkapiteins

Hausen en Dalrympe, later Baden, Richardson en Moody kwamen er even, en

dokter Savage verzamelde gedurende een verblijf van vijf weken

belangrijke bijzonderheden betreffende de zeden der Nieuw-Zeelanders.

In datzelfde jaar 1805 scheepte de neef van het opperhoofd van

Rangwi-Hoe, de schrandere Doea-Tara zich in op de _Argo_, kapitein

Baden, die in de Eilandenbaai lag.

Welligt zullen de lotgevallen van Doea-Tara eenmaal aan een Maori

Homerus het onderwerp voor een heldendicht verschaffen. Zij zijn een

aaneenschakeling van rampen, onregtvaardigheden en mishandelingen.

Trouwbreuk, verbeurdverklaring, slagen en wonden, waren het loon, dat de

arme wilde voor zijn goede diensten ontving. Welk denkbeeld moest hij

zich wel maken van menschen, die zich beschaafd noemen! Hij werd naar

Londen gebragt. Men maakte hem matroos van de laagste klasse, de

wrijfpaal der bemanning. Dat hij het leven er afbragt, had hij te danken

aan de tusschenkomst van den eerwaarden Marsden. Die zendeling trok zich

den jongen wilde aan, bij wien hij een scherp oordeel, een moedig hart,

en bewonderenswaardige hoedanigheden van zachtzinnigheid, innemendheid

en beleefdheid opmerkte. Marsden bezorgde zijn beschermeling eenige

zakken graan en landbouwwerktuigen, voor zijn land bestemd. Die kleine

bagaadje werd hem ontstolen. Ongelukken en lijden waren opnieuw het

deel van den armen Doea-Tara, tot in 1814, wanneer men hem eindelijk

in het land zijner vaderen terugvindt. Nu zou hij de vrucht van

zooveel lotswisselingen plukken; maar de dood rukte hem weg op

achtentwintigjarigen leeftijd, toen hij zich gereed maakte om het

bloeddorstige Zeeland te hervormen. Dit onherstelbare ongeluk zette de

beschaving ongetwijfeld vele jaren achteruit. Niets kan een verstandig

en goed man vervangen, die in zijn borst liefde tot het goede vereenigt

met liefde voor zijn land!

Tot in 1816 bleef Nieuw-Zeeland verlaten. Te dien tijde doorkruiste

Thompson, in 1817 Lidiard Nicholas, in 1819 Marsden, verscheidene deelen

der beide eilanden, en in 1820 bragt Richard Cruise, kapitein bij het

acht en tachtigste regiment infanterie, er tien maanden door met

grondige studiën over de zeden der inlanders.

In 1824 vertoefde Duperrey, bevelhebber dat _Coquille_, veertien dagen

in de Eilanden-baai, en ondervond hij veel vriendschap van de

inboorlingen.

Na hem, in 1827, moest de engelsche walvischvaarder _Mercury_ zich tegen

plundering en moord verdedigen. In hetzelfde jaar werd kapitein Dillon

tot tweemaal toe zeer gastvrij ontvangen.

In Maart 1827 kon de bevelhebber der _Astrolabe_, de beroemde

Dumont-d'Urville, ongedeerd en ongewapend eenige nachten onder de

inboorlingen doorbrengen, met hen zingen, geschenken geven en ontvangen,

in de hutten slapen, en zonder stoornis zijn belangrijke opmerkingen

voortzetten, waaraan de zoo schoone kaarten van het bureau van marine

het aanzijn te danken hebben.

De engelsche brik _Hawes_, kapitein John James, daarentegen, deed in het

volgende jaar de Eilanden-baai aan, stevende naar de Oostkaap, en had

veel te lijden van een trouweloos opperhoofd, Enararo geheeten.

Verscheidene zijner makkers ondergingen een verschrikkelijken dood.

Uit die tegenstrijdige voorvallen, uit die afwisseling van

zachtaardigheid en barbaarschheid moet men afleiden, dat de wreedheden

der Nieuw-Zeelanders maar al te dikwijls weerwraak waren. Goede of

slechte behandelingen hingen af van slechte of goede kapiteins. Zeker

hadden er wel eenige onregtvaardige aanvallen van de zijde der inlanders

plaats; maar meestal waren het wraakoefeningen, door de Europeanen

uitgelokt, en ongelukkig kwam de straf neer op het hoofd van

onschuldigen.

Na d'Urville werd de kennis van Nieuw-Zeeland aangevuld door een moedig

onderzoeker, die twintigmaal de geheele aarde doorkruiste, een zwerver,

een zigeuner van de wetenschap, een engelschman, Earle. Hij bezocht de

onbekende deelen der beide eilanden, zonder dat hem persoonlijk eenig

leed wedervoer, maar hij was dikwijls getuige van tooneelen, waarbij

menschenvleesch genuttigd werd. De Nieuw-Zeelanders verslonden elkander

met walgelijke gretigheid.

Dit ondervond ook kapitein Laplace, toen hij in 1881 in 4e Eilanden-baai

vertoefde. De gevechten waren ook reeds veel vreeselijker geworden; want

de wilden waren zeer bedreven in de behandeling der vuurwapenen. De

vroeger bloeijende en volkrijke gewesten van Ika-Na-Maoeï werden in

doodsche woestijnen veranderd. Geheele stammen waren verdwenen, evenals

kudden schapen verdwijnen, die men braadt en opeet.

De zendelingen hebben te vergeefs hun best gedaan om die bloeddorstige

neigingen te overwinnen. Van 1808 af had het _Anglikaansche

Zendeling-Genootschap_ zijn bekwaamste agenten,--die naam komt hun

toe,--naar de voornaamste plaatsen op het noordelijke eiland gezonden.

Maar de barbaarschheid der Nieuw-Zeelanders dwong het de vestiging van

zendelingsposten te staken. Eerst in 1814 landden de heeren Marsden, de

beschermer van Doea-Tara, Hall en King, in de Eilanden-baai en kochten

van de opperhoofden voor twaalf ijzeren bijlen een strook grond van

honderd bunders. Daar werd de zetel der anglikaansche zending gesticht.

Het begin was moeijelijk. Maar eindelijk ontzagen de inlanders het leven

der zendelingen. Zij namen hun diensten en hun leer aan. Eenige woeste

inboorlingen werden zachter gestemd. In die harde harten ontwaakte het

gevoel van dankbaarheid. In 1824 gebeurde het zelfs, dat de

Nieuw-Zeelanders hun "ariki's," dat wil zeggen de leeraars, tegen woeste

matrozen beschermden, die hen beleedigden en met mishandeling

bedreigden.

Langzamerhand geraakten dus de zendelingsposten tot bloei, ondanks

de tegenwoordigheid van uit Port Jackson ontvlugte misdadigers,

die de inlandsche bevolking bedierven. In 1831 vermeldden de

_Zendelingeberigten_ twee aanzienlijke posten, de een te Kidi-Kidi,

aan de oevers van het kanaal, dat in de Eilanden-baai in zee valt, de

andere te Paï-Hia, aan den oever der Kawa-Kawa. Onder opzigt hunner

leeraars hadden de bekeerde inlanders wegen aangelegd, paden door de

ontzaggelijke bosschen gebaand, bruggen over de stroomen geslagen. Elke

zendeling ging op zijn beurt de beschavende godsdienst prediken onder de

verderaf wonende stammen, rigtte kapellen van riet of boomschors op en

scholen voor de inlandsche jeugd, en op het dak dier nederige gebouwen

wapperde de vlag der zending, voerende het kruis van Christus en deze

woorden: "Rongo-Pai," dat wil zeggen "het Evangelie."

Het is jammer, dat de invloed der zendelingen beperkt blijft tot hun

nederzettingen. De geheele zwervende bevolking onttrekt zich aan hun

werkzaamheid. Het menscheneten is alleen bij de christenen uitgeroeid,

en nog zou men die pas bekeerden niet aan te groote verleiding moeten

blootstellen. De trek naar bloed leeft nog in hen.

Ook duurt de oorlog nog altijd voort in die woeste streken. De

Zeelanders zijn geen stompe Australiërs, die voor den europeeschen inval

wijken; zij verzetten zich, zij verdedigen zich, zij haten hun

onderdrukkers, en thans bezielt hen een gloeijende haat tegen de

engelsche landverhuizers. De toekomst dier groote eilanden staat op het

spel. Een onmiddellijke beschaving wacht hen of een eeuwenlange diepe

barbaarschheid, al naar het lot der wapenen.

Zoo had Paganel, wiens hersenen van ongeduld gloeiden, de geheele

geschiedenis van Nieuw-Zeeland zich voor den geest gehaald. Maar in deze

geschiedenis kwam niets voor, dat regt gaf om dit gewest, uit twee

eilanden bestaande, een vastland te noemen, en hadden eenige woorden van

het document zijn verbeelding geprikkeld, deze beide lettergrepen

_contin_ hielden hem hardnekkig tegen op den weg eener nieuwe

uitlegging.

[1] Later is gebleken, dat geheel Nieuw-Zeeland bij de inlanders

Tawai-Maoeï heet. Tawaï-Poena-Moe is alleen de naam van een gedeelte van

het middelste eiland.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 7 / 29 题