Ik wil dezen brief beginnen met een praatje over de kleeding der
Japanners; dat is hier wel de moeite van eene korte beschrijving
waard. Beginnen ook in de hoogere standen de heeren--en ook enkele
dames--zich Europeesch te kleeden, verreweg het grootste aantal
der bevolking draagt nog de typische Japansche kleeding. Die is
voor de vrouwen schilderachtig mooi, maar onpractischer kan ik mij
haast niets voorstellen. Zij is goed geschikt voor nietsdoende,
thuiszittende dames, maar de vrouwen nemen hier aan heel veel arbeid
deel en daarbij hindert hare kleeding op allerlei wijze. De mooie,
lange kimono, met hare ellenlange mouwen, die door 'n breeden band
om het middel vastgebonden wordt, hindert in elke armbeweging en
maakt een geregeld loopen onmogelijk. Schuifelend, met binnenwaarts
gekeerde voeten, moeten de vrouwen zich voortbewegen, anders slaat de
kimono van onder open en laat dikwijls een paar ongegeneerde bloote
beenen zien. Als schoeisel dragen de dames op straat houten klompjes,
zoo eenvoudig als men zich maar voorstellen kan. Een vierkant plankje
met een lint, dat tusschen den grooten en tweeden teen door gaat,
en onder het plankje van voor en achter een paar klosjes, dat is
alles. Als het regent en de straten zijn vol modder, dan worden
klompjes gedragen, die minstens tien centimeter hoog zijn, zoodat
de modder hoog moet spatten, wil zij de voetjes der kleine Japansche
bevuilen. Allergrappigst trippelen ze op die hooge houtjes voort.
Hoeden worden door de dames niet gedragen; heur mooi zwart haar is
altijd smaakvol opgemaakt en met gekleurde spelden, een bloem of een
strik verfraaid. Alleen bij de vrouwen uit 't volk ziet men soms
hoofddoeken, die meestal van witte stof zijn, doch die met blauwe
en roode bloemen of figuren geborduurd, aan het mooie gezichtje een
frissche omlijsting geven.
De mannen dragen ook kimono's, die oogenschijnlijk gelijk zijn aan
die der vrouwen, doch op verre na niet zoo lang. Zij zijn meestal van
een effen en stemmige tint, maar de band om het middel is dikwijls
ook van een heldere kleur. Veel ziet men hier ook de divided skirt,
de rokbroek zegt men bij ons, door de mannen dragen. Deze is precies
zoo als zij een kwart eeuw geleden door sommige dames in Europa
en Amerika gedragen werd en later op de fiets nog wel eens dienst
deed. Of de vrouwen dit model uit Japan hebben overgenomen, of dat
de Japanners het van de Europeesche dames hebben afgezien, weet ik
niet met zekerheid te zeggen. Voor de laatste onderstelling pleit,
dat men deze dracht het meest bij schooljongens en bij het onderwijzend
deel der bevolking ziet. Het zou mij niet verwonderen, als het door de
Amerikaansche zendelingen hier op de scholen was ingevoerd. Deze zijn
het ook die begonnen de meisjes een eenvoudig rokje over de kimono te
laten dragen en deze laatste een eind te bekorten, zoodat de kinderen
vrij kunnen loopen. Deze rokjes zijn nu overal op de scholen ingevoerd,
en worden ook door de onderwijzeressen gedragen.
Nu ik toch over kleeding schrijf, wil ik er wat over Europeesche
kleeding aan toevoegen. Het wemelt in Yokohama van kleermakers,
voor heeren zoowel als voor dames. Niemand komt hier, die zich niet
in een paar dagen eenige pakken of japonnen laat maken. Of men ze
noodig heeft of niet, men bestelt hier. In 24 uur maakt men hier een
of ander zijden damescostuum, vol met de hand geborduurd garneersel
en betaalt daarvoor niet meer dan men thuis voor maakloon gewoon is
te geven. Geen Amerikaansche dame of heer gaat van hier, die niet
eerst zijn heele garderobe vernieuwt. Het zijn allen Chineezen, die
dit meesterwerk leveren. Het borduren geschiedt alleen door mannen,
die soms met vijf tegelijk aan één patroon werken. Ook deze borduurders
zijn meestal Chineezen, alhoewel er ook vele Japanners onder hen zijn,
doch de Chineezen leveren verreweg het knapste werk.
Nadat wij in Yokohama nog verschillende uitstapjes in de omgeving
gemaakt hadden, togen wij naar Tokio, de hoofdstad van Japan, waar
tegenwoordig ook de regeering zetelt en de keizer woont. Slechts een
half uur behoeft de trein, om de menschen van Yokohama naar Tokyo over
te brengen. En daar komt men dan in een geheel andere omgeving. In
eerstgenoemde stad wonen duizenden Europeanen van allerlei landaard en
zeer vele Chineezen, daar is het centrum van zakendoende menschen, de
handelsstand deelt er de lakens uit, terwijl in Tokio de staatslieden,
de regeeringspersonen leven, en de adelstand en de voorname Japanners
er de hoofdpersonen zijn. Het geheele aantal Europeanen, dat in Tokio
woont, is nog geen 150. Men verwacht hier dus een Japansche stad bij
uitnemendheid te vinden, maar daarin wordt men teleurgesteld. De
omgeving van het keizerlijke paleis, het paleis zelf mag men niet
bezichtigen, de verschillende groote regeeringsgebouwen, de groote
handelsbanken en kantoren, de groote winkels, de openbare bibliotheek,
het post- en telegraafkantoor, etc., ziet er alles echt Europeesch
uit of laat mij liever zeggen, zijn meestal trouwe nabootsingen van
hetgeen Amerika op dit gebied levert. Er is natuurlijk nog een groot
gedeelte oude stad, waar men het Japansche leven nog in ongerepten vorm
kan bewonderen, maar dat zal niet zoo heel lang meer zijn, want Japan
en de Japanners zijn haastig bezig zich te veramerikaniseeren en te
vereuropiseeren. De Engelsche taal wordt op alle scholen onderwezen en
voor de reeds opgegroeide jeugd zijn avondscholen, waar uitsluitend
Engelsch onderwezen wordt. In alle winkels, in treinen en trammen
spreken dan ook de bedienden en conducteurs min of meer goed Engelsch.
Er is op het oogenblik in Tokyo een koloniale tentoonstelling,
waar de producten, de menschen en alles wat de koloniën opleveren,
tentoongesteld worden. Dat is een zeer leerzame tentoonstelling, die
een goed beeld geeft van het leven en de ontwikkeling der bevolking
in de Japansche koloniën. Wij zagen er de Ainu's, die in Yezo leven,
het Noordelijkste punt van Japan, en die, volgens sommige schrijvers,
de oorspronkelijke bevolking van Japan uitmaakten. Het is nog een
zeer primitief volk. De mannen zijn breed en zwaar gebouwd, met
lange, zwarte of grijze baarden, en zeer klein van gestalte. Zij
gelijken precies op de kaboutermannetjes, die in steen zooveel in
onze tuinen voorkomen. De vrouwen zijn leelijk en hebben bijna allen
zware snorbaarden, waarvan de punten naar beneden hangen of over de
wangen naar boven gekeerd zijn. Korea wordt nu ook onder de Japansche
kolonies gerangschikt en was goed vertegenwoordigd. Wij brachten op
deze tentoonstelling een heelen middag zoek, omdat het ons zoo'n
goed beeld van den vooruitstrevenden geest der Japanners gaf. Den
geheelen middag waren tal van onderwijzers en onderwijzeressen met
geheele klassen kinderen in de verschillende afdeelingen aanwezig,
om den kinderen aanschouwelijk onderricht te geven in hetgeen Japan
op dit gebied vermag. Een der onderwijzers vertelde ons, dat voor
alle scholen in Japan vrij entrée op deze tentoonstellingen is. Ook
wij hadden slechts een minimum entrée te betalen.
Een anderen middag, toen wij met onzen gids tal van tempels en
dergelijke merkwaardigheden gezien hadden en wij moede waren, bracht
hij ons in het clubgebouw van voorname Japanners, de Mapleclub. De
heeren dezer club veroorloven den gidsen overdag vreemdelingen daar te
brengen om hun mooi gebouw te doen bewonderen en zich door de Geisha's
van thee te laten bedienen. Het was een typisch Japansch gebouw met
grooten tuin. Wij kregen slofjes over onze schoenen, doch de gids moest
zijne schoenen uittrekken, en zoo werden wij rondgeleid. Wij troffen
het, dat eenige Geisha's juist onderricht in muziek kregen en in een
andere kamer vijf anderen dansles hadden. Het muziekonderricht werd
door een man gegeven en kwam ons vrij primitief voor. Op onmogelijke
instrumenten werden leelijke geluiden voortgebracht en nog leelijker
gezongen. Maar de dansles was allervermakelijkst. Een oude vrouw
gaf het onderricht. Dit vrouwtje was gewis tusschen de 60 en 70
jaar, maar was nog zoo lenig, vertoonde in elke beweging nog zooveel
gratie, dat het hoogst interessant was, haar gade te slaan. Zij deed
elke beweging voor en gaf steeds, in voor ons onverstaanbare taal,
eene verklaring van de beteekenis der beweging. Een paar andere
meisjes gaven de maat aan, spelende op een guitaar, maar het oude
moedertje zong de melodie al dansende. Zij moet in hare goede jaren
eene betooverende Geisha geweest zijn, want nog vertoonde zij, bij
al hare gratie, mooie regelmatige gelaatstrekken. Er waren twintig
Geisha's in dit clubgebouw, waarvan er velen ware schoonheden zijn,
die den heerenclubleden op alle mogelijke wijze het leven moeten
veraangenamen. Wij zagen er zelfs twee kindertjes van tien jaren, die
nog geen vollen dienst doen, maar voor het vak worden opgeleid. Toen
wij alles gezien hadden, vlijden wij ons in een der vertrekken op
Japansche wijze op den grond neder en ontvingen elk een geurig kopje
groene thee met een paar rijstkoekjes, waarvoor dit huis bijzonder
gerenommeerd is.
Toen wij in het hotel teruggekeerd waren, vroegen eenige daar ook
vertoevende Amerikaansche dames ons, om ons met haar dien avond te
vereenigen om in een der gerenommeerde theehuizen een Geishadans te
laten organiseeren. Sommige theehuizen geven daartoe de gelegenheid en
laten daarvoor van 10 tot 30 Yen betalen, onverschillig hoe groot het
gezelschap is, dat komt zien en luisteren. Zoo'n voorstelling duurt
ongeveer anderhalf uur. Om 9 uur ging het heele gezelschap dames met
één gids in rickshaws (rikisha, zal ik in Japan moeten schrijven) naar
het aangegeven theehuis. Zoo'n lange rij rikishaas is in Japan bij
avond op zich zelf reeds een mooi gezicht, omdat elk voertuigje door
bont gekleurde lampions verlicht wordt. Aan het theehuis aangekomen,
werden wij door een bijdehante madam zeer hartelijk ontvangen. Zij
liet ons allen 'n paar bonte slofjes over onze schoenen aantrekken,
door lieve kinderen geholpen en daarna mochten wij den drempel
van haar heiligdom overschrijden. Nu werden wij naar boven geleid,
waar wij ons allen op den matten vloer neervlijden, met een klein
bankje voor rustpunt voor de armen en toen werd ons door de poppige
kindertjes de Japansche groene thee met Japansche rijstkoekjes
voorgediend. Ieder kreeg zijn eigen mooi-gelakt blaadje met klein
theepotje en kopje en koekjes voor zich en kon zich daarvan naar
believen bedienen. Onderwijl hadden de Geisha's zich voor den dans
gereed gemaakt en waren de muziekinstrumenten opgesteld. Het was
heel mooi en heel interessant, wat wij te zien en te hooren kregen,
maar mrs. Catt en ik vonden het zeer veel gelijken op de Javaansche
gamelang en de Javaansche danseressen, zooals wij het op Java gezien
hebben. In elk geval houden beide nauw verband met elkaar. Tusschen
de dansen van de Geisha's in, gaven de kinderen, leerling-Geisha's,
ons verschillende van hare dansen te zien. Dat was echt mooi door
den eenvoud en de gratie. Dit is echter volkomen gelijk aan wat in
Zwitserland, door Dalcroze, is ingevoerd en van daar nu ook in ons
land grooten opgang maakt. Het waren in beeld gebrachte fabeltjes of
kindervertellingen, die allerguitigst aanschouwelijk werden gemaakt.
De gids zelf gaf ons van elken dans vooraf eene korte
verklaring. Hebben Isidore Duncan en Dalcroze in Azië hunne eerste
indrukken opgedaan, die hen leidden tot eene hervorming van den
Europeeschen dans, is een vraag, die onwillekeurig tot ons komt, als
men de pogingen van deze twee artisten gadeslaat en de volmaaktheid van
't geen zij beoogen in verschillende Aziatische landen voor zich ziet.
Van Tokyo uit, gingen wij twee dagen naar boven, naar Nikko. Dit is
een ander van de drie mooiste punten van Japan en in dit seizoen,
door de tot den top begroeide bergen met Mapleboomen, zeer bijzonder
prachtig. Wij hadden ons van het natuurschoon in Nikko zeer veel
voorgesteld, omdat wij er aanhoudend van gehoord en gelezen hebben,
maar wat wij zagen overtrof onze stoutste verwachtingen. Men staat
eenvoudig ademloos te kijken naar alles rondom, en weet geen woorden
te vinden, om zijne indrukken weder te geven. De natuur is daar
onbeschrijfelijk grootsch. En in die schoone omgeving heeft Japan
zijne prachtigste tempels, die als kunstgewrochten wedijveren met de
schoonheid der natuur waarin zij zich bevinden. Ook de geschiedenis,
aan deze tempels verbonden, is zoo belangrijk en geeft elk onderdeel
eene historische waarde. Voor de Hollanders is het interessant
te weten, dat de mooiste bronzen, reuzengroote candelabre, eene
Hollandsche kandelaar is, een prachtig oud-Hollandsch model, die
ruim 300 jaren geleden door de Hollandsche handels-compagnie in Japan
den Shogun ten geschenke is aangeboden, met het doel, om in één der
tempels van Nikko geplaatst te worden. De tweede in grootte en pracht
is een kandelaar door de bewoners van Yezo den Shogun aangeboden;
deze is ook in Holland vervaardigd en moest dienen als pendant van den
eerstgenoemden. Vreemd is zeker, dat deze twee prachtige candelabres
nimmer zijn opgehangen, doch door een steenen omhulsel beschermd,
bij den ingang van den tempel tentoongesteld zijn.
De tempels in Nikko leveren een aardig mengsel van den Shinto-
en den Buddhistengodsdienst. Het zijn Shintotempels met de Shinto
Tori er voor, doch met de Buddhabeelden binnen in. Men kan in
deze tempels tezelfdertijd de Godin van de Zon, of den God van den
Wind, of een ander afgodje aanbidden en Buddha met zijne discipelen
verheerlijken. Ook de priesters leveren zoo'n heerlijk mixtum. Het
zijn mannen, die zich geheel aan het priesterschap wijden, geen ander
werk verrichten om den kost te verdienen, doch die gewoon wereldsch
getrouwd zijn en een of meer vrouwen en kindertjes bezitten. Deze
vrouwen doen dan dikwijls dienst als tempelmaagden, dat is te zeggen,
zij zitten in een wit gewaad op een mat voor een tempelingang en voeren
min of meer een dans uit, als men een paar centen of een dubbeltje
op de voor haar liggende mat gooit. Wij offerden het dubbeltje, toen
stond de tempelmaagd op, die een hoogst zwangere vrouw bleek te zijn,
voerde eenige ronddraaiende bewegingen uit, accompagneerde zich zelve
met een in de rechterhand dragend belletje en maakte met de linkerhand
eenige ongracieuse handbewegingen.
Ook in Nikko zagen wij, vooral den Zondag, weder tal van schoolkinderen
met de hun begeleidende onderwijzers en onderwijzeressen. Elk deel
van de tempels werd hun verklaard; telkens zagen wij eene klasse
neerhurken en hoorden dan den voor hen staanden onderwijzer eene
uitlegging geven van wat de volgende tempel voor historische beteekenis
heeft en welke onderdeelen het meest te bewonderen zijn.
Een van de karakteristieke bijzonderheden van Nikko is de Roode
Brug. Dit is een heilige brug, waar niemand over loopen mag. Alleen
de vroegere Shoguns en nu de Mikado en bij heel enkele bijzonderheden
de hooge priesters mogen hunne voeten op deze brug zetten. Aan deze
brug is natuurlijk eene geschiedenis verbonden, die fabelachtig
genoeg klinkt, doch die door de Japanners toch als waarheid wordt
aangenomen. Heel erg verkort komt zij daarop neder, dat eene der
Japansche heiligen, Södö Shöhun, eens in zijn droom vier wolken zag,
die hem noodigden te volgen. Hij maakte zich onmiddellijk gereed, om
dat bevel op te volgen en liep dagen achtereen over bergen en dalen tot
hij ten slotte kwam voor den grooten, snelvlietenden stroom, waar nu
de brug staat. Daar kon hij niet verder. Hij ging bidden om hulp. Na
lang genoeg gebeden te hebben, verschenen twee roode draken, die van
beide oevers zich verhieven en boven het midden van den stroom zich
vereenigden. Onmiddellijk zag Shöhun, dat dit de brug was, waarover
hij gaan moest, en aan de andere zijde gekomen, merkte hij de plek, om
daar later een roode brug te bouwen. Dit is nu de mooie, boogvormige,
prachtig roodbruin gelakte roode brug, die met het veelkleurige groen
boven, en den witschuimenden stroom onder zich, een schilderachtig
geheel vormt. De twee dagen, die wij in Nikko doorbrachten, waren
juist genoeg om een onvergetelijken indruk achter te laten en den
wensch te vestigen er nog eens voor langeren tijd te mogen vertoeven.
Toen wij van Nikko weder in het Imperial-hotel in Tokyo aangeland
waren, vonden wij daar eenige kaartjes van Japansche dames, die
onze namen in de lijst der gasten van het hotel vermeld hadden
gezien en getracht hadden ons te bezoeken. Het was ons eerste werk
den volgenden morgen, om deze visites te beantwoorden. Het eerste
bezoek, dat wij brachten, was bij mad. Ma Tsuruda, die een private
hoogeronderwijs-inrichting voor meisjes heeft, doch wier school door
de regeering erkend is, zoodat de diploma's aan haar school behaald,
gelijk gesteld zijn met de regeerings-diploma's. Hoewel mad. Tsuruda
hare leerlingen, meisjes van 16 tot 20 of 22 jaar, hoofdzakelijk tot
onderwijzeressen voor hoogere- en middelbare scholen opleidt, zijn er
toch ook vele meisjes uit de voorname standen onder hare leerlingen,
die eenvoudig de school bezoeken, voor meerdere ontwikkeling. Wij
hoorden van deze interessante Japansche vrouw, die hare opleiding
in Engeland heeft genoten, vele bijzonderheden omtrent het leven en
het werken der moderne Japansche vrouwen, die op het oogenblik eene
geheele hervorming door maken en over niet al te langen tijd met
de Europeesche vrouwen op één lijn gesteld kunnen worden. Voor de
politieke rechten der vrouw, wordt in Japan nog niet veel gevoeld,
wat verklaard moet worden uit het feit, dat de politieke toestand van
het land een zoo geheel bijzondere is en ook de mannen geen noembaren
directen invloed op de regeering uitoefenen. Men gelooft nog heel
sterk, dat de Mikado een godsgezant is en wat hij doet, of wat in
zijn, naam gedaan wordt, door menschelijke inmenging niet verbeterd
kan worden. Zooals de Mikado doet, heeft de god der Japanners het
gewild en zoo moet het uitgevoerd worden.
Na ons bezoek bij mad. Tsuruda, begonnen wij toch een beetje hoop
te koesteren, om in den korten tijd van ons verblijf in Japan,
toch nog iets van een comité of vereeniginkje tot stand te brengen,
die op de een of andere wijze aan den Wereldbond verbonden kan
worden. Mad. Tsuruda werd daarover geraadpleegd en als antwoord zond
zij ons niets anders dan een invitatie voor een lunch, die door 8
Japansche dames onderteekend was.