„De Emir zal niet willen, dat een braaf man door zijn schuld nog na

zijn dood onrechtmatig beloond wordt!”

Bu Hamara knikte en sprak:

„Ik zal er over nadenken! Ik geloof niet, dat ik tot een weigering zal

beslissen!—Ik zal u laten roepen!”

VIJFDE HOOFDSTUK.

SPAANSCH VERRAAD EN MAROKKAANSCHE LIST.

Nauwelijks had Lord Lister het vertrek verlaten, of de Roghi stond op

en liep met snelle schreden heen en weer.

„Ook zij vergist zich! Ik kan niet gelooven, dat alleen ter wille van

een doode deze vreemdeling het heeft gewaagd, hier binnen te dringen,

waar dood, verderf en plundering alle Europeanen wacht, die tot ons

durven komen. Ik zoek en zoek zonder te vinden!”

Een slag op een in de kamer hangende kleine tam-tam gaf een dreunend

geluid en onmiddellijk trad de neger weer binnen, die de Engelschen had

aangediend.

„Ik zou den Marabout kunnen vragen!” mompelde de Roghi peinzend, „maar

ik merkte reeds dat hij een vriend der Engelschen is en in hun voordeel

zou spreken.”

Plotseling knipte hij met de vingers.

„De gjaur vertelde, dat hij generaal Marina had gedwongen, hem bij zijn

tocht naar het Rifgebied te helpen. Ik had wel eens willen zien, hoe de

trotsche generaal door de vermetele Amerikanen werd gevangen genomen en

gedwongen.

„Den gevangen Spanjaarden zal ik het vragen! Van hen zal ik stellig de

ware bedoeling vernemen van deze zeldzame expeditie in het Rifgebied!

Hassan!” sprak hij tot den neger, die deemoedig bij de deur stond,

„breng het eerste opperhoofd der gevangen Spanjaarden bij mij!”

Na korten tijd trad de nog geboeide Spaansche sergeant, die door

generaal Marina als bevelvoerder der meegezonden Spanjaarden was

benoemd, onderdanig binnen.

De groote neger van den Roghi bleef achter hem staan en ontdeed den

gevangene op een wenk van Bu Hamara van zijn boeien.

„Het handelt om het leven van jou en je vrienden, Spanjaard!

Daarom—luister naar mij en antwoord mij volgens de waarheid.

„Is uw antwoord belangrijk voor ons, dan zal ik u de vrijheid

teruggeven en u zelfs onder geleide en met een goede belooning naar

Melilla laten terugbrengen.

„Jij moogt dan een brief van den Roghi overbrengen aan generaal

Marina!”

„Spreek, edele Emir! Bij alle heiligen, ik zal al uw vragen naar

waarheid beantwoorden. Moge de hemel mijn antwoord zegenen, opdat ik u

een dienst kan bewijzen!”

Bu Hamara glimlachte.

„Vertel mij openhartig, waarom heeft generaal Marina dezen Engelschman

onder geleide van u en uw mannen naar onze bergen laten gaan? Hij moest

weten, welk lot hem te wachten stond.

„En hij zette ook uw leven op het spel, door u als geleide van dezen

vreemdeling uit te zenden.

„Was het werkelijk slechts het doel van dien man, zijn landslieden te

rechtvaardigen, omdat men hen beschuldigde, het millioen peseta’s

verduisterd te hebben?”

De Spanjaard wist niet veel van de beweegredenen van den generaal. Maar

hij was een dergenen geweest, die door de matrozen van de Meteor

overweldigd waren.

Hij wist, dat Lister den generaal gedwongen had, zijn toestemming te

geven tot den tocht in de bergen.

De gedachte, den gouverneur te rechtvaardigen en zoodoende bij hem in

de gunst te komen, voegde zich bij zijn haat tegen Lister over de

geleden overweldiging, die niet zacht was geweest.

„Het is een geheim, dat ik u toevertrouw, dappere Emir! Doch niet voor

u! Ook zou het u misschien reeds onthuld zijn, wanneer mijn

gevangenname mij de gelegenheid niet had ontnomen.

„Wij zijn niet als vrienden, maar als vijanden van dezen dwazen Yankee

in uw bergland gekomen.

„Een duivelsch plan is in het brein van dezen schurk gerijpt.

„Listig lokte hij onzen wakkeren generaal in een val en dwong hem tot

deelname en tot ondersteuning!”

De oogen van den Roghi fonkelden.

Hij herinnerde zich, dat ook Lister hem van dwang op den gouverneur had

gesproken.

„Vervolg, Spanjaard, je woorden boezemen mij belang in!”

„Zijn hulp was echter slechts schijnbaar.

„De generaal liet mij roepen.

„Ramiro, sprak hij tot mij, ik ben in de macht van een schurk en kan

deze medewerking niet weigeren. Jij bent verstandig en moedig tevens.

Jij zult beletten, dat de schanddaad, die deze Yankee van plan is te

plegen, uitgevoerd wordt!”

De Roghi luisterde met uitgerekten hals. „Van welke schanddaad spreekt

gij?”

„Edele Roghi,” vervolgde de Spanjaard, „gij zult een dergelijke

vermetelheid niet voor mogelijk houden! Ik weet het, want ook de

generaal zeide het! De Roghi, sprak hij, is onze vijand, wien wij alle

eer bewijzen, ook als wij tegen hem strijden.

„Deze hond van een Yankee heeft gehoord, dat de Emir van het Rifgebied,

die aanspraak maakt op den troon van Marrakesch, een grooten

krijgsschat heeft verzameld!”

De Roghi sprong op en balde zijn vuisten. Eindelooze woede blonk uit

zijn oogen.

Zijn krijgsschat, zijn trots—dat was zijn gevoelige plek!

Zelfs in Marokko, zelfs in het arme Rifgebied is ten slotte hij de

overwinnaar, die over de rijkste middelen beschikt, om de manschappen

met al het benoodigde uit te rusten, opdat het hun nimmer aan wapenen

en munitie ontbreekt.

De Spanjaard bemerkte, welken indruk zijn woorden maakten.

„Deze Yankee heeft het plan opgevat om den krijgsschat van den Roghi en

tegelijkertijd het millioen van het syndicaat in diens kasbah in de

bergen te stelen.”

De Roghi had al zijn waardigheid afgelegd. Hij sprong op, als door een

slang gestoken. Het bloed stroomde naar zijn gelaat en zijn aderen

zwollen op.

„Ha! Bij den baard des profeten! Als dat wat jij vertelt, waar is, en

het komt mij waarschijnlijk voor, zal ik je beloonen als nog nooit

iemand werd beloond!

„Deze vervloekte gjaur, die nederig en vleiend, met het uiterlijk van

een engel, voor mij trad, om mij als een duivel te verraden en te

vernietigen, voor hem zal ik martelingen uitdenken, zoodat hij den dag

zijner geboorte zal vervloeken!

„Kom, mijn vriend, spreek verder en verzwijg mij niets!”

De Roghi greep den arm van den Spanjaard. Zijn borst hijgde en zijn

stem klonk heesch als die van een roofdier.

Voor een dergelijken ruwen hartstocht, dien hij zelf had uitgelokt,

schrok Don Ramiro, de Spaansche leugenaar, angstig terug.

Want geen woord van zijn verhaal was waar.

Generaal Marina, die voortdurend door kapitein Wheeler en zijn matrozen

bewaakt was, had tijd noch gelegenheid gehad om den sergeant

ophelderingen of bevelen te kunnen geven.

Maar hij begreep, dat hij verloren was, als hij nu een enkel woord van

zijn bericht durfde herroepen.

Hij vervolgde daarom zijn phantastisch verhaal:

„Deze schanddaad van den Amerikaan,” sprak generaal Marina, „zal jij

niet toelaten!

„Valt gij in handen van den koenen Emir, zooals ik veronderstel, vertel

hem dan alles en beroep je op mij. Laat hij met den misdadiger doen,

wat hij wil!

„Mocht gij echter den eersten nacht van uw avontuurlijken tocht in de

bergen nog in vrijheid zijn, dan beveel ik u, den dollen Engelschman

met zijn vrienden en landslieden te overvallen, te boeien en u naar den

Roghi te begeven om hem, zooals het behoort, dezen gevangen misdadiger

met een groet van den gouverneur van Melilla uit te leveren!

„Dat was de wensch van onzen nobelen generaal, dappere Emir!

„Maar wij hadden den tijd niet, dezen schurk te overweldigen en tot u

te voeren! Tot dusverre hadden wij als gevangenen geen gelegenheid, ons

tegenover u te verantwoorden en u de welwillende gezindheid van onzen

generaal mede te deelen!”

Als een wild beest, dat opgesloten is, zoo liep de Roghi in de Moorsche

zaal van zijn bergkasbah op en neer.

Weldra echter was zijn laatste twijfel opgeheven en niets was er meer

overgebleven van den goeden indruk, welken de fiere, edele persoon van

Lord Lister op hem had gemaakt.

Voor zijn oogen kwamen, waarheen hij ook keek, roode vlekken. De

hartstocht van dezen wilden natuurmensch was opgewekt en als de Roghi

zich in dezen toestand bevond, was er geen halt meer voor hem, dan

volvoerde hij de bloedigste, wreedste besluiten zonder aarzelen, zonder

voor de gevolgen terug te schrikken.

Plotseling bleef hij staan en terwijl zijn linkerhand den met juweelen

bezetten greep van een dolk omklemde, zoodat eenige steenen losbraken,

strekte hij gebiedend den rechterarm uit en riep:

„Ik heb den dood van deze Amerikaansche honden besloten! Niemand is in

staat deze schurken te redden! Dat echter zal het bewijs van de

waarheid uwer woorden zijn, dat gij en uw lieden u met mijn manschappen

vereenigt om de Amerikanen en hun gevolg tot gevangenen te maken!”

„Dolgaarne, edele Emir! Dan kunnen wij in uw belang toch nog de bevelen

van onzen generaal gehoorzamen!

„Zij zullen spoedig in uwe macht zijn, hooge Emir!”

Een blik vol triomf straalde uit de oogen van den Roghi.

„Zij zijn overgeleverd aan mijn wraak! Luister! Breng uw lieden op de

hoogte! Zij moeten van hun boeien bevrijd worden! Gij krijgt uw wapens

terug en rijkelijk spijs en drank!

„Haast u, opdat gij gereed zijt, als mijn verdere bevelen komen.

„Laat geweer en sabel achter, die zijn hinderlijk bij een gevecht

binnenshuis. Mes en revolver zijn voldoende! Wacht mijn bevelen af!—

„Hassan, geleid hem en ontdoe de andere Spanjaarden van hun boeien!

Geef hun daarna te eten en geef hun hunne wapens!

„Vooruit! Aan den arbeid!”

Geruischloos verdwenen beide door de deur rechts, waardoor Hassan met

den Spanjaard was gekomen en onhoorbaar viel het roode gordijn weer

achter hen neer.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN WANTROUWENDE MARABOUT EN TWEE EDELE VERLEIDERS.

Lister was intusschen in vroolijke stemming van zijn gesprek met den

Roghi naar zijn makkers teruggekeerd en had hun bericht gebracht.

„Jij kunt alles!” riep Charly vol geestdrift uit. „Het is zoo goed als

zeker, dat je plan gelukken zal. Slechts één ding is jammer!” sprak hij

met een lachje.

„En dat is?” vroeg Lister verbaasd.

„Nu, dat je deze zaak zoo geheel en al als Lord klaarspeelt en dat je

Raffleskarakter hier in het geheel niet tot zijn recht komt, waar

daarvoor toch in dit geval een gunstige gelegenheid zou bestaan.

Bedenk, dat deze Rifbeheerscher zulk een rijken krijgsschat heeft

verzameld, die nog pas met een rond millioen is vermeerderd!”

Lister dreigde zijn vriend met den vinger.

„Wij zullen dit geval niet ingewikkelder maken dan noodig is. De

vriendelijke tegemoetkoming van den Emir en de gastvrijheid, die hij

ons bewijst, sluiten een dergelijke gedachte uit. Als hij zich vijandig

tegenover ons had aangesteld,” vervolgde hij met een fijnen glimlach,

„dan zou ik er geen gewetenszaak van hebben gemaakt om ook hier een

kleine gastvoorstelling als John Raffles te geven, maar nu gevoel ik

mij in het belang van onzen Jack verplicht, de krijgskas te

respecteeren.”

Charly lachte.

„In ernst, jammer! Ook onze krijgskas kan best een kleine aanvulling

gebruiken na je edelmoedige daden in Messina!”

De Marabout had niet gelet op dit voor hem onverstaanbare Engelsche

gesprek tusschen de beide vrienden, maar zich in gedachten verdiept,

aan zijn huka gewijd en zich in geurige blauwe wolken gehuld.

Nu legde hij de slang der waterpijp neer, rekte zich uit en stond op.

„Wij zijn nog niet aan het einddoel, mijn vrienden!” sprak hij in het

Spaansch. „Zooals de zee daarbuiten soms blauw is als de hemel en even

glad en vriendelijk en soms woest rollend op het strand beukt en de

schepen vernielt, even veranderlijk is de ziel van den Roghi!—Wij

hebben den laatsten berg nog niet achter ons!—Wie het gevaar kent, moet

niet sluimeren! Daarom wil ik zelf gaan, mijn vrienden, om te zien, hoe

het met de zaak staat. Ik hoop u goede tijding te kunnen brengen!”

Bu Ismail wenkte vol waardigheid als afscheidsgroet en verliet

onhoorbaar de kamer.

„Deze vrome kluizenaar beschaamt mij!” sprak Lister glimlachend, „hij

hecht niet veel waarde aan de beminnelijkheid van den Roghi!”

„Ja en het lijkt er veel op, alsof jij toch nog gelegenheid zult

hebben, om hier voor John Raffles te spelen.”

„Dat zeg jij in je jeugdigen overmoed, Charly,” antwoordde Lister op

ernstigen toon. „Eerlijk gezegd, het zou mij ter wille van den knaap

liever zijn, als dit niet noodig zou zijn en alles in vrede kon worden

afgehandeld.

„Maar wie weet?—

„Voorloopig echter hebben wij geen reden om aan de woorden van den

Roghi te twijfelen en moeten wij zijn gastvrijheid met dankbaarheid

beantwoorden!”

Lister was naar den divan gegaan, waar intusschen de arme knaap

uitrustte van de vermoeienissen van den vorigen dag en heerlijk sliep.

Lister en Charly hadden hem zorgvuldig toegedekt, want de nacht was

koel in de bergen.

„Als wij den armen jongen, die in zijn slaap lacht en die zich volkomen

aan ons heeft toevertrouwd, eerst in veiligheid hebben, dan kunnen wij

ons wel weer in avonturen begeven.

„Nu echter zou het een onrecht zijn jegens den wees.”

Lister keek op en luisterde.

Onwillekeurig stak hij zijn handen in de zakken, waarin hij zijn

revolvers had.

„Let op, Charly!” fluisterde hij.

De portière aan den linkermuur bewoog en onhoorbaar sloop een neger in

een blauwe djellaba met korte mouwen binnen, legde de hand op het hart

en sprak in het Spaansch:

„Moge de vreemde Sidi het bezoek van mijn meesters als een geheim

bewaren.”

„Het bezoek van je meesters? Daarvan weet ik niets, knaap! Waar zijn

zij en wie zijn zij?”

De jonge neger trad achteruit en wees naar de deur. Hij kruiste

deemoedig de armen over de borst en neeg diep.

Het roode gordijn werd weggeschoven en twee lange gestalten in lange,

witte burnous traden binnen.

De een droeg den groenen tulband der Schorfa’s, het geslacht van den

Scherif, d.w.z. van de afstammelingen van den Kalif, terwijl de tulband

van den ander wit was.

Lister bootste met zijn tooneelspelerstalent zeer handig hun groet na

en vroeg:

„Wat verschaft mij het genoegen van uw bezoek?”

Hij wees naar den divan en presenteerde fijne sigaretten, welke de

beide nachtelijke bezoekers met welgevallen aannamen.

„Wij zijn gekomen, vreemde gast uit verre landen, om uit naam van onzen

sultan Muley Hafid, die over geheel Marokko heerscht, ook over het

afvallige Rifgebied en zijn oproerigen Roghi, naar uw welzijn te

informeeren.”

Lister lachte spottend.

„De bezorgdheid voor mijn welzijn treft mij zeer!” antwoordde hij met

zooveel waardigheid en ernst, dat Charly bijna in een schaterlach

uitbarstte.

„Maar vertel uw heer met mijn eerbiedigen groet, dat ik mij zeer wel

bevind en dat ik zeer tevreden ben over de gastvrijheid van den

Roghi!”— —

„Het is goed, vreemdeling!” antwoordde hij, dien de groene tulband als

den voornaamste aanwees.

„Maar ik raad u, wees op uw hoede! De kat is nooit vriendelijker tegen

de muis, dan op het oogenblik waarop ze het beestje wil opeten. Wij

zelf, onderdanen van den Makhsen, zijn als gezanten hier bij den Roghi,

om hem over te halen, zich te onderwerpen aan den Groot-Sherif.

„Maar de troonpretendent is hoogmoedig en weigert.

„Zijn macht is groot, de Rifbergen zijn onneembaar voor onze Mahalla en

zijn invloed is verbazend.

„Als gij ons belooft, het geheim te zullen bewaren, dan zullen wij u,

uit naam van den Groot-Sherif, onzen Sultan, een voorstel doen, dat in

zijn, uw en ons belang is!”

„Ik beloof het u! Vertel dus verder!” antwoordde Lister.

„Muley Hafid, onze heer, de ware Emir der geloovigen, is vertoornd over

den afval van dit kustgebied van Ceuta tot Melilla. Hij wil in vrede

leven en erkent de aanspraken van dezen oproerling niet.

„Wanneer deze zich goedschiks onderwerpt, dan is de Sultan tevreden.

Maar vol vertrouwen op zijn kracht, blijft hij in zijn trots volharden.

„Zullen wij onverrichter zake weer vertrekken?

„Als gij ons helpt met uw lieden, kunnen wij gemakkelijk den Roghi

overweldigen en dooden. Een van ons zal in zijn plaats het

stadhouderschap van het Rif op zich nemen en, als gij ons uw hulp

verleent, zullen wij den krijgsschat deelen.

„De eene helft is voor onzen heer, de andere voor u! Gij zijt de

eerste, die het heeft gewaagd, deze bergen binnen te dringen, voldoende

bewijs voor uw koenheid.

„Wij zullen u raad geven, hoe te handelen, gij moet dien raad opvolgen!

„Onze dienaren zullen u helpen en op het juiste oogenblik zullen ook

onze sabels u ter zijde staan.

„Stem toe, o vreemdeling, en uw geluk is gemaakt, evenals het onze.

„Wanneer ik dan stadhouder ben, zal ik u veilig naar de kust laten

geleiden, waarheen gij wenscht!

„Nu, hoe denkt gij er over?”

„Ja, wat vindt jij, Charly?” vroeg Lister aan zijn vriend. „Zullen wij

er op ingaan? Op die manier zouden wij gauw onze zakken kunnen vullen

en misschien meerdere millioenen mee naar huis terug nemen.”

„Ik ben er vóór, Lister. Je twijfelt er zelf aan, of de Roghi het

eerlijk meent, zoodoende zouden wij elken list van hem voorkomen. En de

millioenen zijn ook niet te versmaden.”

„Wie waarborgt ons, dat deze twee het eerlijk meenen, dat zij niet zijn

gestuurd om ons op de proef te stellen?” vroeg Lister. „Bovendien staat

het mij tegen, als werktuig van anderen te dienen. Ik heb slechts

geluk, als ik alleen werk, als het noodig is, zal ik wel weten te

handelen.”

„Ik buig mij natuurlijk voor jouw beter inzicht, Edward! Maar jammer is

het toch, vooral om de millioenen!”

„Die wij toch nooit te zien zullen krijgen,” antwoordde Lister. „Weet

je wat, Charly? Als wij de kastanjes voor die twee uit het vuur hebben

gehaald, eten zij ze zelf op. Laat mij maar gauw gaan!”

Nu wendde Lister zich weer tot de Marokkanen.

„Ik heb eens beraadslaagd met mijn vriend, die vol wijsheid is, edele

heeren!”

Charly boog met goed gespeelde waardigheid, maar hij moest zich op de

lippen bijten om niet te lachen.

„En deze, mijn wijze vriend, wees mij er op, edele heeren, dat ik uw

namen nog niet ken en dat gij mij ook nog geen bewijs hebt gegeven, dat

gij werkelijk afgevaardigden zijt van den Groot-Sherif! Ik twijfel niet

aan uw woorden, maar toch verzoek ik u, mij uw namen te noemen, en mij

uw hoog ambt te bewijzen.”

De beide Marokkanen keken elkaar aan, alsof zij beraadslaagden.

De man met den witten tulband knikte.

„Wij hebben ook daaraan gedacht!” sprak de voornaamste der twee. „Uw

wensch is niet onbillijk. Gij moet weten, wie wij zijn.

„Ik ben Mohammed ben Aïssa, welken naam gij wel zult kennen, want die

is zeer beroemd onder de Marokkaansche stammen en dikwijls voerde ik de

Mahallas van mijn heer ten zegepraal. En dit is Omar ben Hassan, mijn

geheimschrijver, uit de klasse der Umana’s.

„Opdat gij echter zult zien, dat wij waarheid spreken,” hij haalde een

perkament uit zijn burnous te voorschijn, voorzien van een groot zegel

en overhandigde het Lister, „hier is het bewijs. Hieronder ziet gij de

handteekening van onzen heer, Muley Hafid, den beheerscher der

geloovigen.”

Lister kende weliswaar niet al te veel Arabisch, maar in zijn

studentenjaren te Oxford had hij zich geïnteresseerd voor den Oriënt en

ook eenige Arabische taallessen genomen.

Dat kwam hem nu te pas.

Hij kon met geringe moeite den naam Muley Hafid ontcijferen en eveneens

de namen der beide Marokkanen zelf.

Ook het woord Roghi on de uitdrukking voor afgezanten was hem

duidelijk. Bovendien bewees het Rijkszegel, dat hij kende, dat hij

werkelijk een echte oorkonde van den Sultan voor zich had.

„Ik dank u, edele heeren!” sprak hij, het perkament teruggevend. „Ik

heb niet aan uw woorden getwijfeld, maar nu heb ik zekerheid.”

„En zult gij nu besluiten, u met ons te vereenigen?” vroeg de

voornaamste der twee gezanten.

Lister boog het hoofd alsof hij nadacht. Daarop hief hij het weer op en

strekte met plechtig gebaar zijn arm uit:

„Ik dank u, edele heeren, voor het mij geschonken vertrouwen.

„Maar na rijp beraad en bedenkende, dat de Roghi ons gastvrij en als

vrienden heeft behandeld, dat hij het verzoek, waarmede wij kwamen,

reeds zoo goed als toegezegd heeft, kan ik niet besluiten, uw voorstel

aan te nemen, daar het mij zou noodzaken, mijn gastheer te bedriegen.

„Wees niet boos op mij, edele heeren, wanneer ik uw voorstel helaas

niet kan aannemen.”

De beide Marokkanen sprongen op, alsof zij door een adder werden

gebeten.

Hun van woede verwrongen trekken hadden alle waardigheid verloren.

„Hond van een gjaur!” siste Mohammed ben Aïssa, van woede hijgend en

hij greep in zijn sneeuwwitten burnous. Daaruit haalde hij een lang

dolkmes te voorschijn, waarmede hij zich op Lister wilde werpen en ook

de geleerde schrijver uit de klasse der Umana’s hield plotseling een

blinkend mes in zijn rechterhand, dat hij Charly Brand tusschen de

ribben wilde steken.

Maar de beide Marokkaansche edelen weken verschrikt terug en lieten hun

wapens zinken, want beiden keken vol ontzetting in de opening van een

revolver.

Charly had bij een meester als Lister verbazende vorderingen gemaakt in

het hanteeren van de revolver.

„Steekt uw deftige moordwerktuigen weer bij u, vrienden!” sprak Lister

op scherpen, spottenden toon, „of wij zullen uw lichamen als een zeef

vol gaten schieten en u vóór uw tijd naar de houris in den zevenden

hemel zenden! Ik heb gezegd!”

Snel verdwenen de dolken weer onder de onschuldige, witte gewaden.

„Zoo en nu eruit! Daar is het gordijn, edele heeren, gezanten van Zijne

Majesteit den Sheriff en ellendige verraders der heilige gastvrijheid!”

Zonder een woord van tegenspraak met oogen vol haat en woede gingen de

beide verleiders naar de deur.

Reeds was Mohammed ben Aïssa achter het gordijn verdwenen, toen zonder

op de revolver, die op hem was gericht, te letten, Oman ben Hassan zich

omwendde en siste:

„Vertrouwd maar op den valschen Roghi, dwazen! Weldra zal het u

berouwen, onze hulp versmaad te hebben. Wij alleen konden u redden. Nu

zal ook onze wraak u treffen, vervloekte gjaurs!

„Nimmer zult gij uw vaderland terugzien! Tusschen de bergen van het

Rifgebied zal uw lichaam verteren en zullen uw beenderen verbleeken.

Allah’s vloek moge u treffen, ongeloovige honden!”

„Zal ik hem een kogel nazenden?” vroeg Charly boos.

„Zal ik je den mond snoeren met een kogel, jij schreeuwer?” vroeg

Lister, op wien de woedende uitval van den kerel niet den minsten

indruk maakte. Hij maakte een beweging, alsof hij zijn revolver wilde

afvuren.

Maar reeds was de Marokkaan met een katachtigen sprong achter het

gordijn verdwenen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ONVERWACHTE OVERROMPELING EN HET LOON DER VERRADERS.

Charly keek hen vroolijk na.

„Een prachtigen sprong maakte de kerel uit angst voor onze revolvers,”

sprak hij lachend.

Lister had zijn miniatuurwapen weer weggeborgen en krabde zich achter

het oor.

„Ik vind de zaak eigenlijk minder amusant, Charly,” antwoordde hij.

„De beide zeer edele heeren zullen ongetwijfeld nu den Roghi tegen ons

ophitsen en het zoo mogelijk doen voorkomen, alsof wij hun plan hadden

opgemaakt. Men weet niet, wat daaruit voort kan vloeien.

„Wij hebben nu vrijwel alles tegen ons. Het is een geluk, dat tenminste

onze lieden van de Meteor in de nabijheid zijn.

„Wees zoo goed, Charly, voorzichtig naar hen toe te gaan, het

voorvertrek scheidt ons alleen van hen. Zij moeten op alles voorbereid

zijn, om dadelijk te kunnen handelen, als zij een fluitsignaal hooren.

Mochten zij worden aangevallen, dan moet bootsman Canning fluiten, dan

zullen wij hem te hulp komen.”

„Houd je dan den toestand voor zoo gevaarlijk?” vroeg Charly verbaasd.

„Ik dacht, dat wij goed op weg waren om onzen zin te krijgen!”

„Dat waren wij ook. Het is mogelijk, dat ik mij vergis, maar die edele

heeren Marokkanen vertrouw ik niet!

„Zij zullen ons zooveel mogelijk zwart maken en het is de vraag, of Bu

Hamara hen doorziet.—Daarom voorzichtig en snel naar de matrozen!”

„Als het zóó staat!... Natuurlijk zal ik hun de grootst mogelijke

voorzichtigheid inprenten!”

Bij die woorden was Charly snel achter de portière verdwenen.

Lister liep onrustig in het ruime vertrek heen en weer. Hij wierp een

teederen blik op het slapende kind en nam zich voor, den mooien knaap

zoo goed mogelijk te verdedigen.

Maar wat vermocht hij, zelfs geholpen door zijn weinige mannen, als de

Roghi zijn vijand was en zijn macht wilde misbruiken!

Een gevecht was even nutteloos als een vlucht in dit vijandige

bergland, dat bovendien nog in oproer was tegen de Spanjaarden!

Lister pijnigde zijn hersens om een uitweg te vinden.

Plotseling luisterde hij scherp.

Hij meende, lichte schreden gehoord te hebben. Met gespannen aandacht

luisterde hij, beide handen om de revolvers in zijn zakken geklemd.

Hij had zich niet vergist.

Lord Lister No. 0052: De krijgsschat van de Roghi · 第 2 / 4 段