Wij hebben niet voor niets gewenscht in Peking te komen. Peking is
een merkwaardige stad, in menig opzicht afwijkend van alle andere
steden. Door de herhaalde verwoestingen en 't telkens opnieuw opbouwen
der stad, heeft zij het oude karakter verloren en is nu een moderne
Chineesche stad geworden, die echter niets van haar oriëntalisch
aspect verloren heeft en niet nalaat bij een eerste bezoek een
diepen indruk te maken. De oude monarchale macht en grootheid spreken
uit bijna elken tempel, woning, straat. Reeds bij het in den trein
naderen der stad worden ongewone, vreemde indrukken gewekt. De hooge,
zwaar gebouwde muur, die de geheele stad omgeeft, de verblindende
kleuren der hemelhooge pagoda, het dooreengewoel van de altijd druk
doende Chineezen, die hier, bijna zonder uitzondering hun staart
behouden hebben, de overal opdoemende veelkleurige tempels, zijn zoo
indrukwekkend, dat zeker niemand den eersten indruk vergeten zal,
dien hij bij zijn eerste bezoek aan deze grootste der oriëntalische
steden ontving, Alleen wanneer men in het hotel des Wagons Lits is
gearriveerd, gelooft men zich een oogenblik in Europa. Dit hotel bezit
alle deugden van een goed geleid Europeesch hotel, met het voordeel,
dat de bedienden allen Chineezen zijn, die de beste bedienden vormen
die men ooit in een hotel kan aantreffen.
Peking is een stad van hooge muren, waarbinnen zich kleine steden
gevormd hebben. Elke vreemde legatie is door een hooge muur omgeven,
waarbinnen dan een Italiaansche, Japansche, Engelsche, Amerikaansche
of andere stad bestaat. Vooral de Engelsche stad is de moeite van
een bezoek waard. Binnen de hooge muur, die heel Peking omgeeft,
is in het centrum een tweede muur met vier groote poorten, waar
in hoofdzaak de hooge officieele personen wonen. Dit deel, wordt de
keizerlijke stad genoemd. In het centrum nu weder van deze keizerlijke
stad bevindt zich weder een 30 voet hooge muur, waarbinnen de verboden
stad gelegen is. Daarbinnen bevinden zich de keizerlijke paleizen, de
regeeringsgebouwen en de woningen voor allen, die tot het keizerlijk
hof behooren. Geen vreemdeling mag daar een voet zetten, zonder zeer
bijzondere redenen. Op 't oogenblik huist daar nog de keizerin-weduwe,
het jonge keizertje en de hofhouding. Reeds herhaaldelijk heeft de
nieuwe regeering deze hooglieden doen weten, dat zij de verboden
stad ontruimen moesten, en dat men het zomerpaleis, even buiten
Peking gelegen, voor hun verblijf had afgestaan. Op al die sommaties
antwoordt de keizerin-weduwe heel beleefd, dat zij het onthouden
zal, maar telkens blijkt, dat zij geen enkelen maatregel getroffen
heeft om van woonplaats te veranderen. Is het de regeering ernst
om de poorten van de verboden stad te openen en daarbinnen de nieuwe
regeering te vestigen, dan zal zij den een of anderen dag geweld moeten
gebruiken om de keizerin en de geheele hofhouding van haar plaats
te verwijderen. Nergens in China is ons nog zoo sterk opgevallen,
hoe weinig kracht er van deze regeering blijkbaar uitgaat als hier in
Peking. Een hof, dat stilletjes blijft, waar het zich thuis gevoelt,
niettegenstaande herhaalde sommaties van de regeering. Eene bevolking,
die ongestoord den staart blijft dragen, alsof er nooit een bevel
is geweest om dit Chineezenteeken te verwijderen, de honderden en
honderden Manchu's, die hier dagelijks door de straten wandelen en
oogenschijnlijk verreweg het grootste deel der bevolking uitmaken.
De Manchu-mannen zijn van de andere Chineezen uiterlijk te
herkennen, door hun veel krachtiger en mannelijker voorkomen en
hunne forscher gestalten. Ook schijnen zij geestelijk hooger te
staan. De Manchu-vrouwen zijn onmiddellijk herkenbaar door hare
bijzondere en eigenaardige coiffures en doordat zij nooit de voeten
gebonden hebben. Het haar dezer schoonen is hoog en breed uit, boven
op het hoofd, opgemaakt en met frissche bloemen of papieren rozen
versierd. Zelfs oude vrouwtjes met gerimpelde gezichtjes, vergeten
niet in haar kunstig zwart gemaakte en vet-glanzende haarstrik,
eenige hard-roode of gele--soms beide kleuren tegelijk--rozen te
steken. Het schijnt bij haar dagelijksch toilet te behooren.
Reeds den eersten dag, dien wij in Peking doorbrachten, was direct
een vrij drukke en vermoeiende dag voor ons. Bij het ontbijt vernamen
wij dat dien dag het zomerpaleis voor vreemdelingen te bezichtigen
was. Dit paleis wordt slechts eens in de tien dagen voor dat doel
opengesteld. Elke vreemdeling moet echter een bewijs van eigen
ambassade vertoonen om toegelaten te worden. 't Was Zondag, de
bureaux derhalve gesloten, onmogelijk dus voor ons om zoo'n bewijs
te bemachtigen. Wij vroegen den directeur van het hotel om raad. Een
Engelschman, die ons gesprek hoorde, bood ons onmiddellijk zijn kaarten
aan. Hij had voor zich en zijne dames den dag te voren toegangsbewijzen
aan zijne legatie gehaald, maar nu was een zijner dames ziek geworden,
waardoor hun tocht was uitgesteld; hij vroeg of wij van zijne kaarten
gebruik wilden maken. Met deze valsche papieren gewapend zetten wij
ons ieder in een rickshaw en lieten ons twee uren lang in aanhoudenden
draf voorttrekken. Wij moesten voor dezen tocht de stad doorkruisen van
het eene uiteinde tot het andere en daarna nog meer dan een uur ver
buiten de stad. Het straatleven in Peking verschilt van dat wat wij
in Nanking, Canton en andere Chineesche steden gezien hebben juist
zooveel als het leven overal elders in een groote stad verschilt
van dat in een provinciestad. Het was iets geheel anders, maar toch
in zijn wezen op en top Chinees. Even buiten de stad zagen wij hier
onophoudelijk kleine karavanen volgeladen kameelen, maar nog meer
ezeltjes, de beesten, die men overal ziet waar kameelen zijn. Maar
een Chinees op een ezel of op een kameel gezeten levert een geheel
ander beeld dan een Arabier, die een dier beesten voor een rijpaard
gebruikt. Ook ontmoetten wij langs den weg tallooze blinde bedelaars
en de vreemd uitgedoste blinde bedelares, die zingend de wereld haar
nood klaagt. Op onze heen en terugtocht passeerden wij tevens twee
keer een bont toegetakelden bruiloftstoet en een nog gekker opgemaakte
begrafenis. Bij deze laatste werd een oorverdoovend concert gegeven
van trommels, bekkens en bellen. Ik heb nog in geen land een lijkstoet
gezien, waarbij zoo weinig ernstige of medelijdende gedachten bij
mij opgewekt werden als hier in China. Men maakt zich onwillekeurig
vroolijk over dat vreemde gedoe en den weinigen ernst, die de
deelnemers in den stoet zelven vertoonen. Het gemaakte, rumoerige
gehuil der vrouwen, een gehuil dat is voorgeschreven en niet uit het
gemoed komt, wekt lachlust en soms weerzin op. Maar wij waren op weg
naar het zomerpaleis en daarvan moet ik het een en ander vertellen.
Dit paleis werd in het eind der 17e eeuw gebouwd door den keizer
Kang-hsi, die het voor zijn eigen privaat gebruik inrichtte, wanneer
hij zich geheel van de wereld wilde afzonderen. Het is een prachtig,
weelderig ingericht paleis met vele even sierlijke bijgebouwen,
maar vooral aan den tuin, waar een eeuwige zomer moest heerschen,
is bijzondere zorg besteed. Van de heuvels en dalen, te midden
waarin het paleis gelegen is, is een gelukkig gebruik gemaakt. De
wild groeiende bloemen en planten heeft men daar tot een ongekende
hoogte ontwikkeld. Overal heeft men daar de natuur door de kunst
geholpen, tot ten slotte deze geheele omgeving eenig in haar soort
is geworden. Het wordt met recht een aardsch paradijs genoemd. Het
van wit marmer gemaakte groote schip, in den grooten vijver gelegen,
en over een marmeren brug te bereiken, daarvan is de bezichtiging
alleen de moeite van den vermoeienden tocht waard. Maar ook de vele
tempelvormig gebouwde paviljoens, vanwaar steeds een mooi vergezicht
te genieten valt, verdienen bewondering. Als inderdaad de hofstoet dit
paradijs zal gaan innemen en dit dan waarschijnlijk voor het publiek
gesloten zal worden, zal dit een groot verlies zijn. Het behoort tot
het mooiste wat Peking ter bezichtiging aanbiedt.
Want ook hier zijn weder tal van tempels, de een merkwaardiger dan
de andere, maar die bezitten noch artistieke, noch architectonische
waarde. Er is een tempel des hemels en een van de aarde, een
voor den landbouw, en een voor den regen, een Lama-tempel en een
gele tempel en nog tal van andere tempels, waarvan wij trouw de
voornaamste bezichtigd hebben, doch die alle een sterk onbevredigd
gevoel bij ons achterlieten. Wij bezochten ze meer om den geest,
die de menschen bezielt, die er hun gemoed komen uitstorten, beter
te kunnen doorgronden, dan om ons kunstgevoel te streelen. Geeft het
iemand geen denkbeeld van de geestelijke ontwikkeling van een volk,
als men in den tempel des hemels o.a. verneemt, dat daar twee keer
in het jaar de keizer zijn offeranden komt brengen in den vorm van
het verbranden der lijken van menschen, die te voren geëxecuteerd
zijn? Het zijn de onthoofde lijken van misdadigers, of wat men in
China misdadigers gelieft te noemen. Tegelijk met het verbranden der
lijken, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van eenige reuzengroote
gevulde urnen verbranden. De inhoud bestaat uit stukjes papier, waarop
de naam en alle bijzonderheden van den verbranden persoon geschreven
staat, zoodat men daarboven precies weet wiens geest komt aanzeilen,
benevens papiertjes, waarop vermeld is, welke misdaad hij bedreven
heeft en het verzoek hem in den hemel niet nogmaals voor de daden
te laten boeten waarvoor hij op aarde reeds zijn straf ontving. Die
papiertjes, die misschien nog wel meer boodschappen inhouden aan
dengeen, die in den geest der Chineezen boven de wolken de lakens
uitdeelt, worden verbrand, opdat de daarop geschreven opdracht met
den rook hemelwaarts zal stijgen. Ook paarden en andere waardevolle
beesten worden bij zulke gelegenheden verbrand, doch men vertelde ons,
dat alle levende wezens eerst behoorlijk gedood worden.
In de Confuciustempel,--Confucius wilde geen tempels en geen priesters,
maar zijn volgelingen waren met dien eenvoud niet tevreden,--worden
eigenlijk meer de boeken van Confucius bestudeerd, dan dat er veel
aan verheerlijking van zijn persoon gedaan wordt. Toch zagen wij ook
daar groote bronzen urnen. Deze tempel staat in een grooten tuin,
waarin vele eeuwenoude cederboomen; er heerschte daar zulk een rust
en vrede, te midden van de woelige stad, dat het de Confucionisten
in Peking daar onwillekeurig tot nadenken en studie moet brengen.
De Lama-tempel, waaraan een monnikenklooster verbonden is, met
ruim 1200 jongentjes-leerlingen, kinderen, die allen tot een
leven van nietsdoen worden groot gebracht, was natuurlijk een
Buddhistentempel. Maar de Buddha der Chineezen lijkt al heel weinig
op den Buddha der Burmeezen.
Er was juist een offerdienst, toen wij dezen tempel en al wat daarbij
behoort, bezochten. Buddha ontving groote bakken vol rozebladeren,
maar ook eenige manden appels, een paar schalen koekjes en twee
bakken vol versch vleesch. Met een enorm leven van tromgeroffel en
bekkenslag en het eentonig gedreun van die honderden jongentjes, die
altijd door hetzelfde uitschreeuwden, werd dit alles den reuzengrooten,
van hout gemaakten, Buddha aangeboden.
In één opzicht zijn al deze tempels aan elkaar gelijk. Zonder
uitzondering zijn zij vuil. Het is, alsof er in geen jaren schoonmaak
is gehouden. De vuile Chineezen, die de tempeldeuren voor je openen,
grijnslachen, als men ze vraagt, of niemand met den schoonmaak van deze
heilige plaats is belast. In de Hall der klassieken, oorspronkelijk
gebouwd als een instituut voor onderwijs, maar later ook als plaats
voor heilige doeleinden gebruikt, is zelfs een keizerlijke troon met
houtsneewerk, dat zoo schitterend moet zijn, dat het als het grootste
kunstwerk in China wordt beschouwd en ook die was zoo onder stof en
spinnewebben begraven, dat wij van het mooie niets konden zien.
In de trom- en beltoren moet men de enorme groote koperen bel
bewonderen. De legende, die aan het maken van die bel verbonden is,
is waard overgebriefd te worden. In de 15e eeuw, onder de regeering
van den keizer Yung-Loh, een Ming, werd een der hofbedienden, bekend
voor zijne bedrevenheid in het mengen en gieten van metaal, belast,
om een bel voor dien toren te maken, die een bijzonderen glans moest
vertoonen en een mooi geluid moest geven. De pogingen om dit keizerlijk
bevel uit te voeren, mislukten twee malen. De keizer was daarover zeer
gebelgd, hij liet den armen man bij zich komen en vertelde hem, dat,
als de derde keer weer mislukte, hij onthoofd zou worden. Die arme
man bezat een zeer schoone dochter met amandeloogen, die in de zon
schitterden en appelkleurige wangen en nog allerlei moois meer. Bij
al haar schoonheid bezat zij ook alle huiselijke deugden en zij kon
dichten. Alle jonge mannen waren verliefd op haar.
Dit mooie meisje, dat ook alle menschelijke deugden bezat bad tot
een van de vele goden om haar vader te helpen. Die god gaf geen
antwoord. Toen ging zij naar een waarzegger. Die vertelde haar, dat
het volgend gietsel weder mislukken zou, tenzij het gesmolten metaal
vermengd werd met het bloed van een levend meisje. Zij ging terug
tot haar vader, en vertelde hem, dat zij nu zeker was, dat het derde
gietsel een goed resultaat zou opleveren. Op den voorgeschreven dag
werd het metaal, in het bijzijn van den keizer en het geheele hof,
weder gesmolten, waarbij allen met spanning wachten, wat de uitslag
zou zijn. Even vóór het metaal in den vorm zou gegoten worden, kwam
plotseling het jonge meisje te voorschijn, die onder den uitroep:
"Om mijn vader te redden" in de ziedende metaalmassa sprong. Iemand
uit het volk wilde haar terughouden, doch hij redde alleen een van
haar schoentjes. Haar vader werd krankzinnig, maar de klok was dezen
keer volmaakt. En toen zij later werd opgehangen en de keizer voor
het eerst de mooie, volle klank der bel vernam, toen hoorde hij
duidelijk daarin de stem van het jonge meisje, dat vroeg om haar
verloren schoen. En nog meent het volk, dat die bel duidelijk een
meisjesstem verraadt en dat Koai nog steeds om haar schoentje vraagt.
Naast deze en dergelijke legenden zijn er aan elken tempel en toren
ook zoovele historische bijzonderheden verbonden, waarvan vele
even legendarisch klinken als de eigenlijke legenden. In de meeste
Buddha-tempels vindt men in China een Chim-qua-Seung, een soort van
hocus-pocusdoos van bamboe. Die doozen zijn van verschillenden vorm
en ook de inhoud verschilt. Maar zij komen alle daarin overeen, dat
iemand, die de goden of de geesten iets te vragen heeft, zulk een
doos schudt en haar dan op den grond gooit. Uit de wijze, waarop de
inhoud zich op den grond verspreidt, is 't antwoord op te maken. De
antwoorden, die deze doozen in den loop der tijden aan keizers
gegeven hebben, zijn herhaaldelijk oorzaak geweest van den val van
het keizerrijk of den dood van den vorst. De laatste Ming-keizer,
Chung Chen, pleegde zelfmoord, nadat hij een zeer onbevredigend
antwoord door den Chim-qua-Seung ontving.
Maar de verlichting, die nu wel langzamerhand een grooter deel van
de Chineesche bevolking zal bereiken, zal aan al dat bijgeloof ten
slotte wel een einde maken. Op het oogenblik zijn echter de Chineezen,
die zich boven al die mysterieuse dingen hebben weten te verheffen,
nog met een lantaarntje te zoeken. Zelfs onder de meest verlichten
is altijd nog iets van dat bijgeloof te bespeuren.
Wij zijn niet gelukkig in het treffen van dr. Sun Yat Sen. Toen wij
in Shanghai aankwamen, was hij juist naar Peking vertrokken en een
dag nadat wij in Peking arriveerden, reisde hij af naar het Zuiden van
het land. Hij is hier als een koning ontvangen, koninklijke eer heeft
men hem officieel en onofficieel aangedaan. Gedurende zijn verblijf
alhier hing van bijna elke Chineesche woning de republikeinsche
vlag. Met den president Yuan Shi Kai staat hij op goeden voet, maar
in de couranten, dit uitgegeven worden van de Tung Ming Hui, waarvan
dr. Sun de voorzitter is, wordt de president op de gemeenste manier
afgekamd. "The China Outlook" welke in Hongkong wordt uitgegeven,
en over geheel Zuid-China verspreid is, "The China Republican",
welke in Shanghai gevestigd is en zelfs hier tot Peking reikt,
zijn twee dagbladen die in het Engelsch geredigeerd worden en
wier hoofd-redacteuren beiden vroegere private secretarissen van
dr. Sun zijn. In beide bladen, die ons aanvankelijk dagelijks werden
toegezonden en die wij hier nu verder in het hotel vinden, wordt
dr. Sun op een onmogelijke, en mij persoonlijk zeer antipathieke,
wijze opgehemeld en president Yuan's gezag zoodanig ondermijnd, dat
het op den duur onhoudbaar voor den president zal blijken te zijn. Nu
heeft dr. Sun hier in Peking beweerd, dat hij in geen connectie met
die bladen staat, doch dat is of royaal gelogen, of toch minstens zeer
verdraaid. Hij zal niet regelrecht den inhoud dier bladen dicteeren,
maar dat zij zijn geest ademen, of dat hij een algemeene gedragslijn
heeft voorgeschreven, is toch wel duidelijk. Ongevraagd hebben beide
redacteuren ons verteld, dat zij secretarissen van dr. Sun waren,
doch nu voorloopig belast zijn met de redactie der dagbladen. Zij
staan onophoudelijk met dr. Sun in betrekking; elke beweging van
dr. Sun wordt hun onmiddellijk geseind.
Maar in China zijn de grootste onmogelijkheden mogelijk. Dr. Sun,
de hoofdleider der revolutie, op wiens hoofd nog geen jaar geleden
door den voormaligen regent een losprijs was gesteld, heeft hier,
tijdens zijn verblijf, heel beleefd een bezoek gebracht aan den
ex-regent en andere personen van koninklijken bloede. Dat bezoek is
niet alleen zeer hoffelijk beantwoord, maar de ex-regent heeft zelfs
een diner voor dr. Sun gegeven, waaraan alle prinsen en prinsessen
hebben deelgenomen. Het toppunt van ridiculiteit werd bereikt, toen
de ex-regent opstond en een toast wijdde aan het succes van dr. Sun's
onderneming en de hoop uitsprak, dat de nieuwe regeering mocht blijken
in het belang van China te zijn. Dr. Sun heeft op die welgemeende
woorden even welgemeend geantwoord, dat hij hoopte op de gelukkige
samenwerking der Manchu-grooten met de tegenwoordige regeering.
Men spreekt hier in Peking, in de officieele buitenlandsche kringen,
niet meer zoo ongelooflijk over het voortbestaan der Republiek,
als dat wij dat in de havensteden hoorden. In China, waar alles
op zoo'n geheimzinnige wijze geschiedt, kan men echter nooit iets
met zekerheid zeggen, men weet nooit wat het volgend oogenblik zal
brengen, en zeker weet men niet of er niet den een of anderen dag
een contra-revolutie zal uitbreken, maar voor het oogenblik werkt de
Nationale Raad rustig voort en houdt president Yuan de teugels krachtig
in handen. De president is van kop tot teen militair, hij vestigt
al zijn kracht in het leger; zoolang hij maar over de vereischte
financiën kan beschikken om zijn militairen te betalen, is het land
veilig. Het zal echter de vraag zijn, of het land de uitgaven voor
zoo'n groot leger op den duur zal kunnen opbrengen, of het volk niet
daarvoor nog meer dan door de vroegere regeering uitgezogen zal worden.
Hoe interessant dit land ook is, ik ben toch maar heel blij, niet
als Chinees geboren te zijn.