De roode portière werd teruggeschoven en tot zijn hoogste verbazing zag

Lord Edward een gesluierde vrouw op den drempel.

Het was dezelfde, die bij zijn gesprek met den Roghi zijn partij had

gekozen.

Ook nu was haar gelaat door een sluier verborgen. Zij wenkte met de

hand, als wilde zij tot voorzichtigheid en tot zwijgen aansporen.

Daarop trad zij nader.

Toen zij den sluimerenden knaap zag, die in zijn slaap glimlachte,

vouwde zij de handen over de borst en knielde neer om naar hem te

kijken. Een zucht kwam van haar lippen en zacht fluisterde zij:

„Arme knaap, hoe heerlijk sluimer je! En toch zal men je weldra moeten

wekken, want de vervolgers naderen reeds! Maar jij bent in de hoede van

een edel man! God zal hem helpen om je te redden en gelukkig naar het

vaderland terug te brengen!”

Lister vertrouwde zijn ooren niet, toen hij de vermeende Marokkaansche

deze woorden in het zuiverste Engelsch hoorde uiten.

Maar reeds was zij opgestaan en trad naar hem toe.

„Vraag mij niets, mijnheer! Red uzelf en den knaap, want Bu Hamara, de

Roghi, zal dadelijk met zijn lieden hier zijn. De Spanjaarden hebben u

verraden en de Mahksenlieden hebben u bij hem aangeklaagd.

„Vraag niet, maar handel, eer het te laat is!—Bu Ismail, de Marabout,

zal u buiten wachten en veilig geleiden. Ik zelf zal uw gids zijn.”

„O, mijn landsvrouw, hoe zal ik u danken? Door welk wonder bevindt gij

u hier, om als een engel te verschijnen en ons te redden?”

„Er is geen minuut te verliezen, mijnheer,” antwoordde de gesluierde

haastig. „Alle vragen later. Wek den knaap, roep uw lieden en volg

mij!”

In een oogenblik had Lister zijn wapens en den tropenhelm bij elkaar

gezocht en ging naar Jack.

Opeens werden in de aangrenzende kamer schoten gehoord, waarop een

geheel salvo volgde.

Een onbeschrijfelijk alarm volgde, vermengd met Engelsche vloeken, maar

ook menig Spaansch en Moorsch woord werd vernomen.

Lister bleef een oogenblik staan, daarop echter had hij zijn

tegenwoordigheid van geest teruggekregen.

„Te laat!” mompelde de gesluierde vrouw. „Groote hemel, de knaap, de

knaap! Wat moet ik doen? Wat geeft het mij en u, als Bu Hamara mij hier

treft en in zijn woede doodt of gevangen zet?”

Met een droeven blik op den knaap, die zich, door de schoten gewekt,

verbaasd van zijn rustplaats oprichtte, en met een wanhopige

handbeweging vluchtte zij uit het vertrek en was verdwenen.

Maar reeds was Lister van plan met een revolver in elke hand door het

roode gordijn in de voorzaal te snellen om zijn overrompelde getrouwen

ter hulp te komen, toen met verwarde haren en verscheurde kleeren

Charly achteruitloopende bij de portière verscheen, herhaaldelijk

achteruitvurende op zijn vervolgers.

Oogenblikkelijk was Lister aan zijn zijde en nu zag hij door de

deuropening bijna de geheele zaal gevuld met Rifkabylen, die alleen in

toom werden gehouden door Charly’s uitstekende revolvers.

Toen twee der vermetelste kerels met hun lange messen naderslopen,

werden beide door Lister’s revolverkogels in den arm getroffen, zoodat

zij hun messen moesten laten vallen.

Daar schreeuwde plotseling de knaap achter hem luidkeels en toen Lister

schielijk omkeek om hem zoo noodig ter hulp te snellen, was het reeds

te laat.

Hij zoowel als Charly werden ruggelings door vele sterke armen

aangegrepen en hun revolvers hun ontnomen.

Hun armen en beenen werden met stevige touwen gebonden en toen Lister

met moeite zijn hoofd omdraaide, zag hij tot zijn leedwezen, dat ook de

arme, dappere knaap reeds hetzelfde lot ten deel was gevallen.

Over hen heen echter boog zich hoonlachend de Spaansche sergeant Ramiro

en riep:

„Oog om oog, Señor Lordo!

„Dat is de groet van generaal Marina, dien ik u moet overbrengen!”

Onmiddellijk daarop echter stelde hij zich in postuur met de hand aan

de witte kepi.

„Dappere Roghi, hier ziet gij uw vijanden geboeid in uw macht, waaraan

ook wij dapper hebben meegeholpen. Mag ik uwe genade nu verzoeken ons

volgens uwe belofte, het ons toegezegde loon te geven en ons onder

veilig geleide naar Melilla, naar generaal Marina, terug te zenden?!”

Lister hoorde, hoe de Roghi die binnengekomen was, met luide stem in

het Spaansch zei:

„Mijn belofte zal ik houden! Uw wapens hebt gij al weer terug! Hassan,

hebt gij den buidel?—Welaan, geef elk der Spanjaarden een goudstuk en

den capitano drie!”

„O, veelmaals dank, edele Emir!” antwoordde Ramiro verheugd.

„Ben je gereed, Hassan?” vroeg Bu Hamara vol ongeduld.

„Ja, heer!”

„Welnu, heeren Spanjaarden!” vervolgde de Roghi, „ook mijn derde

belofte zal ik houden.—Hola, Riflieden! Neemt deze Spaansche

onderdrukkers op, die zoozeer verlangen, onze bergen met hun erts en

verborgen schatten te bezitten, die ons ons vaderland willen ontnemen,

dat wij liefhebben, ik beveel u, neemt hun hun geld en wapenen weer

af!”

Ramiro ging een schrede achteruit.

„Was dat de bedoeling, trouwelooze Kabyle! Zoo zie dan, hoe

Castiliaansche mannen weten te sterven. Lieden, revolvers te

voorschijn! Caramba! Legt aan!—vuur!”

De elf revolvers der Spanjaarden werden gelost. Maar de Rifbewoners en

Bu Hamara zelf wisten zich te redden, doordat zij zich op den grond

lieten vallen.

Een tweede maal konden de ongelukkige Spanjaarden echter niet vuren.

Uit de andere kamer waren talrijke Marokkanen naar binnen geslopen. Op

een wenk van den Roghi hadden achter elken Spanjaard twee er van plaats

genomen en onverhoeds werden hun de wapens ontrukt.

Ondanks hun dapperen tegenstand werden de Spanjaarden door de overmacht

overweldigd en evenzoo gebonden als zooeven Lister en de lieden van de

Meteor, benevens Charly en Jack.

Ondanks zijn onbehagelijken toestand kon Lister niet nalaten, den

sergeant toe te roepen:

„Er bestaat een Engelsch spreekwoord, edele Hidalgo van den Manzanares,

dat luidt: „Wie een ander een put graaf, valt er zelf in.”

„Zeg maar niets, Señor!” antwoordde de Spanjaard op schuldbewusten

toon, „ik zie in, dat ik nog dommer ben dan de ezel van Sancho Pancha.”

„Zoo, dappere Señores!” hernam de Roghi, „nu zal ik ook mijn derde

belofte houden. De Spanjaarden worden morgen vroeg op het plein van

mijn kasbah doodgeschoten, hun lijken echter zullen onder veilig

geleide naar Melilla worden gevoerd. Niemand echter kan zeggen, dat Bu

Hamara niet tot in de kleinste bijzonderheden zijn belofte heeft

gehouden.—Nu echter—weg met de gevangenen naar de rotskelders!”

Men maakte een begin met de Spanjaarden en twee aan twee werden de

geboeiden uit het vertrek gedragen.

Nu wendde de Roghi zich tot Lord Lister, die voor hem op den vloer lag

uitgestrekt.

„Nu gij, mijn vriend van gene zijde van den oceaan! Uw edelmoedigheid

was te groot, dan dat ik er geloof aan kon slaan. Nu is de waarheid aan

het licht gekomen.

„Niet ter wille van Sidi Lupton en diens familie kwaamt gij in onze

bergen, maar met het doel om mijn krijgsschat en het laatst verworven

millioen te stelen.

„Het helpt u niets, te ontkennen. Het is bewezen.

„Goedhartig als ik ben, wil ik zelfs u gelegenheid geven om uw plan ten

uitvoer te brengen!”

Lister luisterde vol belangstelling en zelfs Charly kon een uitroep van

verbazing niet weerhouden.

„Uw lieden, en deze, uw vrienden, zullen zich verkwikken in mijn

onderaardsche kelders, om koel en frisch morgenochtend in onze

buksmondingen te kijken.

„Gij echter, mijn speciale vriend, zult geboeid, zooals gij zijt, den

nacht doorbrengen in mijn schatkamer.

„Gelukt het u, den krijgsschat te stelen, zooals uw plan was, dan zal

die van u zijn. Gelukt het u echter niet, ondanks al mijn

tegemoetkoming, dan kan ik u verder niet helpen. Dan zult gij met al uw

aanhangers morgenochtend te zamen met de Spanjaarden op het plein van

mijn kasbah gefusilleerd worden.—Nu, hoe denkt gij over mijn voorstel,

hoogedele heer?”

„Drommels, Lister!” fluisterde Charly verbaasd.

„Ik was tot dusverre niet van plan, uw schat te stelen, Roghi. Maar ik

neem uw voorstel, dat gij mij hoonend doet, in allen ernst aan. Ik roep

alle aanwezigen aan als getuigen, dat mij de schat zal toebehooren, als

het mij gelukt hem te stelen.—Ik zal u dus vóór morgenochtend den schat

ontstelen, Roghi, wees daar verzekerd van!”

Bu Hamara barstte bij het hooren van die vermeende grootspraak in zulk

een hartelijk lachen uit, dat hij alle Kabylen, die tot de tanden

gewapend de geboeide Engelschen omringden, aanstak.

Plotseling echter wenkte hij met de hand en al zijn haat en woede tegen

Lord Lister lag weer op zijn gelaat te lezen.

„Als mijn schutters u en uw makkers morgen tot schietschijf nemen, zal

de lust om grappen te verkoopen u wel vergaan, mijn geestige,

Amerikaansche vriend,” riep hij vol woede. „Kom, werpt de Gjaurs in de

rotskelders! Dezen echter moet gij in mijn schatkamer neerleggen. Ik

houd altijd mijn woord!”

Toen de Kabylen zich gereed maakten om het bevel van den Roghi op te

volgen, werd op angstigen toon: „Halt! Halt!” geroepen.

Bu Hamara keerde zich boos om. Maar hij schrok, want achter hem stond

op den drempel de gesluierde vrouw.

„Halt—halt!” riep zij op opgewonden toon. „Waarheen laat gij hen

brengen, Roghi?—Gij zijt misleid! Geloof mij! Doe niets, wat u zal

berouwen! Gij benadeelt slechts uzelf! Deze heer is een Amerikaan van

grooten invloed, die u van meer nut kan zijn dan gij denkt. En deze

knaap—wat heeft hij misdaan?”

De gesluierde knielde voor hem neer en hief de armen op.

„Ik smeek u, Roghi!—Laat den knaap vrij, geef hem aan mij! verhoor mijn

bede en als gij mij een genoegen wilt doen, zendt deze menschen dan

ongedeerd naar de kust.”

De Roghi scheen zeldzaam bewogen. Hij beet zich op de lippen en staarde

voor zich uit. Daarop hief hij de knielende op.

„Genade voor al deze menschen, overgave aan u van den knaap, een

vrijgeleide en alles wat gij wenscht, sta ik toe, op de voorwaarde, die

gij kent. Maar het inwilligen van die voorwaarde is onomstootelijk!”

„Het is niet edel, Roghi, dwang te willen uitoefenen op een vrouw. Uw

eisch kan ik niet bewilligen.

„Waartoe te herhalen, wat ik u reeds zeide? Maar ik heb een betere

meening over u. Gij zijt niet onedel. Gij zult mijn verzoek niet

weigeren, want ook ik ben een Engelsche en behoor tot hun stam!”

De Roghi balde de vuisten en zijn oogen gloeiden van hartstocht:

„Dat zal ik niet doen, bij den baard des profeten! Ik heb er genoeg

van, mij door u voor den gek te laten houden. Er zijn nog andere

dwangmiddelen, mijn duifje! Gij zijt in mijn macht en ik zal mij niet

langer door mijn geweten in bedwang laten houden. Onthoud dat, schoone

Engelsche!”

„Wilt gij mij met dreigementen bang maken, Bu Hamara? Op die manier is

geen vrouw te winnen! Bij ons te lande weten de vrouwen eerder te

sterven dan zich tegen haar zin te laten dwingen! Wanneer deze

gevangenen worden gekweld of gedood, dan—Bu Hamara, zijn wij voor

eeuwig gescheiden!”

Met een teederen blik op Jack, den ouderloozen knaap, die wel bleek was

geworden, maar zich toch dapper hield, met een afwerende handbeweging

tegen den Roghi, verliet zij met fieren tred de kamer.—

De Roghi stampte woedend op den vloer.

„Waarom aarzelt gij? Waarom zijn de gevangenen nog niet weggebracht?

Moet ik u beenen leeren maken, luiaards?” schreeuwde de Emir tot de

Kabylen.

„Waarheen heer, naar de schatkamer?”

„Heb ik het nog niet duidelijk genoeg gezegd, domkoppen?” riep hij uit.

„Allen bij de Spanjaarden in de rotskamers beneden. Dezen echter alleen

naar de schatkamer. Daar mag hij bersten van nijd bij den aanblik

mijner schatten! Dat zal mijn wraak zijn! Steel ze, als ge kunt! Ik

houd mijn woord!”

„Ik zal mijn uiterste best doen!” riep Lister, toen men hem wegdroeg.

Zijn hart klopte sneller en ondanks zijn wanhopigen toestand, was hij

vaster dan ooit in zijn leven van plan om te zegevieren, toen hij den

hoonlach hoorde, waarmee de Roghi hem nakeek.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GELUKTE LIST VAN EEN MARABOUT EN MAROKKAANSCH BIJGELOOF.

Met een gevoel van bevrediging liep Bu Hamara, de Roghi, nu alleen op

en neer door het vertrek, dat Lister en zijn vrienden tot verblijf had

gediend.

Al deze vermetele Engelschen, zelfs de ondernemende Lord, moesten

sterven, evenals de Spanjaarden, die vanuit hun schuilhoeken op de

rotsen en eilanden het vrije Rifgebied bekampten.

Morgen zou een groote aanval worden ondernomen op de versterkte

verblijfplaatsen der Spanjaarden op den Guruguberg en de forten.

Een harka van 6000 man was reeds gereed om uit te trekken en alle

naburige stammen hadden hun medewerking toegezegd.

Waarschijnlijk kon hij morgen bevelen over 20,000 strijdlustige

Rifkrijgers, die, naar hij vast geloofde, de Spanjaarden van Melilla

spoedig zouden hebben opgeruimd.

Door geheel Marokko zou zijn naam weerklinken als die van den

overwinnaar der Spanjaarden en de weg naar den troon van den sultan zou

hem zoodoende worden gebaand.

De Emir was juist van plan om zich naar zijn vertrekken te begeven,

toen naderende voetstappen werden vernomen.

De roode gordijnen werden geopend en de Marabout trad binnen.

Verbaasd bleef hij op den drempel staan, toen hij Lister, Charly en den

knaap niet meer in het vertrek zag.

„Waar is de knaap, die mij toebehoort, Roghi? Waar zijn de beide

voorname Amerikanen gebleven? Wilt gij mijn vraag naar waarheid

beantwoorden?”

Bu Ismail keek den gevreesden Bu Hamara met ijskouden blik aan. Hij

vreesde en achtte hem niet, daar hij den man en diens verleden maar al

te goed kende.

„Weet gij niet, Marabout, tegen wien gij spreekt? De Roghi, die weldra

sultan zal zijn, duldt niet, dat men een dergelijken toon tegen hem

aanslaat!”

„Waar is de knaap gebleven? Gij weet, dat hij mijn beschermeling is.

Wee u, Bu Hamara, als hem eenig leed is overkomen!”

„Gij stelt merkwaardig veel belang in dezen zoon der ongeloovigen!

Reeds lang komt mij uw handelwijze tegenover Spanjaarden en Engelschen

verdacht voor! Dat is een Marabout van het Rifgebied onwaardig!”

„Hierover kan ik zelf alleen oordeelen, Bu Hamara! Wij kennen elkaar,

mijn vriend. Waar is de onschuldige knaap, die mij vertrouwde? Ik wil

het weten Roghi, afvallige Marabout! Zijn vrienden zijn mannen; zij

zullen wel voor zichzelf zorgen. Deze knaap echter staat onder mijn

bescherming en ik verlang te weten, waar hij gebleven is!”

„Ik zou wel dwaas zijn, u te vertellen, wat u niet aangaat, gij vriend

der Europeanen! Hij is bij zijn vrienden! Maar zij zullen moeilijk voor

hem kunnen zorgen, want zij kunnen dat niet eens voor zichzelf doen.

Hij zal het lot der andere Europeanen deelen en ook onschadelijk worden

gemaakt.”

De oogen van den Marabout fonkelden.

„Geef mij dadelijk den knaap terug! Want ik heb gezworen bij den baard

van Mohammed, hem veilig naar de kust te brengen, opdat hij naar zijn

vaderland kan terugkeeren!

„Ik wilde echter voor u in het boek van het noodlot lezen en u

mededeelen of u overwinning dan wel nederlaag te wachten staat.

„Dwaas! Denkt gij Spanje te kunnen bedwingen door zijn wraak op te

wekken? O, gij dwaze onwetende! Zelfs het hoopje in Melilla kunt gij

niet overwinnen! En wat wilt gij beginnen, als zij hun vuurspuwende

schepen, hun honderdtallen stukken geschut hierheen zenden en als het

Afrikaansche strand wemelt van hun soldaten?”

Maar met den Roghi viel niet te redeneeren.

„Dat zullen wij morgen probeeren. Ik heb zooveel volk verzameld, dat

wij hen van den Guruguberg zullen verdrijven, hun forten vernietigen en

de muren van hun stad vernielen en beklimmen.”

„Als gij de toekomst beter kent dan ik, Roghi, hebt gij mijn

mededeelingen uit het boek der geesten niet noodig!”

De Roghi lachte gedwongen.

„Maak daarmee anderen bang, Bu Ismail! Vergeet niet, dat ik zelf

Marabout ben geweest! Ik ken die voorspellingen! Maar ook ik heb die

kunst nog niet verleerd en wil u gratis de toekomst voorspellen,”

antwoordde de Roghi, die met snelle schreden naar den divan was gegaan,

waarop Lister zijn nargileh had gerookt.

Ook hier hing een metalen alarmschild. De Roghi sloeg er met den

klopper tegen aan en het geluid dreunde door de ruime zalen der kasbah.

De Marabout had zich snel teruggetrokken naar de deur, waaruit de

gesluierde vrouw te voorschijn was gekomen. Hij had zich daar

neergebogen en in een kring rondgedraaid, alsof hij een bezwering

uitsprak, want hij mompelde onverstaanbare woorden.

Hassan kwam haastig binnen en een aantal gewapende Rifbewoners volgden

hem.

„Zoo voorspel ik je, Bu Ismail, verrader van de belangen van het Rif en

van den profeet, vriend der Europeanen, dat je deze zaal niet levend

zult verlaten.

„Zoo staat het in het boek der toekomst! Vooruit Hassan, werp je op den

afvallige, den valschen Marabout daar en stoot je dolk in zijn

verradershart!

„Weg met den vriend der Spanjaarden, die hier kwam om te spionneeren.”

Alle negers snelden tegelijk voorwaarts om het bevel op te volgen.

De Marabout was kalm en rustig voortgegaan met zijn bezwering en had

zich nogmaals gebukt.

Plotseling bleven de mannen, die reeds wilden toestooten en hun

vlijmscherpe dolken zwaaiden, als verlamd staan, want tusschen hen en

den Marabout stegen onder aanhoudend gesis groene wolken op, een knal

werd vernomen en de neger Hassan viel met de armen in de hoogte

gestrekt, dood voorover.

De mannen van den Roghi en deze zelf stonden verlamd van schrik en

bijgeloovige angst.

Maar toen de groene damp eindelijk was opgetrokken, was de Marabout

verdwenen.

De Mooren keken elkaar met angst en ontzetting aan, daarop wierpen zij

een schuwen blik naar den Roghi en weken als voor een melaatsche terug,

want hij had zich nu door beschimping van den heiligen man de straf der

booze geesten op den hals gehaald.

„Domkoppen!” schreeuwde de Roghi. „Bah! Laat u toch niet uitlachen!

Denkt maar niet aan toovenarij, spoken of bovenaardsche wonderen! Het

is niets anders dan een handig kunststukje! Hebben de Europeanen, die

zijn vrienden zijn, niet wagens, die zonder paarden loopen en geweren,

die tienmaal of nog vaker schieten, zonder dat men ze laadt?

„Deze groene damp is voor de Europeanen zeker niet moeilijker te maken

dan die wagens en buksen!”

Hij overtuigde echter de bijgeloovigen niet, die te zeer gewend zijn om

te gelooven aan de bovennatuurlijke krachten der Marabouts en andere

heiligen van den Islam.

„Allah moge u verlichten!” sprak een der oudste Riflieden, op de breede

kolf van zijn geweer leunend. „Hij duide u de beschimping van zijn

heiligen niet ten kwade! Wij echter willen uw afschuwelijke woorden

niet aanhooren en laten u aan uw eigen gedachten over!”

De woorden van den ouden man vonden algemeenen bijval. Men drong elkaar

het vertrek uit en zelfs de lijfwacht van den Roghi sloot zich bij de

anderen aan en allen verlieten de kamer.

De Roghi kon nu ongestoord over zijn eigen optreden nadenken, want

voordat hij het zelf begreep was hij alleen.

Hij zag zeer goed in, welke fout hij had gemaakt. Nog meer echter

vreesde hij nu den invloed van Bu Ismail. Hij was er van overtuigd, dat

deze nu zou trachten hem tegen te werken, zich te wreken en misschien

zelfs de Engelschen, zijn vrienden, te bevrijden.

Hij besloot zich er zelf van te gaan overtuigen, of de Engelschen en

Spanjaarden goed verzekerd waren en dat de brutale Yankee, die zijn

hoon voor ernst durfde opnemen, nog stevig geboeid in de schatkamer

smachtte.

Hij nam uit een eenvoudige kast een paar fakkels, stak nog eenige in

zijn gordel, stak een er van aan de olielamp aan en verdween haastig

uit de kamer.

NEGENDE HOOFDSTUK.

LORD LISTER IN DE SCHATKAMER VAN DEN ROGHI.

Volgens bevel van den Roghi waren de Spanjaarden, evenals de Engelsche

matrozen, stevig geboeid, nadat men hun al hun eigendommen had

afgenomen.

Men had hen over het plein naar een ander, ruw opgetrokken gebouw

gevoerd, een soort van barak. In het midden van het gebouw, waarin de

geweren der Kabylen en allerlei krijgsvoorwerpen, gedeeltelijk nog

ingepakt, werden bewaard, gaapte in den vloer een zwarte opening,

hierboven bevond zich een stevige eikenpaal, waarvan een touw afhing.

Een Kabyle, voorzien van een fakkel, liet zich langs het touw naar

beneden glijden en weldra verscheen in de opening een soort korf,

waarin telkens twee of drie Europeanen werden gepakt, die daarop in de

diepte verdwenen.

Eindelijk waren alle Europeanen, geboeid als zij waren, in den diepen

rotskelder gebracht en de Kabyle, die hen vermoedelijk beneden naast

elkaar had neergelegd, kwam weer te voorschijn.

Lister was door eenige zwarte bedienden van den Roghi opgenomen en naar

een meer verwijderd vertrek gedragen, waar zich het begin van een trap

bevond.

Men had hem aan een touw onder de armen neergelaten, waarop de drie

negers ook neergedaald waren. In den kelder namen zij hem weer op de

schouders en droegen hem naar een uitgehouwen rotskelder.

Een der negers, die hier goed den weg scheen te kennen, drukte op een

knopje in de rots en nu hoorde Lister het rinkelen van kettingen en het

piepen van verroeste scharnieren.

Bij het licht der fakkels ontdekte hij, dat hij zich in een

hooggewelfde zaal bevond, waarin hij op een tafel zag een groot aantal

splinternieuwe Winchester-repeteerbuksen met bijbehoorende ammunitie,

talrijke pistolen en moderne revolvers met ontelbare patronengordels,

patronendoozen en allerlei sabels, bajonetten, hartsvangers, dolken en

bijlen, ja zelfs zweepen.

Wat echter nog meer zijn blik aantrok, waren de honderden met goud

gevulde zakken.

Lister zag onmiddellijk, dat het gemunt, fonkelnieuw goud moest zijn,

dat in vele rijen uit de open zakken blonk en schitterde.

De bleekere glans van het zilvergeld vertoonde zich meer op den

achtergrond en in de vakken langs den wand bevonden zich staven van

goud of zilver, misschien ook gouderts en geroofde kostbaarheden.

Op bevel van den Roghi, die Lister door den aanblik van het goud wilde

hoonen, zette men Lister op een kleine ton aan den rotsmuur, zoodat hij

met zijn rug tegen de rots leunde en nu den geheelen rijkdom van den

Roghi voor zich zag, daar men verscheiden fakkels in de rotskloven had

bevestigd.

Lister voelde op dit oogenblik niets van de ruwe behandeling, welke hij

onderging. Zijn oog rustte onafgebroken op al het goud, dat voor hem

lag.

Slechts één enkele gedachte beheerschte zijn brein in dit verblijf uit

de „Duizend en één Nacht”, de vurige wensch, om zijn woord tegenover

den Roghi gestand te doen.

Eerst toen de rotsdeur opnieuw piepte en kraakte, kwam hij tot het

ontzettende bewustzijn van zijn toestand, begreep hij, dat hij hier

diep onder de aarde was, verstoken van menschelijke hulp.

Op dit oogenblik voelde hij ook de boeien, die diep in zijn vleesch

drongen, de lichamelijke pijn en de noodzakelijkheid, om zich zelf te

bevrijden.

Maar zijn boeien waren niet los te krijgen, de Rifkabylen hadden de

touwen op zulk een ongelooflijk kunstige wijze vastgemaakt, dat hij

ondanks al zijn pogingen geen enkelen knoop los kon maken om er een

hand doorheen te werken.

Maar Lister bleef rustig en koelbloedig.

Plotseling hoorde hij het knarsen der verroeste deurscharnieren.

Verrast keek hij op, doch op hetzelfde oogenblik verhelderde een straal

van vreugde zijn gelaat: hij had de gesluierde vrouw herkend.

Snel trad zij nader en een mes blonk in haar hand.

„Hierheen hebben de onmenschen u dus gesleept!” sprak een welluidende,

medelijdende stem. „Maar waar is de knaap? Waar zijn uw vrienden?”

vroeg zij angstig.

„Zij smachten in andere gewelven, edele redster”, antwoordde Lister.

„Wij zullen hen vinden en bevrijden, als gij maar eerst zoo goed wilt

zijn, mijn boeien door te snijden!”

„Onmiddellijk, mijn edele landgenoot!” sprak zij en reeds sneed zij met

het scherpe mes het eene touw na het andere door.

Lister was weer vrij!......

Hij rekte zich uit om den gestoorden bloedsomloop te herstellen en

bedankte de onbekende met warme woorden.

Plotseling legde zij haar hand, het mooiste en blankste vrouwenhandje,

dat men zich kan denken, op zijn arm en fluisterde:

„Hoort gij niets? Dat zijn schreden! Om ’s Hemels wil! Ik heb de deur

opengelaten! Als dat Bu Hamara eens zelf was!”

Snel liep zij naar de rotsdeur en met inspanning van al haar krachten

gelukte het haar, de deur te bewegen en door de veeren van het slot

tegen te houden, elk geluid bij het sluiten der deur te vermijden.

Bleek maar vastberaden keerde zij naar Lister terug, die juist een

revolver had genomen van de vele, die op de tafel lagen.

Lord Lister No. 0052: De krijgsschat van de Roghi · 第 3 / 4 段