II.

Ik sloot mijn vorigen brief over Korea zonder veel van Seoul en

het land zelf verteld te hebben, maar ons verblijf was er te kort

om er veel van te zien. Het waren slechts indrukken, die wij in den

trein en aan de stations en gedurende ons 1 1/2 dag verblijf in Seoul

opdeden. Maandagmorgen zetten wij onze reis naar Fusan voort, om van

daar met de nachtboot door te gaan naar Shimoniseki, een havenplaats

in Japan. Gedurende den geheelen dag hadden wij nog gelegenheid van

uit onze waggonraampjes het mooie, vruchtbare land te bewonderen en

de smakeloos gekleede menschen te zien.

Maar ook zagen wij de goede hygiënische zorgen der

spoorwegmaatschappij, die hier een Japansche is. Aan verschillende

stations, waar de treinen 5 minuten oponthoud hebben, wordt den

passagiers der derde- en tweede klasse gelegenheid gegeven, zich

frisch te wasschen. Een groote waschtafel met twaalf kranen, waaruit

stroomend water in losse koperen bakken, vloeit, geeft tegelijkertijd

een dozijn passagiers gelegenheid om zich te verfrisschen. Zeep en

een handdoek moet ieder zelf medebrengen of is voor een kleinigheid te

krijgen. Overal waar wij deze waschinrichtingen aantroffen, zagen wij

mannen, vrouwen en moeders met kinderen, handen, gezicht en dikwijls

ook het hoofd reinigen. Voor de eerste-klasse-passagiers waren

voldoende en zindelijk onderhouden waschgelegenheden in den trein.

Van Fusan naar Shimoniseki is een boottocht van twaalf uren, maar

deze overtocht van Korea naar Japan op het punt, waar de Gele Zee,

de Japansche Zee en de Stille Oceaan samenstroomen, is dikwijls zeer

onstuimig en de kleine bootjes, die dezen overtocht bewerkstelligen,

zijn niet altijd in staat tegen de moeilijkheden op te tornen, die

zich op hun weg kunnen voordoen. Wij kwamen na een onrustigen nacht

veilig aan wal, maar de boot, die den volgenden nacht ging, heeft

een zeer slechte reis gehad en heeft zijne passagiers in een geheel

verkeerde richting gebracht, zoodat zij in plaats van 's morgens in

Shimoniseki 's middags in Nagasaki aangeland zijn.

Wij zetten Dinsdagmorgen om 8 uur in Japan, het land van de Rijzende

Zon, voet aan wal. Daar de trein pas om tien uur uit Shimoniseki

zou vertrekken, hadden wij ruim gelegenheid om even per rickshaw het

geheele havenstadje, dat uit een lange straat bestaat, in oogenschouw

te nemen. Daar was niets bijzonders te zien; het was een Japansch

havenstadje, met Japansche bewoners, waarvan, zooals in elke havenstad,

velen zeer sterk een gemengde afkomst verraden.

Om twee uur kwamen wij aan het station Miyajima aan, onze eerste

plaats van oponthoud in Japan. Miyajima is een eiland; om er te komen,

moesten wij met het kleine electrische bootje van het Mikado Hotel

oversteken, of met de groote veerboot van de spoorwegmaatschappij

gaan. Het was mooi, stil weder, daarom verkozen wij de eerste.

Dit eiland is een heilig eiland en een van de drie mooiste punten van

Japan. De laatste renommé verdient het ten volle, want moeilijk kan

men zich op aarde mooier plekje grond voorstellen. Het is zeer berg-

en rotsachtig, doch geen enkele van de bergen reikt hooger dan vijf

à zeshonderd meter en dit geheel is met oeroude, dichte bosschen

bedekt. Wij zagen oude kamferboomen uit de 7e en 8e eeuw; en oude

waringinboomen, waarvan men den leeftijd niet kan aangeven. Maar

bovenal gaven de mapleboomen, die zich thans in hun prachtige

herfsttint vertoonen en waarvan er geheele lanen vol waren, iets

onbeschrijfelijk schoons aan dit eiland. De aardige, schilderachtige

Japansche huisjes, die zich over het geheele eiland nestelen tusschen

het kleurige groen, met de veelkleurig gekleede vrouwen en de snoezige,

spelende Japansche kindertjes, voltooiden het beeld, dat wij soms op

oude Japansche prenten kunnen bewonderen en dat dan den indruk maakt,

alsof de schilder zijn phantasie sterk heeft laten werken. Hier zagen

wij het in werkelijkheid.

De heiligheid van het eiland vindt zijn oorzaak in het feit, dat het

oorspronkelijk niets dan een grooten tempel, een Shinto-tempel, bezat,

en er toen alleen eenige Shinto-priesters leefden. Thans bevat het

ongeveer 3000 inwoners, die voor het grootste deel leven van de vele

Japanners en vreemdelingen, die jaarlijks dit eiland bezoeken en er

soms langen tijd vertoeven. Het Mikado-Hotel, waarin wij afgestapt

waren, is een uitstekend geleid en schilderachtig gelegen hotel,

dat als het ware de gasten lokt tot een lang verblijf. Wij begonnen

onmiddellijk onzen tocht over het eiland en bezochten den vermaarden

tempel. De groote poort, de Tor, zooals die hier genoemd wordt,

reikt bij vloed ver in zee, en maakt dan een zeer eigenaardigen,

grootschen indruk. Deze Tor komt bijna op alle Japansche illustraties

voor. Iedereen, die wel eens over Japan gelezen heeft, heeft ook

eene afbeelding van deze poort gezien. Allervreemdst zijn die

Shinto-tempels. Zij onderscheiden zich in bijna elk opzicht van de

Buddha-tempels, doch het onmiddellijk opvallend verschil is, dat er in

deze tempels geen afgodsbeelden zijn. De Shinto-godsdienst, dat is in

hoofdzaak de godsdienst der Japanners, bezit wel een legio afgoden,

eenige honderdduizenden, maar die zijn niet in de tempels in beeld

gebracht en behoeven niet aangebeden te worden. Het is eigenlijk de

gemakkelijkste godsdienst, die men zich denken kan. Slechts eens

in het jaar behoeven de belijders naar den tempel te gaan. Voor

het overige bevat hun zedeleer slechts dit ééne voorschrift:

"Volg uwe natuurlijke impulsies en gehoorzaam de voorschriften van

den Mikado". De Shinto-priesters zijn gewone menschen, die alleen

's avonds en 's morgens priesterdiensten vervullen, doch verder den

geheelen dag houtsnijwerk, beeldhouwwerk, boetseeren, schilderen of

zoo iets doen. Shinto is een Chineesch woord, dat "de Weg der Goden"

beteekent. Het is een mengsel van de vereering der natuurverschijnselen

en van voorvaders. Aether, lucht, wind, water, vuur, aarde en voedsel,

evenals sommige bergen, rivieren, boomen en dieren zijn heilig voor

de belijders van den Shinto-godsdienst. Terwijl wij in den tempel

waren, werden er achtereenvolgens twee kinderen gedoopt. Gedoopt is

misschien niet het goede woord, maar 't geeft toch het best weder wat

geschiedde. De moeders knielden met het jonge wicht op een mat neder,

een priester prevelde eenige woorden, waarbij hij herhaaldelijk

in de handen klapte, twee jonge meisjes, tempelmaagden, voerden

eenige bewegingen uit, waarbij ook zij in de handen klapten, toen

raakte de priester het hoofdje van het kind met een stuk papier,

waarvan er honderden aan een langen stok bevestigd waren, aan,

en de plechtigheid was afgeloopen. De moeder offerde daarvoor twee

kopercenten. Wij lieten ons naderhand door den priester dien doop

verklaren. Het papier, dat het hoofdje van het kind had aangeraakt,

bevat den naam van een god of godin. De geheele plechtigheid beteekent,

het kind een schutsengel te geven. De god, wiens naam op het papier

geschreven staat, is daarmede tot petevader over het kind aangesteld.

Een bijzonderheid van dit eiland is, dat er niemand mag sterven

of geboren worden. Als iemand ziek is en de dokters beginnen het

ernstig in te zien, dan moet zoo'n lijder van het eiland verwijderd

en ergens in een ziekenhuis opgenomen worden. Zwangere vrouwen

mogen de laatste maanden niet op het eiland doorbrengen en bij

eene ontijdige geboorte, wordt de moeder onmiddellijk met het, zoo

mogelijk nog ongeboren vruchtje, naar het naastbijzijnde stadje

overgebracht. Ook mogen er geen rijtuigen, van welken aard ook,

op het eiland komen. Zelfs geen rickshaws of rijwielen, zelfs geen

kruiwagen om de koffers der passagiers van het hotel naar de veerpont

te brengen. Iedereen moet er loopen, alles moet er gedragen worden. Dit

is de geest der heiligheid, die er heerscht. Er zijn natuurlijk tal

van legenden aan dit eiland verbonden, waarvan de gewichtigste is,

dat het aanvankelijk bewoond werd door drie godinnen, die daar door

haren vader naar toegezonden waren, om er voor eeuwig te verblijven

en zijne keizerlijke nakomelingen bij het regeeren van het land met

goede ingevingen te dienen. Het is vreemd hoe in een land, waar de

vrouwen zulk een belangrijke geschiedkundige rol hebben gespeeld,

de vrouw in het dagelijksche leven zoo geminacht, achtergesteld en

minderwaardig geacht wordt. Er is misschien geen volk in de wereld,

dat zooveel godinnen aanbidt als de Japanners en waar al de machtigste

en wijste regeerders vorstinnen waren. En toch is de plaats, die de

vrouw hier wettelijk, maatschappelijk en huiselijk inneemt, een zeer

lage. Polygamie is ook hier schering en inslag; wel is waar mag,

evenals in China, elke man slechts één wettige vrouw hebben, maar

het aantal bijwijven, dat hij kan nemen, is ongelimiteerd, de grens

daarvan reikt zoover als zijn portemonnaie gaat.

Wij bleven tot Donderdagmorgen in Miyajima en vertrokken toen naar

Kobe. De zee was 's morgens zoo onstuimig, dat het electrische bootje

niet kon gaan, zoodat wij met de veerpont overgezet moesten worden,

's Middags kwamen wij in Kobe aan. Een mooie, groote havenstad,

met vele schilderachtige punten, een paar mooie watervallen, sommige

mooie bergwandelingen, eenige oude, doch goed onderhouden tempels en

vele mooie winkelstraten met winkels, die men graag leeg zou willen

koopen, als de beurs geen grenzen stelde. Het is alsof elk stuk werk,

dat uit de handen van een Japanschen werkman komt, een kunstartikel

is, alles ziet er even volmaakt artistiek uit.

Het Cloisonné-, Satzuma- en Damascenewerk, dat alleen menschen met

een groote mate van artistiek gevoel en aanleg kunnen uitvoeren,

is alleen te vervaardigen in een land, waar het volk artistiek van

aard en met kleine loonen tevreden is, want een kunstartikeltje, dat

nu voor tien of twintig yen (een yen is ongeveer f 1,25) te koop is,

zou anders honderden moeten kosten. Wij hebben het proces van deze drie

kunstwerken gezien en de mannen bewonderd, die het uitvoeren. Het is

op porselein of op metaal schilderen van de fijnste figuurtjes. Een

klein bakje, waarin vijf tot achthonderd bontgekleurde vlinders of

Japansche figuurtjes voorkomen, die door een loup gezien, alle de

grootste volmaaktheid bezitten, is geene bijzonderheid. Doch ook het

ivoorwerk is, wat het snijwerk betreft, eenig in zijn soort. Voeg

daarbij het borduurwerk op zijde, linnen en katoen, het prachtige

kantwerk, het goudlakwerk, het kunstbloemen maken en nog zooveel mooie

zaken meer, wat alles hier voor de winkelramen te bezichtigen viel,

dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat twee vrouwelijke vrouwen,

als mijne lieve metgezellin en ik, den anderhalven dag, die wij voor

Kobe bestemd hadden, veel te kort vonden. Doch wij moesten Zaterdag

verder, want sedert wij Hongkong verlaten hebben, heeft geen mail

ons kunnen bereiken en wij wisten, dat in Yokohama 'n groot aantal

brieven op ons lag te wachten. Wij besloten daarom regelrecht naar

Yokohama door te sporen en vandaar uit Japan verder te bezoeken.

Wij hadden den extra-prijs van 3 yen boven onzen vaarprijs aan het

station in Kobe betaald en daarmede het recht gekocht tot Yokohama

een plaats in den observatiewagen in te nemen. Deze wagen, die achter

aan den trein is gehaakt, een flink, ruim achterbalcon met vier

zitplaatsen heeft, van gemakkelijke fauteuils is voorzien en groote,

heldere spiegelruiten bezit, biedt den reizigers alle gelegenheid

om op de meest gemakkelijke wijze van het prachtige landschap te

genieten, dat onophoudelijk aan het oog voorbij trekt. De bosschen

en bergen, de zee, de rivieren en de meren, de artistiek aangelegde

tuinen, de kleine aan den weg liggende dorpjes, alles ziet er even

verrukkelijk mooi uit. Men wordt den geheelen dag het uitzicht niet

moede. De spoorwegmaatschappij heeft de voorzorg genomen, om op deze

lijnen, waar zij observatiewagens verschaft, de zuiverste steenkool

te gebruiken, zoodat men ongehinderd op het balcon kan zitten, zonder

door zware rookwolken gehinderd te worden. Wij beiden droegen een

licht linnen reispak, dat geen spatje vertoonde toen wij 's avonds

in Yokohama aankwamen.

Wij zijn hier in een bijzonder mooien tijd aangekomen. Het is de tijd

van de bloeiende chrysanthemums en van de mapleboomen. Ik had gedacht

hier veel mooier chrysanthemums aan te treffen, dan ik ooit in Holland

zag, maar daarin ben ik zeer teleurgesteld. De gekweekte chrysanthemums

zijn niets mooier dan de onze. Ik heb in de groote bloemenwinkels

van Amsterdam dikwijls veel mooier gekleurde en gevormde soorten

gezien, dan hier. De bijzonderheid is echter de mooi getinte en bijna

overal voorkomende wild-groeiende chrysanthemums. Die verlevendigden

thans bijna overal het landschap en veroorzaken een allerkleurigst

effect. De mapleboomen, die zich thans in herfsttint vertoonen, zijn

zoo schitterend mooi, dat ik telkens meen, kunstmatig aangebrachte

tinten te zien. Het is zoo'n schitterend roodbruin, als wij bij onze

herfstbladeren nimmer zien.

Wij genoten van dit alles nog eens recht, toen wij Zondagmiddag

een automobieltocht maakten van Yokohama naar Kamakura. Het was een

prachtige Octoberdag; een prachtige najaarszon vroolijkte over de

bont getinte boomen en had tal van Japansche moedertjes met hare

poppige kindertjes naar buiten gedreven. Die kleine kinderen zien

er uit als bont gekleurde vlinders, ieder op zich zelf vormt een

schilderijtje. Sommige heele gezinnen hadden zich nog eens op dezen

mooien najaarsdag opgemaakt om van de mooie natuur gezamenlijk te

genieten. Vaders en moeders met al hun kroost trokken soms gezamenlijk

er op uit. Wij zagen een vader, die zijn twee jongste spruiten

ieder in een mand gezet had en zoo aan een juk over zijn schouders

medevoerde. Verscheidenen droegen in de eene mand de proviand voor

dien dag buiten en in de andere, om 't evenwicht te maken, zat de

zuigeling. Maar in den regel gaat het kleintje op den rug van moeder

of op die van broertje of zusje gebonden mede naar buiten.

In Kamakura was natuurlijk weder een oude tempel te zien, maar de

bijzonderheid daarvan is, dat er een 16 meter hoog Buddhabeeld,

een bijzonder mooi bronzen beeld, in aanwezig is. Er waren in

Kamakura tal van tempels, die alle Buddhist-tempels zijn. Naast den

Shinto-godsdienst bestaat in Japan de Buddhist-godsdienst. Het is

echter een Buddhisme, dat van uit Burma naar Britsch-Indië, vandaar

over Thibet naar China kwam en van China over Korea Japan bereikte. Op

dien langen tocht, waarvoor vele eeuwen noodig waren, alvorens Japan

bereikt werd, heeft het Buddhisme veel van zijn waar karakter verloren

en een eigen Japansch karakter aangenomen. De Shinto-godsdienst en

het Buddhisme schijnen zich altijd goed verdragen te hebben; vele

Japanners zijn gedurende hun geheele leven Shinto's, doch laten zich

op Buddhistische wijze begraven. In den Hachimantempel, den tempel,

die aan den God van den oorlog gewijd is, genoten wij vooral van het

prachtige uitzicht. De berg Fuji, de hoogste en de heilige berg in

Japan, was zeer duidelijk te zien.

Toen wij 's avonds in het hotel teruggekeerd waren, wachtte ons

beiden een groote bundel brieven, die zich gedurende zes weken hier

opgestapeld hadden. Voor beiden was de inhoud van vele dier brieven

ongeveer gelijkluidend. Men wenscht ons in het land terug, er is te

veel te doen voor de thuis zijnde werksters, enz., enz., waardoor wij

beiden den indruk kregen, dat het zelfzuchtig van ons zoude zijn,

indien wij onze reis niet gingen bekorten en terugkeerden om de

vrienden bij te staan in het werk, dat op het oogenblik in eigen land

aller krachten vordert. Dientengevolge was Maandagmorgen ons eerste

werk naar de verschillende kantoren te gaan om onze tehuisreis voor

te bereiden. Mrs. Catt kan eerst op de boot, die 19 Oct. van hier

vertrekt naar San Francisco afreizen en heeft die plaats besproken,

terwijl ik dan den volgenden dag per Trans-Siberische lijn naar

Holland kom. Wij hebben nu nog anderhalve week in Japan, die wij zoo

goed mogelijk hopen te besteden. Tijd en lust om hier vergaderingen

te beleggen en voor vrouwenkiesrecht te werken, ontbreekt ons geheel,

zoodat wij de propaganda voor de goede zaak in Japan tot later zullen

uitstellen. Japan is waard voor 'n tweeden keer bezocht te worden en

via Rusland is de afstand zoo klein geworden, dat men tegen de reis

niet behoeft op te zien.

Ik ga dezen brief nu eindigen, omdat de mail weldra gesloten

wordt. Over 't geen ik hier nog zie en wedervaar, zal ik nog het

een en ander in een volgenden brief melden, al bereikt die dan ook

Holland niet, vóórdat ik zelf daar aankom.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 128 / 133 题