Bu Hamara, wiens rotskasbah zich in de buurt moest bevinden,

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 52 DE KRIJGSSCHAT VAN DEN ROGHI.

DE KRIJGSSCHAT VAN DEN ROGHI.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN TOCHT NAAR HET ONBEKENDE KABYLENLAND VAN HET RIFGEBIED.

Het zilvergrijze jacht „Meteor” van den schatrijken Amerikaan Shaw,

waarop Lord Lister en zijn vriend Charly Brand een vaart op de

Middellandsche zee maakten, bracht onze beide vrienden ook weer naar

hun vaderland terug.

Na het avontuur in Messina gedurende de aardbeving had de „Meteor” een

West-Zuidwestelijken koers genomen en stoomde nu naar de laatste

rotsachtige uitloopers van Afrika.

John Raffles stond met kapitein Wheeler op de commandobrug van het

jacht en keek vol aandacht door zijn verrekijker naar de aan den

horizont zichtbaar wordende hoogten, die zich naar links verhieven en

uit de blauwe, in de zon glinsterende zee schenen op te duiken.

„Een tocht naar het Rifgebied is eenvoudig onmogelijk; het zou

zelfmoord zijn!” sprak de kapitein juist tot Raffles.

„Allright!” antwoordde Lord Lister lachend, „dat is het juist wat mij

aantrekt en waarom ik koers liet nemen naar Melilla!

„Wij zullen eens een kijkje gaan nemen in het Alpenland van

Noord-Marokko alsof wij verslaggevers van de Times waren en de eersten

zijn, die daar binnendringen, waar ons nog niemand is voor geweest.

„Het is eigenlijk een zaak van eer voor Europa, om hier spoedig vasten

voet te krijgen!

„Ik heb mij voorgenomen, deze leemte in de aardrijkskundige kennis in

de onmiddellijke nabijheid van Europa zoo spoedig mogelijk aan te

vullen!

„Mijn vroegere ervaringen in aanmerking genomen, denk ik wel, dat mij

dit zal gelukken.”

De wakkere kapitein krabde zich bedenkelijk op het hoofd.

„Als gij mij maar van te voren had gevraagd, Mylord! Het is beslist een

groote lichtzinnigheid van u! Ik zal onmiddellijk koers nemen naar het

Noorden, als gij het toestaat!”

Lord Lister schudde glimlachend het hoofd.

„Not at all! Dat sta ik niet toe! Stuur kalmpjes naar Melilla, dat ik

juist in den kijker heb gezien met zijn wallen en vestingwerken.

Terwijl wij echter dit tochtje van meerdere dagen maken door het

Rifgebied, moet gij met de „Meteor” langs de Marokkaansche kust

kruisen.

„Wees zoo goed, mij een niet al te groote Amerikaansche vlag mee te

geven en voorzie mij van een kleinen voorraad vuurpijlen.

„Als ik de „Meteor” in de nabijheid zie of weet, en als wij ons

dichtbij de kust bevinden en in gevaar verkeeren, zal ik u daarmede een

noodsignaal geven. Dan moet gij met een aantal van onze lieden zoo gauw

mogelijk te hulp komen!”

Men was intusschen de kleine stad Melilla genaderd en de „Meteor” bleef

op eenige afstand van de andere schepen aan het eind der kade liggen.

Lister, die de Amerikaansche vlag zoowel op het jacht als op de boot

voerde, werd door den Spaanschen havenmeester bij de trap zeer

vriendelijk ontvangen en ging met hem een klein havengebouw binnen,

waar hij zijn papieren toonde.

Tegelijkertijd informeerde hij, of en waar hij den gouverneur-generaal

Marina zijn opwachting zou kunnen maken, daar hij met dezen een

expeditie wilde maken in het Rifgebied, voor wetenschappelijke

doeleinden en als verslaggever van Amerikaansche en Engelsche

nieuwsbladen.

De havenkapitein keek den vermeenden Amerikaan, bij het hooren van een

dergelijke vermetelheid en waaghalzerij met open mond aan.

„Caramba, señores, ik hoop niet, dat gij met mij schertst! Die plannen

moet gij echter beslist opgeven, want de generaal zal er in geen geval

toe willen meehelpen, dat gij uw verderf tegemoet gaat!”

„Mijn beste kapitein,” antwoordde Lister in uitstekend Spaansch, „zoo

erg zal die zaak niet zijn. De hoofdzaak is echter op het oogenblik, om

generaal Marina te spreken. Ik ben er zeker van, dat hij ons het best

zal raden en helpen!”

De havenkapitein schudde het hoofd en gaf hem een jongen mee, die hem

het paleis van den gouverneur moest wijzen.

Volgens Zuidelijk gebruik vormde het binnenplein, dat geheel en al door

het gouvernementsgebouw werd ingesloten, met zijn klaterende fontein en

breede zuilengalerijen een verrukkelijk en schaduwrijk oponthoud.— —

Daar er geen enkele bediende aanwezig scheen, was Lord Lister reeds van

plan op een der banken, welke rondom de fontein stonden, plaats te

nemen en een sigaret aan te steken, toen zijn aandacht werd getrokken

door een woordenwisseling, die zeer duidelijk te volgen was en uit een

kamer scheen te komen in een verdieping boven de zuilengalerij.

Lister en Charly wisselden snel een blik van verstandhouding.

Hij keek met scherpen blik in het rond, daarop gaf hij Charly een wenk

en sloop onhoorbaar—wat bij het geklater der fontein gemakkelijk was—de

steenen trap op, die naar de galerij der eerste verdieping voerde.

Reeds had hij aan de rechterzijde het geopende venster ontdekt,

waardoor het opgewonden gesprek nu duidelijk te verstaan was, terwijl

de deur ernaast gesloten was.

Voor die deur bleef Lister staan en luisterde om zich ervan te

overtuigen, of hij beneden goed had gehoord, dat zich een landsman of

landsvrouw van hem in gevaar bevond en, naar het hem was voorgekomen,

werd bedreigd.

Charly, die den toestand ook had begrepen, bukte zich en kroop op

handen en voeten onder het venster door, om binnen niet gezien te

kunnen worden.

Daarop vatte hij post aan de andere zijde van het open venster op

eenigen afstand om eveneens, voor zoover zijn eenigszins gebrekkig

Spaansch het hem mogelijk maakte, zijn weetgierigheid te bevredigen en

zijn beminden meester en vriend zoo noodig te kunnen helpen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN GEBOEIDE KNAAP EN EEN WOORD MET GENERAAL MARINA.

Met de uiterste voorzichtigheid was het Lord Lister gelukt, een blik in

de kamer te slaan.

Met den rug naar het venster zat een in het licht gekleede man met een

witte militairen muts op het donkere haar.

Ook op de schouders droeg hij onderscheidingsteekenen van zijn rang.

Zoo dikwijls hij het hoofd draaide, zag men zijn donkeren ringbaard.

Zou het gouverneur Marina in eigen persoon zijn?...

Tot Lister’s groote verbazing was het echter niet een vrouw, zooals hij

had verondersteld, maar een ongeveer veertienjarige knaap, die geboeid

voor den Spanjaard stond.

Op een stoelleuning aan den linkerkant rustte de arm en de

olijfkleurige hand van een soldaat of bediende, die als bewaker op

eenigen afstand scheen te staan, zoodat hij verder niet zichtbaar was.

Lister en Charly spitsten de ooren.

De geboeide knaap begon weer te spreken en bezwoer met hartroerende

woorden zijn onschuld.

Hoe goed hij echter ook Spaansch sprak, zijn uitspraak verried

ontegenzeggelijk den Engelschman.

De Spanjaard snauwde tegen hem en legde hem het stilzwijgen op, hem

zeggende, dat hij alleen op de hem gestelde vragen mocht antwoorden.

„Geef mij inlichtingen betreffende het verblijf van je ouders! Waar

zijn zij geboren?”

„Zij zijn beiden dooden!” antwoordde de knaap met door tranen verstikte

stem.

„Waar is de kas der spoorwegmaatschappij?”

„Dat weet ik niet, mijnheer de gouverneur! Hoogstwaarschijnlijk is zij

bij den overval der Rifkabylen op het kantoor, waar mijn ouders werden

vermoord, gestolen!”

„Waren de concessies en overdrachten reeds door den Roghi onderteekend?

Heb jij de papieren?”

„Ik heb niets, mijnheer de generaal. Ik was niet in het huis, dat mijn

vader zich bij Nador bouwde. Alleen daardoor ben ik gered! Ik geloof

niet, dat het geld vereffend is en dat de verdragen zijn onderteekend!”

„Een millioen naar den duivel—por Dios!” mompelde generaal Marina op

tafel slaande. „Die geschiedenis is mij niet helder! Jongen, spreek de

waarheid! Hoe heb jij je leven kunnen redden bij het algemeene

bloedbad, dat door die vervloekte Rifioten is aangericht? Dat komt mij

zeer onwaarschijnlijk voor!”

„Ik was niet thuis, mijnheer de generaal. Ik had kennis gemaakt met den

Marabout Bu Ismail, die zulke prachtige Arabische geschiedenissen kan

vertellen en dichtbij Nador woont in zijn kleine kubbah.

„Toen men het lawaai van het gevecht en van het geweervuur zoo opeens

hoorde, beval hij mij te blijven en mij te verbergen.

„Daarop snelde hij uit de kubbah.

„Maar ook ik werd door ongerustheid naar buiten gedreven en mijn blik

viel op een grooten brand in het bouwstation, waar vroeger het huisje

van mijn vader en het kantoorgebouw hadden gestaan.

„Een verwijderd vreugdegeschreeuw, vermengd met geweerschoten, vervulde

de lucht.

„Vol ontzetting week ik terug in den uitersten schuilhoek van de

kubbah.

„Daar kwam de dappere Bu Ismail zoo snel mogelijk terug.

„„Weg—weg!”—riep hij op ge jaagden toon. „Je bent hier niet veilig!

Maar ik zal je redden. Men heeft je ouders en de ingenieurs

doodgeschoten! De spoorwegarbeiders, welke inboorlingen zijn, zijn

weggejaagd, de Europeesche zijn omgebracht.

„„Het werk van den duivel in ons land is vernield! Onze broeders hebben

daar gelijk in, maar jij bent een kind! Jij hebt den ouden Marabout

vriendelijk behandeld en bent niet hoogmoedig, zooals andere

Europeanen.

„„Kom, ik zal je redden, er is geen oogenblik te verliezen!”

„Ik stond versteend van ontzetting, ik kon het niet gelooven, niet

begrijpen. Hij wierp echter een witten mantel om mij heen, wond mij een

tulband om het hoofd en wreef mijn gelaat en handen in met een zalf om

ze bruin te krijgen.

„Daarop nam hij mij bij de hand.

„„Neen, neen” riep ik. „Laat mij, Bu Ismail!”

„„Stil, stil, mijn jongen!” waarschuwde de oude Marabout mij op

angstigen toon, mij zijn beenige hand op den mond leggend. „Kijk eens

naar buiten en vertel mij wat je ziet!”

„En plotseling vernam ik paardengetrappel.

„„Bu Hamara, de Roghi zelf!” fluisterde de Marabout, verschrikt

achteruitgaande.

„Nu keek ik onwillekeurig aandachtiger naar buiten en had bijna gegild

van schrik.

„Achter den Roghi reden ruiters met lansen en een van hen droeg op de

spits van zijn langen speer een hoofd.

„Ik snikte en kermde van smart, want, señor, ik zag het hoofd van mijn

edelen vader op de lans van den middelsten ruiter.

„En ook zij, mijn goede, lieve moeder— —!”

De knaap bedwong met moeite de opwellende tranen.

„De Marabout verliet mij een oogenblik, daarop keerde hij terug, greep

mij bij den arm en verliet snel met mij door een verborgen achterdeur

de kubbah. Wij bestegen de door hem gezadelde paarden en snelden heen.

„Hem alleen heb ik mijn redding te danken!”

Generaal Marina streek over zijn zwarten baard, waarin zich nog slechts

weinige grijze haren bevonden.

Hij haalde de schouders op en trok de wenkbrauwen in de hoogte.

„En waar is de Marabout,” vroeg hij, „opdat hij de waarheid van je

verhaal kan bevestigen?”

„Hij verliet mij op een half uur afstand van hier, toen wij reeds de

vestingwerken van fort Sidi Auriach links en de citadel van Melilla

recht voor ons zagen en ik den weg niet meer kon missen!”

De gouverneur sprong op.

„Mooi bedacht, knaap! Je vader is, naar het schijnt, een verstandige

kerel! Maar wij zijn nog slimmer! He, José! Neem den jongen mee en

ransel hem, totdat hij niet meer liegt!

„Als hij bekent, waar de schat verborgen is, of waarheen zijn vader

ermee is gevlucht, mag je mij roepen!

„Of nog beter, ik zal dadelijk meegaan!

„Wij zullen eens zien, of de bengel bij zijn leugenverhalen blijft!—

„Misschien zal ik hem zelf eens flink geeselen!”—

Generaal Marina had nauwelijks uitgesproken, of zijn mond bleef van

schrik en verbazing wijd open staan. Hij vertrouwde zijn ooren en oogen

niet.

Want zonder dat hij het geringste geluid had vernomen, stond bij de

gesloten deur van de kamer een hooge gestalte in elegant, wit

tropenkostuum en mikte koelbloedig op zijn hart.

Tegelijkertijd hoorde hij in onberispelijk Spaansch, met een bijna

onmerkbaar vreemd accent de woorden:

„Dat zult gij niet doen, Señor, als uw leven u iets waard is!”

Ook José keek met schuwen blik op.

Met een enkelen oogopslag zag de generaal, dat zijn toestand hachelijk

was. Want bij het venster leunde met een vriendelijk glimlachje om de

lippen een sterke jonge man.

Wat echter het ergste was, ook deze hield een blinkende revolver op den

braven José gericht, den vertrouweling van den gouverneur.

De beide overvallenen waren verstijfd van schrik en durfden zich niet

bewegen.

Lister had met een snelle beweging met zijn zakmes de boeien van den

knaap doorgesneden.

Met een zucht van verlichting en de trouwhartige blauwe oogen vol hoop,

keek de jonge Engelschman zijn redder dankbaar aan.

Ook in zijn hand blonk nu een wapen, want Lister had hem, zonder den

gouverneur een oogenblik onbedreigd te laten, met de linkerhand een

miniatuurrevolver gegeven, die naar zijn eigen vinding samengesteld,

hoewel klein, toch uitstekend was.

Het vastberaden gelaat van den knaap verried duidelijk, dat ook in zijn

hand het wapen in geval van nood geen kinderspeelgoed zou zijn.

„Caramba!” vloekte de generaal, „wie zijt gij? Hoe zijt gij hier

gekomen? Wat beteekent dit alles? Gij speelt een gewaagd spel, heeren!”

„Gij nog veel gewaagder, Señor generaal! Wij zijn Amerikanen,

Angelsaksen, evenals die knaap, dien gij wederrechtelijk van zijn

vrijheid hebt beroofd, in plaats van hem te helpen, zooals men dat zeer

zeker tegenover een wees verplicht is!

„Ik ben Amerikaansch burger en lid van het Congres! Ik vertegenwoordig

de Unie en duldt geen onbillijkheid, geen barbarisme, maar bescherm elk

harer zonen, ook aan de verste kusten!—

„Elk woord, dat de knaap sprak is waarheid! Dat is mijn innige

overtuiging! En daarom staat hij onder mijn, onder Amerika’s

bescherming!”

Allen hadden naar de verontwaardigde woorden van Lord Lister

geluisterd.

Plotseling riep Jack, de Engelsche knaap:

„Kijk eens, de slaaf van den generaal ontvlucht!”

„Voor den duivel!” riep Lister op verwijtenden toon tot Charly,

„Waar had je je oogen, Charly! Die kerel zal waarschijnlijk alarm maken

en ons de geheele wacht op den hals halen!

„Dat kan vermakelijk worden! Neem je revolver in de linkerhand, trek je

Catalonisch mes en houd het gereed. Als de lui zich op ons willen

werpen, let dan op mijn bevel en stoot toe, want het leven van den

generaal staat op het spel!

„Wij zullen het hard te verantwoorden hebben!”

Zijn hersens werkten onophoudelijk. Hij keek naar het venster, maar

hoewel hij op de binnenplaats de zee en de „Meteor” niet kon zien, toch

dacht hij nu bij het naderen van den avond aan kapitein Wheeler, diens

zeelieden en de meegenomen vuurpijlen.

Snel besloten klemde hij een daarvan in schuine richting tusschen het

raamkozijn en het venster zelf vast en ging zoo dicht bij het venster

staan, dat hij dit en de deur kon bewaken.

Daarop legde hij zijn revolver aan op den gouverneur en sprak:

„Snel, Charly, bind den gouverneur vast op zijn stoel, opdat hij bij de

komst der hulptroepen geen domheden kan begaan!”

Dit was in een ommezien gebeurd.

Maar nauwelijks had Charly zijn Catalonisch mes weer ter hand genomen,

terwijl Jack op de deur aanlegde en ook Lister zijn beide zevenloops

revolvers gereed hield, of de deur sprong reeds open.

Zooals Lister had voorzien, verscheen José, hijgend van opgewondenheid

en haast, met zes politiebeambten en eenige infanteristen met gevelde

bajonetten.

„Halt! Geen stap verder, of de gouverneur is een kind des doods!” riep

Lister met luide stem, zonder zijn kalmte te verliezen.

„Of wenscht gij, señor,” zoo wendde hij zich tot den gevangen generaal,

„dat uw lieden ons aanvallen?”

„Charly, zoodra de lui den drempel overschrijden, stoot je toe!”

„Halt, halt! Niet verder mannen!” riep generaal Marina, die niet

wenschte door een messtoot te sterven, vooral omdat hij nog talrijke

lauweren hoopte te oogsten in het Rifgebied, nu door den moord op de

arbeiders Spanje zulk een gegronde reden had om handelend op te treden.

„Halt, mannen, wacht!”—

Met zuurzoet gezicht wendde hij zich daarop tot Lord Lister met de

vraag:

„Zeg mij eindelijk, wat gij van mij wenscht, señor! Ik ben gaarne

bereid om toe te staan, wat recht en billijk is!”

„Dat laat zich hooren, generaal!

„Wat ik verlang is, dat gij uw wacht laat vertrekken, voordat ik met u

ga onderhandelen.”

„Dat vind ik goed,” antwoordde de gouverneur, „onder voorwaarde, dat ik

van de mij onwaardige boeien wordt ontdaan!”

„Toegestaan!” antwoordde Lister glimlachend, hoewel Charly met kracht

het hoofd schudde.

Op een wenk van Marina trok José zich met de wacht terug.

Het geheime knipoogje van het tweetal was Lister volstrekt niet

ontgaan. Hij had zijn revolvers in den zak gestoken en was tot groote

verbazing van Charly, onbezorgd bezig, een sigaret aan te steken.

„Neem den generaal de boeien af!” sprak hij met de grootste kalmte.

„Rookt gij, generaal? Alstublieft!”

De generaal nam een sigaret en stak die op.

„Drommels, mylord! Een fijn merk!”

Maar reeds had Lister weer een revolver in de rechterhand genomen en

leunde aan het venster, terwijl hij de sigaret in de linkerhand hield.

„Wat ik verlang, mijnheer de gouverneur,” vervolgde hij, „is zeer

eenvoudig. Het is de uitrusting eener expeditie naar het Rifgebied

onder mijne leiding om de onschuld van den knaap en zijn vader vast te

stellen en zoo mogelijk het geroofde millioen terug te krijgen.”

„Dezen wensch wil ik gaarne vervullen! Onder uwe leiding kan het bijna

niet mislukken, vooral daar gij Amerikaan zijt en het dus gemakkelijk

klaar zult spelen met de Kabylen.”

„Meent gij?” vroeg Lord Lister glimlachend. „Er bestaat dus in het

geheel geen gevaar, wanneer wij de bergen van het Rifgebied

binnendringen?”

„Voor u niet, denk ik! Voor ons, Spanjaarden, die sinds tientallen van

jaren in strijd leven met het Rifvolk, is dat iets anders.

„Ik kan u gidsen meegeven, ook manschappen.—

„Wij Spanjaarden zullen overigens met de Kabylen op een anderen toon

spreken, zoodra morgen vanuit Malaga en Algeciras de door de regeering

toegestane versterkingen worden gezonden.

„Wij zullen die bende straffen met kanonnen en geweren.”

Lister hield onafgebroken de deur in het oog, terwijl hij met smaak

zijn sigaret verder rookte.

Hij was niet in het minst verbaasd, toen plotseling de deur openvloog

en de schijnbaar zoo eerlijk teruggetrokken wacht, nog zeer versterkt,

terugkeerde en dezen keer ernstig plan scheen te hebben om zich op de

beide Amerikanen en den knaap te werpen.

Op dit oogenblik, waarop hij slechts had gewacht, strekte Lister zijn

linkerhand, waarin hij de brandende sigaret hield, uit en plotseling

siste in de vallende duisternis een heldere vuurpijl in de hoogte,

zoodat de politiebeambten, die zich voor het venster bevonden, bleek

van schrik achteruit liepen.

Nog een tweede en derde vuurpijl schoten sissend uit het papieren

omhulsel en gaven het afgesproken teeken.

Evenals de anderen bij het venster waren ook José en zijn mannen bij de

deur stom van verbazing, toen zij zagen, hoe kalm en vastberaden de

beide Amerikanen en zelfs de knaap waren en, hoewel nog ongeboeid,

gevoelde de anders zoo dappere en gevreesde generaal zich onder bereik

van Charly’s revolver niet behaaglijk.

„Dat is in strijd met de afspraak!” riep Lord Lister en nam plotseling

een zilveren kapiteinsfluitje tusschen de tanden.

Snel achter elkaar weerklonken drie schrille geluiden tot de

allergrootste verbazing der Spanjaarden.

Lister had nu koelbloedig de revolvers weer bij zich gestoken, wat

bijna op spot geleek.

José had dit nauwelijks gezien, of hij wierp zich op Lister.

Plotseling werd hij echter bij de armen beetgepakt en met zulk een

reuzenkracht naar de deuropening teruggeslingerd, dat hij nog drie der

zich daar bevindende soldaten mee omvertrok en door den val het

bewustzijn verloor.

Woede maakte zich nu meester van de Spaansche soldaten en reeds

sprongen eenige van hen door de vensters de kamer binnen, terwijl de

politiemannen door de deur naar binnen drongen.

De beide Engelschen schenen verloren en hun jeugdige beschermeling

eveneens.

Opnieuw klonken drie fluitsignalen van Lister,—en luister—van buiten

kwam het antwoord op dezelfde wijze.

Kapitein Wheeler, die reeds langen tijd met zijn mannen had gewacht,

herkende dadelijk het afgesproken vuurpijlsignaal en daar dit slechts

in geval van hoogen nood gebruikt zou worden had hij zich snel op weg

begeven!

En zoo kwam het, dat, nog voordat de revolvers werden afgeschoten, op

het gefluit van Lister, dat Wheeler den weg wees, de brave zeelieden

met hun ruwen kapitein achter de verblufte Spanjaarden opdoken.

Voordat zij tijd hadden om tot bezinning te komen, voelden de

Spanjaarden, hoe zij van het venster werden weggetrokken, de

politiebeambten en infanteristen bij de deur werden overweldigd en

stevig aan handen en voeten gebonden.

„De zaak heeft een andere wending genomen, Señor generaal!” sprak

Lister tot den doodsbleek geworden gouverneur. „Ik denk nu met u af te

rekenen wegens uw verraad! Of gij staat toe, wat ik eisch, of uw leven

is geen halve cent waard, dat bezweer ik u!”

„Ik ben bereid, noem uw eischen en loop dan naar den duivel!” bromde de

generaal woedend.

„Zij zijn eenvoudig. Zoodra zij ingewilligd zijn, Señor, zullen wij u

de eer van ons bezoek niet langer gunnen, maar dadelijk vertrekken naar

het onbekende Rifgebied. Daar zie ik op de schrijftafel schrijfpapier

van het gouvernement,” vervolgde Lord Lister.

Snel schreef hij in het Spaansch eenige regels en overhandigde het

Marina ter onderteekening.

„Hierdoor beveel ik, dat Mr. Shaw uit Chicago volgens zijn wensch

aan gidsen en manschappen moet worden verstrekt zooveel hij wenscht

en dat hem alle mogelijke inlichtingen betreffende den naasten weg

naar de Kasbah van den Roghi en elk voorschot worde verstrekt.

Geteekend Marina.”

De gouverneur keek verbaasd op en kon een uitdrukking van spot en

voldoening niet geheel verbergen.

Maar zonder zich te bedenken onderteekende hij de volmacht aan den

commandant en gaf Jack Lupton, den zoon van den vermoorden

hoofdingenieur, bovendien de verlangde verklaring, dat deze in zijn eer

hersteld was.

Charly, kapitein Wheeler en twee hunner begaven zich naar de

commandantuur, terwijl Lister en Jack met de anderen bleven waar zij

waren om een oogje te houden op den gouverneur en de Spanjaarden.

Ten slotte werd de generaal ondanks zijn inwendige ergernis nog zeer

vriendelijk en gastvrij.

José, door een der zeelieden begeleid, moest voor een goed maal, wijn

en Spaansch gebak zorgen.

Lister en Marina rookten nog eenige der voortreffelijke, echt

Egyptische sigaretten van Lord Lister te zamen, totdat een van Wheelers

teerjakken kwam vertellen, dat alles voor de Rif-expeditie gereed was.

De gouverneur wenschte Lister en zijn vrienden, die hij een zekeren

dood tegemoet meende te zien gaan, hoonlachend veel geluk.

En bij het aanbreken van den dag begon Lister met Charly en Jack, den

geredden ingenieurszoon, onder leiding van twee gidsen en met een

karavaan van vijf matrozen van de „Meteor” en tien Spaansche dragers

een der merkwaardigste expedities, welke ooit in een onbekend land zijn

ondernomen.

Kapitein Wheeler echter keerde met zijn manschappen naar de Meteor

terug, om volgens afspraak aan de Marokkaansche kusten te kruisen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE STRIJD OM MELILLA.

De cavalcade beklom op muildieren de steile zijpaden, zoodra zij de

vlakte achter den rug had.

De dag was reeds aangebroken, toen het kleine gezelschap voor de

bescheiden Kubbah el Ismail stilhield, waar Lister en de jonge Jack van

hun muildieren stegen.

Reeds had het hoefgetrappel den Marabout naar buiten getrokken.

Zijn vreugde was groot, toen hij den knaap terug zag, maar hij deed

zijn best om in gebroken Spaansch Lister en zijn beschermeling het idee

om verder in het Rifgebied door te dringen, uit het hoofd te praten,

vooral echter, den Roghi niet op te zoeken.

Maar Lister zette den waardigen kluizenaar, wiens hooge gestalte was

gehuld in een wijden witten burnous, zijn beweegredenen zoo duidelijk

uiteen, dat de wakkere Moslem ondanks alle bedenkingen, die bij hem

opkwamen, toch eindelijk toestemmend knikte.

Lister verklaarde, dat de tocht naar den Roghi onvermijdelijk was, om

zoowel Jack als diens ouders te rechtvaardigen.

Bu Hamara, wiens rotskasbah zich in de buurt moest bevinden, zou

stellig het billijke verzoek van den Amerikaan, om den dood der ouders

en den roof van het geld te bevestigen, niet weigeren.

Eindelijk hield de Marabout het voor mogelijk, daar Bu Hamara’s haat

tegen de Spanjaarden den Amerikanen misschien zeer te stade zou komen.

Na rijp beraad besloot de heilige man en dat was voor Lord Lister en

zijn beschermeling de hoofdzaak—hen langs geheime paden naar de Kasbah

van den Roghi te brengen en een poging te wagen om den Roghi gunstig te

stemmen.

Lister bemerkte alras het voordeel om een geleider te hebben, die de

streek zooveel beter kende dan de Spaansche gidsen.

Met groote behendigheid wist hij de kleine dorpen der Rifbewoners, die

meestal op de toppen van de bergen of heuvels lagen, te ontwijken en

langs geheime wegen, die soms zeer moeilijk begaanbaar waren voor de

muildieren, langs de steile hellingen, tusschen de pijnboomen, eiken en

esschen door, langzaam den top van het gebergte te bereiken, om zonder

gevaar aan de bergkasbah van den Roghi te komen.

Plotseling echter maakte de Marabout, die met Lister vooraan reed, een

handbeweging, om de hen volgende cavalcade halt te gebieden.

Hij gleed van zijn muildier af en drong in gebukte houding door het

struikgewas en de stekelige cactussen.

Lister was hem onmiddellijk gevolgd.

Hij zag, hoe de Marabout op handen en voeten verder kroop. Dadelijk

deed hij hetzelfde en—luisterde plotseling verbaasd. Zijn geoefend oor

had wel is waar nog ver verwijderd, maar toch zeer duidelijk een

geweersalvo waargenomen, waarop onmiddellijk een tweede volgde, terwijl

hierop een gekraak en geknetter, een onregelmatig, maar duidelijk te

herkennen geweervuur volgde.

Lister kroop snel achter den Marabout aan en had hem weldra bereikt.

Deze lag op den rand van een rots en keek in de diepte.

Lister kon de witte liniën van Spaansch voetvolk onderscheiden en zag

van alle bergen en heuvels beneden, hen scharen Rifbewoners neerdalen,

die met hun lange geweren en buksen van uit hun schuilhoeken in de

bergen de aanvallende Spanjaarden met kogels beschoten.

„De strijd om het Spaansche duivelswerk, om den ijzeren weg met den

betooverden wagen heeft een aanvang genomen!” mompelde de Marabout. „Uw

vriend, Don Marina, zou vandaag wel eens een lesje kunnen krijgen, om

niet zoo spoedig meer te vergeten!”

Meer en meer lieden der expeditie, die het alarm van den strijd

vernomen hadden, waren naderbij gekomen en ook gaan liggen om het

aangrijpende schouwspel mede aan te zien en natuurlijk waren het

voornamelijk de Spanjaarden, welke levendig belang stelden in den

strijd en het lot hunner landslieden.

Al spoedig was de geheele karavaan aan den bergrand saamgekomen en de

Spanjaarden opperden luide hunne vrees.

Tevergeefs geboden Lister en de Marabout stilte.

De Spanjaarden waren, nu hun landslieden dermate bedreigd werden, met

hun Zuidelijk temperament niet in staat om te zwijgen.

Het was begrijpelijk, dat niemand meer op zijn weg op de inderhaast aan

boomen bevestigde muildieren en op het meegenomen proviand had gelet.

Plotseling echter vernamen zij een dreigende stem achter zich, en toen

zij omkeken, was het reeds te laat.

Zij waren aan alle kanten omsingeld en ongeveer een vijftigtal

Rifkrijgers in hun eigenaardige bruine mantels van geitenhaar, welke

zij khit noemen en met de witte of bonte mutsen, de zoogenaamde rezaas

op, hielden hun buksen gereed.

Een andere schaar had zich meester gemaakt van de muildieren en het

proviand. Tegelijkertijd echter trokken in lange rijen ontelbare

bergbewoners, tot de tanden gewapend, naar beneden naar het dal, om in

den daar woedenden strijd mee te vechten tegen de Spanjaarden.

En aan wapenen scheen het hun inderdaad niet te ontbreken.

Want in de breede leeren gordels, die meer dan een voet breed zijn, is

een waar arsenaal van pistolen, dolken, messen, laadstokken en patronen

verborgen en behalve het moderne repeteergeweer, dragen zij ook nog een

sabel.

Lister had bliksemsnel den ongunstigen toestand, waarin zij zich

bevonden, overzien en riep in het Spaansch, bezorgd voor het

hartstochtelijk temperament van zijn Spaansche lieden:

„Kalmte en geen tegenstand!”

Uit zijn zak echter haalde hij een witten zakdoek en wenkte daarmede de

Rifbewoners toe, door wie zij waren ingesloten. Daarop haalde hij nog

de kleine Amerikaansche vlag te voorschijn, de sterren en strepen,

welke hij zich door kapitein Wheeler had laten geven, en zwaaide deze

eveneens voor de oogen der hen bedreigende lieden heen en weer.

Reeds had ook de Marabout met levendige bewegingen op Listers

vlagsignaal gewezen en doen begrijpen, dat het Europeesche gezelschap

vredelievende bedoelingen had.

Toen hij langs Lister voorbijkwam, had hij dezen toegefluisterd:

„De Roghi in eigen persoon!—Dat treft uitstekend! Ik zal zien, wat ik

kan doen!”

Daarop was hij op de krijgers toegesneld, die eerbiedig plaats voor hem

maakten en hem doorlieten.

Deze Mohammedaansche kluizenaars worden door het volk zeer geacht, dat

hen beschouwt als door Allah begenadigden en als wonderdoeners, daar

zij dikwijls wonderlijke kunststukken kunnen verrichten, welke het volk

niet begrijpt, wat inderdaad niets anders zijn dan zakkenrollerstrucs

en handigheden.

Ook de Roghi, die eigenlijk Dschilaliben Drisz heet, is beroemd

geworden als Marabout en staat bekend onder zijn maraboutnaam Bu

Hamara.

Het was dus te voorzien, dat de Roghi, die den invloed dezer heiligen

het beste kent, dezen half-collega van hem voorkomend zou behandelen.

Toen de rijen der krijgers zich openden en de Marabout naar een

statigen man met grooten baard toeschreed, die gekleed was in een

witten burnous en groenen tulband, en die ongeveer 45 jaren telde, zag

Lister voor den eersten keer in zijn leven den Roghi, want het kon

niemand anders zijn dan deze, die door den kluizenaar werd begroet met

de Marokkaansche woorden:

„Allah ibarek f’amr Sidi!” (Allah zegene het leven van onzen heer!)

Het gesprek tusschen den Roghi en den Marabout duurde niet lang, want

eerstgenoemde had het druk. Hij wilde met zijn beste krijgers zoo

spoedig mogelijk deelnemen aan het gevecht.

Lister zag, hoe hij vriendelijk en toestemmend knikte en daarop snel

met zijn onderbevelhebbers de andere scharen langs den verborgen weg

naar beneden volgde.

De Marabout wendde zich tot den aanvoerder der lieden, die het

Europeesche gezelschap hadden ingesloten en deze lieten mopperend hun

geweren zakken.

De helft van hen volgde snel Bu Hamara en verdween. De anderen echter

bleven, waar zij waren. Slechts drie hunner naderden met den Marabout

den Spanjaard en lieten hen alle wapens afgeven.

De kluizenaar sprak echter tot de Engelschen:

„Morahba bikum, galkum Sidi!” (Weest welkom, roept mijn heer u toe!) En

als verklaring vervolgde hij:

„Wij zullen nu onmiddellijk vooruitgaan naar de rotskasbah van den

Roghi, die op eenigen afstand van hier is. Als de Roghi vanavond

terugkeert nadat hij de Spanjaarden heeft overwonnen, zult gij aan hem

worden voorgesteld. De Spanjaarden uit uw gevolg zullen echter, de

vijandelijkheden in aanmerking genomen, als gevangenen worden

beschouwd.

„Ik geloof nu, na dit gelukkig toeval, dat het niet onmogelijk is, dat

uw onderneming u zal gelukken.”

De Engelschen werden niet eens ontwapend, maar kregen zelfs hun

muildieren terug. Eveneens werd hun proviand teruggegeven, waarmede de

Spaansche dragers, wien hun wapens en andere eigendommen waren

afgenomen, werden belast.

Den anderen Spanjaarden werden de handen op den rug gebonden en een

touw om den hals geslingerd, welks eind door Rifkrijgers werd

vastgehouden.

Eenige andere Rifkrijgers in hun eigenaardige kleederdracht, met de

vreemde, bruine mutsjes van geitenhaar op het kaalgeschoren hoofd,

reden op vlugge, onvermoeide muildieren vooruit, terwijl een groep van

ongeveer vijftig anderen, met hun buksen over den schouder, naast of

achter hen liepen of naar boven klauterden.

Al naar de weg het toeliet, reden Lister, Charly en de kleine Jack

naast of achter elkaar en met hen de Marabout Bu Ismail.

Na een korte rust in de schaduw van pijnboomen en eiken, gedurende

welke Lister het meegenomen proviand door den algemeen geachten

kluizenaar liet verdeelen, en waarbij zich ook de drie Engelschen flink

te goed deden, ging het weer verder naar boven en Lister maakte de

opmerking, dat de weg nu met kronkelingen opwaarts ging.

Bu Ismail, de Marabout, verzekerde, dat men de kasbah van den Roghi

meer en meer naderde, de rotsvesting, die zelfs door de Spanjaarden,

die hun geschut moeilijk naar boven konden krijgen, niet in te nemen

was, de veilige woonplaats van den vermetelen troonpretendent.

Maar reeds brak de avond aan met zijn op deze breedte zoo korte

schemering en Lister kon, hoe scherp hij ook keek, nog steeds niets

ontdekken van Bu Hamara’s vesting, die hem zooveel belang inboezemde.

Plotseling vuurden alle Rifbewoners, die ter bescherming of ter

bewaking der Europeanen medetrokken, hun buksen af in de lucht en op

eenigen afstand werd deze eigenaardige aankondiging door een zwakker

salvo begroet.

Toen men een plateau van lagere rotsblokken was voorbijgegaan, lag vlak

voor hen een door ruw over elkaar gelegde rotsblokken gevormde muur met

schietgaten, waarachter, als een vervallen ruïne van een Duitschen of

Engelschen burcht uit de middeleeuwen, een groote ronde toren opdook,

waaraan zich ter rechter en linker zijde grijze gebouwen zonder

vensters, doch alleen van schietgaten voorzien, aansloten.

Nogmaals weerklonk een geweersalvo der naderende Rifkrijgers.

Daar rinkelden zware, roestige kettingen en Lister verbeeldde zich

bijna weer terug te zijn in de middeleeuwen, in de tijden zijner

heldhaftige voorvaderen, de Lords en ridders von Lister, wanneer niet

rondom hem heen de Rifbewoners in hun blauwe djellebas en khits, met

hun arsenalen van wapenen in de breede gordels, hem aan de

werkelijkheid hadden herinnerd:

Want op middeleeuwsche manier werd een zware ophaalbrug, gebouwd van

dikke eiken stammen met ijzer beslagen, neergelaten op den uitgehouwen

rotsbodem.

Ginds echter in den toren werd de zwarte opening van een Moorsche

boogpoort zichtbaar.

De gids wenkte met zijn lang geweer, ook Bu Ismail keerde zich om en

knikte den Europeanen toe met een „Salem aleikum‎.”

Een oogenblik later dreunden de hoeven der muildieren over de

ophaalbrug.

Zij waren in de kasbah van den Roghi aangekomen.

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DE ROTSKASBAH VAN DEN ROGHI.

Het inwendige van de kasbah vormde een ruim plein met een reusachtige

fontein in het midden.

Dat plein werd omgeven door vijf verschillende huizen met getraliede

vensters, elk met een Moorschen ingang.

De vertegenwoordiger van den Roghi, een oude Kabyle met langgolvenden,

grijzen aartsvaderlijken baard, opende de met ijzer beslagen poort van

het eerste gebouw en liet de drie Engelschen binnentreden, terwijl men

de Spanjaarden wegleidde naar een der gebouwen op den achtergrond.

De Marabout sloot zich aan bij Lord Lister en diens vrienden.

Door een soort voorkamer, waar een misschien nog uit den tijd der

Romeinen stammende olielamp van de zoldering af haar spaarzaam licht

verspreidde, en waar geen andere meubelen stonden dan een breede divan

langs de muren en eenige lage Arabische tafeltjes, kwamen zij in een op

dezelfde wijze ingericht tweede vertrek, dat de Kabyle hun als verblijf

aanwees.

De drie vrienden vielen met een zucht van verlichting na dezen zwaren

dag op de vrij harde kussens neer en Lister had juist een zijner fijne

sigaretten opgestoken, toen een zwarte slaaf van den Roghi met vier

kleine kopjes mokka en een andere met drie reusachtige waterpijpen

binnentrad.

Lister wist, dat het een onbeleefdheid zou zijn, de nargileh te

weigeren. Hij wierp den zwarte zijn sigaret toe, welke deze met de

behendigheid van een gedresseerden aap opving, waarna hij van genoegen

zijn breeden mond tot een nog breeder lach vertrok.

Daar de jonge Engelschman het mondstuk van de nargilehpijp vol afschuw

wilde afwijzen, sprak Lister:

„Het helpt je niet, Jack, een enkel trekje moet je in elk geval doen,

om onzen gastheer niet te beleedigen daarna kun je de pijp teruggeven.”

Jack zette een wanhopig gezicht, daar hij niet kon rooken en kreeg een

heftige hoestbui, toen de scherpe rook hem uit mond en neus kwam.

Met veel genoegen gaf hij den neger het barnsteenen mondstuk terug, die

het op een wenk van den Marabout zorgvuldig afveegde en het dezen

aangaf. De Marabout zat er reeds met gekruiste beenen op den divan op

te wachten.

Lister en Charly echter vonden de waterpijp zeer aangenaam en de tabak

uitstekend, al beviel hun de vreemde bijsmaak ook minder, welken de

rook op zijn weg door het met rozenolie geparfumeerde water van het

bassin had aangenomen.

De voortreffelijke, zeer sterke koffie in de fijne bruine kopjes werkte

opwekkend.

Intusschen had men ook Listers proviand en bagage gebracht, waaraan ook

niet het minste mankeerde.

Lister opende een der pakken en nam er een fonkelnieuw browningpistool

benevens de daarbij behoorende ammunitie uit. Hij verzocht den

Marabout, dit kleine geschenk met een verrekijker den Roghi bij diens

aankomst te overhandigen, daar het te voorzien was, dat Bu Ismail den

troonpretendent het eerst verslag zou moeten uitbrengen.

De Marabout beloofde het en was ondanks zijn heiligheid zeer gelukkig,

toen Lister ook hem een revolver ten geschenke gaf.

Al werd hij ook in zijn eenzame kubbah het best beschermd door den

godsdienst en het bijgeloof van deze natuurmenschen, toch was in

sommige gevallen het bezit van een pistool, dat men zeven keer

achtereen kon afschieten, niet te versmaden.

Daar Lister verder wel wist, hoezeer kunstjes en onverklaarbare dingen

het aanzien van den kluizenaar in de oogen van het bijgeloovige, domme

volk verhoogen, nam hij nog een pakje, dat hij voor dat doel had

meegebracht en opende het gedeeltelijk.

Hij schudde er een beetje poeder uit op den steenen vloer van het

vertrek en streek een lucifer aan.

Al spoedig verspreidde zich in het spaarzaam verlichte vertrek een

groene rook, zoodat de juist met een presenteerblad binnenkomende neger

bijna het geheele maal, dat hij kwam brengen, had laten vallen van

schrik.

Dit pakje met Bengaalsch poeder, dat Lister hem gaf, verschafte den

Marabout bijna nog meer vreugde dan het wapen en hij legde met

schitterende oogen en een veelzeggend gebaar de rechterhand op het hart

en liet het kostbare pakket in zijn burnous verdwijnen.

Intusschen had de neger zich van den schrik hersteld en het groote blad

neergezet. Hij zette voor elk der gasten een der kleine achthoekige

tafeltjes neer en plaatste daarop een groot aantal schalen met

schapenvleesch, rijst, dadels en zoet gebak.

Ondanks de vreemde toebereiding en samenstelling der spijzen smaakte

hun allen het krachtige maal en toen Lister opnieuw de nargileh had

aangestoken, voelde hij zich volkomen verkwikt.

Hij was juist een gesprek begonnen met den Marabout over den besten weg

naar Tetuan of Ceuta, toen plotseling buiten een geweersalvo weerklonk,

dat door een tweede werd beantwoord, zoodat een oningewijde moest

denken, dat de Kasbah door vijandelijke troepen werd aangevallen.

De Marabout echter legde zijn hand op Lister’s arm en sprak:

„De Roghi komt thuis!”

Inderdaad weerklonken vreugdekreten en levendige begroetingen en op het

plein werd hoefgetrappel vernomen.

Na eenige minuten reeds kwam de neger weer binnen en fluisterde den

Marabout onverstaanbare woorden toe.

Bu Ismail stond op, gaf den Engelschen een wenk en verdween achter den

neger door een deur, die blijkbaar naar de binnenvertrekken leidde.

Het gewichtige oogenblik, waarvan het welslagen of het mislukken der

onderneming afhing, was genaderd.

Lister wierp de slang der pijp op den divan en sprong op. Met snelle

schreden liep hij het ruime vertrek op en neer, terwijl Charly en Jack

met gespannen aandacht al zijn bewegingen volgden.

Ongeveer tien minuten later trad de Marabout glimlachend weer binnen.

„Alles gaat goed, mijn vriend!” fluisterde hij, „de Roghi was zeer

ingenomen met uw geschenken, zoowel met het pistool als met het

tooverglas, dat de menschen en zelfs de bergen dichtbij het oog brengt.

De Roghi is verrukt, want het zal hem helpen, morgen de Spanjaarden,

evenals vandaag, te overwinnen.

„Kom, mijn vriend, Bu Hamara wil u persoonlijk zijn dank uitdrukken.

Gij moet hem zelf nader onderricht geven in het gebruik der beide

kunstig samengestelde voorwerpen!”

Toen Lister de zaal binnentrad, waar hij den beroemden troonpretendent

zou spreken, die reeds den vroegeren sultan Abd el Asis een zware

nederlaag had toegebracht en die tot vlak voor de poort van Fez was

gedrongen en in wiens macht hij zich bevond, voelde hij zich geen

oogenblik bevreesd of onzeker.

De Marabout vouwde de handen over de borst en boog het hoofd.

„Emirel Muminin! (vorst der geloovigen). Hier is de vreemdeling,

die vol vertrouwen op uw rechtvaardigheid het heeft gewaagd, den

gevaarlijken en moeilijken weg naar u te ondernemen.

„Hij behoort niet tot onze aartsvijanden, de wreede Spanjaarden, die

eenmaal met hun machtig leger onze broeders uit het heerlijke Granada

verdreven en den laatsten Emir der Mooren Boabdil bij het scheiden van

Alhambra’s heerlijkheid het hart braken en zoovele duizenden van onze

bloedverwanten, de Morisko’s, vermoordden en verbrandden.

„Van gene zijde van den Oceaan komt hij, een telg van hen, die altijd

en overal vijandelijk stonden tegenover onzen vijand en die dikwijls

hun schepen op de wereldzeeën hebben vernield en doen zinken.

„Gij, trotsche Roghi en Emir, gij kent de macht van Amerika, tot wiens

grooten en voornamen deze vreemdeling behoort, die u met kostbare

geschenken huldigt!”

Bu Hamara, de Roghi, zat met gekruiste beenen op een kussen en

luisterde met welgevallen naar de woorden van den Marabout, terwijl hij

rookwolken uit zijn huka blies en niet zonder ingenomenheid naar de

rijzige, slanke gestalte van Lord Lister keek, die den blik zijner

scherpe oogen vol kalme waardigheid doorstond.

Lister maakte een toestemmende handbeweging bij de woorden van den

kluizenaar, maar sprak opzettelijk nog niet, om den Roghi eerst

gelegenheid te geven om het woord te nemen.

„Welnu, vreemdeling uit het verre Westen! Ik heet u welkom! Uw

wonderlijke geschenken hebben mij veel genoegen gedaan, want zij zijn

bij mijn volk niet bekend en wel in staat om mijn macht en aanzien te

vergrooten! Heb dank en vertel mij onbevreesd de reden van uw komst!

Als gij niet te veel verlangt, denk ik wel, dat ik uw wensch kan

bevredigen!”

„Dappere Roghi en Emir,” antwoordde Lister, terwijl hij als een

Muzelman de handen over de borst kruiste, „het is een onvergetelijk

oogenblik voor mij, den beroemden krijgsman te zien, die zelfs de

Marokkaansche legers en de beste troepen van den sultan versloeg, die

binnen korten tijd, na de Spanjaarden overwonnen te hebben, evengoed

Fez als Rabat en Marrakesch zal binnentrekken en die alleenheerscher

zal zijn in Marokko, zooals nu in het Rifgebied!

„Dat mijn geringe gaven u genoegen doen, verheugt mij!

„Maar niet daarom, doch van uw beroemde rechtvaardigheid en wijsheid

hoop ik datgene te verkrijgen, waarvoor ik heden tot u kwam!”

Het scherpe, gebruinde gelaat van den Roghi, welks waardigheid verhoogd

werd door een vollen zwarten baard, verried duidelijk de groote

tevredenheid over Listers woorden.

Hij stak zijn hand uit en knikte met een bij hem zeldzame

welwillendheid.

„Welaan, vreemdeling, spreek zonder schroom uw verlangens uit!”

„Ik maak van uw toestemming gebruik, edele Emir, en zal kort zijn! Niet

voor mijzelf ben ik gekomen, noch om aardsche belangen. De

rechtvaardigheid leidt mij hierheen; schandelijke beschuldigingen wil

ik met uw hulp te niet doen.

„In den strijd met uwe lieden werd aan het eind van den ijzeren weg met

vele zijner arbeiders vermoord de bouwmeester van dezen weg, een

Engelschman, die zijn werk beter verstaat dan een Spanjaard dat zou

kunnen.

„Of hij u de concessie betaalde, welke gij van hem eischtet, dat weet

ik niet. Maar het geld is verdwenen.

„De zoon van den vermoorde kon gelukkig naar Melilla, naar generaal

Marina vluchten!”

Lister zweeg even, want bij de deur aan zijn rechterhand meende hij een

gesmoorden kreet te hooren.

De Roghi had onmiddellijk zijn barnsteenpijp op het kussen laten vallen

en was opgesprongen.

Met snelle schreden had hij den uitgang bereikt en snel trok hij het

roode gordijn weg.

Maar er was niemand te zien.

Hij bleef een oogenblik luisteren, daarop trok hij het gordijn weer toe

en nam zijn oude plaats weer in.

„Ik heb mij zeker vergist!” mompelde hij. „Ga door, vreemdeling, want

uw verhaal boeit mij!”

„De gouverneur stoorde er zich niet aan, dat de arme knaap door den

dood zijner ouders een wees was geworden, dien hij verplicht was te

beschermen. Hij vroeg alleen naar het millioen, dat de vader onder zijn

berusting had gehad.

„Hij beschimpte den Engelschen bouwmeester nog na diens dood, hij sprak

van ontrouw en diefstal, beschuldigde den knaap zelfs van leugens en

dreigde hem te zullen laten geeselen.

„Ik overviel den Spaanschen veldheer, uw vijand, generaal Marina, ik

bevrijdde den knaap en dwong den generaal, den jongen in diens eer te

herstellen en om mij te helpen, een vredelievenden tocht in uw land te

ondernemen!”

„Met welk doel hebt gij dien tocht ondernomen?” viel Bu Hamara hem op

scherpen toon in de rede.

„Ik kom nu met dit doel, dappere Roghi! Ik verzoek u, de eer mijner

landgenooten te herstellen, ik bid u, den jeugdigen zoon van den

spoorwegingenieur, Mr. Lupton, een bewijs te geven, dat zijn ouders bij

den overval zijn vermoord om zoodoende de leugenaars tegen te spreken,

die zeggen, dat de ingenieur met zijn vrouw is gevlucht om zich het

millioen toe te eigenen, dat hij u moest uitbetalen!”

„En wanneer ik dat weiger?”

Een listige blik van den Roghi viel op Lord Lister.

Deze was juist van plan om te antwoorden, toen de deur, waardoor de

troonpretendent zooeven naar buiten had gekeken, geopend werd en een

diepgesluierde vrouwengestalte op den drempel stond.

Zij strekte haar arm uit onder het wijde gewaad en riep:

„Dat zult gij niet doen, Bu Hamara! Gij zult dezen edelen man de

verlangde verklaring geven en er je naam onder zetten. Eén

onrechtvaardigheid is voldoende en gij weet, dat gij die begaan hebt!”

De Roghi was opgesprongen.

„Onrechtvaardigheid zeg je?” mompelde hij. „Ga terug naar de

vrouwenvertrekken! Het past niet, dat een vrouw onder mannen verschijnt

en meespreekt! Ik zal overwegen, wat ik moet doen! Misschien bewillig

ik het verzoek van dezen man!”

„Belooft gij het mij, Emir der geloovigen? Bedenk, dat Allah u macht en

zegen heeft gegeven. Gij zult echter niet in Fez en Marrakesch

binnentrekken, als gij uw onrechtvaardige daad niet eerst goedmaakt!

Want gij hebt den spoorwegbouwer de beloften slechts voorgespiegeld.

„Toen gij het millioen in handen hadt, geschiedde die onrechtvaardige

overval, Roghi, die den ingenieur het leven kostte, u van uw

verplichtingen ontsloeg en het millioen in uw krijgskas bracht!

„Is dat soms rechtvaardig?”

„Zwijg, vrouw en ga terug naar het vrouwenvertrek, zooals het behoort!”

„Ik ga,” sprak de vrouw, „maar ik zou gaarne de oude achting weer

willen koesteren voor den dapperen Roghi als toen Sidi Lupton nog niet

vermoord en het millioen peseta’s nog niet als buit in Bu Hamara’s kas

was gevloeid.”

De Roghi strekte bevelend zijn hand uit en de gesluierde vrouw

verdween, zooals zij was gekomen.

Lister was verbaasd, want zij sprak wel goed en vloeiend Arabisch, maar

met een Engelsch accent.

De troonpretendent staarde peinzend voor zich uit.

Eindelijk richtte hij zijn somberen blik op Lister.

„Ga nu heen, Amerikaan en laat mij alleen! Ik zal over uw verzoek

nadenken! Krijgslist is geen onrechtvaardigheid, zooals die vrouw

beweert. Om echter ook niet den schijn van ongerechtigheid op mij te

laden, denk ik wel, dat ik u de gewenschte verklaring zal geven.”

Lister kruiste de handen over de borst, boog en antwoordde:

„Moge Allah den Emir tot een edel besluit brengen. Ook al wilde de Emir

den dood niet van Sidi Lupton, toch droeg hij schuld aan diens

ongelukkig einde.

Lord Lister No. 0052: De krijgsschat van de Roghi · 第 1 / 4 段