VI.

Nu zit ik voor het eerst op een Amerikaansche boot, die ons van

Hongkong naar Shanghaï zal voeren. Dit is een van de kleine booten, die

tusschen San Francisco en Hongkong varen, een die elk tusschen gelegen

havenplaats aandoet. De boot is stampvol, alle hutten zijn tot het

uiterste bezet, wij tweeën mogen blijde zijn, dat men ons samen in een

hut heeft geplaatst en geen derde persoon bij ons heeft ondergebracht.

Vóór wij Shangaï Dinsdagmorgen verlieten ontvingen wij nog eerst

een bezoek van den heer Volpicelli, den consul-generaal voor Italië,

in Zuid-China. Deze heer was ons in Canton zeer van dienst geweest

en nu kwam hij ons eenige introductiebrieven brengen voor zijne

vrienden in verschillende steden van China, die wij waarschijnlijk

zullen bezoeken. Hij vertelde ons, dat Zaterdag, een paar uur nadat

wij Canton verlaten hadden, daar een opstand was uitgebroken, grooter

en ernstiger dan er gedurende de revolutie was geweest. Een groote

menigte rebellen had het huis van den gouverneur omringd en dreigden

al de binnen de poorten zich bevindenden te dooden. Tegelijkertijd

werd ook het raadsgebouw omsingeld, doch daar er des Zaterdags

geene zittingen gehouden worden, konden zij daar niets uitvoeren,

Vele dooden zijn er weder van weerszijden gevallen; misschien zijn

er van onze pas gemaakte vrienden wel onder de gesneuvelden, doch

toen mr. Volpicelli Maandagavond de stad verliet, scheen het hem toe,

dat alles weder tot rust was gebracht. Deze heer, die reeds meer dan

30 jaar in China woont en het heele land en zijne bevolking kent,

gelooft niet aan het voortbestaan van deze republiek.

Hoewel deze boot, de Persia, aan zindelijkheid niets te wenschen

overlaat en ook alle comfort aanbiedt, die men op zoo'n kleine boot

van nog geen 3000 ton verwachten kan, is het toch geen schip, dat

mijne Amerikaansche reisgezellin met nationalen trots vervult. Dat

men zich op Amerikaanschen bodem bevindt, bemerkt men dadelijk. In

het midden van de eetzaal staat een enorm groot vat met gedistilleerd

ijswater. Ieder kan zich daaruit naar believen bedienen. Een Amerikaan

zonder ijswater is niet denkbaar. IJswater is het grootste gemis,

wat zij op reis in vreemde landen lijden, 's Morgens, vóór zij iets

anders nuttigen, drinken zij een groot glas ijswater en verder

den geheelen dag en bij alle maaltijden. Maar overigens zijn zij

matige drinkers. Op de Persia, met zijn ruim 60 eerste klasse

passagiers, voor verreweg het grootste deel mannen, ziet men den

geheelen dag geen sterken drank gebruiken. Rooken doen zij evenwel

als schoorsteenen. Nauwelijks had de boot Dinsdagmiddag de haven

van Hongkong verlaten of de Bridge-tafeltjes werden in gereedheid

gebracht. Als men niet in de eetzaal is om te eten, of in de hut

om te slapen, dan speelt men bridge. Hoe kan het, in gezelschap van

Amerikanen, anders. Maar 't is goed, dat dit spel een beetje afleiding

geeft, anders zouden er velen zeeziek zijn. De zee is zoo onstuimig,

dat het onmogelijk is de gewone dekspelen te doen. Zelfs de kapitein

moet met zeemansbeenen loopen, om zich staande te houden, als hij

zich van het eene eind van het schip naar het andere begeeft.

31 Aug. Tot zoover was ik Woensdag den 28sten Augustus om 6 uur 's

avonds met mijn geschrijf gekomen, toen ik mij niet langer staande,

of juister gezegd, zittende kon houden. De passagiers, die op het dek

waren, waren langzamerhand allen naar binnen gestuurd en de uitgangen

afgesloten. In de hutten, eetzaal en salon werden de patrijspoortjes

dicht gedaan. Overal heerschte een benauwende, dampige hitte. Alleen de

kleine electrische waaiers in de hoeken der salons brachten een klein

beetje verademing. Er was nog net een hoekje op een van de banken in

het salon open gelaten, waar ik mij kon laten neervallen, doch bijna

oogenblikkelijk daarna kwam de steward al de daar aanwezigen verzoeken

naar de hutten te gaan en ons in de bedden neer te leggen. Tusschen

den hofmeester en den administrateur werd ik naar mijn hut geleid,

want het was onmogelijk alleen staande te blijven. Mrs. Catt lag

reeds in bed. Ik gooide mij gekleed neder en ontkleedde mij later

gedeeltelijk, zonder op te staan. De nacht, die volgde, zal ik--en

met mij alle aan boord zijnden--nimmer vergeten, Meer dan 14 uren

lang hebben wij in het grootste levensgevaar verkeerd. Wij waren met

die kleine, oude boot midden in een typhoon aangeland. Reeds toen wij

Hongkong verlieten, hadden wij de typhoonseinen gezien. De kapitein

verzekerde ons echter, dat die typhoon achter ons was en een andere

richting nam. Hij kon gemakkelijk buiten den koers blijven. Een beetje

onstuimige zee was alles wat wij er van merken zouden. Maar nu waren

wij door te veel rechts te houden regelrecht in een andere typhoon

geloopen, die onverwacht van een andere zijde was komen opzetten. Die

was niet meer te ontloopen, wij moesten kalm afwachten, wat voor ons

de gevolgen zouden zijn.

Het schip maakte de vreemdste bewegingen. Wij werden in onze bedden

naar voren en achteren, naar rechts en naar links geworpen en dat met

zoo'n geweldige kracht, dat wij ons slechts met de grootste moeite

in onze bedden konden handhaven. Geen oogenblik vertrouwden wij het

onze oogen te sluiten, uit vrees, dat wij in slaap zouden vallen en

dan tegen den muur, of nog onzachter, tegen den grond geworpen zouden

worden. En hoe zag die grond er uit! Alles wat in de hut aanwezig

was, lag in een chaos dooreen, onze handtasschen hadden zich van

hunnen inhoud ontdaan, de daarin aanwezige fleschjes gebroken en

ammonia en glycerine en brandspiritus en brillantine en tandpoeder en

andere poeder hadden zich vriendelijk vermengd en over onze kleederen

uitgestort. De waterglazen waren naar beneden gevallen en gebroken,

de waterkaraf hield zich beter, maar gulpte bij elke wending van

het schip een vroolijk straaltje over onze over den grond verspreide

bagage. Later voegde zich daarbij nog het zeewater, dat uit ongeziene

hoeken naar binnen drong.

Nu en dan was het alsof het schip hoog boven de zee werd opgetild en

dan even daarna met een geweldigen slag in het water neerplofte, wat

ons het gevoel gaf, alsof wij dan regelrecht naar den bodem der zee

zonken. Wij hielden ons moedig. Om wakker te blijven en afleiding te

hebben, bleven mrs. Catt en ik onophoudelijk in gesprek. Wij namen ons

voor in geval wij naar den grond gingen, geen reddinggordels aan te

doen om te trachten het leven te redden. In zulk weder was het beter

in eens te verdrinken, dan tegen een der rotsen te pletter te slaan.

Donderdagmorgen om 8 uur vertelde mrs. Catt mij, dat haar bed

door het van boven inkomende zeewater drijfnat was--zij lag in de

bovenste kooi--en dat zij wilde probeeren op te staan om te zien

wat er gaande was. Zij en twee heeren-passagiers waren de eenige

moedigen, die hun bed hebben durven verlaten en naar boven durfden

gaan om den stand van zaken op te nemen en te trachten iets te eten

te krijgen. Maar zij kwam spoedig terug. In de eetzaal lag alles wat

zich daar bevond over den vloer. Al wat breekbaar was, was gebroken;

de buffetten waren geheel ledig. Van de zware piano waren de touwen,

waarmede hij vastgebonden was, gebroken en het ding zelf was zoover

van zijn plaats geschoven, tot hij ergens in een hoek vastraakte. In

het salon lagen de boeken uit de kasten over den grond verspreid, de

glazen deuren der kasten waren gebroken, van twee schrijftafels waren

de pooten, die vastgeschroefd zaten, eenvoudig door midden geknapt

en de tafels lagen met haar inhoud tusschen de boeken verspreid. Wat

met mogelijkheid verplaatsbaar was, had zich losgerukt en verplaatst.

Met behulp van den hutjongen maakten wij nu de canapé in orde voor

mrs. Catt, zoodat zij zich daar kon neerleggen. Dat ging echter niet

zoo gemakkelijk, onophoudelijk tuimelden wij over den vloer, tusschen

onze vuile rommel in en niet dan na menige blauwe plek opgeloopen te

hebben, kwamen wij met ons werk gereed. Wij waren echter gelukkiger

dan menige andere passagier. Een toch brak bij zoo'n val zijn arm,

menige hoofdwond moest door den dokter verbonden worden en velen

hadden belangrijke kneuzingen aan enkels, armen en beenen opgedaan. Men

vertelde ons, dat een der aan boord zijnde bakkers van een trap viel

en een schedelbreuk heeft gekregen.

Tot twaalf uur 's middags bleven wij in die gevaarlijke en benauwde

positie, waarin wij telkens gevaar liepen tegen een rotsblok te pletter

te slaan. Toen waren wij op het zoogenaamde kalme middenpunt van de

typhoon gekomen en moesten wij het tweede gedeelte nog door. Van dat

kalme oogenblik maakten velen gebruik om op te staan en even naar boven

te gaan om wat frissche lucht te krijgen. Welk een beeld gaf echter

het bovendek te aanschouwen! Buiten en behalve dat alles, wat niet

stevig vast zat, overal verspreid lag, vond men er ook tal van doode

vogeltjes, terwijl meer dan honderd grootere vogels verwilderd boven

het dek rondvlogen en door de passagiers zoo met de handen gevangen

konden worden. Zij werden allen in een groot, leeg vat gedaan en

ontvingen later, toen de storm voorbij was, hun vrijheid terug. Om

één uur kwamen wij in het tweede gedeelte, dat tot 's avonds 8 uur

duurde, doch niet zoo hevig was als het eerste. Toen waren wij door

de typhoon heen, maar de zee bleef toch nog onstuimig, zoodat menige

passagier voor het verder deel der reis niet meer aan dek verscheen.

De kapitein en de officieren aan boord vertelden ons, dat zij nog

nimmer zulk een weder hebben medegemaakt en dat het vorige jaar

ongeveer in dezen tijd en op bijna dezelfde hoogte, het zusterschip

van onze boot daar in een soortgelijke typhoon naar den grond is

gegaan. Het was meer geluk dan zeemanswijsheid, dat ons niet hetzelfde

lot heeft getroffen, want zoo'n wind speelt met een schip als met een

zeepbel. Wij hadden Donderdagmiddag, tusschen 3 en 4 uur, in Shanghai

kunnen zijn als alles normaal was gegaan; nu zaten wij Donderdagavond

in het Formosakanaal en arriveerden eerst Zaterdagmorgen om tien

uur in Shanghai. Doch, hoe ellendig wij dat lange verblijf op die

onstuimige zee ook vonden, niemand uitte een woord van beklag,

gelukkig als elkeen was, het levensgevaar ontkomen te zijn.

Een typhoon waar wij zoo bang voor waren en die wij tusschen Manilla en

Hongkong zoo zorgvuldig hebben gemeden, hebben wij nu ook meegemaakt,

maar dit is een ondervinding, waarvan de gedachte ons steeds met

afgrijzen zal vervullen. Zoo'n langen tijd achtereen in levensgevaar

te verkeeren en bij elk gekraak van het schip te meenen, dat nu het

einde gekomen is, jaagt alle humor op de vlucht.

Bij het binnenkomen in Shanghaï, op de Yang Tse-rivier, zag ik

tusschen de vele andere schepen een van onder tot boven met vlaggen

getooid. Was dat geen bekend schip? Zag ik daar niet de Nederlandsche

kleuren? Jawel, het was de "Holland", die in deze verre haven den

verjaardag van Koningin Wilhelmina verkondigde. De Amerikanen aan boord

beweerden, dat het een Duitsch vaartuig was en velen vroegen verbaasd:

"Is it really a Holland Dutch ship?"

In Shanghaï werden wij aan de boot begroet door een Amerikaanschen

heer, wiens dochter wij in Java ontmoet hadden. Zij had haren

vader over ons geschreven, zoodat, toen hij vernam, dat wij onder

de verwachte passagiers der "Persia" waren, hij ons was komen

verwelkomen. Hij bood ons onmiddellijk voor den duur van ons verblijf

in Shanghaï zijn auto ten dienste aan, zoodat wij geen kwartier na

onze aankomst reeds per automobiel op weg waren naar onze respectieve

consuls. Ik trof in onzen consul, den heer von Zeppelin, en zijn

vrouw, allerliefste, voorkomende menschen, die mij zooveel mogelijk

ten dienste stonden. Ter eere van den verjaardag der Koningin was er

's middags een gardenparty, alwaar ik vele landgenooten, onze kranige

zeeofficieren, en bekende Chineesche personen, trof. Het was toch

weder aangenaam, in een, in hoofdzaak, Nederlandsche omgeving te zijn.

Zaterdagmiddag tuften wij per auto van den heer Kempfer een paar

uren door de stad en naaste omgeving. Shanghaï is geheel iets anders

dan Hongkong. Shanghaï is een groote stad, geheel Europeesch. Men

vindt er weder auto's door de straten snorren, electrische trammen,

rijtuigen, met heusche paarden er voor, doch ook rickshaws en

draagstoelen, al zijn deze beide laatste er ook niet in zoo'n groote

hoeveelheid. Onmiddellijk viel het ons op, dat hier zoovele Chineezen

nog hun staarten dragen. In Hongkong en Canton hadden wij er geen

meer gezien, doch hier loopen er even zoovele Chineezen met als

zonder staarten.

Terwijl wij aan de lunch zaten ontvingen wij bezoek van eenige

Amerikaansche dames, die mrs. Catt in Amerika hadden hooren spreken

en die haar nu kwamen uitnoodigen, hier in de Amerikaansche club een

voordracht te houden over de vrouwenkiesrechtbeweging der geheele

wereld. Eenigen van deze dames zijn reeds vele jaren hier en zijn

bekend met de leidsters der vrouwenbeweging onder de Chineesche

vrouwen. Mrs. Catt heeft die uitnoodiging aanvaard en de vergadering

op a.s. Dinsdag, om 6 uur, bepaald.

1 September. Een kalme, aangename dag ligt achter ons. Het was

verrukkelijk mooi weder, niet te warm, niet te koud. Om 9 uur

gingen wij met eenige kennissen oud-Shanghaï, dat is de stad binnen

de wallen, zien. Het is een vies vuil stukje stad, met eenige zeer

schilderachtige gedeelten. 't Theehuis, de tempel, etc. zijn, nu wij

dat alles in Canton veel interessanter hebben gezien, geen bezoek

waard. Om 12 uur kwam de heer Kempfer ons weder per auto halen, om

eerst een uurtje in de omgeving te toeren en daarna te zijnen huize,

met eenige Amerikaansche dames en heeren te lunchen. Na de lunch liet

hij ons naar den, ook in ons land bekenden heer Wu Ting-Fang brengen,

te wiens huize wij waren genoodigd te komen theedrinken.

Wu Ting-Fang, of dr. Wu, zooals hij gewoonlijk toegesproken wordt,

was langen tijd ambassadeur in Washington, doch was minister van

Buitenlandsche Zaken in het voorgaande Chineesche ministerie. Hij is

een revolutionist, groot vriend van dr. Sun Yat-Sen en evenals deze

laatste ook in Canton geboren en opgevoed. Ook zijn vrouw is een zeer

vooruitstrevende dame, doch, daar zij slechts enkele woorden in een

vreemde taal spreekt, konden wij van haar niet veel vernemen.

Dr. Wu is de eerste Chinees van bezadigden leeftijd, met wien wij

over de toestanden hier hebben kunnen spreken. Hij is echter evenzoo

optimistisch als alle zijne jonge geestverwanten, die wij in Canton

ontmoet hebben. Hij sprak met de grootste kalmte over de moeilijke

toestanden, waarin het land nu verkeert, vast en zeker overtuigd

zijnde, dat die moeilijkheden overwonnen zullen worden. Hij gelooft

in een oprijzing van China, zoo krachtig en zoo plotseling, alsof

het een springveer is, die samengedrukt, opeens wordt losgelaten. De

veerkracht is nog in het volk en nu het niet meer onderdrukt zal

worden, zal het weldra de wereld verbazen door wat het vermag. Hij

is ook een groot feminist, gelooft in gelijke politieke rechten voor

mannen en vrouwen, maar vreest, dat de meerderheid der regeering in

dit opzicht niet zoo vooruitstrevend is. Wij hoorden van hem voor het

eerst, dat hier een vrouwenkiesrechtvereeniging bestaat, die ook in

Nanking en Peking een vertakking heeft. De leidster der vereeniging

is op het oogenblik in Peking, doch met de andere bestuursleden zal

de vrouw van dr. Wu ons in contact brengen. Volgens dr. Wu werkt deze

vereeniging nog niet tactvol; hij stelde het daarom op hoogen prijs

als wij met deze dames wilden spreken en nagaan of hun organisatie

goed geregeld is. Dat deze Chineesche vrouwen lid van den Wereldbond

voor Vrouwenkiesrecht moesten worden, leek hem als vanzelf sprekend en

hij verwachtte daarvan, vooral voor de Chineesche vrouwen, veel goeds.

Dr. Wu, die met zijn familie--ook zijn getrouwde zoon en schoondochter

wonen bij hem in--in een prachtig huis woont, liet ons daarna zijne

geheele woning zien. Hij zeide, te weten, dat dames altijd gaarne

in een vreemd land de inrichting der woningen wilden zien en dat een

Chineesche woning toch nog iets meer origineels bezit dan de meeste

Europeesche of Amerikaansche woningen. Twee van de kamers in zijn

huis zijn geheel Chineesch ingericht, daarin duldt hij geen enkel

Europeesch meubeltje of schilderij. In het maken van deugdelijke en

zeer smaakvolle meubelen behoeven de Chineezen voor geen enkele natie

onder te doen.

Na dit interessante bezoek begaven wij ons naar de Internationale Club,

waar een jong Chinees, die in Amerika aan de Columbia Universiteit

in de philosophie gestudeerd heeft en daar zijn doctorstitel haalde,

op een dissertatie over Confucius, een voordracht in de Engelsche

taal hield over het confucionisme. Deze oude godsdiensten, als men

tenminste het confucionisme een godsdienst mag noemen, hebben toch

zoo bijzonder veel aantrekkelijks. De afgodendienst, die er later aan

verbonden is geworden, heeft met het zuivere confucionisme niets te

maken. Het is een wijsgeerig stelsel, waarop niets valt af te dingen.

Het is op het oogenblik in Nanking, Hankow en Peking heelemaal kalm,

zoodat wij gerust onze reis door dit deel van het binnenland kunnen

vervolgen. Wij zullen echter eerst nog eenige dagen hier blijven.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 118 / 133 题