X.

Wij hebben niet voor niets gewenscht in Peking te komen. Peking is

een merkwaardige stad, in menig opzicht afwijkend van alle andere

steden. Door de herhaalde verwoestingen en 't telkens opnieuw opbouwen

der stad, heeft zij het oude karakter verloren en is nu een moderne

Chineesche stad geworden, die echter niets van haar oriëntalisch

aspect verloren heeft en niet nalaat bij een eerste bezoek een

diepen indruk te maken. De oude monarchale macht en grootheid spreken

uit bijna elken tempel, woning, straat. Reeds bij het in den trein

naderen der stad worden ongewone, vreemde indrukken gewekt. De hooge,

zwaar gebouwde muur, die de geheele stad omgeeft, de verblindende

kleuren der hemelhooge pagoda, het dooreengewoel van de altijd druk

doende Chineezen, die hier, bijna zonder uitzondering hun staart

behouden hebben, de overal opdoemende veelkleurige tempels, zijn zoo

indrukwekkend, dat zeker niemand den eersten indruk vergeten zal,

dien hij bij zijn eerste bezoek aan deze grootste der oriëntalische

steden ontving, Alleen wanneer men in het hotel des Wagons Lits is

gearriveerd, gelooft men zich een oogenblik in Europa. Dit hotel bezit

alle deugden van een goed geleid Europeesch hotel, met het voordeel,

dat de bedienden allen Chineezen zijn, die de beste bedienden vormen

die men ooit in een hotel kan aantreffen.

Peking is een stad van hooge muren, waarbinnen zich kleine steden

gevormd hebben. Elke vreemde legatie is door een hooge muur omgeven,

waarbinnen dan een Italiaansche, Japansche, Engelsche, Amerikaansche

of andere stad bestaat. Vooral de Engelsche stad is de moeite van

een bezoek waard. Binnen de hooge muur, die heel Peking omgeeft,

is in het centrum een tweede muur met vier groote poorten, waar

in hoofdzaak de hooge officieele personen wonen. Dit deel, wordt de

keizerlijke stad genoemd. In het centrum nu weder van deze keizerlijke

stad bevindt zich weder een 30 voet hooge muur, waarbinnen de verboden

stad gelegen is. Daarbinnen bevinden zich de keizerlijke paleizen, de

regeeringsgebouwen en de woningen voor allen, die tot het keizerlijk

hof behooren. Geen vreemdeling mag daar een voet zetten, zonder zeer

bijzondere redenen. Op 't oogenblik huist daar nog de keizerin-weduwe,

het jonge keizertje en de hofhouding. Reeds herhaaldelijk heeft de

nieuwe regeering deze hooglieden doen weten, dat zij de verboden

stad ontruimen moesten, en dat men het zomerpaleis, even buiten

Peking gelegen, voor hun verblijf had afgestaan. Op al die sommaties

antwoordt de keizerin-weduwe heel beleefd, dat zij het onthouden

zal, maar telkens blijkt, dat zij geen enkelen maatregel getroffen

heeft om van woonplaats te veranderen. Is het de regeering ernst

om de poorten van de verboden stad te openen en daarbinnen de nieuwe

regeering te vestigen, dan zal zij den een of anderen dag geweld moeten

gebruiken om de keizerin en de geheele hofhouding van haar plaats

te verwijderen. Nergens in China is ons nog zoo sterk opgevallen,

hoe weinig kracht er van deze regeering blijkbaar uitgaat als hier in

Peking. Een hof, dat stilletjes blijft, waar het zich thuis gevoelt,

niettegenstaande herhaalde sommaties van de regeering. Eene bevolking,

die ongestoord den staart blijft dragen, alsof er nooit een bevel

is geweest om dit Chineezenteeken te verwijderen, de honderden en

honderden Manchu's, die hier dagelijks door de straten wandelen en

oogenschijnlijk verreweg het grootste deel der bevolking uitmaken.

De Manchu-mannen zijn van de andere Chineezen uiterlijk te

herkennen, door hun veel krachtiger en mannelijker voorkomen en

hunne forscher gestalten. Ook schijnen zij geestelijk hooger te

staan. De Manchu-vrouwen zijn onmiddellijk herkenbaar door hare

bijzondere en eigenaardige coiffures en doordat zij nooit de voeten

gebonden hebben. Het haar dezer schoonen is hoog en breed uit, boven

op het hoofd, opgemaakt en met frissche bloemen of papieren rozen

versierd. Zelfs oude vrouwtjes met gerimpelde gezichtjes, vergeten

niet in haar kunstig zwart gemaakte en vet-glanzende haarstrik,

eenige hard-roode of gele--soms beide kleuren tegelijk--rozen te

steken. Het schijnt bij haar dagelijksch toilet te behooren.

Reeds den eersten dag, dien wij in Peking doorbrachten, was direct

een vrij drukke en vermoeiende dag voor ons. Bij het ontbijt vernamen

wij dat dien dag het zomerpaleis voor vreemdelingen te bezichtigen

was. Dit paleis wordt slechts eens in de tien dagen voor dat doel

opengesteld. Elke vreemdeling moet echter een bewijs van eigen

ambassade vertoonen om toegelaten te worden. 't Was Zondag, de

bureaux derhalve gesloten, onmogelijk dus voor ons om zoo'n bewijs

te bemachtigen. Wij vroegen den directeur van het hotel om raad. Een

Engelschman, die ons gesprek hoorde, bood ons onmiddellijk zijn kaarten

aan. Hij had voor zich en zijne dames den dag te voren toegangsbewijzen

aan zijne legatie gehaald, maar nu was een zijner dames ziek geworden,

waardoor hun tocht was uitgesteld; hij vroeg of wij van zijne kaarten

gebruik wilden maken. Met deze valsche papieren gewapend zetten wij

ons ieder in een rickshaw en lieten ons twee uren lang in aanhoudenden

draf voorttrekken. Wij moesten voor dezen tocht de stad doorkruisen van

het eene uiteinde tot het andere en daarna nog meer dan een uur ver

buiten de stad. Het straatleven in Peking verschilt van dat wat wij

in Nanking, Canton en andere Chineesche steden gezien hebben juist

zooveel als het leven overal elders in een groote stad verschilt

van dat in een provinciestad. Het was iets geheel anders, maar toch

in zijn wezen op en top Chinees. Even buiten de stad zagen wij hier

onophoudelijk kleine karavanen volgeladen kameelen, maar nog meer

ezeltjes, de beesten, die men overal ziet waar kameelen zijn. Maar

een Chinees op een ezel of op een kameel gezeten levert een geheel

ander beeld dan een Arabier, die een dier beesten voor een rijpaard

gebruikt. Ook ontmoetten wij langs den weg tallooze blinde bedelaars

en de vreemd uitgedoste blinde bedelares, die zingend de wereld haar

nood klaagt. Op onze heen en terugtocht passeerden wij tevens twee

keer een bont toegetakelden bruiloftstoet en een nog gekker opgemaakte

begrafenis. Bij deze laatste werd een oorverdoovend concert gegeven

van trommels, bekkens en bellen. Ik heb nog in geen land een lijkstoet

gezien, waarbij zoo weinig ernstige of medelijdende gedachten bij

mij opgewekt werden als hier in China. Men maakt zich onwillekeurig

vroolijk over dat vreemde gedoe en den weinigen ernst, die de

deelnemers in den stoet zelven vertoonen. Het gemaakte, rumoerige

gehuil der vrouwen, een gehuil dat is voorgeschreven en niet uit het

gemoed komt, wekt lachlust en soms weerzin op. Maar wij waren op weg

naar het zomerpaleis en daarvan moet ik het een en ander vertellen.

Dit paleis werd in het eind der 17e eeuw gebouwd door den keizer

Kang-hsi, die het voor zijn eigen privaat gebruik inrichtte, wanneer

hij zich geheel van de wereld wilde afzonderen. Het is een prachtig,

weelderig ingericht paleis met vele even sierlijke bijgebouwen,

maar vooral aan den tuin, waar een eeuwige zomer moest heerschen,

is bijzondere zorg besteed. Van de heuvels en dalen, te midden

waarin het paleis gelegen is, is een gelukkig gebruik gemaakt. De

wild groeiende bloemen en planten heeft men daar tot een ongekende

hoogte ontwikkeld. Overal heeft men daar de natuur door de kunst

geholpen, tot ten slotte deze geheele omgeving eenig in haar soort

is geworden. Het wordt met recht een aardsch paradijs genoemd. Het

van wit marmer gemaakte groote schip, in den grooten vijver gelegen,

en over een marmeren brug te bereiken, daarvan is de bezichtiging

alleen de moeite van den vermoeienden tocht waard. Maar ook de vele

tempelvormig gebouwde paviljoens, vanwaar steeds een mooi vergezicht

te genieten valt, verdienen bewondering. Als inderdaad de hofstoet dit

paradijs zal gaan innemen en dit dan waarschijnlijk voor het publiek

gesloten zal worden, zal dit een groot verlies zijn. Het behoort tot

het mooiste wat Peking ter bezichtiging aanbiedt.

Want ook hier zijn weder tal van tempels, de een merkwaardiger dan

de andere, maar die bezitten noch artistieke, noch architectonische

waarde. Er is een tempel des hemels en een van de aarde, een

voor den landbouw, en een voor den regen, een Lama-tempel en een

gele tempel en nog tal van andere tempels, waarvan wij trouw de

voornaamste bezichtigd hebben, doch die alle een sterk onbevredigd

gevoel bij ons achterlieten. Wij bezochten ze meer om den geest,

die de menschen bezielt, die er hun gemoed komen uitstorten, beter

te kunnen doorgronden, dan om ons kunstgevoel te streelen. Geeft het

iemand geen denkbeeld van de geestelijke ontwikkeling van een volk,

als men in den tempel des hemels o.a. verneemt, dat daar twee keer

in het jaar de keizer zijn offeranden komt brengen in den vorm van

het verbranden der lijken van menschen, die te voren geëxecuteerd

zijn? Het zijn de onthoofde lijken van misdadigers, of wat men in

China misdadigers gelieft te noemen. Tegelijk met het verbranden der

lijken, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van eenige reuzengroote

gevulde urnen verbranden. De inhoud bestaat uit stukjes papier, waarop

de naam en alle bijzonderheden van den verbranden persoon geschreven

staat, zoodat men daarboven precies weet wiens geest komt aanzeilen,

benevens papiertjes, waarop vermeld is, welke misdaad hij bedreven

heeft en het verzoek hem in den hemel niet nogmaals voor de daden

te laten boeten waarvoor hij op aarde reeds zijn straf ontving. Die

papiertjes, die misschien nog wel meer boodschappen inhouden aan

dengeen, die in den geest der Chineezen boven de wolken de lakens

uitdeelt, worden verbrand, opdat de daarop geschreven opdracht met

den rook hemelwaarts zal stijgen. Ook paarden en andere waardevolle

beesten worden bij zulke gelegenheden verbrand, doch men vertelde ons,

dat alle levende wezens eerst behoorlijk gedood worden.

In de Confuciustempel,--Confucius wilde geen tempels en geen priesters,

maar zijn volgelingen waren met dien eenvoud niet tevreden,--worden

eigenlijk meer de boeken van Confucius bestudeerd, dan dat er veel

aan verheerlijking van zijn persoon gedaan wordt. Toch zagen wij ook

daar groote bronzen urnen. Deze tempel staat in een grooten tuin,

waarin vele eeuwenoude cederboomen; er heerschte daar zulk een rust

en vrede, te midden van de woelige stad, dat het de Confucionisten

in Peking daar onwillekeurig tot nadenken en studie moet brengen.

De Lama-tempel, waaraan een monnikenklooster verbonden is, met

ruim 1200 jongentjes-leerlingen, kinderen, die allen tot een

leven van nietsdoen worden groot gebracht, was natuurlijk een

Buddhistentempel. Maar de Buddha der Chineezen lijkt al heel weinig

op den Buddha der Burmeezen.

Er was juist een offerdienst, toen wij dezen tempel en al wat daarbij

behoort, bezochten. Buddha ontving groote bakken vol rozebladeren,

maar ook eenige manden appels, een paar schalen koekjes en twee

bakken vol versch vleesch. Met een enorm leven van tromgeroffel en

bekkenslag en het eentonig gedreun van die honderden jongentjes, die

altijd door hetzelfde uitschreeuwden, werd dit alles den reuzengrooten,

van hout gemaakten, Buddha aangeboden.

In één opzicht zijn al deze tempels aan elkaar gelijk. Zonder

uitzondering zijn zij vuil. Het is, alsof er in geen jaren schoonmaak

is gehouden. De vuile Chineezen, die de tempeldeuren voor je openen,

grijnslachen, als men ze vraagt, of niemand met den schoonmaak van deze

heilige plaats is belast. In de Hall der klassieken, oorspronkelijk

gebouwd als een instituut voor onderwijs, maar later ook als plaats

voor heilige doeleinden gebruikt, is zelfs een keizerlijke troon met

houtsneewerk, dat zoo schitterend moet zijn, dat het als het grootste

kunstwerk in China wordt beschouwd en ook die was zoo onder stof en

spinnewebben begraven, dat wij van het mooie niets konden zien.

In de trom- en beltoren moet men de enorme groote koperen bel

bewonderen. De legende, die aan het maken van die bel verbonden is,

is waard overgebriefd te worden. In de 15e eeuw, onder de regeering

van den keizer Yung-Loh, een Ming, werd een der hofbedienden, bekend

voor zijne bedrevenheid in het mengen en gieten van metaal, belast,

om een bel voor dien toren te maken, die een bijzonderen glans moest

vertoonen en een mooi geluid moest geven. De pogingen om dit keizerlijk

bevel uit te voeren, mislukten twee malen. De keizer was daarover zeer

gebelgd, hij liet den armen man bij zich komen en vertelde hem, dat,

als de derde keer weer mislukte, hij onthoofd zou worden. Die arme

man bezat een zeer schoone dochter met amandeloogen, die in de zon

schitterden en appelkleurige wangen en nog allerlei moois meer. Bij

al haar schoonheid bezat zij ook alle huiselijke deugden en zij kon

dichten. Alle jonge mannen waren verliefd op haar.

Dit mooie meisje, dat ook alle menschelijke deugden bezat bad tot

een van de vele goden om haar vader te helpen. Die god gaf geen

antwoord. Toen ging zij naar een waarzegger. Die vertelde haar, dat

het volgend gietsel weder mislukken zou, tenzij het gesmolten metaal

vermengd werd met het bloed van een levend meisje. Zij ging terug

tot haar vader, en vertelde hem, dat zij nu zeker was, dat het derde

gietsel een goed resultaat zou opleveren. Op den voorgeschreven dag

werd het metaal, in het bijzijn van den keizer en het geheele hof,

weder gesmolten, waarbij allen met spanning wachten, wat de uitslag

zou zijn. Even vóór het metaal in den vorm zou gegoten worden, kwam

plotseling het jonge meisje te voorschijn, die onder den uitroep:

"Om mijn vader te redden" in de ziedende metaalmassa sprong. Iemand

uit het volk wilde haar terughouden, doch hij redde alleen een van

haar schoentjes. Haar vader werd krankzinnig, maar de klok was dezen

keer volmaakt. En toen zij later werd opgehangen en de keizer voor

het eerst de mooie, volle klank der bel vernam, toen hoorde hij

duidelijk daarin de stem van het jonge meisje, dat vroeg om haar

verloren schoen. En nog meent het volk, dat die bel duidelijk een

meisjesstem verraadt en dat Koai nog steeds om haar schoentje vraagt.

Naast deze en dergelijke legenden zijn er aan elken tempel en toren

ook zoovele historische bijzonderheden verbonden, waarvan vele

even legendarisch klinken als de eigenlijke legenden. In de meeste

Buddha-tempels vindt men in China een Chim-qua-Seung, een soort van

hocus-pocusdoos van bamboe. Die doozen zijn van verschillenden vorm

en ook de inhoud verschilt. Maar zij komen alle daarin overeen, dat

iemand, die de goden of de geesten iets te vragen heeft, zulk een

doos schudt en haar dan op den grond gooit. Uit de wijze, waarop de

inhoud zich op den grond verspreidt, is 't antwoord op te maken. De

antwoorden, die deze doozen in den loop der tijden aan keizers

gegeven hebben, zijn herhaaldelijk oorzaak geweest van den val van

het keizerrijk of den dood van den vorst. De laatste Ming-keizer,

Chung Chen, pleegde zelfmoord, nadat hij een zeer onbevredigend

antwoord door den Chim-qua-Seung ontving.

Maar de verlichting, die nu wel langzamerhand een grooter deel van

de Chineesche bevolking zal bereiken, zal aan al dat bijgeloof ten

slotte wel een einde maken. Op het oogenblik zijn echter de Chineezen,

die zich boven al die mysterieuse dingen hebben weten te verheffen,

nog met een lantaarntje te zoeken. Zelfs onder de meest verlichten

is altijd nog iets van dat bijgeloof te bespeuren.

Wij zijn niet gelukkig in het treffen van dr. Sun Yat Sen. Toen wij

in Shanghai aankwamen, was hij juist naar Peking vertrokken en een

dag nadat wij in Peking arriveerden, reisde hij af naar het Zuiden van

het land. Hij is hier als een koning ontvangen, koninklijke eer heeft

men hem officieel en onofficieel aangedaan. Gedurende zijn verblijf

alhier hing van bijna elke Chineesche woning de republikeinsche

vlag. Met den president Yuan Shi Kai staat hij op goeden voet, maar

in de couranten, dit uitgegeven worden van de Tung Ming Hui, waarvan

dr. Sun de voorzitter is, wordt de president op de gemeenste manier

afgekamd. "The China Outlook" welke in Hongkong wordt uitgegeven,

en over geheel Zuid-China verspreid is, "The China Republican",

welke in Shanghai gevestigd is en zelfs hier tot Peking reikt,

zijn twee dagbladen die in het Engelsch geredigeerd worden en

wier hoofd-redacteuren beiden vroegere private secretarissen van

dr. Sun zijn. In beide bladen, die ons aanvankelijk dagelijks werden

toegezonden en die wij hier nu verder in het hotel vinden, wordt

dr. Sun op een onmogelijke, en mij persoonlijk zeer antipathieke,

wijze opgehemeld en president Yuan's gezag zoodanig ondermijnd, dat

het op den duur onhoudbaar voor den president zal blijken te zijn. Nu

heeft dr. Sun hier in Peking beweerd, dat hij in geen connectie met

die bladen staat, doch dat is of royaal gelogen, of toch minstens zeer

verdraaid. Hij zal niet regelrecht den inhoud dier bladen dicteeren,

maar dat zij zijn geest ademen, of dat hij een algemeene gedragslijn

heeft voorgeschreven, is toch wel duidelijk. Ongevraagd hebben beide

redacteuren ons verteld, dat zij secretarissen van dr. Sun waren,

doch nu voorloopig belast zijn met de redactie der dagbladen. Zij

staan onophoudelijk met dr. Sun in betrekking; elke beweging van

dr. Sun wordt hun onmiddellijk geseind.

Maar in China zijn de grootste onmogelijkheden mogelijk. Dr. Sun,

de hoofdleider der revolutie, op wiens hoofd nog geen jaar geleden

door den voormaligen regent een losprijs was gesteld, heeft hier,

tijdens zijn verblijf, heel beleefd een bezoek gebracht aan den

ex-regent en andere personen van koninklijken bloede. Dat bezoek is

niet alleen zeer hoffelijk beantwoord, maar de ex-regent heeft zelfs

een diner voor dr. Sun gegeven, waaraan alle prinsen en prinsessen

hebben deelgenomen. Het toppunt van ridiculiteit werd bereikt, toen

de ex-regent opstond en een toast wijdde aan het succes van dr. Sun's

onderneming en de hoop uitsprak, dat de nieuwe regeering mocht blijken

in het belang van China te zijn. Dr. Sun heeft op die welgemeende

woorden even welgemeend geantwoord, dat hij hoopte op de gelukkige

samenwerking der Manchu-grooten met de tegenwoordige regeering.

Men spreekt hier in Peking, in de officieele buitenlandsche kringen,

niet meer zoo ongelooflijk over het voortbestaan der Republiek,

als dat wij dat in de havensteden hoorden. In China, waar alles

op zoo'n geheimzinnige wijze geschiedt, kan men echter nooit iets

met zekerheid zeggen, men weet nooit wat het volgend oogenblik zal

brengen, en zeker weet men niet of er niet den een of anderen dag

een contra-revolutie zal uitbreken, maar voor het oogenblik werkt de

Nationale Raad rustig voort en houdt president Yuan de teugels krachtig

in handen. De president is van kop tot teen militair, hij vestigt

al zijn kracht in het leger; zoolang hij maar over de vereischte

financiën kan beschikken om zijn militairen te betalen, is het land

veilig. Het zal echter de vraag zijn, of het land de uitgaven voor

zoo'n groot leger op den duur zal kunnen opbrengen, of het volk niet

daarvoor nog meer dan door de vroegere regeering uitgezogen zal worden.

Hoe interessant dit land ook is, ik ben toch maar heel blij, niet

als Chinees geboren te zijn.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 123 / 133 题