en hij niet alleen is! Maar misschien is het beter, dat gij u houdt
alsof gij nog geboeid zijt, om af te wachten wat er gebeuren zal!”
Handig nam zij een paar einden van het touw, waarmee Lister gebonden
was geweest, en legde die zoo om het lichaam van den Lord, dat het
zonder nauwkeurig onderzoek leek, alsof hij geheel vastgebonden was,
terwijl inderdaad het touw hem niet belette, zich volkomen vrij te
bewegen. Zij zelf verborg zich achter een grooten zak goud in een der
hoeken.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE MARABOUT AAN DEN ARBEID. WORSTELSTRIJD IN DE SCHATKAMER.
Nadat de Marabout zoo handig was omgegaan met het hem door Lister
geschonken groen Bengaalsch poeder, dat hij gebruik kon maken van het
bijgeloof der Rifbewoners en den aanslag van den Roghi tegen zijn
vrijheid en zijn leven kon ontloopen, was hij de eigenlijke vertrekken
van den Roghi en het daaraan verbonden vrouwenhuis binnengeslopen.
Bu Hamara had zich door zijn ondoordachte houding tegenover een
kluizenaar en door zijn bedreiging van dezen een gevaarlijken vijand
geschapen, daar de Marabouts in het geheele land in verbinding staan
met de overige geestelijken.
Bu Ismail, die tot nu toe de zaken van den Roghi had waargenomen, was
thans besloten hem te laten vallen en ook de overige geestelijkheid van
hoogeren en lageren rang te bewegen, dit eveneens te doen.
Met dit besluit stelde hij allereerst de beide gezanten van den Sultan
in kennis, die hierdoor bijna hun trotsche waardigheid vergaten en
luide wilden juichen. Daar zij ten gevolge van hun openbaringen aan
Lister een slecht geweten hadden en nu de overbrengers van zulke goede
berichten voor Muley Hafid waren, besloten zij dadelijk terug te
keeren, zonder nog van den Roghi afscheid te nemen.
Zonder lang dralen was de Marabout naar buiten gesneld om zich over het
plein naar de gevangenen te begeven, wier verblijf de Roghi hem in zijn
woede had verraden. Allereerst stond hij er op het verblijf der
Amerikanen uit te vorschen, alvorens het te laat was.— — —
Opnieuw kraakte de groote rotspoort der schatkamer, waarin Lister en de
gesluierde vrouw met ingehouden adem luisterden in de verschillende
hoeken en in de gapende opening stond hoonend de Roghi.
Een enkele blik had hem er van overtuigd, dat zijn manschappen zijn
bevelen goed hadden opgevolgd en dat de trotsche Yankee nog steeds
stijf en onbewegelijk geketend, vlak bij deze schatten en wapenen,
hulpeloos in zijn macht was.
„Welnu, mijn vriend van de overzij van den Oceaan, ik was zoo
nieuwsgierig naar de door u aangekondigde daden, dat ik niet kon
nalaten te zien, hoe het u ging. Ik ben verrukt, mijn vriend, dat moet
ik zeggen! Lui en niets doende heb je nog geen hand uitgestoken; het
wordt, dunkt me, meer dan tijd dat gij uw pocherijen waar maakt. De
nacht is niet lang meer, mijn vriend, ge moest reeds uitgeslapen zijn.
Kijk, hier zijn de schatten en daar wapens in overvloed. Steel nu toch
de millioenen, zooals ge van plan waart!”
„Hooggeachte Roghi”, antwoordde Lister spottend, „Wees wat minder
eigenwijs en bind uw vriendelijke belangstelling in mijn doen en laten
een weinig in; ik geloof eveneens, dat mijn resultaat u zeer zal
verrassen en zooals gij terecht opmerkt, zal ik eerst op het laatste
oogenblik handelend optreden en uw bewondering opwekken. Ik ben het nog
niet met mij zelve eens, hoe ik de twee millioen pesetas, die ik
volgens mondelinge overeenkomst gaarne zou meenemen, het gemakkelijkst
hier vandaan krijg. Zoodra ik in dit opzicht een besluit heb genomen,
zal ik u zoo vrij zijn u de millioenen te ontstelen; wacht alles dus
geduldig af!”
De Roghi kon nauwelijks zijn woede verkroppen; hij werd bont en blauw
in zijn gelaat en greep knarsetandend in zijn zwarten baard.
„Wat, vervloekte kerel? Ook nu nog hoont gij den Roghi?
„Honderd dooden zal ik je laten sterven! Ik laat je de tong en de
tanden uitrukken, de ledematen zullen je een voor een worden afgehakt,
opdat gij het pochen tegenover den door Allah uitverkoren Sheriff, den
wereldberoemden Roghi, den aanstaanden Sultan van Fez en Marrakesch,
zult afleeren!”
Met bloeddorstige oogen keek hij naar het wapenrek. Opeens begonnen
zijn oogen te fonkelen toen hij een bundel zweepen ontdekte en hij was
van plan een er van te nemen, vermoedelijk met het doel om zijn woede
te koelen op den hulpelooze.
Blijkbaar kon hij de zweep er niet zoo gauw uittrekken, of wel het pak
was te vast bijeengebonden, want er verliepen eenige seconden, waarin
hij Lister den rug toekeerde.
Het oogenblik kon niet gunstiger zijn. Lister stond snel op, de touwen
vielen van hem af, hij deed een sprong en met ijzeren vuist had hij den
Roghi bij de keel gegrepen. De Marokkaan begon woest te schreeuwen en
de sterke, aan vechten gewende man verweerde zich met alle kracht.
Lister moest alle kracht, die hij bezat, aanwenden om zich tegen den
Roghi te verweren. Steeds vaster drukte hij de keel dicht van zijn
tegenstander, die zich met geweld tegen hem verzette en, naar lucht
snappend, begon te rochelen.
De Marokkaan had met zijn linkerhand Lister beetgepakt en tastte met
zijn rechter naar zijn dolk om daarvan plotseling gebruik te maken.
Lister echter was een te goed worstelaar en had hem daarbij nog het
been gelicht, zoodat de Marokkaan struikelde over de zakken met
Spaansche goudstukken en ruggelings met Lister op de andere zakken
viel. Verscheidene hiervan kantelden en wierpen hun blinken den inhoud
onder luid gerinkel op den rotsachtigen bodem van de schatkamer. (Zie
titelblad.)
Tevergeefs beproefde de Roghi zich weer op te richten en zich aan
Listers vasten greep te onttrekken en met even weinig succes greep hij
naar de wapens in zijn gordel.
Reeds had hij met de rechterhand zijn mes beetgepakt, toen Lister hem
een handigen Japanschen Jiu-Jitsu-slag toebracht, daar de worsteling
hem te lang duurde en hij er naar verlangde Charly en Jack te
bevrijden.
Bewusteloos lag de Roghi Bu Hamara op het glinsterend bed van
goudstukken uitgestrekt. Een oogenblik later waren de rollen
verwisseld. Lister stond vrij en te midden van wapenen voor de gouden
schatten en de woeste, kwaadaardige Roghi lag geboeid en bewusteloos in
zijn eigen schatkamer neer.
De gesluierde Engelsche evenwel was voor Lister neergeknield en kuste
zijn hand, na haar sluier te hebben teruggeslagen.
„O dappere, edelmoedige man!” riep zij bijna snikkend uit, „gij zult
immers ook de anderen redden en allereerst den knaap, niet waar? Het
zou verschrikkelijk zijn, wanneer hij en de overige Europeanen in
handen van de Kabylen zouden vallen!”
De Groote Onbekende keek verwonderd naar het lieftallige gelaat, dat
zich voor de eerste maal ongesluierd naar hem wendde; in haar groote,
blauwe oogen blonk een traan en onder den sluier kwam een goudblonde
lok te voorschijn.
„Sta op, Mylady, sta op!” riep Lister en hielp haar opstaan. „Vertel
mij eens, hoe komt gij in handen van dezen onmensch?”
„Ik ben de weduwe van den armen om het leven gebrachten ingenieur
Lupton”, sprak zij bedroefd. „Wij waren eerst een half jaar getrouwd—ik
was zijn tweede vrouw, toen dit ongeluk als een bliksemslag uit den
hemel op mij neerviel.
„Mijn goede man, die verscheidene keeren zaken met den Roghi had,
waarbij ook de Roghi geen slechten indruk op mij maakte, vertrouwde hem
ten volle!—Bu Hamara dacht alleen maar aan geld!
„Het was gelukkig, dat onze Jack, dien ik als mijn eigen kind liefheb,
de gevangenis ontging, ach, om toch nog in handen van den Roghi te
vallen!
„Gelukkig, dat hij niet vermoedt, hoe na mij de knaap aan het hart
ligt.”
„Troost u, Mrs. Lupton! Binnen eenige oogenblikken zal hij vrij zijn.
Dan zullen wij zien of ons de tocht naar de kust gelukt! Aan den
arbeid! De tijd staat niet stil!”
ELFDE HOOFDSTUK.
DE EDELMOEDIGHEID VAN LORD LISTER.
Lister hing zich een gordel met patronen om het middel, en stak
verscheiden revolvers van het wapenrek bij zich. Vervolgens ontnam hij
den altijd nog bewusteloozen Roghi zijn drie fakkels, stak een ervan op
de plaats van de bijna opgebrande in de rotsspleet en gaf een tweede
aan Mrs. Lupton. De derde nam hijzelf.
Ook toen men hem geboeid wegdroeg, had Lister een oog in het zeil
gehouden en had er goede nota van genomen, waarheen men zijn makkers
had gebracht.
Zij hadden de bewuste zaal bereikt, toen plotseling een gestalte uit
het onderaardsche hol te voorschijn kwam en zijn handen boven het hoofd
ineensloeg.
Lister had reeds een verdedigende houding aangenomen, toen hij den
reeds lang vermisten Marabout Bu Ismail herkende.
„Bij den baard van den profeet”, riep deze uit, „wat een verrassing.
Tevergeefs brak ik mij het hoofd, waar de Roghi u en uwe makkers
verborgen had gehouden. En nu vind ik u hier, vrij, en ook gij,
ongelukkige vrouw? Is mijn vermoeden juist?”
„Ja, dappere Marabout”, antwoordde Lister op ernstigen toon, „uw
vermoeden is juist, wat zou ik zijn zonder haar, die mij van mijn
boeien bevrijdde!”
„Dat treft goed, Sidi Shaw, want ik breng u een goede tijding.—Wat ge
niet had durven hopen, is verwezenlijkt. De Roghi is verdwenen, niemand
weet waarheen.”
Lister en de jonge vrouw keken elkander lachend aan; zij wisten het
beter en alleen, waar de geweldenaar zich bevond.
De Lord klopte den Marabout op de schouders.
„Ik weet niet alleen, waar de Roghi zich bevindt, ik weet ook, waar
onze manschappen, waar de aan uw hoede toevertrouwde kleine Jack, en
waar de Spanjaarden zich bevinden.
„Den Roghi nam ik gevangen, en in zijn schatkamer ligt hij evengoed
geboeid, zooals nog kort geleden met mij het geval was!—Ik wil nu naar
onze manschappen om hen te bevrijden! Hebben we veel tegenstand te
duchten?”
„Niet de moeite waard!” antwoordde de Marabout. „Behalve de grijze
bewaker zijn slechts ongeveer tien man voor brug- en waakdienst hier
gebleven.
„Alle anderen zijn naar Melilla getrokken, daar zij dachten, dat de
Roghi ze daarheen ongeduldig vooruitgesneld zou zijn.”
„Uitstekend! Dat zullen we wel klaar spelen. Bu Ismail, mag ik u
verzoeken erop toe te zien, dat zij ons hier niet storen?”
De Marabout glimlachte.
„Niets is gemakkelijker dan dat! Ik zal hun een der verhalen van
Scheherazades vertellen. Bij den strijd wil ik liever niet zijn.”
„Wanneer het mogelijk is, spaar hen dan!”
„Dat zal gebeuren, en weet gij, hoe? Ik zal met mijn fluit een teeken
geven; dan zendt gij den een na den ander op onderzoek uit, en als dat
gebeurd is, blijft gij achter om voor muildieren te zorgen. Die zullen
we noodig hebben.”
De Marabout boog met smartelijk gebaar. Hij vouwde zijn handen ineen en
voerde een zwaren strijd met zichzelf.
„Hoe moeilijk het mij ook valt, verraad te plegen tegenover mijn
landslieden, ik zie in, dat het niet anders gaat. Gij zijt in uw recht.
Men heeft u schandelijk behandeld.
„Om der wille van de gerechtigheid zal ik u helpen!”
„Hartelijk dank, Bu Ismail! Ik begrijp, dat het u moeilijk valt. Zonder
u en deze moedige vrouw waren we al lang verloren en misschien had de
Roghi mij reeds onder ontzettende martelingen om het leven gebracht!”
De Marabout groette en liep naar de trap om het plan van Lord Lister
ten uitvoer te brengen.
Terwijl de jonge vrouw het touw vasthield, liet deze zich met zijn
fakkel in de onderaardsche ruimte afglijden.—
Toen het rotsvertrek door Lister’s fakkel werd verlicht, en de
hulpeloos in twee rijen op den grond liggenden in plaats van den
verwachten Kabyle of beul den jongen Engelschen Lord herkenden,
slaakten allen een zucht van verlichting.
„Goddank!” riep Charly geestdriftig. „Nu is alles in orde.”
De Spaansche sergeant Ramiro werd doodsbleek, daar hij zich zijn
valschheid welbewust was en wraak duchtte.
„O Señor Shaw!” riep hij uit „Misericordia!”
„Allen goeden morgen, heeren!” antwoordde Lister opgewekt. „Het stemt
altijd prettig, als men ziet, dat men welkom is. We zullen zien wat er
valt te doen!”
Met een mes bevrijdde bij eerst Charly en Jack, daarna den bootsman
Canning en zijn gezellen.
Allen schudden hem bewogen de hand.
Daarna wendde hij zich tot Señor Ramiro en de overige Spanjaarden, om
hen te wijzen op het verkeerde van hun handelwijze.
Allen toonden berouw en zwoeren trouwe onderdanigheid op leven en dood,
als Señor Shaw hen wilde bevrijden.
„Dat is juist wat ik noodig heb, daar we anders niet ongedeerd de kust
zullen kunnen bereiken”, was Lister’s antwoord.
Hij liet hen allen bij het flikkerend fakkellicht een eed van trouw
afleggen en binnen weinige minuten waren ook de Spanjaarden van alle
boeien bevrijd.
„Volg mij, Jack!” zei Lister. „Kun je nu je ledematen weer bewegen,
arme jongen?”
„Dat denk ik wel, lieve Lord! Het zal wel gaan.”
Lister trok aan een touw en de eenvoudige lift kwam naar beneden.
„Stap in, mijn jongen, dat is beter. Ik zal het ook doen.—Daarna komen
Charly, Canning en de anderen.”
Lister trok aan het andere touw het eenvoudige hijschtoestel naar boven
en spoedig was de uitgang bereikt.
De knaap bleef boven even staan, toen hij de vrouwengestalte onder de
fakkel ontdekte, doch een oogenblik later vloog hij zijn wedergevonden
moeder in de armen, die hem aan haar liefdevol hart drukte.
Toen ook de anderen boven waren gekomen, werden allen door Lister op
een rij geschaard, waarna hij zich met Charly en Canning naar de
voorste mannenzaal begaf, waar zij allerlei uitrustingen en kleeren en
al datgene vonden, wat tot de kleedij der Rifbewoners behoorde.
Lister was nog in het bezit van eenige schminkstiften. Op een wenk van
hem hadden Charly en Canning hun jas uitgetrokken, de broek tot aan de
knie, de hemdsmouwen tot over de ellebogen teruggeslagen.
Armen en beenen werden bruin geverfd en ook het gelaat kreeg een
Marokkaanschen tint. Zij kozen eenige der mooiste Marokkaansche laarzen
uit en hadden zich weldra omgetooverd in geboren Marokkanen.
De Spanjaarden schrokken, toen zij de voorname Marokkanen zagen
aankomen en wilden zich al bijna op hen werpen.
Met Moorsche waardigheid strekte Lister zijn armen uit en zei:
„Kalm, kalm, Amigos. Wij zijn het, alleen een beetje Moorsch uitgedost.
„Doet gij allen ook zoo; in het nevenvertrek vindt gij het noodige, dan
zorg ik ondertusschen voor wapens!”
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE AFREKENING MET DEN ROGHI IN DE SCHATKAMER.
De Roghi was ondertusschen uit zijn verdooving ontwaakt en schuimbekte
als een wild dier, toen hij zich in zijn schatkamer geboeid vond.
Hij moest zich even bezinnen alvorens hij ontdekte, dat Lister
verdwenen was.— —
De eerst ontwaakte hoop, toen hij bij het gekraak der rotspoort drie
voorname Marokkanen zag binnentreden, veranderde weldra in wanhoop,
toen hij, in weerwil van den schmink, in den voorste den Engelschen
Lord herkende.
„Wij zijn het, Roghi!” glimlachte Lister. „Gij ziet, mijn vriend, de
rollen zijn verwisseld.”
„Ellendeling!” riep Bu Hamara kwaadaardig, „het is je gelukt. Maak er
een eind aan, opdat ik deze schande niet overleef.”
„Aanstonds, mijn vriend! Ik moet eerst mijn vrienden nog wat zeggen!”
Lister deelde aan Charly en Canning zijn plan mede over het vervoer der
twee millioen, die hij besloten had mee te nemen, doch waaraan nogal
moeilijkheden waren verbonden.
Terwijl men de zakken onderzocht, ontdekte Charly opeens in een hiervan
een kistje met diamanten van verschillende grootte, dat hij Lord Lister
overhandigde.
„Niet kwaad!” sprak deze. „Dat helpt ons uit de verlegenheid.
„Laten de matrozen aantreden en tel voor ieder de noodige wapens en
ammunitie af.”
Ondertusschen wendde Lister zich tot den Roghi:
„Gij herinnert u onze overeenkomst. Ik ben vrij en heb u van datgene
beroofd, wat ik te voren gezegd heb. Gij waart zoo vrijgevig, alles toe
te laten. Ik beperk mij tot het millioen, dat gij het syndicaat voor
spoorwegaanleg hebt ontstolen, en dat ik ter eere van Mr. Lupton aan de
maatschappij teruggeef; tot een tweede millioen voor mijne begeleiders
als schadevergoeding voor doorgestanen angst en lijden, en dit kistje
met edelsteenen voor mijzelf!”
„Doe, wat ge wilt”, bromde de Roghi verachtelijk.
„Neen! Ik houd mij aan de afspraak en gij zult het gegeven woord
gestand blijven. Wanneer gij mijn verdere voorwaarden aanneemt, zal ik
zelfs uwe boeien verbreken!”
De Roghi wist niet wat hij hoorde, daar hij verwacht had, dat de
Amerikaan zich op hem zou wreken.
„Gij zult u niet wreken en mij niet martelen?” vroeg hij.
„Dat is bij ons geen gebruik, ofschoon wij evenzeer te vreezen zijn.
Wat wij beloven, daar houden wij ons aan. Al het andere blijft uw
eigendom. Bovendien zal ik uwe boeien losmaken, en u een gewichtige
mededeeling doen, wanneer gij naar waarheid verklaart, dat Lupton bij
de verdediging van den spoorweg en de hem toevertrouwde gelden is
omgekomen, en wanneer gij Mrs. Lupton ongehinderd laat vertrekken!”—
„Wilt gij haar als meesteres in uwen harem opnemen, Amerikaan?” vroeg
Bu Hamara bevend.
„Wij hebben geen harem in ons land. Mrs. Jane kan nooit mijn vrouw
worden, Bu Hamara! Zij zal zich in haar vaderland wijden aan de
opvoeding van den zoon van Mr. Lupton.”
„Welaan, ik ben bereid, de verklaring voor Sidi Lupton af te geven.”
Lister bedacht zich even en schreef. Hij las de korte verklaring voor
en de Roghi wilde haar onderteekenen.
„Halt! Ons recht vordert hierbij twee getuigen!”
Hij keek om en zag eerst nu, wat de Roghi al lang gezien had, dat
beiden alleen waren.
Doch daar kwam Charly terug en meldde:
„Mylord, uwe bevelen zijn uitgevoerd! De Kabylen zijn ontwapend.”
Even daarna kwam ook Ramiro om met zijn manschappen de zakken goud weg
te halen.
Lister las opnieuw de verklaring voor; de Roghi onderteekende in
Arabisch schrift, en Charly en Ramiro zetten hun namen als getuigen.
Op dit oogenblik kwam de Marabout aan met een bestoven en vermoeiden
Marokkaan, die diep boog voor den Roghi en hem mededeelde, dat drie
Mahallas van den Sultan tegen zijn zuidelijke legermacht bij Fez in
aantocht waren.
Tegelijkertijd berichtte Bu Ismail aan Lord Lister, dat alles gereed
was voor den afmarsch en de muildieren geladen.
Zoo namen de vroegere vijanden in de beste verhouding afscheid.
De wakkere Marabout nam de leiding der kleine karavaan op zich, die
overal voor een Marokkaansche gehouden werd.
In Alhucema, een der westelijke Spaansche havenplaatsen, bereikten zij
weer de kust en ontmoetten een uur later kapitein Wheeler en de
„Meteor”.
Hier leverde Lister het millioen van het spoorwegsyndicaat tegen
quitantie af, waardoor aan de jonge vrouw, die volkomen in haar eer
hersteld was, een flink pensioen van de maatschappij werd toegezegd.
De „Meteor” nam nu koers naar de reede van Gibraltar.
Hier nam Lister afscheid, hoe zwaar het hem ook viel, van de twee
geredden.
Toen de schoone jonge vrouw in Cambridge, waar ze zich vestigde voor de
opvoeding van Jack, haar nieuwen koffer opende, welken Lord Lister haar
in Gibraltar had gekocht in plaats van den hare, die bij de Kabylen met
haar geheele garderobe verloren was gegaan, en welke de Lord van al het
noodige had laten voorzien, vond zij daarin vol ontroering vijf zakken
Spaansche goudstukken.
Lister had deze zonder haar medeweten daarin gesmokkeld, om haar en den
kleinen braven Jack voor zorgen te bewaren.
Lister en Charly kruisten intusschen met de „Meteor” langs de Spaansche
kusten.