Ik zou eigenlijk boven dezen brief: "In Korea" moeten schrijven, maar
daar dit land sedert 1910 eene Japansche bezitting is geworden, kan ik,
't geen ik over Korea te zeggen heb, gevoegelijk onder bovenstaand
hoofd rangschikken.
Wij verlieten Mukden met den nachttrein en arriveerden des morgens
om 7 uur aan het eerste station in Korea. Al dadelijk toont dit land
een groot verschil met China en met alle landen, die wij tot dusver
gezien hebben. De huizenbouw, de vegetatie, de aan den weg liggende
dorpjes en steden, doch vooral de menschen, verschillen van al het
vroeger geziene. Deze menschen zien er uit, alsof zij nooit met de
Westersche volken in aanraking zijn gekomen. Zij zijn gekleed, maar zoo
vreemd, zoo leelijk, zoo slordig, alhoewel zindelijk, dat ik gerust
kan zeggen, nooit menschen gezien te hebben, die zich smakeloozer
kleeden dan dezen. De mannen zien er in hun witte, wijde, bij de enkels
vastgebonden, broekspijpen en hun lange witte nachthemden, met op hun
hoofd een bespottelijk klein hoog heerenhoedje, dat onder de kin is
vastgebonden, precies uit als een clown in een circus. Zijn zij in rouw
over een familielid, dan dragen zij als hoed een grooten rieten korf,
die tot over hun schouders reikt en het geheele gezicht bedekt. Sommige
menschen komen bijna hun geheele leven niet uit den rouw, want elke
rouw duurt drie jaren en in een groote familie sterft er allicht één in
de drie jaren. In zoo'n rouwtijd mag een Koreër geen feestelijkheden
bijwonen en ook niet trouwen; in den trein vertelde ons een heer,
dat het in zijne familie was voorgekomen, dat een man daardoor 15
jaar op zijne vrouw heeft moeten wachten,--en bruid en bruidegom mogen
elkaar in dien tijd niet zien--en toen de tijd van trouwen eindelijk
was aangebroken, stierf de bruid. De vrouwen dragen ook die lange,
witte, wijde broekspijpen, daar overheen een rok, die eigenlijk een
groote boezelaar is, zooals onze ouderwetsche dienstmeiden droegen,
toen ze nog flink moesten werken in de gezinnen, een boezelaar, die
van voor tot achter den geheelen omvang beschermt. Deze boezelaar
is ook wit en tot onder de borsten opgeschort, en op een slordige
manier met een band vastgemaakt. Daarover wordt een kort, wit jakje
gedragen, dat meestal niet verder reikt dan tot aan de borsten, zoodat
deze vrouwelijke waardigheden ongegeneerd, voor elkeen zichtbaar,
naar buiten hangen. Loopen deze dames in zonneschijn, dan dragen zij
over het hoofd een wit laken, of ook wel een gekleurde, wijde mantel,
waarmede hun geheele gezicht en ook het lichaam bedekt wordt. Als
zoo'n juffrouw onverwachts in een onzer dorpen zou verschijnen, dan
zou zij ongetwijfeld voor een spook worden aangezien, zij zien er
evenzoo uit. Mannen en vrouwen in Korea zijn leelijk; alleen onder
de hoogere standen hebben wij een beetje knapper menschen gezien.
Hoewel deze menschen uiterlijk niet onze sympathie konden wekken,
voelden wij toch een sterk medelijden met hen, omdat zij nooit
tot welvaart hebben kunnen komen, doordat nu eens China, dan weder
Japan, en dit laatste land vooral, den baas over hen speelden en hen
uitmergelden, zooveel zij konden. De bevolking heeft zich altijd meer
op landbouw dan op industrie en militairisme toegelegd, en is nooit
bij machte geweest China of Japan te bestrijden, wanneer die met
onmogelijke eischen tot hen kwamen. Tot voor 30 à 40 jaren woonden
in hun land geen Europeeërs (een enkeling uitgezonderd) en gingen de
Koreërs niet naar Europa, om kennis op te doen.
Thans is dit anders. Velen gaan naar Amerika of Europa, om onderwezen
te worden. Zendelingen, vooral Amerikaansche zendelingen, hebben nu
groote hospitalen en vele scholen gesticht, waarmede zij een enorm
succes onder de bevolking hebben. Laat men hen ongehinderd doorwerken,
dan zal binnen niet al te langen tijd de Christelijke godsdienst in
Korea algemeen doorgedrongen zijn. Japan of de Japansche regeering
schijnt dezen sterken Amerikaanschen invloed in Korea niet te wenschen
en tracht de zendelingen op alle mogelijke wijze te bemoeilijken. Een
van deze wijzen is de vervolging, die nu tegen tal van Christenen
is ingesteld.
Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul, de hoofdstad van Korea, arriveerden,
was daar juist de behandeling voor het gerechtshof van 123 Christelijke
beschuldigden afgeloopen. Tal van Amerikanen waren daarvoor uit Japan,
Peking, Shanghaï en zelfs uit Manilla overgekomen, om deze gruwelijke
zaak bij te wonen en te doen, wat mogelijk was, om de ongelukkigen te
helpen. Aanvankelijk had men ook Amerikanen gevangen genomen, maar
hoogst waarschijnlijk vreesde Japan moeilijkheden met de Vereenigde
Staten en heeft daarom den Amerikanen spoedig de vrijheid terug
gegeven.
Als men hoort en leest, zelfs in de Japansche, sterk verdraaide
verslagen, wat hier op het oogenblik in naam der gerechtigheid
geschiedt, dan gelooft men zich terug in de middeleeuwen en dan ziet
men, dat de meerdere beschaving, die Japan en de Japanners zich in de
laatste jaren verworven hebben, niets anders is, dan een oppervlakkig
vertoon, een beetje aangeleerde manieren, doch dat hart en geest nog
even verstokt barbaarsch zijn als bij alle andere Aziatische volken.
De 123 Christenen worden beschuldigd van politieke samenzwering en
van eene poging om den gouverneur-generaal van Korea, een Japanner,
te hebben willen dooden. Een jaar geleden zijn zij daarvoor gevangen
genomen, zonder vorm van proces, en alleen met de grootste moeite
en financieele offers hebben de vrienden en geestverwanten van deze
ongelukkigen gedaan gekregen, dat ten slotte hun zaak voor een open
gerechtshof in behandeling is gekomen. In het jaar, dat zij in de
gevangenis te Seoul hebben doorgebracht, en men moet de gevangenissen
hier kennen, om er al het verschrikkelijke van te begrijpen, heeft men
alle contact met familieleden, vrienden en geestverwanten verhinderd
en hen aan zulke folteringen blootgesteld, dat het een wonder is, dat
niet allen aan de gevolgen zijn overleden. Slechts één van hen stierf
en een ander is krankzinnig geworden. Zaterdag, voor het gerechtshof,
waar alle gevangenen met groote korven-hoeden, zoodat niemand hunne
gezichten kon zien, en zij van hunne vrienden geen troostende groet
of sympathie-uiting konden opvangen, twee aan twee vastgebonden,
werden voorgebracht, kwam de vreeselijke foltering aan den dag,
die men deze ongelukkigen heeft doen ondergaan.
Onder hen bevindt zich een man van invloed en fortuin, baron
Yung Chiho, een zeer vroom Christen, die aan het hoofd van de
Christengemeente in Seoul staat, en die overal in Korea de oprichting
van Christelijke onderwijs-inrichtingen zeer sterk met zijn geld
steunt. Hij wordt beschuldigd aan het hoofd der samenzwering te
staan, op grond van hetgeen hij predikt, waarin herhaaldelijk van een
"nieuw koninkrijk" wordt gesproken, wat in de ooren der Japanners
beteekent, een opstand tegen Japan om een nieuw koninkrijk Korea
te stichten. Zijne volgelingen worden beschuldigd de tegenwoordige
gouverneur-generaal te hebben willen dooden als begin van den
opstand. Onder dezen bevonden zich 40 schooljongens, leerlingen van
een zendelingenschool, waarvan 17 Zaterdag in vrijheid zijn gesteld, de
eenigen, wien dat geluk te beurt is gevallen. Baron Yung en 6 anderen
werden tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld, 19 tot 7 jaren, 40
tot 6 jaren en 43 tot 5 jaren. De veroordeeling geschiedde op grond van
de bekentenis, die zij allen in den loop van het jaar hebben afgelegd,
eene bekentenis, die door allen in de terechtzitting werd herroepen,
omdat zij die in de gevangenis hebben afgelegd na de meest onduldbare
folteringen, die zij te doorstaan hebben gehad. Die folteringen
beschrijven, kan ik niet, zij zijn de gemeenste, de gruwelijkste,
waarvan ik ooit gehoord heb. De familie en vrienden, die tal van
getuigen hadden medegebracht, om de onschuld van de veroordeelden te
bewijzen (enkelen van dezen bevonden zich in Amerika op den datum,
dat de voorgewende aanval op den gouverneur-generaal zou hebben
plaats gevonden) werd niet veroorloofd te spreken en zelfs de twee
Japansche advocaten, een paar Japanners, die geheel te goeder trouw
zijn, hebben geen verlof kunnen verkrijgen, om hunne verdediging
uit te spreken. Deze twee zullen nu trachten de zaak voor een ander
hof te doen behandelen en onderwijl zal de Amerikaansche pers groote
ruchtbaarheid geven aan het voorgevallene, om daardoor indirect invloed
op de Japansche regeering uit te oefenen. De Japanners vreezen op dit
oogenblik niets zoozeer dan hun goeden naam in de Vereenigde Staten
te verliezen, zij flirten met Amerika en wordt deze vervolging in alle
bijzonderheden in Amerika bekend, dan zal dit ongetwijfeld kwaad doen
aan de onderhandelingen, die beide landen onderling te voeren hebben.
Voor de Hollanders is de geschiedenis van Korea bijzonder interessant,
omdat eenige onzer landgenooten daarin een avontuurlijke rol
gespeeld hebben. Het was in 1627, dat eenige Hollanders daar voor
het eerst voet aan wal zetten. Een Amerikaansch schrijver, Griffis,
vertelt daarvan in zijne geschiedenis van Korea, "dat een groote,
blauwoogige, rood-gebaarde robuste Hollander, Jan Weltevree genaamd,
geboren in de stad De Rijp in Noord-Holland, in 1626 in Texel aan
boord ging van het schip "De Hollandia", met het doel schatten uit
Japan te halen. In 1627 aan de kust van Korea aangeland, ging hij met
eenige schepelingen aan wal om water te halen. Jan Weltevree werd toen
door de Koreërs gevangen genomen en als "een Zuidelijke wilde" aan
den koning van Korea ten geschenke gegeven. Deze witte man, die door
den koning als een "geest" beschouwd werd, die van veel waarde was,
werd niet gedood, maar, hoewel aan het hof gevangen gehouden, werd hij
daar met vriendelijkheid en zekere eerbewijzen behandeld. Gedurende
27 jaren heeft hij den koning als raadsman in allerlei zaken gediend."
"In 1653 verliet een ander schip het eiland Texel, ook bestemd voor
Japan. Aan boord van dit schip, "De Sperwer", bevond zich Hendrik
Hamel, die later de geschiedschrijver werd van hunne avonturen en van
die van Jan Weltevree. In 1654, gedurende een hevige typhoon, leed
dit schip, nabij de kust van Korea, schipbreuk, waarbij 36 van de 64
opvarenden levend aan land spoelden. Deze werden eerst met rijstwater
gelaafd en toen voor den koning gebracht, die hen door Jan Weltevree
liet ontvangen. Hoewel Jan in de groote neuzen, roode baarden en witte
gezichten, onmiddellijk zijne landgenooten herkende, kon hij in den
beginne toch niet met hen praten, omdat hij zijn moedertaal vergeten
was. Eerst na een maand omgang met deze Hollanders, kon hij zich weder
verstaanbaar maken. Ondertusschen beproefden deze 36 mannen eenige
malen te ontvluchten, wanneer zij een schip in zee zagen. Zij werden
echter telkens in hun vlucht verhinderd en als gevolg van deze pogingen
werden zij strenger bewaakt en meer als gevangenen behandeld. Zij
moesten aan het hof den koning amuseeren, de soldaten drillen en het
volk in allerlei industrie, die zij kenden, onderwijzen".
Van het leven van deze Hollanders, waarvan herhaaldelijk deze en gene
stierf, vertelt Griffis tal van bijzonderheden, totdat het ten slotte
de weinig overlevenden in den nacht van 4 September 1667 gelukte te
ontvluchten en met een kleine boot de kust van Japan te bereiken,
waar zij door de Japanners, toen zij zich als Hollanders hadden
bekend gemaakt, vriendelijk werden opgenomen. Den 20sten Juli 1668,
stapten zij in Holland aan wal.
Dit boek van Hendrik Hamel, dat ook in andere talen vertaald is
geworden, schijnt het eerste boek geweest te zijn, dat over dit land
en zijn volk met werkelijke kennis van zaken handelt. Langen tijd
heeft men gemeend, dat bij de beschrijving der menschen en toestanden
de fantasie van Hendrik Hamel een groote rol heeft gespeeld, maar
het blijkt ten slotte, dat alles naar waarheid is geboekstaafd en
dat dit boek thans nog dienst doet om vele onverklaarbare zaken tot
een oplossing te brengen. Griffis geeft onzen voormaligen landgenoot
alle eer van zijn werk en schijnt geen enkel neergeschreven woord in
twijfel te trekken.
Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul aankwamen, had daar juist eene andere
bijzonderheid plaats gevonden. Zes weken geleden was daar den broeder
van den ex-keizer gestorven en die was dien dag op oude Seoul'sche of
Korea'sche wijze begraven. Nog eenmaal kan eene dergelijke plechtigheid
in dit land plaats vinden, als namelijk de nog levende oude keizer
zelf sterft en begraven wordt. De begrafenis had plaats in de bergen
op ongeveer 15 mijlen afstand van Seoul, daar moest het lijk gebracht
worden door de volgelingen en niet voor Zondagavond kon de stoet van
daar terugkomen. Wij zouden dus gelegenheid hebben de terugkomst te
zien. Wij hoorden, dat men in Korea, evenals in China, twee of meer
doodkisten in de begrafenisstoet opneemt. In een ligt natuurlijk het
lijk, de andere kisten zijn leeg. Bij den ouden keizer in China,
begroef men twaalf doodkisten, deze broeder van den ex-keizer van
Korea had slechts een tweede kist, die hem vergezelde. De dragers
van beide kisten loopen dan eens rechts, dan eens links van den weg,
dan vlak voor elkaar, dan weer de een aan den een, de andere aan den
anderen kant van den weg. Dat geschiedt om de straatgeesten in de war
te brengen, zoodat die niet weten, tot welke kist zij zich te wenden
hebben als zij met kwade bedoelingen naderen.
Wij hadden voor Zondag den geheelen dag een Engelsch sprekenden
Korea'sche gids aangenomen, die ons alle bijzonderheden van Seoul moest
laten zien en er voor moest zorgen, dat wij 's avonds de terugkomst der
begrafenis in al haar bijzonderheden konden waarnemen. Den geheelen
dag brachten wij in tempels, parken, oude paleizen en in het museum
door. Vooral dit laatste is een bezoek overwaard. Het museum is door
de Japanners aangelegd en bevat tal van oudheden uit de geschiedenis
van Korea. Verreweg het grootste deel van al het aanwezige is in
oude graven gevonden of komt uit de paleizen der vroegere vorsten
en aanzienlijken. Alles is met zorg gerangschikt, van Japansche en
Engelsche etiketten voorzien, en ziet er goed onderhouden uit. Een
groot verschil met wat wij gewend waren in China van dien aard te zien.
's Avonds om acht uur, terwijl wij nog aan tafel zaten, kwam de
gids ons waarschuwen om mede te gaan, want de begrafenisstoet was
in aantocht. Door eene dichte volksmenigte, ik kan gerust zeggen,
dat heel Seoul dezen prachtvollen avond op de been was, gingen wij
in de rickshaws, ongeveer twintig minuten ver, tot wij even buiten
de stad aangeland waren. Daar was een groot open veld, aan drie
zijden met zeildoek omspannen, waarop met wit linnen bedekte tafels
en vele stoelen stonden, en tal van in het wit gekleede priesters
en Korea'sch en Europeesch gekleede heeren rondliepen. De gids ging
naar een der heeren, die onmiddellijk daarna met hem terugkwam, ons
vroeg uit de rickshaws te stappen en hem naar het veld te volgen. Daar
werd ons elk een stoel aangeboden en konden wij de geheele ceremonie
van nabij volgen. De Korea'sche heer, die vrij goed Engelsch sprak,
vertelde ons, dat de daar aanwezige heeren, voor zoover zij geen
priesters waren, allen behoorden tot de notabelen van de stad,
die óf nog het bestuur van de stad uitmaakten, óf vroeger onder
den ex-keizer eene staatsbetrekking hadden bekleed. Hij zelf was
legercommandant geweest. Deze heeren en priesters waren allen daar,
om den zoon van den overledene, die zijn vader begraven had, vóór
hij de stad weder binnenging, hunne sympathie te betuigen. De stoet
zou vóór het veld een oogenblik halt houden, de zoon zou uit zijn
draaistoel stijgen en op de overdekte mat, in een der hoeken van
het zeildoek neergelegd, de troostwoorden der vrienden in ontvangst
nemen. Op de tafels brandden tal van kaarsen en door groote houtvuren
werd de verlichting aangebracht.
Het werd ruim 9 uur alvorens de stoet naderde; eindelijk kwam de
voorrijder, een man met een groot vaandel op een prachtig paard. Hem
volgden dubbele rijen mannen en vrouwen te paard, die geheel in grauwe
zakken waren gehuld en luidkeels weeklaagden. Aan beide zijden van
dezen stoet liepen mannen met reuzen-groote roode lampions, die van
onder en boven een blauwen rand vertoonden. Daar tusschendoor liepen
mannen met fakkels, lange, brandende stukken hout, die zij meestal
over den grond sleepten, zoodat de vonken wijd en zijd uiteenspatten.
Achter dezen stoet kwamen de draagstoelen. In de eerste zat de oudste
en trouwste bediende van den overledene; in de tweede (zoo werd ons
verteld) lag een stuk papier, waarop de naam en de bijzonderheden van
den overledene geschreven stonden, in dien stoel zat dus zijn geest,
en daarachter volgde de stoel van den zoon. Deze stapte uit en ging ons
rakelings voorbij, naar de mat. Hij zelf was als priester gekleed en
een werkelijke priester liep en stond aan elke zijde van hem. Elk der
aanwezige heeren reikte hem successievelijk de hand en sprak een paar
woorden, zooals ook bij ons geschiedt, de priesters spraken eenige
gebeden uit en toen zette de stoet zich weder in beweging. Bij het
tweede gedeelte van den stoet liepen aan weerszijden vroegere Koreasche
soldaten als lampions- en fakkeldragers. Deze hadden groote, witte
lampions met roode randen. Tusschen de stoeldragers en fakkeldragers
in, liepen in het wit gekleede, met zwarte hoofddoeken bedekte vrouwen,
die luide weeklaagden. Een allerdwaast, fantastisch gezicht, leverde
het geheele schouwspel op, dat toch iets bijzonder tragisch had,
omdat het volk merkbaar voelde, dat met dezen doode een stuk van hun
geschiedenis grafwaarts daalde. Alleen nog de oude 67-jarige keizer
is van het oude vorstenhuis over, een man, die door het geheele volk
geliefd wordt, om zijn eenvoudigheid en goedhartigheid.
Al die weeklagende vrouwen, al die lampion-, stoel- en fakkeldragende
mannen, alle inzittenden in de draagstoelen, (achter den zoon van
den overledene volgde een heele stoet mannelijke familieleden en
nabestaanden) hadden op diezelfde wijze 30 mijlen afgelegd, sedert den
vorigen morgen, zonder dat zij gerust, gegeten of gedronken hadden;
zij moeten allen over een groot uithoudingsvermogen beschikken,
om die taak te hebben kunnen volbrengen.
De onderwerping aan Japan bevalt den Koreërs geenszins; Japan zal
rechtvaardiger, beschaafder en wijzer moeten optreden, wil het op
den duur de genegenheid van het volk verwerven.