nijlpaardenhuid vervaardigd, waarmede men de arme slachtoffers,
dikwijls na enkele slagen op den blooten rug, bloedend verwondt, werd
en wordt helaas nog al te veel gebruikt. Er zijn blanken, die er een
soort van genoegen in scheppen, met dat verfoeilijke, niet genoeg te
veroordeelen werktuig voortdurend spelenderwijs in de hand te loopen,
als teeken misschien hunner macht, of waardigheid wellicht? Wel
is het toedienen van lichamelijke straffen, niet uitgesproken door
vertegenwoordigers der regeering, strafbaar en worden de bedrijvers,
bij een aanklacht ook vervolgd, maar ook de Staat zelf moest ze
niet toepassen, doch liever trachten het gruwzaam misdrijf, dat in
Afrika een soort burgerrecht verkreeg, met krachtige hand overal uit
te roeien. De bewering, dat dergelijke straffen noodig zijn, en men
er in vele gevallen niet buiten zou kunnen, wordt in Afrika dikwijls
geuit. Zij echter, die van deze meening zijn, missen òf het geduld, òf
het rechtvaardigheidsgevoel om te beproeven of men met negers ook op
andere wijze kan omgaan; of wel, zij wordt uitgesproken door lieden,
die zich nooit de moeite gaven, de zwarten ook maar eenigszins van
nabij te leeren kennen. Velen toch veronderstellen maar eenvoudig,
dat het wel zoo zijn zal.
Gelukkig dat er anderen gevonden worden, die door hunne manier
van optreden deze opinie logenstraffen. Er zijn voorbeelden van
maandenlange karavaanreizen, soms door één enkelen blanke, vergezeld
van talrijke dragers ondernomen, gedurende welke het niet eenmaal
voorkwam, dat het gedrag der zwarten tot eenige ontevredenheid
aanleiding gaf. Een weinig tact doet hier wonderen, waarover zij,
die zoo spoedig de hand tot slaan opheffen, verbaasd zouden staan.
Gelukkig ook dat de overheid, zoowel in den onafhankelijken Congo-staat
als in Fransch Congo, den inboorlingen het vertrouwen gegeven heeft,
dat klachten over lichamelijke kastijding met gerustheid voor het
gerecht gebracht kunnen worden; de vrees voor straf houdt velen
tenminste nu van hunne ruwe manier van optreden terug. Aan den
Beneden-Congo, in de omgeving van Boma en Leopoldville en in het
Fransche gebied te Brazzaville en omstreken behoort de chicot tamelijk
wel tot het verleden. Ten zeerste te hopen is het, dat de regeering
ook in de hooger gelegen streken spoedig op afdoende wijze tegen dit
ergerlijke misbruik zal kunnen optreden.
Per stoomboot of per kano, het typische inlandsche vervoermiddel te
water, verlaten we te Kinshassa het gebied van den Congo-Staat om,
na den wijden Stanley-Pool overgestoken te zijn, te Brazzaville de
Fransche Colonie te betreden.
Wie voor eenige jaren Brazzaville bezocht, zou door den aanblik der
hier en daar verspreid liggende onaanzienlijke gebouwen zeker niet op
de gedachte gekomen zijn, dat hij zich bevond in de tweede hoofdplaats
der groote Fransche kolonie aan den Congo.
Vooral na een bezoek aan den Congo-Vrijstaat, waar overal de Staat
zoo in alle opzichten op den voorgrond treedt, moest het den bezoeker
van Brazzaville opvallen, hoe èn het gouvernement èn de handel zich
hier met een veel bescheidener plaats vergenoegden, dan dit aan den
overkant der rivier het geval was.
Zeker moet bij deze beoordeeling niet uit het oog verloren worden, dat
Brazzaville, wat betreft de verbinding met de kust en het verkrijgen
van de hulpmiddelen voor den bouw van huizen etc. en voor het onderhoud
der blanken benoodigd, in ongunstiger omstandigheden verkeerde, dan
het reeds beschouwde gedeelte van den Vrijstaat. In den tijd toen de
spoorweg tusschen Matadi en Kinshassa nog niet bestond, was Loango,
een plaatsje aan de kust van den Oceaan gelegen, de stapelplaats,
waar de meeste goederen, uit Europa aangevoerd, werden opgeslagen
en van waaruit ze per karavaan, langs een langen en moeilijken weg,
naar Brazzaville vervoerd moesten worden. Wèl waren groote en vele
bezwaren aan dit transport verbonden. De reis het binnenland in, nam
20 à 30 dagen in beslag en vooral in den regentijd (van November tot
einde Mei ongeveer) waren de moeilijkheden niet licht te achten. Zware
regens en niet minder de tornado's, de van hevige stormen en geweldige
slagregens vergezeld gaande onweersbuien, van welker hevigheid men
zich in gematigder luchtstreken moeilijk een voorstelling maken kan,
belemmerden zeer het geregeld verkeer. De vochtigheid van den bodem,
waarop men dikwijls overnachten moest, was bovendien zeer nadeelig
voor den gezondheidstoestand der dragers. De eindelooze vlakten zijn
in dien tijd des jaars bedekt met welig opschietend gras, dat 3-5
M. hoog wordt; dit harde, scherpe gras, neergeslagen door den wind
en den regen, bedekt het smalle voetpad, waarover de dragers achter
elkander voortgaan, met een verward kluwen, dat niettemin altijd nog
enkele meters hoog is. Men gaat er niet alleen tusschen- maar ook
onderdoor; het beneemt aan alle zijden, ook naar boven, het uitzicht;
met moeite vindt men hierin zijn weg, en als de zon er op schijnt
is de drukkende hitte er bijna ondraaglijk. Op vele plaatsen treft
men deze grasvlakten aan. Ook het trekken door de bosschen, waaronder
vooral het Mayumba-bosch berucht is, was in dat gedeelte van het jaar
eene lastige onderneming. Over berghellingen en door diepe valleien
strekt dit bosch zich uit. De hellingen zijn dikwijls zóó steil, dat
men er met behulp van lianen, wortels en stronken tegen opklimt of er
langs afdaalt; in de diepten is de bodem doorweekt en op vele plaatsen
herschapen in een moeras. Het doorwaden der menigvuldige stroompjes, op
enkele gedeelten is 10 per dag geen zeldzaamheid, is altijd tijdroovend
en lastig, soms gevaarlijk; in den regentijd in dubbele mate.
Zoo voorttrekkende, brachten de negers de 30-35 K.G. zware
lasten naar hunne bestemming. Landwaarts ingaande bestonden deze
natuurlijk uit alle soorten van handelsgoederen, levensmiddelen en
factorij-benoodigdheden; teruggaande bracht de karavaan ivoor en
gom-elastiek naar de kust over. Wel was er een kortere weg, n.l. per
boot naar Matadi en vandaar over Manyanga langs eene karavaan-route
van ± 15 dagen naar Brazzaville, doch door de dikwijls voorkomende
twisten tusschen de stammen onderling, vooral in die streken, was
deze weg meestal gesloten.
Dat de ontwikkeling van Brazzaville in dien tijd geen hooge vlucht
nam, en er integendeel van ontwikkeling nog bijna geen sprake was,
kan veilig voor een deel aan de lastige verbinding met de kust
toegeschreven worden. Doch slechts voor een deel; een der groote
oorzaken was zeker de weinige energie en vooral ook het gebrek aan
tact van de regeering.
In den tijd toch toen het gouvernement te Brazzaville slechts een paar
armelijke gebouwen had, waarin de enkele ambtenaren nagenoeg zonder
meubelen of ander comfort gehuisvest waren, stonden te Leopoldville,
waar men toch bijna even groote verkeersmoeilijkheden te overwinnen
had, reeds flinke huizen voor de talrijke geëmployeerden van den
Staat; had deze er een werf, waarop hij zijne stoombooten bouwde;
een inrichting waar verscheidene blanken aan de machinerieën, hiervoor
benoodigd, bezig waren e.d.
De karavaan-dienst van af de kust was in den Congo-Vrijstaat ook veel
beter geregeld dan in het Fransche gebied. Bijna overal had hier
de regeering, toen geen spoorweg nog het verkeer vergemakkelijkte,
wegen aangelegd, die behoorlijk van plantengroei gezuiverd en goed
onderhouden werden. Over de meeste stroompjes waren bruggen geslagen en
over de geheele lengte vond men, op elke 4 of 5 uren afstand, huizen,
die tot pleisterplaats voor doortrekkende reizigers dienden. In
nagenoeg al deze posten hield een neger in staatsdienst verblijf
om te zorgen voor water, hout om vuren aan te leggen, en dergelijke
benoodigdheden. De Staat zag verder nauwkeurig toe op de capita's,
d.z. geleiders der karavanen, die aansprakelijk waren voor het aantal
dragers waartoe zij zich verbonden hadden en voor de goede overkomst
van het transport.
Waar de regeering van de Fransche kolonie zelfs niet bij machte
scheen, in den onmiddellijken omtrek van Brazzaville de wegen ook
maar eenigszins te doen onderhouden, ligt het voor de hand, dat van
toezicht op den langen karavaanweg naar de kust, aan deze zijde der
rivier bijna in 't geheel geen sprake was.
De weg bestond eenvoudig uit het smalle negerpad, dat de dorpen
onderling verbond; van bruggen etc. was geen spoor te ontdekken. Ook
het toezicht op de karavanen zelf en de contrôle over de goede
aankomst liet veel te wenschen over. Wel had ook hier iedere capita
een vergunning van het gouvernement noodig en was hij verplicht deze
bij vertrek en aankomst op de Fransche posten te vertoonen, waardoor
er ook op het aantal dragers eenig toezicht uitgeoefend werd, doch
de gelden, die de regeering hierdoor van de handelshuizen, welke
deze vergunningen moesten koopen, ontving, werden niet besteed voor
verbetering van en toezicht op den weg, die de eenige verbinding met
de kust vormde. Het ontbrak niet aan voorschriften en besluiten, doch
de Franschen misten gewoonlijk de middelen en dikwijls den ernstigen
wil, deze te doen nakomen. Meermalen kwam het b.v. voor, dat sommige
lasten, waaronder dan dikwijls onderdeelen van booten en machinerieën,
die met ongeduld verwacht werden, niet aankwamen. Bij onderzoek bleek
dan meestal dat dergelijke stukken eenvoudig langs den weg weggeworpen
waren en de dragers zich naar hunne dorpen begeven hadden, vooral als
deze zich eenigszins in de nabijheid der route bevonden. Dikwijls ook
vond men balen manufacturen, kisten kralen e.d., die reeds jarenlang
vermist waren, toevallig in verschillende dorpen terug en, wat wel
eigenaardig is, gewoonlijk waren ze ongeschonden bewaard en ontbrak
er niets aan den inhoud.
Vooral de ontwikkeling van den handel in het Fransche gebied kon en
kan op verre na niet op één lijn gesteld worden met wat de Staat in
dit opzicht bereikte. 't Is waar, er is heel wat aan te merken op
de manier van handeldrijven in den Vrijstaat èn door de particuliere
maatschappijen èn door de regeering zelf, en 't ware zeker te wenschen,
dat vooral de gom-elastiek-productie zich wat minder ontwikkeld had
en de belangen der negers wat meer in 't oog gehouden waren; doch
hoewel de Franschen zich niet onbetuigd lieten om de wonde plekken
hierin te helpen aanwijzen, er is in dit opzicht, waar het Fransch
Congo geldt, niet alleen veel maar zelfs weinig minder te zeggen dan
waar het betreft den Congo-Vrijstaat.
Eén inrichting te Brazzaville echter--en dit is een bewijs te meer dat
de langzame ontwikkeling van de Fransche kolonie niet alleen aan de
boven omschreven moeilijkheden geweten kan worden--kon de vergelijking
met de beste Europeesche nederzettingen in den Congo-Vrijstaat
doorstaan niet alleen, maar zocht er tevergeefs haars gelijke,--de
factorij n.l. die hier gebouwd werd door de Nieuwe Afrikaansche
Handels-Vennootschap. Deze groote Hollandsche Vennootschap, die haren
handel op den Congo dreef reeds vóór de vestiging van den Vrijstaat
of de Fransche kolonie, stichtte al jaren geleden hare factorijen
langs de rivier; eerst langs het benedengedeelte, doch al spoedig na
de reis van Stanley, al dieper en dieper het land ingaande tot aan
den Stanley-Pool. Van uit Kinshassa ondernamen de Hollanders reeds
hunne tochten naar het binnenland, tot aan Stanley-Falls zelfs, in
de allereerste jaren der vestiging van den Vrijstaat, toen er van
Franschen invloed aan de overzijde nog nagenoeg niets te bespeuren
viel.
In den invloed, dien dit groote handelshuis in den Boven-Congo,
vooral door de zeldzame energie van zijn begaafden vertegenwoordiger
ter plaatse, steeds meer ontwikkelde, zag de Staat een gevaarlijken
factor bij de vestiging van zijn gezag, zoodat na een eindelooze reeks
van moeilijkheden de Vennootschap haren hoofdzetel voor het binnenland
verplaatste naar de overzijde van den Stanley-Pool, naar Brazzaville.
De factorij van het "Maison hollandaise", zooals het huis bij de
blanken, of van "m'fumu n'tangu" (m'fumu = heer, prins, n'tangu =
zon, m'tumu n'tangu = prins als de zon, zonneprins, zooals het wijd
en zijd van Stanley-Falls tot aan de kust bij de negers bekend is),
werd al spoedig een modelinrichting in deze streken. Zoowel wat de
uitgestrektheid als wat den aanleg van het terrein en de inrichting
der magazijnen en woonhuizen betreft, liet deze factorij alles,
wat Brazzaville verder te aanschouwen gaf, in de schaduw. Toen
de verbinding van de enkele Fransche handelsinrichtingen met de
"Post"--het terrein waar het gouvernement zich gevestigd had--niets
was dan een smal pad, dat zelfs nog niet altijd van gras gezuiverd
werd, had men op deze factorij wegen aangelegd, honderden M. lang
en verscheidene M. breed, aan weerszijden beplant met palmboomen,
die men uit den omtrek bijeengebracht had. Men vond er o.a. een
keurig aangelegde laan van mango's, bijna 1 K.M. lang, die, met de
velerlei vruchtboomen en de bamboe- en koffieaanplantingen, van de
factorij bijna een park vormden en de bewondering wekten van allen,
die Brazzaville bezochten. Geen der hier verblijvende blanken, 't zij
vertegenwoordigers der Fransche handelshuizen, 't zij ambtenaren van
het gouvernement, verzuimde dan ook het Hollandsche Huis te bezoeken,
en allen maakten gaarne gebruik van de gulle gastvrijheid die er hun
steeds geboden werd. Terwijl zelfs de hoogste ambtenaren der regeering
zich vergenoegen moesten met een woning van grauwe klei gebouwd
en met riet gedekt, waarin de noodigste meubels zelfs ontbraken,
waren de Hollanders gehuisvest in goed ingerichte huizen, tamelijk
wel gemeubeld, voorzien van houten, witgekalkte daken en tegen de
zonnestralen, ook ter zijde, door veranda's beschut. De factorij
had verder een veestapel; men vond er bloemperken, groentetuinen,
manioc-aanplantingen voor de negers, die er verblijf hielden en
een "oranje-park", dat sinaasappelen, manderijnen en citroenen
leverde. Ondanks de groote bedrijvigheid waarvan men er altijd getuige
kon zijn, was de factorij steeds, in tegenstelling met de meeste
Fransche nederzettingen, een voorbeeld van de grootste netheid en orde.
Ook de aanwezigheid der hutten van de honderden zwarten, die er
altijd in dienst waren, liet in dit opzicht niets te wenschen. Op
verschillende punten der factorij woonden deze zwarte werklieden,
eenigszins van de hoofdwegen af, in afzonderlijke dorpen als 't ware,
bijeen. Men vond daar de tamelijk goed gebouwde hutten der Sierra
Leona's en Accra's, inboorlingen uit de Engelsche bezittingen aan de
kust, die zich hier verhuurden als timmerlieden en metselaars. Ze
zijn, over 't algemeen, vooral eerstgenoemden, flinke werklui;
spreken goed Engelsch, kunnen meerendeels lezen en schrijven,
ontvangen zelfs de in hun vaderland verschijnende couranten per
post en zijn bijna zonder uitzondering trotsch op het feit, dat zij
bewoners zijn van een Engelsche kolonie en deel uitmaken van het, in
hunne schatting, nagenoeg alles omvattende Engelsche rijk. Ook van de
kust afkomstig zijn de Whyboys, die reeds in hunne armelijke hutten
hunne mindere ontwikkeling toonen. Onder gezag van een headman komen
zij, in gezelschappen van 30-60, uit Liberia. Zij zijn zeer gehecht
aan hun vaderland en hun blijdschap kent geen grenzen, wanneer zij,
na volbrachten diensttijd zich weer naar hun geboorteplaats mogen
inschepen. Zij spreken wat gebroken Engelsch en worden in dienst
genomen voor allerlei werk aan bootenbouw en in magazijnen, waarvoor
zij door hunne groote lichaamskracht, gewoonlijk bijzonder geschikt
zijn.
Van een geheel ander type zijn de Loango's en Cabinda's, bewoners van
de Portugeesche bezittingen aan de kust. De meesten hunner spreken
Portugeesch doch hebben van den omgang met blanken meestal niet veel
goeds overgenomen. Zij zijn gelukkig, als zij dezen in zijne kleeding
kunnen nadoen; loopen, zoodra zij als koks, waschlui of tafeljongens
iets verdiend hebben, met hoed en wandelstok, maar zijn dikwijls bekend
om hun drankzucht, hun weinige eerlijkheid en hun onbetrouwbaarheid.
Ook uit den omtrek trekt de factorij hare werklieden. Begeerig
naar de eenige meters goedkoope katoenen stof, die er maandelijks
te verdienen vallen, komen de jongens uit de omliggende Balali- en
Bacongo-dorpen dikwijls dagreizen ver loopen om hunne diensten aan
te bieden. Na 12 maanden (zij tellen de manen) werk, dat gewoonlijk
bestaat in terreinonderhoud, vee hoeden, op eenden en kippen passen,
waterdragen etc., keeren zij dan, rijk met hunnen voorraad n'toie
naar hunne dorpen terug, om zich meestal na verloop van eenigen tijd
opnieuw te komen aanbieden, totdat zij genoeg verdiend hebben om
zich in het dorp, als bezitters van een hut, eenige geiten en kippen,
naar hun genoegen te kunnen nederzetten.
Bovendien trof men, buiten deze geregelde bevolking der factorij nog
een aantal negers aan, van allerlei stammen diep uit de binnenlanden
afkomstig, die als houthakkers dienst deden op de booten en hier
tijdelijk hunne hutten opsloegen. En voor al deze handen was er altijd
werk; nooit stond het bedrijvige leven stil en dikwijls zelfs kwam
men arbeidskrachten te kort.
Evenzeer als de regeering had ook dit handelshuis natuurlijk te kampen
met de moeilijkheden van het transport. Niettemin dreef men reeds een
geregelden handel met de hooger gelegen streken; voortdurend brachten
dragers goederen van de kust aan; niet alleen handelsgoederen en
levensmiddelen, maar geheele stoombooten. Deze laatste werden in dien
tijd, zooveel mogelijk in lasten van 30 K.G. uit elkander genomen,
per karavaan aangebracht, waarna ze dan aan den oever der rivier in
elkander werden gezet.
Overal in den omtrek was "m'fumu n'tangu" bij de inboorlingen bekend,
en zonder twijfel zagen de meeste negerstammen in dit handelshuis
machtiger lichaam dan in de administratie der kolonie.
Tot het aanzien, dat het Hollandsche Huis in deze uitgestrekte
landstreken genoot, droeg niet weinig bij--'t dient ter eere van
zijn chefs en employés gezegd--dat hier steeds streng gewaakt werd
tegen machtsmisbruik. Men had natuurlijk geen soldaten of gewapende
lieden in zijn dienst om de negers tot levering van de verschillende
voortbrengselen te dwingen; men beproefde ook geen dwang, doch zocht
slechts overal den vrijen ruilhandel te ontwikkelen, en--het huis
bevond er zich goed bij.
Van zeer groot belang was begrijpelijkerwijs het bestaan van dit
machtige handelshuis voor de Franschen bij de vestiging van hun gezag
aan den Boven-Congo. Ontelbare malen stond het de regeering bij met
zijne--voor dien tijd en die streken--rijke hulpmiddelen. Dikwijls
voorzagen zijn magazijnen de Fransche posten aan de kust, bij Manyanga,
of te Brazzaville, van de noodige handelsgoederen of levensbehoeften,
en verscheidene malen bood het te Brazzaville zijn booten aan de
regeering aan voor het vervoer naar boven van expedities en goederen;
aanbiedingen, die steeds gaarne en dankbaar aanvaard werden. Meerdere
beroemd geworden Fransche missies vertrokken zoo op Hollandsche
stoombooten, met behulp van Hollandsch personeel naar de plaatsen
hunner bestemming.
Meer en meer echter, naarmate de invloed der Franschen in den Congo
grooter werd, naarmate de regeering meer ambtenaren en grooter
hulpmiddelen kreeg, begon men met leede oogen de groote ontwikkeling
van den Hollandschen handel gade te slaan; het duurde niet lang of
de Vennootschap ondervond hiervan de gevolgen. Het "La France et ses
Colonies pour les Français", zoo dikwijls door regeeringspersonen en
handelaars geuit, vond misschien nergens zoo sterk zijn toepassing
als hier. Hoewel men het huis zijn reeds verkregen factorijen niet
ontnemen kon, maakte men het den handel op een andere wijze ongeveer
onmogelijk. Zonder rekening te houden met reeds verkregen rechten,
werden uitgestrekte gedeelten der kolonie in concessie uitgegeven
aan uitsluitend Fransche maatschappijen, die enkele jaren geleden,
tengevolge van kunstmatig opgewekte belangstelling en overdreven
voorstellingen, in grooten getale werden opgericht.
Binnen korten tijd was het recht van handeldrijven met de inboorlingen
in bijna het gansche Fransche gebied tot de maatschappijen, die
eigenaars werden dezer concessies, beperkt, waardoor nagenoeg de
geheele kolonie voor den vrijen handel gesloten was. Vertoogen mochten
niet baten. Men beriep zich op de tractaten waarbij de vestiging van
Europeesche natiën in de Congo-streken geregeld werd--doch zonder
resultaat.
't Gevolg was, dat voor de Hollandsche vennootschap het bezit harer met
moeite verworven factorijen langs de bovenrivieren bijkans waardeloos
werd; van handeldrijven toch was geen sprake meer, nu ongeveer al deze
factorijen lagen in de concessie van de een of andere in Frankrijk
opgerichte maatschappij.
Wel heeft men het Hollandsche element niet kunnen verdrijven en hield
het Huis zich, ondanks alle moeilijkheden en tegenwerking, staande
door transportdiensten en 't zoeken van nieuwe handelsverbindingen,
doch de vrije ontwikkeling van zijnen handel werd voor goed gefnuikt.
Het resultaat dezer verdeeling in concessies is evenwel nòch voor
de regeering, nòch voor den handel gunstig geweest. En geen wonder
ook. Door de onbekendheid met de toestanden aan den Congo, onderschatte
men al te zeer de moeilijkheden die te overwinnen waren; men stelde
zich gouden bergen voor van de opbrengst der uitgestrekte concessies,
waar men het recht van alleenhandel hebben zou en dus over de geheele
gom-elastiek-productie te beschikken had. De teleurstelling bleef
dan ook niet uit. De nieuw opgerichte maatschappijen ondervonden al
spoedig dat oude toestanden, vooral in een land als Midden-Afrika,
maar niet met éen slag te wijzigen zijn. De vestiging in Brazzaville
zonder eerst vasten voet aan de kust te hebben, bracht onvoorziene
hindernissen en ongedachte kosten mede. Bovendien, de reis van deze
plaats naar de meeste der concessies was op zichzelf reeds bezwaarlijk
genoeg; hoeveel te moeilijker en kostbaarder werd het niet, alle
benoodigdheden en handelsartikelen naar die verafgelegen streken op
te voeren! En dan de handel zelf. Het verkennen der uitgestrekte
terreinen, waarvan zelfs geen kaarten bestonden; het uitzoeken
der goede punten voor factorijen-bouw; het bekend worden met de
eigenaardigheden der bevolking, die dikwijls nog nooit in aanraking
geweest was met Europeanen; het juist beoordeelen der artikelen,
waaraan door de negers waarde gehecht zou worden, en waarvoor ze hunne
producten, zoo deze tenminste in de concessie gevonden werden, wat ook
nog niet altijd het geval was, zouden willen inruilen,--het waren even
zoovele moeilijkheden, waarop nagenoeg in 't geheel niet gerekend was.
Vreemd is het dan ook niet, dat de plotseling opgewekte belangstelling
voor den Congo-handel in Frankrijk spoedig aanmerkelijk bekoelde. Tal
van maatschappijen bereikten nooit eenig resultaat; vele brachten
het niet verder dan het opzoeken hunner concessies, doch konden tot
den eigenlijken handel maar nooit goed geraken. Andere leidden een
kwijnend bestaan en zagen de opbrengst van de met moeite verworven
voortbrengselen uit hun gebied, verzwolgen door de verbazend
hooge kosten, die de vestiging in deze streken medebrengt; zelfs
waren er maatschappijen, die nooit vasten voet kregen in hunne
concessie. Enkelen slechts is het gelukt, den handel in hun gebied
tot ontwikkeling te brengen.
Het gevolg der geringe ontwikkeling van den handel gevoelde de
regeering der kolonie in een voortdurend gebrek aan de noodige
geldmiddelen om haar gezag ook maar eenigszins voldoende te
kunnen vestigen. Eerst in den laatsten tijd, nu Brazzaville tot
zetel der regeering gemaakt is, heeft het gouvernement hier eenige
behoorlijke gebouwen; tot voor kort was deze voornaamste vestiging
der Franschen aan den Boven-Congo nog niet te vergelijken met vele
der posten, die de État Indépendant langs de bijrivieren diep in
het binnenland opgericht had. Nog zijn er geheele streken, waar
geen regeeringsambtenaar te vinden is; zelfs heeft men toegelaten,
dat sommige concessies jarenlang in exploitatie gebracht waren,
zonder dat er ook maar eenige regeeringspost bestond in geheel de
wijde uitgestrektheid. En zelfs waar men de posten vond, hadden ze
zeer dikwijls gebrek aan het noodigste personeel. Van toezicht op
de handelingen van hen, wier belang toch medebracht zooveel en zoo
goedkoop mogelijk producten te verzamelen, was in sommige streken dan
ook geen sprake; van bescherming der inboorlingen tegen willekeurige
handelingen, in vele gevallen evenmin.
Het gelukkige voorschrift, waarbij in den Franschen Congo met alle
lichamelijke straffen gebroken werd, heeft helaas niet kunnen beletten,
dat ook hier vele ergerlijke daden van machtsmisbruik voorgekomen zijn,
waaraan in enkele gevallen zelfs regeeringsambtenaren schuldig waren.