I.

De Macquarie.

Zoo ooit, dan moesten thans, nu alles hun te gelijk ontviel, de zoekers

naar kapitein Grant wel wanhopen hem weder te zien. In welk deel der

wereld moesten zij nu hun togt weder beginnen? Hoe konden zij nieuwe

landen onderzoeken? De _Duncan_bestond niet meer; zelfs was het hun

onmogelijk om onmiddellijk naar hun vaderland terug te keeren. De

onderneming dier edelmoedige Schotten was dus mislukt! Niet geslaagd!

Treurig woord, dat geen weerklank vindt in een moedig hart, en toch

dwongen de slagen van het noodlot Glenarvan tot de erkentenis, dat hij

onmagtig was zijn werk van zelfopoffering voort te zetten.

In dien stand van zaken had Mary Grant den moed om den naam haars vaders

niet meer uit te spreken. Zij bedwong haar angst door de gedachte aan de

ongelukkige matrozen, die omgebragt waren. De dochter ging op in de

vriendin, en zij troostte Glenarvan, die haar zoo menigmaal had

getroost! Zij was de eerste, die er van sprak, om naar Schotland terug

te keeren. Toen hij haar moed, haar onderwerping zag, bewonderde John

Mangles haar. Hij wilde nog iets ten voordeele van den kapitein zeggen;

maar Mary legde hem door een blik het stilzwijgen op, en later zeide zij

tot hem: "Neen, mijnheer John! wij moeten denken aan degenen, die zich

opgeofferd hebben. Lord Glenarvan moet naar Europa terugkeeren!"

"Gij hebt gelijk, miss Mary!" antwoordde John Mangles, "het moet. Ook

moeten de engelsche autoriteiten onderrigt worden van het lot der

_Duncan_. Maar geef alle hoop nog niet op. Liever dan de aangevangen

nasporingen op te geven, zou ik ze alleen voortzetten! Ik zal kapitein

Grant terugvinden of bij de volvoering dier taak omkomen!"

Het was eene ernstige verbindtenis, die John Mangles op zich nam. Mary

nam ze aan, en legde haar hand in die van den jongen kapitein, als om

dit verdrag te bekrachtigen. Van de zijde van John Mangles was het een

toewijding van zijn geheele leven, van de zijde van Mary een

onwankelbare erkentelijkheid.

Dien dag werd er stellig tot het vertrek besloten. Men had plan om

Melbourne ten spoedigste te bereiken. 's Anderen daags ging John

onderzoeken, of er scheepsgelegenheid was. Hij rekende er op, dat er een

belangrijk verkeer tusschen Eden en de hoofdstad van Victoria werd

onderhouden.

Zijn verwachting werd teleurgesteld. Er lagen maar weinig schepen. De

geheele koopvaardijvloot van het stadje bestond uit drie of vier

schepen, die in de Twofoldbaai ten anker lagen. Geen enkel was met

bestemming naar Melbourne, Sidney of Pointe-de-Galle. En alleen in deze

havens van Australië kon Glenarvan schepen vinden in lading naar

Engeland. Want de _Stoombootmaatschappij voor het Schier-eiland en het

Oosten_ heeft een geregelde stoomvaart tusschen deze punten en het

moederland.

Wat nu te doen? Een schip afwachten? Dat kon lang duren; want de

Twofold-baai wordt weinig bezocht. Wel varen er vele schepen voorbij;

maar zelden doen ze de baai aan.

Na lang wikken en wegen kwam Glenarvan bijna tot het besluit om langs de

kust naar Sidney te gaan, toen Paganel met een voorstel voor den dag

kwam, dat niemand had verwacht.

De aardrijkskundige had ook de Twofoldbaai eens bezocht. Hij wist, dat

er geen reisgelegenheid bestond naar Sidney en Melbourne. Maar een van

de drie schepen, welke op de reede lagen, moest naar Auckland, de

hoofdstad van Ika-Na-Maoeï, het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland. Nu

stelde Paganel voor het bedoelde schip af te huren en naar Auckland te

gaan, vanwaar men gemakkelijk met de booten der maatschappij naar Europa

kon terugkeeren.

Dit voorstel werd in ernstige overweging genomen. Paganel wachtte zich

thans wel al die bewijzen aan te voeren, waarmede hij anders zoo mild

was. Hij vergenoegde zich met de opgave van het feit en voegde er bij,

dat de overtogt maar vijf of zes dagen zou duren. De afstand, die

Australië van Nieuw-Zeeland scheidt, bedraagt werkelijk niet meer dan

een duizend mijlen[1]

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden lag Auckland juist op

dien zeven en dertigsten breedtegraad, dien de zoekers van Araucanië af

hardnekkig volgden. De aardrijkskundige had dus, zonder dat men hem van

partijdigheid kon beschuldigen, gerust zijn voordeel kunnen doen met

deze waarheid om er een bewijs ter gunste van zijn voorstel aan te

ontleenen. Zoo kreeg men immers ongezocht aanleiding om de steile kusten

van Nieuw Zeeland te bezoeken.

Evenwel maakte Paganel van dat voordeel geen gebruik. Na de dubbele

teleurstelling wilde hij zich ongetwijfeld niet wagen aan een derde

uitlegging van het document. Maar wat zou hij er ook uit kunnen

afleiden? Er stond immers uitdrukkelijk, dat een "vastland" tot

schuilplaats had gestrekt aan kapitein Grant, en niet een eiland. Nu was

Nieuw-Zeeland maar een eiland. Dat scheen beslissend. Hoe het ook zij,

om deze of om een andere reden verbond Paganel met dit voorstel om naar

Auckland te gaan volstrekt niet de gedachte om een nieuwen

onderzoekingstogt op touw te zetten. Hij wees er alleen op, dat er een

geregelde gemeenschap bestond tusschen dit punt en Groot-Brittanje, en

dat men gemakkelijk daarvan gebruik kon maken.

John Mangles ondersteunde het voorstel van Paganel. Hij raadde tot de

aanneming, omdat men toch de twijfelachtige komst van een vaartuig in de

Twofoldbaai niet kon afwachten. Maar alvorens daartoe over te gaan

achtte hij het geraden om het door den aardrijkskundige bedoelde schip

eens in oogenschouw te nemen. Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert en

hij namen dus een sloep, en na eenige riemslagen legden zij bij het

schip aan, dat twee kabelslengten van de kaai ten anker lag.

Het was een brik van twee honderd vijftig ton, de _Macquarie_ geheeten.

Zij diende tot de kustvaart tusschen de verschillende havens van

Australië en van Nieuw-Zeeland. De kapitein, of beter gezegd de

"schipper" ontving zijn bezoekers tamelijk lomp. Zij zagen wel, dat zij

te doen hadden met iemand zonder opvoeding, wiens manieren volstrekt

niet verschilden van die der vijf matrozen, waaruit de bemanning

bestond. Een dik rood gezigt, grove handen, een platte neus, één oog en

vuile lippen van het rooken, gevoegd bij zijn onbeschofte houding

maakten van Will Halley een terugstootend wezen. Maar men had geen keus,

en voor een reisje van weinige dagen moest men zoo naauw niet kijken.

"Wat wilt gij?" vroeg Halley aan die onbekenden, die op het dek van zijn

schip kwamen.

"De kapitein?" vroeg John Mangles.

"Ben ik," antwoordde Halley. "En?"

"Ligt de _Macquarie_ in lading naar Auckland?"

"Ja. En?"

"Wat heeft ze in?"

"Alles wat verkocht wordt en alles wat gekocht wordt. En?"

"Wanneer vertrekt ze?"

"Morgen, tegen den middag. En?"

"Kan ze passagiers meenemen?"

"Dat hangt er van af wie het zijn en of ze zich met den scheepskost

willen vergenoegen."

"Zij zouden hun voorraad meebrengen."

"En?"

"En?"

"Ja. Hoeveel zijn er?"

"Negen, waaronder twee dames."

"Ik heb geen hutten."

"Zij zullen zich met het vooronder behelpen, dat hun moet afgestaan

worden."

"En?"

"Neemt gij het aan?" vroeg John Mangles, die volstrekt niet verlegen

werd gemaakt door de manieren van den kapitein.

"Moet zien," antwoordde de schipper van de _Macquarie_. Will Halley liep

wat rond, stampte met zijn zware laarzen met groote spijkers op het dek,

en kwam toen plotseling op John Mangles af.

"Wat betaalt men?" vroeg hij.

"Wat vraagt men?" antwoordde John.

"Vijftig pond."

Glenarvan gaf een toestemmend teeken.

"Goed! vijftig pond," antwoordde John Mangles.

"Maar enkel de overtogt," voegde Will Halley erbij.

"Enkel de overtogt."

"Buiten den kost."

"Daarbuiten."

"Toegestemd. En?" zeide Will de hand ophoudende.

"Wat blieft?"

"Het handgeld?"

"Hier is de helft van de vracht, vijf en twintig pond," zeide John

Mangles, aan den schipper het geld uitbetalende, die het zonder dankje

te zeggen in den zak stak.

"Morgen aan boord," zeide hij. "Voor twaalven. Of ge er zijt of niet, ik

ligt het anker."

"Wij zullen er zijn."

Toen dit afgehandeld was, gingen Glenarvan, de majoor, Robert, Paganel

en John Mangles van boord, zonder dat Will Halley ook maar met den

vinger den zuidwester had aangeraakt, die op zijn roode pruik

vastgelijmd zat.

"Wat een lompe vlegel!" zeide John.

"Die staat mij juist goed aan," antwoordde Paganel. "Hij is een echte

zeewolf."

"Een echte beer!" verbeterde de majoor.

"En ik houd het er voor," voegde John Mangles er bij, "dat die beer in

der tijd wel handel gedreven heeft in menschenvleesch."

"Wat raakt ons dat!" antwoordde Glenarvan, "nu hij de _Macquarie_

kommandeert en de _Macquarie_ naar Nieuw-Zeeland gaat. Tusschen de

Twofoldbaai en Auckland zullen we hem weinig zien, na Auckland zullen we

hem in het geheel niet meer zien."

Lady Helena en Mary Grant vernamen met genoegen, dat het vertrek op den

volgenden dag was bepaald. Glenarvan bragt haar onder het oog, dat de

_Macquarie_ niet zoo gemakkelijk was ingerigt als de _Duncan_. Maar na

zooveel leed uitgestaan te hebben, waren zij er de vrouwen niet naar, om

zich door zoo'n kleinigheid te laten afschrikken. Olbinett kreeg last om

voor levensmiddelen te zorgen. Sedert het verlies van de _Duncan_ had de

arme man heete tranen geschreid over zijn ongelukkige vrouw, die aan

boord gebleven en natuurlijk evenals de geheele bemanning het offer was

geworden van de wreedheid der roovers. Niettemin volbragt hij met zijn

gewonen ijver zijn werkzaamheden als hofmeester, en "de schafting"

bestond uit kostelijke spijzen, die nooit op de schaftlijst van de brik

voorkwamen. In weinige uren waren de aankoopen afgeloopen.

Intusschen maakte de majoor bij een wisselaar de wissels te gelde, die

Glenarvan had op de _Union-bank_ te Melbourne. Hij wilde niet ontbloot

zijn van goud. Evenmin van wapens en kruid. Daarom schafte hij zich

weder andere aan. Paganel kocht voor zich een uitmuntende kaart van

Nieuw-Zeeland, door Johnston te Edinmburg uitgegeven.

Met Mulrady ging het goed. Hij voelde naauwelijks de wond meer, die zijn

leven in gevaar had gebragt. De zeelucht zou spoedig zijn genezing

voltooijen. Hij had plan te genieten van de koelten op de Stille

Zuidzee.

Aan Wilson werd opgedragen het verblijf der passagiers aan boord van de

_Macquarie_ in orde te brengen. Met borstel en bezem gaf hij het

vooronder een heel ander aanzien. Will Halley liet den matroos

schouderophalende begaan. Hij bekommerde zich niet het minst om

Glenarvan, diens dames en reisgenooten. Hij wist niet eens hun naam en

vroeg er niet naar. Die vermeerdering van lading bragt hem vijftig pond

op, dat was alles, en dat schatte hij minder dan de twee honderd ton

gelooide huiden, waarmee het ruim was opgevuld. Eerst de huiden, dan de

menschen. Hij was een koopman. Wat zijn zeevaartkundige bekwaamheden

aangaat, hij werd voor een vrij goed praktikus gehouden op die zeeën,

welke door de koraalriffen zeer gevaarlijk zijn.

Dien morgen wilde Glenarvan terugkeeren naar dat punt van den oever,

waarover de zeven en dertigste parallel loopt. Twee redenen had hij

daarvoor.

Hij wilde nog eens de vermoedelijke plaats van de schipbreuk bezoeken.

Ayrton was ongetwijfeld bootsman op de _Britannia_. Waarom zou de

_Britannia_ niet wezenlijk vergaan zijn op dit gedeelte der australische

kust? Zoo niet op de west- dan toch op de oostkust? Men moest niet

onbedachtzaam een plek verlaten, die men nooit zou terug zien.

En was de _Britannia_ daar niet geweest, de _Duncan_ was er toch in de

handen der roovers gevallen. Misschien had er een gevecht plaats gehad.

Waarom zou men op den oever geen spoor van een worsteling, van een

hardnekkigen tegenstand vinden? Zouden de golven, wanneer de bemanning

in de baren verdronken was, de lijken niet op de kust hebben

aangespoeld?

In gezelschap van den trouwen John ging Glenarvan op verkenning uit. De

eigenaar van het _Victoria_-hotel gaf hun twee paarden, en zij sloegen

den weg naar het noorden in, die om de Twofold-baai loopt.

Het was een treurig onderzoek. Glenarvan en kapitein John reden zwijgend

voort. Maar zij verstonden elkander. Dezelfde gedachten en bij gevolg

dezelfde angst kwelden hen. Zij beschouwden de rotsen, waaraan de zee

knaagde. Zij behoefden elkander niets te vragen noch te antwoorden.

Gerust mag men op den ijver en de schranderheid van John zich verlaten

om te verzekeren, dat elk punt van de kust naauwkeurig werd bezocht, dat

de kleinste kreeken zoowel als het langzaam afloopende strand en de

zandige hoogten zorgvuldig werden onderzocht, waar de middelmatige

getijden van de Stille Zuidzee eenig strandgoed hadden kunnen opwerpen.

Maar niets werd er gevonden, dat aanleiding geven kon om in deze streken

nieuwe onderzoekingen aan te vangen. Geen spoor van de schipbreuk was

hier aanwezig.

Evenmin iets, dat van de _Duncan_ afkomstig was. Deze geheele kuststreek

van den Oceaan was onbewoond. Men zag levenden noch dooden.

Toch ontdekte John Mangles aan den rand van het strand versche sporen

van een legerplaats, overblijfselen van vuren, onder alleenstaande

myalls ontstoken. Was daar soms voor eenige dagen een zwervende

inlandsche volksstam geweest? Neen; Glenarvans blik werd getrokken door

een kenteeken, dat hun onwederlegbaar bewees, dat de roovers dit

gedeelte der kust hadden bezocht.

Dat kenteeken was een graauwe en gele, versletene en gelapte boezeroen,

een lor, die aan den voet van een boom was blijven liggen. Het

stamnummer van de strafgevangenis te Perth stond er op. De boef was er

niet meer, maar zijn plunje verried hem. Die liverei van de misdaad had

eerst den een of anderen schurk gekleed, en lag nu te verrotten op die

onbewoonde kust.

"Gij ziet het, John!" zeide Glenarvan. "De roovers zijn hier geweest! en

onze arme makkers van de _Duncan_?..."

"Ja!" antwoordde John op doffen toon, "het is zeker, dat zij niet aan

wal zijn gezet, dat zij gesneuveld zijn...."

"Die ellendelingen!" riep Glenarvan. "Als zij ooit in mijn handen

vallen, zal ik mijn matrozen wreken!"

De smart had aan Glenarvans trekken een hard voorkomen gegeven. Eenige

minuten lang staarde de lord op de onmetelijke watervlakte; misschien

zocht hij voor het laatst in het verre verschiet nog naar een vaartuig.

Vervolgens werden zijn oogen dof, hij werd weer de oude, en zonder een

woord te spreken of een gebaar te maken, galoppeerde hij den weg op naar

Eden.

Nog ééne formaliteit moest er vervuld worden, de kennisgeving van het

gebeurde aan het geregt. Zij werd dienzelfden avond aan Thomas Banks

gedaan. Die overheidspersoon kon naauwelijks zijn blijdschap ontveinzen,

dat hij dit proces-verbaal mogt opmaken. Hij was regt in zijn schik over

het vertrek van Ben Joyce en diens bende. De geheele stad verheugde zich

met hem. De roovers hadden Australië verlaten, wel na het begaan van een

nieuwe misdaad, maar toch zij waren weg. Dit belangrijke nieuws werd

terstond getelegrafeerd aan de autoriteiten te Melbourne en Sidney.

Na het afleggen zijner verklaring keerde Glenarvan naar het

_Victoria_-hotel terug. De reizigers bragten dien laatsten avond treurig

door. Hun gedachten verwijlden bij dien aan ongelukken zoo vruchtbaren

bodem. Zij herinnerden zich, hoeveel gegronde hoop zij aan kaap

Bernouilli hadden opgevat, waaraan in de Twofold-baai zoo wreed de bodem

was ingeslagen!

Paganel was ter prooi aan een koortsige onrust. John Mangles, die hem

sedert het voorval aan de Sneeuw-rivier in het oog hield, gevoelde, dat

de aardrijkskundige dobberde tusschen spreken en zwijgen. Verscheidene

malen had hij hem met vragen bestormd, die onbeantwoord bleven.

Dien avond echter vroeg John, toen hij hem naar zijn kamer bragt, waarom

hij toch zoo zenuwachtig was?

"Vriend John!" antwoordde Paganel ontwijkend, "ik ben niet zenuwachtiger

dan anders."

"Mijnheer Paganel! er is een geheim, dat u benaauwt!" hernam John.

"Wat zal ik er aan doen?" riep de aardrijkskundige met driftige gebaren.

"Het is sterker dan ik!"

"Wat is sterker dan gij?"

"Mijn vreugde aan den eenen kant, mijn wanhoop aan den anderen."

"Zijt gij blijde en wanhopend te gelijk?"

"Ja! blijde en wanhopend, nu ik Nieuw-Zeeland ga bezoeken."

"Zijt gij iets op het spoor?" vroeg John Mangles driftig. "Hebt gij het

verloren spoor teruggevonden?"

"Neen, vriend John! _Uit Nieuw-Zeeland komt men niet terug_! Maar

toch..., kortom, gij kent de menschelijke natuur! Zoolang er leven is,

is er hoop! En mijn leus is "_spiro, spero_" dat de mooiste leus van de

wereld is!"

[1] Omtrent 400 uren gaans.

De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) De Stille Oceaan · 第 6 / 29 题