Langs den Congo tot Brazzaville.
Door A. KLOOS.
Na een voorspoedige reis over een bijkans spiegelgladde zee had de
_Albertville_, een der stoomschepen der Messageries Maritimes du Congo,
het anker laten vallen in de ruime, slechts door een smalle landtong
van den Oceaan gescheiden baai, door den machtigen Congostroom aan
zijne uitmonding gevormd.
Al dadelijk bij het invaren maakt de rivier een grootschen
indruk. Verscheidene K.M. breed, stuwt zij hare wateren, waarvan de
gele kleur reeds den geheelen dag vóór onze aankomst den aanblik
der zee veranderde, met groote snelheid en in ongelooflijke massa
voort. Hare dichtbegroeide, vèrwijkende oevers verliezen zich in
de oneindige verte; tot aan den horizon kunnen we stroomopwaarts de
wateroppervlakte overzien,--slechts plekken eenige kleine eilanden,
hier en daar verspreid, tegen de donkere kleur van het water of tegen
den helderblauwen hemel af.
In al zijn rustige schoonheid vertoont zich de machtige stroom aan ons
oog; niets dan een enkele kleine kano door rechtop staande inboorlingen
voortbewogen, verraadt ons de nabijheid van menschen. Geen geluid
dringt over die uitgestrektheid tot ons door, stil en indrukwekkend
ligt de Congo, zich badende in het verblindend witte, tropische
zonlicht, voor ons.
Alleen als we over de baai naar de landtong, die we straks bij het
binnenkomen omstoomden, terugblikken, zien we dat onze aankomst
opgemerkt werd.
Eenige sloepen, waarin ambtenaren van den Congostaat of
vertegenwoordigers van hier gevestigde Europeesche handelshuizen
gezeten zijn, bewegen zich over het water, en 't duurt niet lang
of de inzittenden haasten zich aan boord, om bij het afdoen hunner
zaken weer eens iets anders te zien dan hunne dagelijksche omgeving,
die op 't stukje grond, tusschen rivier en oceaan gelegen, dat hun
tot verblijfplaats dient, niet zeer afwisselend is; vooral ook,
om het nieuws te vernemen, dat elke stoomer uit Europa medebrengt.
De voor ons liggende landtong, Banana geheeten, vertoont ons, op
eenigen afstand gezien, een liefelijk beeld van rust en koelte;
wuivende palmen overschaduwen met hunne sierlijke, waaiervormige
bladerkronen eenige lage, witte huizen, die met hunne helderwitte
daken scherp tegen het donkere groen afsteken. Nadere kennismaking
met Banana echter valt niet mede, althans niet wat natuurschoon
betreft. Als we ons aan land begeven hebben zien we, dat de bodem
niet veel anders is dan het zandige zeestrand, en hoewel er palmen
in overvloed op groeien, is er van anderen plantengroei bijna geen
spoor te ontdekken. Aan zijn gunstige ligging heeft Banana het dan ook
slechts te danken, dat zich hier verscheidene blanken gevestigd hebben.
Allereerst zien we de groote factorij van het belangrijkste handelshuis
dat op den Congo handel drijft, het overal in het binnenland gevestigde
Hollandsche Huis, eene te Rotterdam bestaande vennootschap, die hier
haar hoofdkantoor voor Afrika heeft. Hare groote magazijnen, woningen
voor geëmployeerden, kantoor, werkplaatsen etc. nemen een groot deel
der oppervlakte in beslag. Al deze gebouwen zijn uitstekend onderhouden
en het geheel maakt aanstonds den indruk van groote orde en netheid;
het doet ons goed, boven deze groote vestiging onze vaderlandsche
driekleur te zien waaien.
Nog eenige Belgische en Fransche maatschappijen hebben hier hunne
factorijen, en meer landwaarts in ontwaren we de gebouwen van het
Gouvernement van den onafhankelijken Congostaat, kantoren voor
posterijen, voor douanedienst en dergelijke. Alle huizen zijn hier
laag, van klei opgetrokken en met houten daken gedekt; over 't algemeen
maken zij met hunne witgekalkte daken, die aan alle zijden een eind
over de muren heensteken, een aangenamen indruk.
Behalve visch, die in overvloed gevangen wordt, levert de streek
niets op, wat tot onderhoud der hier wonende blanken en zwarten
dienen kan. Bananen, de heerlijke, gezonde vrucht, die we op den
naam afgaande, hier zoeken zouden, zijn hier evenmin te vinden als
andere vrachten. De naam Banana is afgeleid van het inlandsche woord,
dat steenachtig beteekent.
Zelfs zoet water vindt men hier niet; het voor de bewoners benoodigde
moet uren ver per kano gehaald worden. De landtong is bovendien
zoo smal, dat bij sterken wind de golven van den Oceaan somtijds
hun water tot over de halve breedte van de strook land voortstuwen,
zoodat er dan zeewater aan de binnenzijde in de baai afvloeit.
Zijn gewicht voor den handel op den Congo ontleent Banana dan
ook slechts aan het feit, dat het is de eerste aanlegplaats der
schepen van over zee en het punt van waaruit massa's produkten van
het Congobekken verscheept worden naar Europa. Doch ons stoomschip
laat ons niet veel tijd ons hier lang op te houden; het maakt zich,
na de mail afgegeven en verdere formaliteiten vervuld te hebben,
gereed zijn weg rivieropwaarts te vervolgen.
Het is een tocht, rijk aan natuurschoon, dien we nu maken. De vaart
van onze boot wordt hier aanmerkelijk getemperd door den sterken
stroom en we hebben ruimschoots gelegenheid te genieten van de
telkens afwisselende tafereelen, die rivier en oevers aanbieden. De
weelderige plantengroei geeft aan de eilanden en boorden der rivier
overal het voorkomen van ondoordringbare, uit het water oprijzende
groene wallen. Nergens is een plekje gronds onbegroeid; van uit het
water rijst het groen op, onafgebroken tot in de kruinen der boomen;
zelfs het oog vermag niet meer dan enkele meters in die bosschen door
te dringen. Een enkele maal passeeren we eenige bijeenstaande huizen en
hutten, een handelsfactorij, gebouwd op een open plekje aan de rivier,
dicht omringd door het onmetelijke woud, dat van alle zijden als ter
herovering van dit gebied schijnt op te dringen.
Meestal vertelt ons de vlag, dat het een Hollandsche vestiging is.
Deze factorijen, die hier vroeger talrijker werden aangetroffen dan
tegenwoordig, zijn de plaatsen, waar de inboorlingen hunne waren:
ivoor, gom-elastiek, grondnoten en palmolie, tegen allerlei zaken
van hunne gading komen inruilen. Vroeger was de handel hier aan
den benedenloop der rivier zeer levendig, doch deze verplaatste
zich allengs meer naar "boven" naarmate de blanken, voortdurend
zoekende elkander de loef af te steken, telkens dieper landwaarts
indrongen. Tegenwoordig zijn het hoofdzakelijk grondnoten en palmolie,
die hier worden ingeruild, hoewel uit de streken, eenige dagen
(karavaandagen) van de kust af gelegen, ook nog wel gom-elastiek en
ivoor komen.
De belangrijke ivoor- en gom-elastiekhandel evenwel heeft hier zijn
tijd gehad; de groote neger-karavanen, die deze producten zeer diep
uit de binnenlanden naar de kust aanbrachten, worden hier niet meer
gezien; de streken, van waar deze karavanen kwamen, worden rusteloos
opgespoord door de handelshuizen, die zich, sedert het laatste
tiental jaren vooral, overal in het binnenland gevestigd hebben, en
de ruilhandel om deze voortbrengselen verlegde zich dientengevolge
duizenden K.M. meer oostwaarts.
Door een loods gevoerd, volgt onze boot overal den stroomdraad. Nu eens
tusschen talrijke eilandjes door, dan langs den eenen oever, dan weer
langs den anderen varende, somtijds de rivier over bijna de geheele
breedte dwars overstekende, vermijden we de vele zandbanken en rotsen,
die, gevoegd bij den snellen stroom, de vaart hier zoo moeilijk en
gevaarlijk maken. Na eindelijk de gevaarlijke Montèba-bank--de rivier
is hier slechts 15-20 voet diep en de boot stoot er op verscheidene
plaatsen aan den grond--gepasseerd te zijn, bereiken we nog denzelfden
dag van ons vertrek van Banana de hoofdplaats van den Congo-Vrijstaat,
Boma.
Een groote, ver in de rivier uitloopende pier maakt het aanleggen en
ontschepen zeer gemakkelijk. Velen onzer medepassagiers zijn bestemd
voorloopig hier te blijven. Belgen en Italianen, meestal in dienst van
den Staat, de laatsten vooral als officieren, Portugeezen, Franschen en
Hollanders voor verschillende handelshuizen, Zweden en Noren dikwijls,
die als kapitein of stuurman gewild zijn, komen hier met elke boot
aan, ter vervanging van hen, die na volbrachten diensttijd--meestal
2 of 3 jaren--naar Europa terugkeeren.
Boma bezoekende, krijgt men niet den indruk te zijn in het
donkerste Afrika, in de nog voor weinige jaren zoo weinig bekende
Congo-streek. Ter lengte van ongeveer een K.M. loopt langs de rivier
een breede weg, waaraan, regelmatig gebouwd, verscheidene steenen
gebouwen liggen, voornamelijk winkels of toko's van Europeesche
firma's; ook vinden we hier het postkantoor. Evenals deze weg zijn
alle andere landwaarts inloopende wegen, dank zij 't toezicht dat de
Staat op 't bouwen uitoefent, breed en recht en alle worden uitstekend
onderhouden en regelmatig gereinigd. 't Ontbreken van plaveisel,
waardoor we hier van straten nog moeilijk spreken kunnen, wordt dan
ook niet al te zeer gevoeld.
Hoewel Boma nog niet het aanzien heeft eener stad, is het de grootste
nederzetting van blanken langs den Congo. Vroeger stonden hier
slechts enkele handels-factorijen, die een, sedert dien tijd bijna
geheel verloopen, drukken handel dreven voornamelijk in palmpitten,
waarvan vele scheepsladingen verzonden werden. Sedert de staat zich
hier vestigde en er zijn hoofd-administratie inrichtte, is het aantal
der blanken en bij hen in dienst zijnde zwarten gestadig gestegen.
De gouverneur-generaal, een groot aantal ambtenaren, werkzaam bij
de verschillende afdeelingen van bestuur en de rechterlijke macht,
verscheidene officieren en vele handelsmannen houden hier geregeld
verblijf; enkelen zelfs met hunne echtgenooten. Niet over 't hoofd
te zien is ook het groot getal zwarten, die, 't zij uit Engelsche of
Portugeesche bezittingen langs Afrika's Westkust, 't zij uit dieper
in 't binnenland gelegen streken afkomstig, zich een zekere mate van
ontwikkeling hebben eigen gemaakt en nu betrekkingen gevonden hebben
bij de post, de rechtbank, 't politiewezen of wel bij de verschillende
hier gevestigde handelshuizen.
Verscheidene zwarten ook houden een soort winkel, en over 't algemeen
gaat hun 't zaken doen goed af. Zij vestigden zich gewoonlijk wat
verder van de rivier af, waar we ook de vele woningen en hutten van
de zwarte bevolking van Boma aantreffen. In de magazijnen, die door
Belgische, Hollandsche of Fransche handelshuizen opgericht werden,
zijn de meeste voor 't gebruik der blanken benoodigde Europeesche
artikelen, hoewel duur, tamelijk goed te krijgen; voorts vinden we
er een bonte mengeling van allerlei waren, goedkoope, veelkleurige
manufacturen, odeurs, spiegeltjes, hoeden, panongs, ('t inlandsche
kleedingstuk voor vrouwen) kralen, bellen, messen, kortom bijna
alle denkbare zaken die de begeerte kunnen opwekken, 't zij van de
meer ontwikkelde hier verblijf houdende zwarten, 't zij van de in de
omstreken wonende nog zoo goed als geheel onbeschaafde inboorlingen.
De kleinere, meer achteraf gelegen winkels vertoonen dezelfde groote
verscheidenheid der meest uiteenloopende artikelen, meestal uitsluitend
op zwarte koopers berekend. Jammer genoeg nemen ook rhum en andere
alcoholische dranken onder de koopwaren een voorname plaats in en
deze worden gaarne door de inlanders gekocht. Zooals te begrijpen is,
maakte de oorspronkelijke ruilhandel sinds eenige jaren plaats voor
't koopen tegen geld door den Staat in omloop gebracht.
Verder landwaarts ingaande, bemerken we langs de zachtjes opgaande
helling eener heuvel die achter Boma oprijst, vele meer officieele
gebouwen, die tot bureaux van den Staat of woningen van ambtenaren
dienen, o.a. het gerechtshof, de citadel en de woning van den
gouverneur-generaal. Zelfs is men hier met den aanleg van een park
begonnen.
De wandeling door Boma heeft, zoowel in 't benedengedeelte als
hierboven, een eigenaardige bekoring door de velerlei afwisseling die
zij biedt en door de mengeling van blanken en zwarten uit alle oorden
en van allerlei ontwikkeling, die men overal ontmoet. Men ziet zwarten
geheel op Europeesche wijze, of in witte pakken gekleed, waarbij
helmhoed en dikwijls wandelstok en cigarette niet ontbreken, naast
inboorlingen, die zich aan den inlandschen heupdoek hielden. Terwijl
de eersten zich hunne meerdere ontwikkeling goed bewust zijn en
zooveel mogelijk de manieren der blanken trachten na te volgen, gaan
de laatsten, gewoonlijk eetwaren op 't hoofd dragende, stil huns weegs.
De vestiging van den Congo-Vrijstaat vooral heeft hier een grooten
omkeer teweeggebracht in de oude toestanden. Hoewel de genegenheid
bij de inlanders voor Boele Matadi (naam door de inboorlingen aan den
Staat gegeven, die steenbreker beteekent, naar 't laten springen van
rotsen voor scheepvaart en andere doeleinden) zeker niet onverdeeld
is, weten ze toch dat deze machtig is en niet met zich laat spotten;
maar aan den anderen kant is men zich vrijwel algemeen bewust, dat
onrecht, ook waar 't blanken geldt, door de overheid niet geduld wordt.
Met 't invoeren van een geregeld bestuur is de Staat ook reeds in
't binnenland begonnen, maar Boma valt de eer te beurt, 't eerst een
burgerlijken stand gehad te hebben ook voor negers; hunne hutten zijn
verder geheel op Europeesche wijze van nummers voorzien.
Klachten, twisten en dergelijke kunnen op regelmatige wijze voor
't gerecht gebracht worden, en dat de rechtbank niet schroomt ook
niet-inlanders te veroordeelen, bewijzen wel de vele gevallen,
dat aan blanken voor korter of langer tijd hunne vrijheid ontnomen
werd. De gevangenis te Boma herbergt zelfs enkelen, die voor zware
misdrijven, w.o. dikwijls mishandeling van negers, tot vele jaren
gevangenisstraf veroordeeld werden. Hoewel ook staats-ambtenaren zich,
in vroeger jaren vooral, zonder twijfel meermalen aan machtsmisbruik
schuldig gemaakt hebben, zij 't hier gezegd, dat de Staat ze, als
lichaam, al was het dan ook niet altijd even krachtig, voortdurend
heeft tegengegaan. Ondanks de campagne vooral in de Engelsche pers
telkens weer tegen den Congo-Vrijstaat gevoerd, is het een feit,
dat de gruwelijke misdrijven, die helaas in 't Congo-gebied meermalen
bedreven werden, moeten toegeschreven worden aan wreedaards, die òf
door hun misdadigen aanleg, òf door 't gemis eener beschaafde omgeving,
òf door 't feit dat hunne beenen de weelde van 't zich heerscher weten
in een groot, moeilijk te controleeren gebied niet dragen konden,
òf door welke oorzaken dan ook tot onmenschelijkheden vervielen. Door
den Staat als zoodanig werden zij niet bedreven.
Ofschoon we de vele overige maatregelen en instellingen door den Staat
hier ingevoerd stilzwijgend voorbijgaan, wenschen we, alvorens van Boma
afscheid te nemen, nog te wijzen op de mogelijkheid door "Boele Matadi"
geopend tot het sluiten van huwelijken tusschen negers, en dezen maken
hiervan dikwijls gebruik; of ze echter het juiste inzicht hebben in de
beteekenis van het burgerlijk huwelijk, mag betwijfeld worden, getuige
de vele echtscheidingsprocessen, die Boma zelfs reeds gehad heeft.
Van Boma gaat de reis verder naar Matadi, het verst gelegen punt aan
de rivier, dat door stoombooten bereikt kan worden. In tegenstelling
met het gedeelte beneden Boma is de stroom hier tamelijk smal; de
geweldige watermassa dringt met zeer groote snelheid tusschen de hooge,
steil oploopende oevers voort. De bergen, die met hunne steenachtige
hellingen dit gedeelte der rivier aan beide zijden omsluiten,
zeggen ons reeds, dat we het woeste, bergachtige terrein bereiken,
dat zich vanaf Matadi tot Stanley-Pool uitstrekt en waardoorheen
zich de Congo met onweerstaanbare kracht en woest geweld een weg
gebroken heeft; een weg echter, die een aaneenschakeling is van
stroomversnellingen, schietstroomen en cataracten. De steenachtige
bodem en de duizenden rotsblokken waarlangs of waaroverheen zich
het water, tallooze draaikolken vormend, bruisend en schuimend,
dikwijls onder oorverdoovend geraas voortspoedt, maken de rivier
over ± 400 K.M. voor scheepvaart totaal ongeschikt. Het laatste
gedeelte der vaart naar Matadi gaat zelfs reeds bezwaarlijk en eischt
vooral bij den zoogenaamden Duivelshoek nauwkeurige kennis van den
stroom. Deze Duivelshoek is een zeer scherpe bocht in de rivier,
juist beneden Matadi, waar het water met geweldige vaart om den sterk
vooruitspringenden rotswand heenschiet. Onder het uitvoeren van den
bijna rechten hoek, dien ons vaartuig hier moet beschrijven, dringt
de stroom het met angstwekkende snelheid en onder sterk overhellen,
dwarsover de rivier, op den tegenoverliggenden oever aan; het
minste defect aan machine of stuurtoestel zou hier zeker noodlottig
worden. Een zucht van verlichting gaat meestal op bij hen die hier
bekend zijn, als men, na deze gevaarlijke plaats gepasseerd te zijn,
Matadi voor zich ziet.
Slechts enkele K.M. stroomopwaarts kan men de witte koppen zien der
Yellala-Falls, de laatste der reeks van cataracten boven Matadi.
Juist tegenover de aanlegplaats onzer boot bemerken we op den
rechteroever der rivier den ouden staatspost Vivi, oorspronkelijk
gesticht door Stanley, toen deze hier bij zijn terugkomst in Afrika,
eenige jaren na zijn beroemde reis dwars door het donkere werelddeel,
voet aan wal zette, om zijne goederen--w.o. geheele booten zelfs--onder
duizenden bezwaren over het bergachtige terrein verder te vervoeren
naar Stanley-Pool.
Het overgroote deel van alle handelsgoederen, materialen voor den
bouw van factorijen en booten, Europeesche levensmiddelen enz., die in
groote massa's voornamelijk door Engeland, Holland en Frankrijk naar
het Congo-gebied verscheept worden, is bestemd voor den Boven-Congo en
moet alzoo te Matadi gelost worden, waar de "Chemin de fer du Congo"
het transport overneemt. De grootere handelshuizen hebben hier meest
alle een factorij om dit transport te behartigen; men vindt hier
verder verscheidene winkels en zelfs eenige hotels ten gerieve der
vele blanken, die op hunne thuisreis of op weg naar boven zijnde,
hier passeeren; de Staat heeft er een belangrijken post, waarvan
vooral de douane-dienst een voornaam onderdeel uitmaakt. Van alle
goederen, die hier gelost worden moet, 't zij hier te Matadi, 't zij
te Brazzaville als ze voor Fransch-Congo bestemd zijn, 6%, van enkele,
als zout, kruit en vuurwapenen 10% invoerrechten betaald worden. De
uitgaande rechten, die de Staat hier voorts heft van de producten,
waaronder vooral ivoor en gom-elastiek, die zijn gebied verlaten,
vormen een belangrijk deel van de inkomsten der regeering.
Wat van Matadi vooral een tweede groote nederzetting aan de rivier
maakt, is de zooeven genoemde Chemin de fer du Congo, de Congo-spoor,
die onder bijna onoverkomelijke moeilijkheden, ten koste van vele
millioenen en helaas ook van verscheidene menschenlevens--de hier
en daar langs den spoorweg staande eenzame kruisen vertellen het
ons--tusschen Matadi en Kinchassa, het eindpunt aan den Stanley-Pool,
werd aangelegd.
Groote magazijnen tot opslag van de duizenden tonnen handelswaren,
die hier altijd op transport wachten, werkplaatsen tot het herstel
van locomotieven en waggons, waarin verscheidene blanken en honderden
zwarten bezig zijn, opslagplaatsen voor steenkolen, rangeerterreinen
etc. nemen al wat te Matadi aan eenigszins vlak terrein te vinden is
geheel in beslag.
De naam Matadi (steen) zou moeilijk door een meer juisten vervangen
kunnen worden. De plaats werd gebouwd op het onderste gedeelte
der helling eener kale rots; de huizen staan gedeeltelijk op dezen
steenklomp en werden er gedeeltelijk in uitgehakt.
Van wegen is hier geen sprake; ieder bouwde zijn huis, waar hij een
plaats vond, die hem eenigszins geschikt leek; de verbindingen er
tusschen worden gevormd door ongelijke paden, hier stijgend, daar
dalend, op vele plaatsen ook al in den rotswand uitgehouwen.
Na zonsondergang is het gaan, zelfs voor hen die hier bekend zijn,
en al laat men zich ook vergezellen van een zwarten lantaarndrager,
wat trouwens bepaald noodzakelijk is, nog tamelijk gevaarlijk; maar ook
over dag waagt bijna niemand zich aan een uitstapje. Van plantengroei
is op dezen bodem geen sprake, en wanneer de zon op de naakte steenen
brandt is de hitte er haast ondragelijk; men doet hier zijne zaken
en blijft overigens zooveel mogelijk onder de beschuttende schaduw
zijner veranda.
De meeste te Matadi aankomende passagiers weten waarheen zich te
wenden om huisvesting te vinden; zoo de ambtenaren van den Staat en
agenten van hier gevestigde handelshuizen; verder zij, die in 't bezit
zijn van introductie-brieven aan hier wonende Europeanen. Wegens de
primitieve toestanden, die men hier verwachten kan, voorzien velen
zich van dergelijke aanbevelingsbrieven, en gastvrijheid wordt in
den Congostaat gaarne verleend.
Wie niet zoo gelukkig is, neemt zijn toevlucht tot een der hotels. Deze
zijn, een enkele betere inrichting niet te na gesproken, nu juist
niet naar de laatste eischen ingericht, hoewel de prijzen, die men
er in rekening brengt, met die van hotels van den allereersten rang
in de beschaafde wereld kunnen wedijveren. Niet zelden moet men
zich vergenoegen met een rustplaats op den vloer, terwijl men zich
tot de bevoorrechten rekenen kan, als men 's morgens het benoodigde
waschwater na niet al te veel moeite bekomen kan. Doch aan den Congo
stapt men over dergelijke kleinigheden zonder veel bedenken heen.
Het is te begrijpen, dat de spoor een grooten omkeer te weeg bracht in
het transport van reizigers en goederen, 't welk vroeger uitsluitend
per karavaan plaats had. Toch moet men ook hier zijne eischen niet
te hoog stellen.
Op den morgen dat we Matadi verlaten, begeven we ons vroegtijdig
naar het station. Het vertrek is bepaald op 7 uur en het is geen
zaak zijn trein te missen, daar er, behalve de treinen voor het
vervoer van goederen, slechts drie in de week loopen voor passagiers
bestemd. Het ligt voor de hand dat de dienst op dezen spoorweg nog
niet te vergelijken is bij dien op de spoorwegen in Europa. Het
reizigersverkeer is zeer beperkt; verreweg de grootste bron van
inkomsten bestaat in het vervoeren van handelsgoederen naar "boven"
of van producten--ivoor en gom-elastiek--naar beneden. Het terrein,
waarover de lijn moest worden aangelegd, leverde voorts bij nagenoeg
elken K.M. nieuwe bezwaren op en, hoewel de spoorweg-directie
voortdurend alles aanwendt om den weg te verbeteren, is men er nog
lang niet in geslaagd alle moeilijkheden--scherpe bochten, steile
hellingen en dergelijke--overal te overwinnen.
De lange lijn, die hier en daar tientallen van K.M. achtereen door
woeste, nagenoeg onbewoonde streken voortloopt, is bovendien moeilijk
te controleeren. Natuurlijk ontbreekt het niet aan geregeld toezicht
en wordt elken dag de afstand tusschen de blokhuizen door zwarte,
daartoe aangewezen beambten, afgeloopen, maar de blokhuizen liggen
ver van elkander en gebreken kunnen toch zoo gemakkelijk onverwachts
veroorzaakt worden door de geweldige tropische regens of door het
nederstorten van steenblokken, waarmede vele berghellingen langs den
spoorweg zoover het oog reikt bedekt zijn.
Het kleinste gebrek aan den weg kan, door de groote afstanden,
urenlang vertraging geven. Men heeft dan ook geen reden tot klagen,
als de 200 K.M., die Matadi van Thysville scheiden, voor zonsondergang
zijn afgelegd, al reed men dan hier en daar eens wat langzamer dan men
het verwachtte of al werd het geduld door oponthoud onderweg al eens
op de proef gesteld. De gedachte, dat deze afstand in Europa in enkele
uren kan worden afgelegd en 't dan niet noodig zou zijn tien uren en
meer in den warmen waggon te vertoeven, komt wel eens in ons op, doch
't zou onverstandig zijn er reden tot klagen uit te putten. Hen, die
met Congo-toestanden bekend zijn hoort men dit dan ook trouwens niet
doen; 't is ook voldoende zich de manier te herinneren, waarop tot voor
weinige jaren de reis van Matadi naar Kinshassa gemaakt moest worden,
toen het geen zeldzaamheid was dat men, met de karavaan van dorp tot
dorp reizende, 3 tot 4 weken onderweg was, om niet al te veeleischend
gestemd te zijn. Men komt nu dan toch, tamelijk gemakkelijk gezeten,
in twee dagen aan het einde der reis.
De gereedstaande trein, in tegenstelling met de goederentreinen bekend
als de expres, zou in Europa hoogstens op den naam tram aanspraak
kunnen maken. Behalve de machine zijn er slechts drie rijtuigen,
een waggon 1e klasse, een dito 2e en een bagagewagen. De gesteldheid
van den weg maakt het niet wel mogelijk de treinen langer te maken;
bij veel aanvraag om plaatsen, wat wel eens voorkomt na aankomst eener
mail uit Europa, laat men liever twee treinen achter elkander loopen;
ook gebeurt het niet zelden dat in dit geval een deel der passagiers
zich een paar dagen wachten moet getroosten.
Van de zenuwachtige drukte, die dikwijls het vertrek der treinen in de
beschaafde wereld voorafgaat, bemerken we hier geen spoor. De negers,
belast met het inladen der bagage, hebben blijkbaar geen haast en
evenmin hebben dit de tien of twaalf passagiers, die de reis gaan
ondernemen. Men zoekt een plaats of wandelt, nu het nog aangenaam
koel is, wat langs het treintje op en neer in afwachting van het
sein tot vertrek, dat zich meer of minder lang wachten laat, naarmate
er wat meer of minder bagage te laden is. Er wordt trouwens op geen
vijf minuten gekeken; we hebben den geheelen dag tijd om Thysville,
dat ongeveer halfweg ligt, te bereiken en 't maakt niet veel uit,
of we er een uur vroeger of later aankomen.
Is eindelijk alles in orde en hebben blanken en zwarten in hunne
respectieve waggons--het gebeurt zelden dat een der eerstgenoemden 2e
of een der laatsten 1e klasse reist--plaats genomen, dan verkondigen
een paar stooten op de fluit, dat de reis een aanvang neemt en spoedig
hebben we Matadi achter ons.
't Gezelschap waarmede we de reis maken bestaat, met uitzondering van
enkele ouderen, d.w.z. zij die na reeds eenige jaren in den Congo
doorgebracht te hebben weder naar hun werkkring terugkeeren, voor
't grootste gedeelte uit nieuw-aangekomenen, die zich vol verwachting
naar hunne bestemming begeven.
De draaibare rieten fauteuils, waarvan er aan elke lange zijde van
het rijtuig zes geplaatst zijn, en het tafeltje, dat zich tusschen
elke twee zetels bevindt, maken het mogelijk zich tamelijk goed voor
de lange reis in te richten. Overigens laat de inrichting der wagens
wel iets te wenschen over. Van ramen is geen sprake; wind en regen
kunnen ongehinderd door de geheel open zijkanten naar binnen komen en
maken den rit er dikwijls niet aangenamer op. Het grootste ongerief
echter vormen de massa's stof, hoofdzakelijk fijne aschdeeltjes
uit de locomotief afkomstig, die onophoudelijk naar binnen waaien;
er is meestal geen uur na het vertrek verloopen of aangezicht en
handen zijn er dermate door verontreinigd, dat men met verlangen
naar wat water uitziet. De enkelen die hierop gerekend hebben, door
in een paar flesschen waschwater mede te voeren, worden benijd door
hen, die, minder bekend met de eigenaardigheden dezer spoorreis,
dit verzuimden en wien nu niets overblijft dan gebruik te maken van
de gelegenheid tot verfrissching, die zich enkele malen voordoet,
wanneer n.l. de trein eenige minuten stopt om uit een aan den weg
op een hooge stelling geplaatsten bak zijn watervoorraad, voor den
stoomketel benoodigd, aan te vullen.
De helderwitte kleeding, waarin velen onvoorzichtig genoeg de reis
aanvingen, heeft het zwaar te verantwoorden en nog voordat we aan
het eerste eenigszins groote station gekomen zijn, deelt ook deze
reeds in de algemeene vergrijzing. Het hardst te verduren evenwel
hebben het de oogen; bijna niemand komt aan het einde der reis,
zonder dat de pijnlijke oogleden hem op onaangename wijze aan dit
ongerief herinneren.
Dranken of eetwaren zijn onderweg niet te krijgen; hoogstens koopt
men van inlanders, die men hier en daar, terwijl de trein oponthoud
heeft, somtijds ontmoet, eenige eieren of bananen; het benoodigde,
behalve brood en conserven ook glazen, vorken, messen, servetten,
etc. voert ieder dan ook zelf mede.
Het is voorzeker geen luxe-trein waarin we plaats namen, en men is
gewoonlijk verheugd te Kinshassa aan te komen; doch heeft de reis
ook hare lichtzijde.
Het uitzicht is bijna overal belangwekkend genoeg om wat ongerief
over het hoofd te zien; vooral het bergachtige land, de Palla-Balla
geheeten, dat we al aanstonds na het vertrek van Matadi doorrijden,
biedt een grootschen aanblik. De ruwe bergmassa's stapelen zich boven
en achter elkander op; ten deele kaal, ten deele met ondoordringbare
bosschen bedekt, strekken zich de hellingen in eindelooze
verscheidenheid uit; hier steil oprijzend tot ontzagwekkende hoogte,
daar nederdalend in nauwe dalen en ravijnen, die den aanschouwer
doen duizelen. In duizenden bochten wringt zich onze trein door deze
bergklompen heen. De weg gaat ten deele door de diepe ravijnen,
tusschen steile, hooge muren, die ons met vernietiging schijnen
te dreigen en die veelal ternauwernood ruimte genoeg overlaten om
onzen trein te laten passeeren; die ontzaglijke bergklompen geven
ons een gevoel van onmacht als we, uit de diepte er naar opziende,
slechts zeer, zeer hoog een stuk van den blauwen hemel kunnen
bespeuren. Straks weer kruipen we tegen een steile helling op, hoog
boven alle omringende lagere toppen uit, om een oogenblik later in
razende vaart bergafwaarts te snellen. We rijden over steenvlakten,
waar de zonnestralen, door den gloeienden rooden of witten bodem
teruggekaatst, ons oog verblinden, en door bosschen, waarin nauwelijks
een straal der zon den grond bereikt en waar we in de verkwikkende
koelte verademing vinden. Langs hellingen gaat het, waar de noodige
ruimte in de steenmassa moest worden uitgehouwen. Aan de eene zijde
staat hier de loodrechte, afgehakte bergwand nog op geen meter afstand;
aan de andere zijde zien we bijkans loodrecht neer op bosschen, diep
onder ons in het dal gelegen. Zóo smal is hier de weg, dat we naast
de lijn zelfs geen grond meer bespeuren en we, ons vooroverbuigende,
langs de steile helling loodrecht naar beneden blikken.
Op enkele plaatsen wordt de rotswand beneden ons door den Congostroom
bespoeld. We bespeuren de helling niet die ons draagt, en schijnen
te zweven boven het water, dat diep beneden ons zijn weg naar de
zee vervolgt.
Eenige K.M. volgen we den onstuimigen loop van de Lufu, die zich
onder 't vormen van een reeks watervalletjes en stroomversnellingen
naar den Congo voortspoedt; behalve den Lufu passeeren we de niet
minder snel stroomende Quillo-rivier, beide linker-zijrivieren van
den Congo. Vervolgens de Inkissi, waarover te midden eener grootsche
wildernis een brug geslagen werd onder bezwaren, die moeielijk te
overschatten zijn. Er komt geen eind aan de bochten en draaien in den
weg; altijd door gaat het bergop-, bergafwaarts; onophoudelijk gilt
de stoomfluit seinen toe aan de negerjongens, die op iederen wagen
als remmer dienst doen, om, als het naar beneden gaat den loop te
kunnen temperen. Er zijn punten, van waaruit wij de spoorbaan op vijf
of zes plaatsen tegelijk in verschillende richtingen kunnen zien,
een gevolg van de steile hellingen, plotselinge hoogten of laagten
en dergelijke hinderpalen, waardoor de ingenieurs, met den aanleg
belast, verplicht waren den weg dikwijls in cirkel- of slangvormige
lijn tegen bergen op, of naar omlaag te leiden.
Na den nacht in Thysville doorgebracht te hebben, gaat het den
volgenden dag verder, nu wat meer geregeld in dezelfde richting.
Tusschen Tumba en Kinshassa is het terrein minder woest en vertoont
vooral over het laatste gedeelte een min of meer afloopende,
onafzienbare vlakte, met hier en daar eenige heuvels. Behalve de
schaarsche boomgroepen bemerken we, als eenige plantengroei, dor gras,
waartusschen de witte zandgrond overal te voorschijn komt. Uren lang
rijden we door deze dorre, eenzame streek voort, tot we eindelijk heel
in de verte, vóór ons uit, het water van Stanley-Pool in de zon zien
blinken en de plek bespeuren, waar Kinshassa ligt. Spoedig komen we
voorbij n'Dolo, een der eindstations aan den Pool gelegen en bereiken
vervolgens Kinshassa, het doel onzer spoorreis. Een onaanzienlijk
houten gebouwtje, zonder eenige andere gebouwen in den omtrek,
eenzaam te midden der vlakte gelegen, doet hier dienst als station.
Een groot gedeelte der reizigers, bestemd voor Fransch-Congo,
verlaat den trein, om van hieruit de rivier naar Brazzaville over
te steken; een ander gedeelte vervolgt de reis tot het eenige
K.M. verder gelegen Leopoldville, na Boma de belangrijkste plaats
in den Congo-Vrijstaat. Het eigenlijke eindpunt van den spoorweg is
n'Dolo; hier en te Kinshassa worden de meeste handelsgoederen, van
Matadi aangevoerd, gelost, om in stoombooten overgeladen en verder de
rivier op verzonden te worden. Langs dit gedeelte van den Congo liggen
dan ook de verschillende factorijen, vertegenwoordigende de Belgische,
Hollandsche of Engelsche firma's, die langs den bovenloop der rivier
hunne vestigingen bouwden. Geen wonder dat n'Dolo en Kinshassa, van
waar de rivier opwaarts weder over duizenden K.M. bevaarbaar wordt,
evenals Matadi, voor den handel belangrijke punten werden. De Staat
zag het gewicht van deze plek in en bouwde er zijn hoofdvestiging voor
den geheelen Boven-Congo, Leopoldville. Toch was men in de keuze der
plaats voor deze nederzetting niet gelukkig. Leopoldville ligt eenige
K.M. lager aan de rivier dan Kinshassa en n'Dolo, juist beneden den
Stanley-Pool en op het punt, waar de bergketens, die bij den Pool een
verbazend wijde kom vormen, van weerszijden naar elkander toekomen. De
breedte der rivier, voor Kinshassa ± 4 K.M. bedragende, wordt hierdoor
plotseling tot op 1/3 teruggebracht, wat natuurlijk een ongemeen
sterken stroom tengevolge heeft. Bovendien hebben de booten--bijna
100 in aantal--die de verbinding van Leopoldville met alle hooger
gelegen staatsposten in stand houden, nog de gevaarlijke, onder water
liggende rotsen te passeeren, welke juist in deze vernauwing der
rivier veelvuldig voorkomen en die ongetwijfeld altijd een ernstigen
hinderpaal voor de scheepvaart blijven zullen.
Juist voor Leopoldville bemerken we, midden in de rivier, de eerste
der talrijke cataracten, die zich tot Matadi in een bijna onafgebroken
reeks uitstrekken. 't Is dan ook niet vreemd, dat velen zich met
verwondering afvragen hoe de staat zijn tweeden belangrijken zetel
kon vestigen op een plaats, zóó gevaarlijk en zóó moeilijk te bereiken
voor schepen.
Zeker is Leopoldville de moeite van een bezoek wel waard, al hebben we
dan ook vanaf Kinshassa een weg van bijna 2 uren gaans af te leggen. De
grootsche werken, die men er heeft aangelegd, zijn een bewijs te meer
voor de energie, waarmede de Congo-Staat zich in Afrika vestigde en
er een geregeld bestuur tracht in te voeren.
Wij vinden er de op Europeesche wijze gebouwde woning van den
"Commissaire de district" benevens de huizen voor de tientallen van
ambtenaren, op de regeeringsbureaux werkzaam en voor het niet minder
talrijke personeel, bij den aanleg van verschillende kunstwerken, voor
den bouw van magazijnen, stoombooten enz., benoodigd. Ten koste van
schatten gelds legde de Staat een reusachtige kade langs de rivier aan
ten behoeve der vele stoombooten, die onophoudelijk te Leopoldville uit
alle hooger gelegen streken van den Congo-staat aankomen; men maakte er
een sleephelling, waardoor de grootste booten zonder veel moeite op het
droge gehaald kunnen worden om de noodige reparatiën te ondergaan. Een
machinesmederij is er ingericht benevens een flinke werf, van waar
reeds ongeveer 100 booten, die de Staat voor zijn dienst noodig heeft,
te water werden gelaten en men bezoekt Leopoldville nooit, zonder dat
men er getuige van zijn kan, dat er voortdurend nieuwe vaartuigen,
grooter en beter ingericht dan de vorige, op stapel staan. De
honderden blanken, die te Leopoldville geregeld verblijf houden,
gewoonlijk vermeerderd met tientallen officieren en hoogere of lagere
ambtenaren, die voortdurend per boot van "boven" of per spoor van
"beneden" aankomen, maken van Leopoldville een bedrijvige plaats. In
alles treedt de regeering hier op den voorgrond; op een enkel
handelshuis na is alles hier "Staat". Politie-post, justitie-gebouwen,
hospitaal, een groot gebouw ingericht tot eetzaal, waar alle blanken in
staatsdienst gezamenlijk den maaltijd gebruiken, postkantoor, kazerne
voor de talrijke inlandsche bezetting van Leopoldville, tot zelfs een
chemisch laboratorium, werden hier door het bestuur opgericht. Hier,
waar alles met de grootste regelmaat toegaat, gevoelt men te zijn in
het middenpunt eener machtige organisatie, eener krachtsontwikkeling,
die zich tot op duizenden mijlen in het rond gevoelen laat.
In de nog geen 20 jaren, die sedert de oprichting van den
onafhankelijken Congo-Staat verloopen zijn, is het dezen gelukt, tot
aan de uiterste grenzen van zijn gebied zijn invloed te doen gelden.
Tot uitoefening van het bestuur is het rijk verdeeld in districten,
elk met een districtschef aan het hoofd, die onder de onmiddellijke
bevelen van de hoogste ambtenaren, de "inspecteurs d'État", den
vice-gouverneur en den gouverneur staan. Elk der districten, die
in uitgestrektheid de meeste der Europeesche rijken overtreffen,
is onderverdeeld in zônes, met een "chef de zône" aan het hoofd;
onder dezen eindelijk staan een groot aantal "chefs de poste", elk
belast met het bestuur van een staatspost, die door het gansche rijk,
op alle punten, die eenigszins van belang zijn, werden opgericht. Aan
de "chefs de poste" is het directe bestuur over de bevolking in hun
gebied toevertrouwd; zij zijn belast met de rechtspraak en hebben
voor de naleving der wetten en besluiten te zorgen.
Door het geheele reusachtige Rijk heen werden wegen aangelegd,
zoodat het centrale bestuur te Boma en te Leopoldville in geregelde
en tamelijk goede verbinding is zelfs met de uiterste posten, die aan
de oostgrens tot in het gebied van den Boven-Nijl, aan de zuidgrens
tot aan de bronnen van de Zambesi gevonden worden. Met regelmatige
tusschenpoozen van ± 2 weken varen goed ingerichte stoomschepen naar
Stanley-ville--dat 2000 K.M. hoogerop aan de rivier ligt--en bovendien
zijn vele langs den Congo gelegen posten telephonisch met Leopoldville
en Boma verbonden. Ten behoeve van den telephoon, die zich welhaast
tot Stanley-ville toe uitstrekt, werd door bosschen en over bergen
langs de rivier een weg aangelegd, verscheidene meters breed, in
lengte den beroemden postweg op Java verre overtreffende. Over deze
geheele lengte wonen, op elke 10 K.M. afstand, zwarte beambten die
met het onderhoud belast zijn.
Van Stanley-ville opwaarts tot het Lado, het uiterste punt in het N.O.,
en in Z.O. richting tot voorbij het Tanganyika-meer, zorgen reeksen van
posten, langs zijrivieren of aan groote wegen gelegen, voor geregelde
cano- of karavaantransporten ten behoeve der reizende staats-ambtenaren
en voor den postdienst en het goederenvervoer. De reis, dwars door
Afrika, die vroeger met zoo ontzaglijk veel bezwaren gepaard ging, is
nu in enkele maanden te maken, nagenoeg zonder ontbering of gevaar en
zelfs zonder dat het noodig is, in wildernissen of onbewoonde oorden
te overnachten. Van dag tot dag liggen langs de geheele karavaan- of
kano-route, van de groote meren tot Stanley-Falls, de staatsposten
of de door de regeering opgerichte blokhuizen, die gelegenheid tot
logeeren bieden. Van uit Stanley-ville bereikt men in enkele weken
Leopoldville met de goed ingerichte staatsbooten, waarvan sommige
meer dan 20 hutten tellen.
Naar alle richtingen is het verkeer op dezelfde wijze geregeld. Brieven
worden per post overal heen verzonden en niemand is zoo ver verwijderd
of brieven uit Europa, via Leopold-ville of Stanley-ville verzonden,
kunnen hem bereiken. In twee maanden is een brief, van uit Europa naar
Stanley-ville, het hart van Afrika, verzonden, op zijn bestemming en in
2 à 3 maanden meer, na cano- en karavaanreizen, komen de poststukken
aan op de punten aan de uiterste grenzen gelegen. Naar Europeesche
begrippen is dit wel een verbazend lange tijd, maar men vergete niet,
dat het hier betreft het gedeelte der wereld dat voor enkele tientallen
van jaren nog zoo goed als onbekend was; waar doorheen te reizen als
de moeilijkst uit te voeren en meest gevaarvolle onderneming gold en
waar reizen, met de grootste nauwgezetheid en zonder kosten te ontzien,
voorbereid, altijd jaren in beslag namen. Als bewijs voor de geregelde
verbindingen, die heden ten dage bestaan, diene het volgende:
Een gewone brief, uit Europa verzonden aan iemand, wonend te Kinshassa,
ging bij vergissing per Oost-Afrikaansche lijn. De brief kwam aan te
Mozambique, aan de oostkust gelegen. Van hieruit reisde hij, dwars
door Portugeesch Oost-Afrika, langs het Nyassa-meer en bereikte
aan het Tanganyika-meer de eerste staatspost. Van post op post,
eerst per karavaan, vervolgens per cano verzonden, kwam hij aan te
Stanley-ville en enkele weken later ontving de geadresseerde hem,
een weinig gekreukt en bezoedeld wel is waar, doch in ongeschonden
toestand. De poststempels, waarmede de enveloppe bedekt was, maakten
het mogelijk de route nauwkeurig na te gaan en bewezen, dat voor een
brief nauwelijks 6 maanden voldoende waren om geheel alleen van uit
Europa de reis dwars door het donkere werelddeel te volbrengen.
Hoe meer we de hedendaagsche toestanden bezien en vergelijken met die
van 20 jaren geleden, des te meer staan we verbaasd over en gevoelen
we bewondering voor wat in dit betrekkelijk korte tijdsverloop
werd tot stand gebracht. Maar--des te meer ook betreuren we het,
dat een grootsch werk, goed en flink begonnen en aanvankelijk tot
een goed einde gebracht, de inrichting van een geordend bestuur over
een streek, waar de meest barbaarsche gewoonten onder de bewoners
bestonden, een werk aldus dat tot zegen van millioenen ondernomen
werd, bezoedeld is geworden door misdadige handelingen van sommigen,
die er aan hadden mede te arbeiden. Dubbel jammer ook dat de staat,
hoewel als zoodanig niet in gebreke gebleven om machtsmisbruik, waar
dit mogelijk was, te straffen, toch zelf niet geheel vrij te pleiten
is van de beschuldiging, niet altijd met de noodige kalmte en zachtheid
te zijn opgetreden bij de vestiging en uitoefening van zijn bestuur.
Zijn machtigen arm te doen eerbiedigen, er desnoods met geweld
ontzag voor af te dwingen, en eerst daarna te redeneeren, is, het
moet helaas gezegd, dikwijls de stelregel geweest, waarnaar te werk
gegaan werd bij de vestiging in nieuwe streken. We kennen verscheidene
volksstammen voldoende, om de meening te kunnen uitspreken dat veel
geweld achterwege had kunnen blijven, als men van het begin af het
vertrouwen der negers door rechtvaardigheid, welwillendheid en het
uitroeien alleen van verkeerde gewoonten had trachten te winnen. Zoo
men, langzaam voortgaande, met bezadigdheid overal opgetreden was,
inplaats van altijd voorop te stellen dat de negerchefs van inmenging
van den Staat in hunne gebruiken niets wilden weten, had er zeker meer
wederzijdsch vertrouwen blijven bestaan dan thans, nu men eenvoudig
zijn wil heeft kenbaar gemaakt en desnoods heeft doen eerbiedigen. Zoo
goed als het den eersten reizigers in het Congo-gebied is kunnen
gelukken, contracten met negerhoofden af te sluiten, waarbij dezen
het recht van vestiging der blanken erkenden, zoo goed had de Staat
zich in zeer veel gevallen op minzame wijze kunnen verstaan met de
groote prinsen, die een machtigen invloed op de meeste stammen hebben,
als men niet steeds zijn macht vooropgesteld had. Krachtig ingrijpen
zou, voornamelijk bij hoofden die belang hadden bij den slavenhandel,
zeker niet te vermijden geweest zijn, doch dit was dan zelfs nog een
daad van humaniteit geweest, waar het gold een einde te maken aan de
vele gruwzame gebruiken, die onder de bevolking bestonden. Later,
toen de Staat zich eenmaal had doen kennen als de macht die, zoo
mogelijk goedschiks, anders met geweld, maar toch in elk geval,
zonder omwegen bezit kwam nemen van het land, is gewapend optreden
tegen hoofden, die Boele Matadi ongaarne hun gebied zagen naderen,
dikwijls noodig geworden.
Dezelfde opmerkingen gelden op het gebied van belasting-inning.
Natuurlijk heeft de regeering inkomsten noodig om hare vele uitgaven
te bestrijden; voor een groot deel verkrijgt zij deze uit de opbrengst
der producten, ivoor en gom-elastiek, die de verschillende dorpen,
elk tot een zeker bedrag, moeten leveren. Het moet erkend worden dat
men niet altijd behoorlijke middelen te baat genomen heeft, om deze
voortbrengselen te verkrijgen.
In plaats van de dorpen, vooral in het begin, niet te hoog te belasten
en de negers, door te wijzen op de betere toestanden die geschapen
werden, wat met deze belastingen te verzoenen, is dikwijls bijna
het onmogelijke gevergd en zijn er voorbeelden van, dat vrouwen
en kinderen opgepakt en weggevoerd, en chefs tot jarenlangen
dwangarbeid veroordeeld werden. Met behulp eener uit de inlanders
zelf gerecruteerde politie- en troepenmacht dwong men de bewoners
van vele streken tot aanmaak van gom-elastiek tot elken prijs; in
ontoegankelijke wildernissen, waar de moerassige ondergrond, slangen
en viervoetige roofdieren het werken levensgevaarlijk maken, werden en
worden helaas duizenden gedwongen, de gomgevende lianen op te zoeken.
Behalve de belastingen en deze verplichte arbeid werkt nog een andere
factor mede om de bevolking van groote streken het juk van den Staat
te doen haten, en wel, de gedwongen levering van levensmiddelen. De
regeering n.l. legt verschillenden hoofden de verplichting op, eene
bepaalde hoeveelheid kippen, eieren, manioc (het hoofdvoedsel van
vele stammen) etc. op daartoe aangewezen markten te leveren.
Meermalen geen rekening houdende met de draagkracht der streek, en
dikwijls evenmin met de woonplaats van hen die deze levensmiddelen
moeten aanbrengen, dwingt men zoodoende de bewoners van vele dorpen,
ongelooflijke afstanden af te leggen, teneinde ze te verkrijgen,
of ter markt te brengen.
Ook werkt men, door de dorpshoofden voor de levering aansprakelijk
te stellen, ze desnoods gewapenderhand bij te staan of te dwingen,
machtsmisbruik in de hand. Niet zelden veroorzaakt de te hooge druk
wanhopige uitbarstingen, altijd weer gevolgd door onderdrukkingen,
die door hun ruw geweld wel wrok, maar zeker geen toenadering tot
stand brengen.
Zeer te betreuren is het ook, dat de Staat in zijn rechtspleging
de lichamelijke straf opnam en zijnen zelfstandigen ambtenaren, als
chefs de poste en kapiteins der rivierbooten b.v., het recht geeft
deze straffen uit te spreken.