XI.

Nu moet ik eerst van de vergaderingen en van de vrouwen vertellen,

die wij hier in Peking ontmoet hebben. Het spreekt vanzelf, dat

wij Maandagmorgen er direct op uitgingen om de presidente en andere

bestuursleden der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op te sporen. Dat

bleek niet zoo gemakkelijk. Na lang zoeken--en de afstanden in

Peking zijn zeer groot--vonden wij de woning der presidente en

vernamen daar, dat zij niet thuis, maar den geheelen dag op kantoor

aanwezig was. Dat kantoor is het bureau van de "Peking Times", een

dagblad, dat in de Chineesche taal uitgegeven wordt, waarvan zij de

hoofdredactrice is. Het bureau van dat blad was niet moeilijk te

vinden, maar daar vernamen wij, dat mrs. Tang Chuen Ying met twee

andere dames was uitgegaan, iets wat zij zelden of nooit deed. Wij

lieten onze kaartjes achter, met het adres van ons hotel. Teruggekomen

in het hotel vernamen wij daar, dat drie dames ons een bezoek hadden

gebracht en hare kaartjes afgegeven hadden. Het waren Mrs. Tang, de

presidente, miss Wang en miss Sung, bestuursleden der vereeniging. Nog

dienzelfden avond herhaalden zij haar bezoek. Geen van de drie sprak

een woord Engelsch, zoodat wij ons van 'n tolk moesten bedienen. De

vereeniging was zoowel uit Shanghaï als uit Nanking van onze komst

verwittigd, maar daar men niet had opgegeven langs welke route wij

kwamen, hadden de dames ons niet aan den trein kunnen verwelkomen. Wij

werden nu uitgenoodigd Woensdagmiddag in het vereenigingsgebouw te

willen komen, waar men ons een welkom wilde aanbieden.

Toen wij Woensdagmiddag om twee uur het vergaderlokaal binnentraden,

wachtte ons daar een enorm groote, enthousiaste menigte. Gelukkig

was er geen muziek, maar met een oorverdoovend handgeklap en Hu,

hu-geroep werden wij ontvangen, dat zoolang duurde tot wij op het

podium aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen. De presidente

leidde ons bij het publiek van ongeveer duizend personen in, vertelde

het een en ander van ons beiden, wat niet voor ons vertaald werd, en

toen zij geëindigd had, stond heel de groote menigte op en boog voor

ons. In de groote zaal waren alle zitplaatsen door vrouwen ingenomen,

terwijl de galerij geheel gevuld was met mannen. Men stond letterlijk

plat gedrukt tegen de muren. Toen moest eerst mrs. Catt en daarna ik

een speech houden, die door een jongmensch, dat 5 jaar in Engeland

was geweest, woord voor woord in het Chineesch werd overgezet. Het

was een dankbaar publiek, dat na elken zin, dien wij uitspraken,

nadat die vertaald was, warm applaudisseerde.

Daarop kreeg miss Sung het woord. Miss Sung is de Christabel

Pankhurst van China. Een jong, hartstochtelijk persoontje, met

iets bovennatuurlijks in haar fanatiek glinsterende oogen, begaafd

met een redenaarstalent en sprekende gestes, die zelden geëvenaard

worden. Het publiek hing aan hare lippen. Hoewel wij hare woorden

niet konden verstaan,--de zin van hetgeen zij zeide, werd evenwel

voor ons vertaald,--was het toch duidelijk, dat zij het publiek

meesleepte. Zij vertelde, hoe de hoofdpersonen in de revolutie de

vrouwen behandeld hebben, welke diensten zij van haar gevergd hadden

en welke belooning zij haar daarvoor thans gaven. Zij zelf, miss

Sung, werd door een generaal (zijn naam heb ik niet kunnen verstaan)

aangewezen om een bom te gooien in het rijtuig van den onderkoning,

den dag vóór de revolutie was uitgebroken. Haar daad werd evenwel

verijdeld en zij in de gevangenis geworpen, waar zij onthoofd zou

worden. Door een samenloop van omstandigheden ontkwam zij dien dood,

doch toen zij na een maand door de revolutionisten in vrijheid werd

gesteld, werd zij onmiddellijk in de voorste gelederen der vechtende

soldaten geplaatst, waar zij steeds de gevaarlijkste diensten heeft

moeten verrichten. Een heele reeks meisjes noemde zij op, die allen op

die wijze gesneuveld zijn, zij was op wonderbaarlijke wijze gespaard

gebleven. Miss Sung was een dergenen die als gewoon soldaat het leger

diende, doch tot officier opklom.

Zij ging toen de argumenten na, die de mannen thans tegen de invoering

van vrouwenkiesrecht gebruiken, waarvan het krachtigste is, dat China

niet zoo iets nieuws kan invoeren, vóór dat de groote Europeesche

mogendheden zijn voorgegaan. Dit argument hekelde zij op sarcastische

wijze; China had niet geaarzeld de vrouwenkrachten op eene wijze

in de revolutie te gebruiken, als nimmer te voren een Europeesche

natie had gedaan, nu het op belooning dier diensten aankomt, aarzelt

men andere landen ten voorbeeld te zijn. Zij gispte de handelingen

van den president Yuan en van den Nationalen Raad, die bij al hunne

besprekingen vergeten, dat er vrouwen in China bestaan.

Daarop kreeg miss Wang het woord. Miss Wang is onderwijzeres. Zij

stond aan 't hoofd van een groote meisjesschool in Japan, die zij,

toen de revolutie uitbrak, verliet, om naar China over te komen

en haar diensten aan de revolutionisten aan te bieden. Zij is een

kalme, bezadigde spreekster, die de wetten van China voor de vrouwen

besprak en ze danig gispte. Zij zette uiteen hoe het Chineesche

meisje van af haar geboorte slavin is, een slavenleven, waaraan zij

alleen kan ontkomen door haar land te ontvluchten. Ook zij gispte

de handelingen van deze regeering, die de zaken in het land voor de

vrouwen voorloopig niet wil wijzigen en die zeker niet de polygamie

in China zal afschaffen, het kwaad, waaruit zooveel ellende voor

de vrouwen voortspruit. Waar de hoogste man in het land thuis een

wettige vrouw en dertien bijwijven bezit, en verder waar hij komt,

zich meisjes laat brengen, waar alle regeeringspersonen polygamisten

zijn, daar was voor de vrouwen niet veel heil te wachten.

Toen spraken nog een paar andere jonge vrouwen, die er beide op

aandrongen, dat de Chineesche meisjes zouden weigeren te huwen en

daarna sloot de presidente de vergadering. Wij werden toen uitgenoodigd

met eenige uitverkorenen thee te drinken in een ander lokaal, waar

men ons dan het een en ander van haar doen en laten zou vertellen.

't Meest interesseerde ons, de wijze, waarop deze vrouwen het werk

der vereeniging geregeld hebben. De Peking-afdeeling telt duizend

leden. Zij hebben vier groepen gevormd, waarvan een het politieke

werk doet. Die groep gaat nauwgezet de handelingen der regeering na,

zendt verzoekschriften aan de regeering, waar die dienst kunnen doen,

zorgt voor persberichten, hekelt den Nationalen Raad als hij de vrouwen

vergeet, tracht nu en dan een persoonlijk onderhoud te verkrijgen

met regeeringspersonen en doet tal van zaken meer, die in die lijn

vallen. De tweede groep is de onderwijsgroep. Deze tracht scholen voor

meisjes tot stand te brengen en waar een school is, trachten de leden,

door met de ouders te spreken, deze te bewegen hunne dochters naar

school te zenden. Ook geven de onderwijzeressen, leden dier groep,

's avonds onderwijs aan vrouwen en meisjes, die daags in fabrieken en

werkplaatsen arbeiden. Deze groep moet alles doen, om het onderwijs

der vrouwen te bevorderen. De derde groep is de industrieele. Deze

tracht de werkende vrouwen tot organisatie te brengen en waar zij de

omstandigheden geschikt acht, de vrouwen tot coöperatieven arbeid aan

te sporen en ze in die richting te vereenigen. Eenige coöperatieve

groepen zijn reeds gevormd en een paar kleine vakorganisaties zijn

tot stand gebracht. De vierde groep is de propagandistische groep. De

leden daarvan doen alles om de propaganda voor vrouwenkiesrecht te

bevorderen. Zij doen dat door 't beleggen van vergaderingen, door

huisbezoek, door strooibiljetten en alle ook bij ons gebruikelijke

middelen.

De leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Peking, zijn

niet slechts in naam lid: de meesten nemen op de een of andere wijze

ook deel aan het groote werk, dat er verricht moet worden.

Ik vroeg ook hier, evenals in Nanking, wat de vereeniging dacht

te doen als de Nationale Raad eens niet de wenschen der leden

inwilligde. Zonder aarzelen antwoordde de presidente: "een bom gooien

in de eerste vergadering, die het parlement zonder de vrouwen zal gaan

houden." Wij glimlachten en zeiden, dat zulke radicale middelen zelden

doel treffen, toen Miss Sung het woord nam, zeggende: "Men heeft ons

vrouwen in de revolutie gebruikt om bommen te maken en te werpen, wij

zullen ze ook voor eigen vrijheid weten aan te wenden." Mrs. Catt

vroeg of die militante strijdwijze uit eigen boezem voortkwam,

of dat zij daartoe gedreven werden door wat de couranten haar van

uit Engeland berichten? De presidente beantwoordde die vraag met

op hoffelijke wijze te zeggen: "Wij hebben dat geleerd van onze

Amerikaansche en Europeesche zusters". Wij hebben haar toen verteld,

dat alleen in Engeland een groep vrouwen op militante wijze optrad,

maar dat verreweg de meeste Engelsche strijdsters voor kiesrecht en

die uit alle andere landen den vreedzamen weg volgen. Zij schoven

toen de schuld op de Chineesche pers, die haar nooit berichten

over die vreedzame maatregelen bracht, maar alleen mededeelde,

welke handelingen de Engelsche suffragettes bedreven. Wij hebben

haar toen eenige vreedzame methoden aangeraden en wezen haar er op,

dat de vrouwen nooit de ruwe wegen, die de mannen dikwijls inslaan om

hun doel te bereiken, moesten volgen. Zelfs de Engelsche suffragettes

hadden bij al haar militant optreden, nimmer bloed vergoten.

Den volgenden dag woonden wij eene vergadering bij van de besturen

der verschillende groepen, waarin de verkregen resultaten van het

verschillend werk werden besproken en men elkaar nieuwe wenken gaf. Wij

kregen daartoe gelegenheid met de hoofdpersonen in het werk nader

bekend te worden. Als men hoort en ziet wat al deze vrouwen doen,

welke groote offers aan geld, tijd en krachten zij aan de zaak--de

wettelijke en sociale verheffing der vrouw--brengen, dan moeten wij

allen beschaamd staan tegenover onze Chineesche zusters.

Na afloop van deze vergadering brachten eenige van deze dames ons

naar een nabijzijnd lokaal, waar eene vergadering gehouden werd van de

Tang Ming Hui en waar het woord gevoerd werd door den vecht-generaal

Chang, den revolutionist bij uitnemendheid. De generaal, gekleed in

een zwart pak met gekleede jas, zette na afloop van zijn speech den

hoogen zwarten zijden hoed van 't jaar nul op zijn veel te kleinen

kop en toen zag hij er meer uit als iemand, die kleine kindertjes

bang kan maken, dan als iemand, waarvoor een leger op de vlucht zal

gaan. Hij scheen echter de gave van het woord te hebben, want de

heele vergadering was warm gestemd en bracht hem eene daverende ovatie.

Vrijdag en Zaterdag maakten wij een tocht, die onvergetelijk is. Met

een groep van vijf Amerikanen, twee heeren en drie dames, gingen wij

gezamenlijk een bezoek aan de Ming-graftomben van Peking en de Big

Wall (groote muur) brengen. Dit is een tweedaagsche toer. Wij hadden

drie gidsen aangesteld, die alles voor ons in gereedheid moesten

brengen. Vrijdagmorgen om acht uur verlieten wij het hotel, om, na een

uur rijden in een rickshaw, aan een klein station aan te komen, vanwaar

wij per trein naar Nankau gingen. Om half twaalf kwamen wij daar aan en

vonden daar reeds voor elk een draagstoel met vier Chineesche koelies

wachtende, die ons naar de graftomben zouden brengen. Mandjes, gevuld

met een koude lunch, waren van uit Peking medegenomen. Drie uren lang

werden wij in bijna aanhoudenden draf door de koelies voortgedragen,

waarbij wij van voor naar achter, van rechts naar links en van onder

naar boven geschud werden. De weg ging over bergen en dalen, door

weilanden en over rotsblokken en door snelvlietende stroomen. Vooral

door deze laatste hadden wij veel angst uit den stoel en in het water

aan te landen, want de koelies sprongen daarbij dikwijls van steen tot

steen. Een van onze dames-metgezellen viel op den terugweg dan ook,

doch werd nog bijtijds door hare koelies gegrepen en kwam er met een

paar natte voeten en een nat handtaschje, waaruit eenige kleinigheden

in den stroom verdwenen, af. Om ongeveer twee uur arriveerden wij aan

het begin van den zoogenaamden "Heiligen Weg", waar een prachtige,

vijfboogige poort van wit marmer, zeer mooi gebeeldhouwd, den ingang

vormt. Deze poort is nog in volkomen staat aanwezig en laat niet na,

een imposanten indruk te maken. Van af die poort gingen wij nu een

uur ver langs een geplaveide straat, die evenwel niet onderhouden is,

door een aan weerszijden door reuzenbeelden afgepaalden weg naar den

tempel, waar de lijken der gestorven keizers eerst gebracht worden,

alvorens zij in de graven nedergelegd worden. Ook hier was weder alles

meer indrukwekkend door het beeld dat het ons gaf van den geest der

Chineezen en van de hoogte van hun kunst in verloopen eeuwen, dan door

de artistieke waarde der dingen, die wij zagen. Alleen het landschap,

dat wij doortrokken, was zeer mooi en deed ons allen denken aan de

bergen van Arizona, hoewel toch ook weder de bergen hier, zooals in

elk land, iets bijzonders vertoonen, wat niet onder woorden kan worden

gebracht, iets dat alleen eigen is aan elk land afzonderlijk. Om 7

uur kwamen wij 's avonds in ons klein Nankau-hotel aan, bijna allen

te vermoeid om ons het zeer goede diner goed te laten smaken.

Zaterdagmorgen werden wij allen om vijf uur gewekt om tegen zes uur

aan het station te kunnen zijn, om van daar naar Ching-lung Chiao te

vertrekken in een werkmanstrein. De spoorlijn van Nankau-lung tot

Ching-lung Chiao is in wording, maar met een speciale vergunning

wordt het toeristen vergund in een van de open bakken, waarmede

de werklieden op de verschillende punten langs den weg naar hun

werk gebracht worden, mede naar boven te gaan. Een snerpende koude

bergwind deed ons in dat vroege morgenuur en in die open bak bijna

bevriezen. Wij apprecieerden het ten zeerste, dat de gidsen wollen

dekens uit het hotel hadden medegenomen om ons in te wikkelen. Doch

wij vergaten spoedig het vroege morgenuur, koude en vermoeienis door

de onbeschrijfelijk indrukwekkende omgeving die wij doortrokken. Elf

mijlen lang, in welken wij bijna duizend meter stegen, en die wij in

twee uren aflegden, gingen wij door een vreemde, wilde bergstreek,

met een even wilden plantengroei. Wij waren op weg naar den Grooten

muur. Dit is een muur, tien meter hoog en elf meter dik, die over een

afstand van 2.500 mijlen, (ongeveer zes maal de afstand van Amsterdam

naar Parijs) China van Mongolië en Thibet scheidt. Deze muur begint

in Shan-hai-kwan in zee en eindigt in Suchoo in zee. In ongeveer 200

jaar vóór Christus begon de keizer Chin-shi-Hwang-ti dezen muur te

bouwen. De steenen, voor den bouw gebruikt, zijn groote baksteenen,

die in dien tijd in de zon werden gebakken. Zij zijn viermaal zoo

groot als onze baksteenen. Alle troepen en karavanen, die sedert de

laatste twee duizend eeuwen van uit Mongolië en Thibet, China wilden

bereiken, moesten den eenen ingang der poort, die wij op weg waren

te bezoeken, passeeren.

Op weg naar Ching-lung Chiao gaat de trein steeds dicht langs het

pad, welke de karavanen nemen. Onophoudelijk zagen wij meters-lange

kameelengroepen, langzaam en statig dat pad afkomen en andere, die

naar boven trokken. In één groep telde een onzer heeren reisgenooten

146 kameelen, kleinere van 50 tot 70 kameelen waren er legio. Al

die beesten die China introkken, waren beladen met ruw katoen en

versche appels, die op den terugweg waren naar Mongolië of Thibet,

droegen thee met zich. Schilderachtig was vooral het gezicht als

wij hier en daar een kamp passeerden, waar halt gehouden werd en

manschappen en beesten gelegenheid kregen te rusten en hun ontbijt

te gebruiken. Honderden bruine kameelen zagen wij dan, met het licht

van de vroege ochtendzon overgoten, liggen of grazen en daar tusschen

in de begeleiders, in hunne hemelsblauwe, lange kleederen. Het was,

evenals een onzer gidsboeken juist weergeeft, "het leven in de

middeleeuwen aanschouwelijk voorgesteld." Wij zagen op dezen weg

meer kameelen dan wij in Egypte en Britsch-Indië in al den tijd,

dien wij er doorbrachten, gezien hebben.

Om 8 uur waren wij aan het stationnetje, het voorloopige eind van

de baan; daar wachtte voor ons elk een ezeltje om ons verder naar

boven te brengen. Maar 't waren Chineesche ezeltjes, zonder zadel,

zooals zij door de Chineezen bereden worden. Wij moesten niet alleen

als mannen te paard zitten, maar wij hadden voor onze voeten bijna

geen steun. Een soort kussen lag op den rug van het kleine dier,

en bij elk ezeltje liep een man om ons, in tijd van nood, tot steun

te dienen. Voor ons dames was nog een ander groot bezwaar. Onze

nauwe rokken moesten tot boven toe opgeschort worden, anders was

het bestijgen en het berijden dier rijpaarden onmogelijk. Alleen

mrs. Catt droeg een practische rok. Om onze beenennaaktheid een beetje

te bedekken, legden de gidsen de meegebrachte dekens over ons, en zoo

besteeg onze fantastisch uitgedoste groep den eeuwenouden wal, die

in den loop der eeuwen nog wel bontere karavanen heeft zien passeeren.

Boven aangekomen, vervalt men onwillekeurig in diep gepeins. Niemand

van de heele vroolijke groep sprak in den beginne 'n woord. Daar

stonden wij boven op den grooten wal, in een van de vele wachttorens,

vanwaar men een onmeetbaar vergezicht heeft tot diep in Mongolië,

vanwaar de bergen van Thibet aan den horizon verrijzen en geen

sterveling China kan naderen, zonder reeds van verre door de op

wacht staande Chineezen bespeurd te worden. Wat hebben die ouden

zich beveiligd voor indringing van ongewenschte gasten! Maar niet

alleen in een historisch opzicht was dit vergezicht indrukwekkend,

ook als landschap was het grootsch. Uren lang zou ik in een van die

wachttorens hebben kunnen zitten droomen. Op elken bergtop is een

wachttoren gebouwd, die boven over den steenen muur met elkander in

verband staan. Als men van uit den trein die spitse bergketen ziet en

op elke punt een toren, dan lijkt het, alsof er geen verband tusschen

die punten mogelijk is, maar boven aangekomen, ziet men, hoe dat

kunststuk tweeduizend jaren geleden tot stand werd gebracht. Thans

is China bezig midden door dien muur een spoortrein aan te leggen,

die dwars door Mongolië Siberia zal bereiken, en de Trans-Siberische

route voor China met eenige dagreizen zal verkorten.

Op dezelfde avontuurlijke wijze als wij naar boven gekomen waren,

daalden wij ook weder naar beneden. De hotelier van het Nankau-hotel

had onze lunchmandjes weder gevuld en liet ons dien aan den trein

brengen, zoodat wij in eens door naar Peking konden terugkeeren. Dat

wij allen meer dan vermoeid daar laat in den middag aankwamen,

behoeft nauwelijks gezegd te worden.

Wij gebruikten nog een paar dagen om tot rust te komen, vóór wij

verder reisden, in welken tijd ik een lunch bij onzen Hollandschen

ambassadeur, een tea bij de Italiaansche legatie en een diner bij

den Amerikaanschen vertegenwoordiger medemaakte. Den overigen tijd

gebruikten wij voor het bezoeken van eenige belangrijke bazaars

en voor echt vrouwelijk winkelen. Men kan dat laatste nergens zoo

gezellig doen als in China, waar tal van de curieuste dingen in de

winkels te zien en te koop zijn.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 124 / 133 题