Zooals ik reeds schreef, de stad Canton is de allerzonderlingste stad,
die men zich denken kan. Verbeeldt u een stad van 2 1/2 à 3 millioen
inwoners, een viermaal grootere bevolking dan de stad Amsterdam, geheel
bestaande uit straatjes, nauwelijks een paar meter breed, waar alleen
de zonnestralen zouden kunnen doordringen als de zon zoo hoog aan den
hemel staat, dat zij hare stralen verticaal naar beneden zendt, maar op
dat uur van den dag ziet men van weerskanten van boven de huizen een
mat rolgordijn uitspannen, om die enkele stralen op te vangen. Deze
nauwe straatjes schijnen nog nauwer dan zij in werkelijkheid zijn,
omdat elk huis een winkeltje is en deze winkeltjes alle hun naam en
kwaliteit en wat de Chineesche letters meer mogen uitdrukken op lange,
breede geverniste planken, die aan de intrede van het winkeltje naar
de straat uitsteken of op breede linnen strooken, die in de lucht
wapperen, hebben aangegeven. Deze planken of linnen banden zijn
rood, groen of geel geschilderd en in sterk contrasteerende kleuren
is de naam en reclame aangebracht. Sommige van deze straatjes zijn
een mijl lang en bijna alle bevatten slechts één soort winkeltjes,
waartusschen dan hier en daar een restauratie of een tempel, soms een
schooltje gevestigd is. Men heeft de schoenmakersstraat of straten,
de zilversmeden, de zijdeverkoopers, de straat waar zijden of ander
borduursel verkocht wordt. In al die straten krioelt het den geheelen
dag van menschen; als men, zooals wij, een heelen dag de stad van alle
kanten doorkruist heeft, dan krijgt men het gevoel die millioenen
menschen vrijwel allen gezien te hebben. In Caïro, Damascus en
andere steden, heeft men een gedeelte van de stad, de bazaar, dat
een beetje aan Canton doet denken, maar hier bestaat een stad met
viermaal zooveel inwoners als Amsterdam, geheel uit zulke straten. Op
verschillende plaatsen wordt de stad door kanalen of grachten, die in
de rivier uitmonden, doorbroken en op die plaatsen doet zij iets aan
Venetië denken, maar toch is het weder anders, want op deze kanalen,
hoe nauw zij ook zijn, heerscht een levendigheid en vertier, die men
elders mist.
In het begin gevoelt men zich totaal van streek, in deze nauwe
straatjes, te midden van een zoo vreemd volk, met zulke vreemde
gewoonten; men drukt den zakdoek voor den mond om de lucht niet in
te ademen en de onwelriekende geuren niet op te snuiven en men vraagt
zich verwonderd af, hoe de menschen hier kunnen leven en tieren. Maar
weldra raakt men aan deze omgeving gewend, men laat zich kalm uren
lang door deze drukke, schreeuwende menigte voortdragen en tracht
aan beide zijden tegelijk uit te kijken, om toch vooral zooveel
mogelijk van alles wat rondom geschiedt in zich op te nemen. O,
wat had ik in Canton gemakkelijk voor een paar dozijn oogen werk
gevonden, mijne simpele twee konden het in den regel alleen niet af;
de dragers moesten nu en dan even staan blijven om mij tijd te geven
naar beide zijden, voor en achter en naar onder en boven te kijken.
De marktplaatsen,--bijna elke lange straat begint en eindigt met
'n marktplaats--waren het onaangenaamste om te passeeren. De meest
afzichtelijkste en onsmakelijkst opgemaakte dingen worden daar
verkocht, terwijl de reuk, die deze dingen verspreiden, ongenietbaar
is. Levende ratten en muizen en kikvorschen heb ik in mijn vorig
schrijven reeds vermeld, stukken bloedig vleesch dat een uur in den
wind stonk en visch, die met bloed is overgoten om het frisch te doen
uitzien, en zulke walgelijke dingen zag men daar. Alleen de vruchten-
en groentenstalletjes zagen er goed uit. De overheid in Canton,
dat zijn nu de 120 jonge mannen en vrouwen, die den Raad uitmaken,
heeft reeds het besluit genomen om deze primitieve marktplaatsen op te
heffen en zestien markthallen, rondom de stad, maar buiten de nauwe
straatjes gelegen, te bouwen. De stad zal rondom uitgebreid worden,
de wallen geslecht en daarbuiten zal men trachten breedere straten,
met moderne huizen, aan te leggen. De familie Tze Pak, waar wij
gedineerd hebben, woont nu reeds buiten de oude stad.
Ieder winkeltje is tegelijkertijd de werkplaats, waar het te koop
gebodene gemaakt wordt. Men kan, als men wil, van het begin tot het
einde zien, hoe hetgeen men koopt, gefabriceerd is. En in elk winkeltje
ziet men een hoekje of plaatsje met een kastje, waarvoor een lichtje
brandt of een stokje staat te rooken. In dit kastje worden de geesten
bewaard van de dierbare afgestorvenen. Dat wil zeggen, de eene geest,
dien men mede naar huis neemt. Een Chinees bezit nl. drie geesten. Als
hij sterft gaat er één regelrecht naar den hemel of de hel, al naardat
hij het hier op aarde gemaakt heeft, een er van neemt hij mede in
de kist en de derde wordt door de nabestaanden opgevangen en in een
zeer kunstig gesloten doosje bewaard. Dat doosje wordt thuis in een
kastje gezet, expresselijk en alleen voor dat doel dienende, zoodat
de geest dagelijks verheerlijkt of geheiligd kan worden. Al is de
overledene nog zoo'n onaangenaam mensch geweest en elkeen eigenlijk
blijde was dat hij het heden met het hiernamaals verwisseld heeft,
dan nog doet men na zijn dood alles om zijn geest tevreden te stellen
en in een goed humeur te houden. Alle ongeluk in zaken, alle ziekten,
alle huiselijke onaangenaamheden, worden altijd op rekening van de
geesten van afgestorvenen geschoven, die over gebrek aan toewijding
ontevreden zijn.
Op een oogenblik, dat wij juist een hoek van een straat zouden
passeeren, moesten onze dragers even stilstaan, omdat er een groote
lange processie voorbij toog. Het gold een begrafenis, d.w.z. het lijk
werd naar "de doodenstad" gebracht, waarover later. Vóór de lijkkist,
die door 12 man gedragen werd, liep een man met een voorgebonden zak,
waaruit hij onophoudelijk ronde stukjes zilverpapier naar beide zijden
van de straat strooide. Op onze vraag wat dat beteekende, vernamen wij,
dat die stukjes papier verbeelden geld te zijn. Hij koopt met dat geld
de geesten van de straat om, zoodat zij de ziel van den doode, die in
de kist het lijk vergezelt, ongestoord zullen laten passeeren. Al de
volgelingen van het lijk waren in oranjegele draagstoelen gezeten; de
vrouwen droegen alleen een groot wit jakje over hunne gewone kleeding
en een dito doek los over het hoofd gelegd. Mannen zagen wij niet bij
den stoet. Dat was een bewijs, dat er een vrouw begraven werd. Mannen
vinden het niet noodig het lijk hunner vrouwen naar het doodenhuis
te begeleiden. Als een vrouw sterft, kan zij hem in niets meer van
dienst zijn, over hare begrafenis maakt hij zich niet druk. Somtijds
trouwt hij denzelfden dag reeds met een ander.
Laat men niet vergeten, dat er een oud- en een jong-China
bestaat. Verreweg het grootste deel van de bevolking behoort nog tot
oud-China; het kleiner deel, jong-China, heeft gebroken met tal van
oude gewoonten en gebruiken, dat tracht zooveel mogelijk Europa, of
nog liever Amerika, na te volgen. De menschen, waarmede wij in nauwer
contact zijn gekomen, en verder waarschijnlijk zullen komen, behooren
allen tot jong-China. Zoo kon het ook gebeuren, dat in het gezin van
den heer Tze Pak, de vrouwen mede aan tafel zaten, in een ouderwetsch
Chineesch gezin eten de mannen alleen en daarna pas de vrouwen.
De oranje-gele kleur van de draagstoelen, waarin de volgelingen
van dien lijkstoet gezeten waren, toont aan, dat de familie tot den
Boeddhistischen godsdienst behoort. Er zijn niet veel Boeddhisten
meer in China. In het volkrijke Canton zijn er slechts eenige
duizenden. Verreweg het meerendeel der bevolking is Confucionist. Dit
schijnt, vooral voor de mannen, een zeer gemakkelijk geloof te zijn. De
mannen behoeven slechts den god van den oorlog en den god van den
rijkdom te heiligen, dan zal het hun goed gaan; de vrouwen hebben
daarentegen tal van goden te ontzien, voor alle zaken hebben zij
een afzonderlijk godje, dat zij bewierooken, met gekleurde papieren
poppetjes vermaken en met zilverpapier omkoopen.
Het Boeddhisme is hier evenwel evenals op Ceylon zeer vervalscht;
van het zuivere Boeddhisme, zooals wij dat in Rangoon zagen, is hier
niet veel meer over. Het heeft hier geheel zijn philosophisch karakter
verloren en een zuiver afgodendienst-vorm aangenomen.
Wij bezochten eenige voorname Boeddhisten-tempels. De dwaaste
van alle is wel de tempel der 500 genieën. In dezen tempel zijn
500 levensgroote vergulden mannenbeelden, de discipels van Boeddha
voorstellende. Er waren er met duidelijk Hindoe-type en met Chineesch
type en één Italiaan. Elk van deze beelden gaf door houding en gebaren
te kennen, wat soort discipel hij was. Boeddha zelf wordt in dezen
tempel en de andere tempels die wij zagen geheel anders uitgebeeld
dan de Burma-Boeddha. Hier is hij een vette, vroolijke dikzak, die
het liefst met zijne kinderen speelt. De wijsgeer in hem raakt hier
heelemaal op den achtergrond.
De tweede belangrijke tempel dien wij bezochten was de tempel der
vijf genieën. Hier waren maar vijf mannetjes, maar 't waren de vijf,
die op rammen door de lucht waren komen vliegen en in Canton waren
neergedaald. De versteende rammen liggen aan hunne voeten; maar ik
betwijfel of iemand, zelfs met de sterkst werkende fantasie, uit deze
steenklompen rammen kan herkennen. Deze tempel bevat een merkwaardige
klok, die heel hoog in de lucht hangt en bijna niet in beweging kan
worden gebracht. Deze klok is daar door de vijf genieën duizenden
jaren geleden aangebracht, ter waarschuwing als de stad een ongeluk
dreigt. Als die klok geluid geeft, dan volgt er gewis een of ander
onheil. Tal van verhalen zijn daarvan in omloop, het een al griezeliger
dan het ander. Den laatsten keer dat er geluid uit deze bel kwam, was
in den laatsten oorlog met Engeland. Een Engelsche kogel raakte de bel,
de heele omgeving hoorde het geluid, waarop de Chineezen zich maar
gauw overgaven, toch wetende, dat nu ongeluk hun boven het hoofd hing.
Er is ook een tempel aan een medicinischen god gewijd. Die god geneest
niet alleen alle bestaande ziekten, maar oefent ook alle macht uit
over toekomstige ziekten. Men kon vroeger een bakje vuil water voor
veel geld van hem koopen, dat gedronken, alle bestaande en komende
kwalen als met een tooverslag het veld doet ruimen. De tegenwoordige
regeering heeft echter aan dit gevaarlijke zaakje der priesters paal
en perk gesteld.
De aardigste en kleinste tempel dien wij zagen is aan Boeddha
zelf gewijd. Drie groote beelden van Boeddha, het verleden,
heden en de toekomst voorstellende, stonden in het midden van den
tempel. Er was echter ook een heilige kast, geheel van zilver, die
bevatte een reliquie van Boeddha. Het was de nagel van een van zijn
teenen!!! Pelgrims komen eens in het jaar om dat waardevolle ding
te verheerlijken.
En zoo waren er nog tal van tempels, zonder eenige architectonische
bijzonderheid, noch mooi beeldhouwwerk of van andere artistieke
waarde. Men zegt, dat er meer dan 2000 tempels in Canton zijn. Ook de
tempels der Confucionisten zijn de moeite van een beschrijving niet
waard. Zij zien er alle even vuil en vies uit, niemand schijnt zich
van een schoonmaak iets aan te trekken. In de voorhal van sommige
tempels wordt gewoonweg een zaakje uitgeoefend of heeft een of ander
werkman een tijdelijke werkplaats gemaakt.
Eén groote, hooge pagoda is nog in Canton; die wordt echter niet meer
gebruikt; hij ziet er erg schilderachtig uit, doordat hij in den loop
der tijden van onder tot boven begroeid is met gras en ander groen.
Meer merkwaardig dan mooi is de Clepsydra of de waterklok. Men vertelde
ons, dat er slechts twee zulke klokken op de wereld bestaan, waarvan
dan een in Peking en een in Canton is. Lang voor men van klokken
ooit iets vernomen had, heeft een geniaal Chinees den dag en nacht
in tweemaal twaalf uren verdeeld en een waterklok gemaakt, bestaande
uit vier boven elkaar staande bakken. De bovenste bak wordt vol water
gegoten en deze laat langzaam het water in de tweede lekken. Vandaar
gaat het naar de derde en eindelijk komt het in de vierde bak. Als
de onderste bak een zekere hoeveelheid water bevat, is het één uur,
wat men buiten kan aflezen, en zoo vervolgens elk uur verder. Vroeger
stond een wacht bij die klok, die elk uur dat verstreken was, luide
in de stad verkondigde, zoodat de heele bevolking kon weten hoe laat
het was. Men zegt, dat de arme menschen nog steeds deze klok als hun
tijdmeter gebruiken.
Wij brachten ook een bezoek aan de doodenstad. Dat is een groot
steenen gebouw even buiten de stad gelegen. Er zijn 200 kamertjes in
deze woning, die door een gordijn kunnen worden afgesloten. In al die
kamertjes staat een groote doodkist, de een mooier dan de ander. Als
iemand sterft, dan moet hij na 24 uren begraven worden. Dat is een
te korte tijd voor de familieleden om een goed graf te vinden. Want
niet elk stuk grond is geschikt om een lijk te herbergen.... De grond
mag niet te vochtig zijn, er mogen geen wormen of ander ongedierte
huizen. Fung Shui mag er niet heerschen en zoo meer. Ook mogen er geen
boomen groeien, want bladerengeritsel maakt de geesten zenuwachtig. Het
liefst begraven de Chineezen hunne dooden tegen een hellenden, rotsigen
bergwand. Zoo'n grafplaats wordt met groote zorg gekozen en dikwijls
zeer duur betaald.
Zoolang men er nu nog niet in geslaagd is een geschikt graf te vinden,
bewaart men de dooden in een van de kamertjes in de doodenstad. Voor
drie maanden moet de huur van zoo'n kamertje te voren betaald worden,
ook al verwijlt het lijk er korter. Die huur bedraagt tusschen de
5 tot 2000 dollars. Zoo'n kamertje wordt nu, zoolang het lijk er
vertoeft, echt gezellig ingericht. Er worden door de familieleden een
tafel en stoelen naar toe gebracht, de wanden worden behangen met op
rijstpapier geschilderde figuren, mooie Chineesche vazen worden in de
hoeken gezet, versche bloemen worden dagelijks aangebracht en elken
morgen wordt een kommetje versch gemaakte thee op tafel voor de kist
gezet, zoodat de geest, zoo noodig, zijn dorst kan lesschen. Sommige
van deze kamertjes, waarin een rijke doode vertoefde, zagen er zeer
weelderig en smaakvol uit.
Deze doodenvereering verliest echter alle poëzie, als men er de reden
van verneemt. Het is niet de ware vereering. Men wordt niet door liefde
en aanhankelijkheid voor den doode gedreven, alleen vrees dat de geest
van den doode onheil zal aanbrengen doet de overlevenden alles doen om
den geest aangenaam te stemmen. Elke Chinees tyranniseert zijn familie
na zijn dood veel meer dan hij ooit in zijn leven bij machte is geweest
te doen. Dat geloof aan het werk der geesten is algemeen verbreid en
zelfs onder de verlichtste menschen bestaat altijd nog een twijfel;
zij vinden het maar raadzaam de geesten der dooden te vereeren, men
kan nooit weten. Gelukkig blijven zulke geesten niet eeuwig bestaan,
na 16 jaar komen zij op de aarde terug in een lager of een hooger
wezen, naar gelang zij het vroeger op aarde gemaakt hebben. Als een
vrouw erg goed heeft opgepast, komt haar geest als man terug; een man
wordt voor straf in een vrouw herschapen. De laagste vorm waarin men
kan terugkeeren is een worm.
Met een zeker welbehagen bracht de gids, ook zonder dat wij het
wenschten, ons naar het gevangenisgebouw. Dat is het treurigste wat men
zich denken kan. Vele mannen en vrouwen, gezamenlijk in groote cellen
van zware ijzeren pijlen, geheel gelijkende op wilde beestenhokken,
ongewasschen, ongekamd, in lompen, met de afzichtelijkste huidziekten,
worden daar weken en maanden, soms voor de minste kleinigheid, voor
een ieder zichtbaar, gevangen gehouden. Men zegt, dat het pijnigen
en kwellen der gevangenen onder deze regeering over heel China is
afgeschaft, maar van zeer bevoegde zijde vernamen wij, dat het toch
nog geregeld hier en daar wordt toegepast. Het door de straten van
de stad voortdrijven van een armen gevangene, dien men zware ijzeren
gewichten aan de beenen heeft gebonden, en wiens rug, zoodra hij
staan, blijft, met een gloeienden ijzeren bout van een achter hem
loopenden vent in aanraking komt, wordt nog dagelijks vertoond. En
menschen met een breede, houten, vierkante schijf, voorzien van een
gat, waar het hoofd net tusschen past, uren lang in de zon laten staan
branden, zonder dat zij met hunne handen hun gezicht kunnen bereiken,
was nog niet zoo heel lang geleden zelfs in Hongkong gezien. Gelukkig
werd ons dat gezicht bespaard en ook zagen wij op den executiegrond
geen menschen met afgesneden hoofd liggen. Tot nog voor zeer kort
werden er dagelijks vele lieden in Canton onthoofd en dat wel op de
meest primitieve wijze. Met een gewoon groot mes werden hun gewoon
de koppen afgesneden op een voor een ieder zichtbaar stuk grond en
dagen lang bleven de onthoofde lichamen daar liggen. Nu past men een
beschaafder methode toe; men neemt de gevangenen mede even buiten
de stad en schiet hen dood. Ons werd verteld, dat er kort geleden
op één dag 50 stadgenooten in Canton waren doodgeschoten, doch als
regel helpt men dagelijks niet meer dan tien tot twaalf naar de andere
wereld. Dat de Jong-Chineezen verbetering van het strafwezen op hun
program hebben is dan ook geen weelde.
Terwijl wij in alle tot dusver geziene Oostersche landen den
indruk kregen dat het Oostersch klimaat de menschen, ook de
inboorlingen, traag en lui maakt, bieden de Chineezen een geheel
ander beeld. Onwillekeurig verkrijgt men in China de overtuiging,
dat de Chineezen het nijverste volk der aarde zijn. Den geheelen dag,
van 's morgens tot 's avonds, zagen wij nooit een plek waar de mannen
of vrouwen lui neerzaten of lagen te slapen. Den geheelen dag waren
allen druk in de weer, alles met een zenuwachtigen haast doende;
zelfs toen wij velen midden op den dag in de open restauraties hun
middagmaal zagen nuttigen, schenen zij ook dit met denzelfden haast
te doen. Zij verdienen den naam, de werkbijen van de wereld te zijn.
Er zijn in Canton wel barbierswinkeltjes, open als alle winkeltjes,
maar die zijn niet druk gefrequenteerd, want de meeste Chineezen
gunnen zich geen tijd om van hun werk naar den barbier te gaan;
vlugger gaat het, als de barbier bij hen komt. Overal ziet men dan
ook midden op de straat een barbier zijn werk verrichten. Barbier is
eigenlijk een zeer verkeerde naam voor deze beroepslieden, want bij
een Chinees valt er niet veel te scheren. De meeste Chineezen hebben
gladde, baardelooze gezichten. Eerst op ouderen leeftijd, zooals ook
bij ons sommige vrouwen, beginnen bij den Chinees onder den neus en
aan de kin wat haarstoppels te groeien. Maar geen Chinees zal zich
die lang gewenschte teekenen van manbaarheid laten afscheren. Daar
is hij veel te trotsch mee; met zorg worden die wijd uiteen geplante,
stekelige borsteltjes gekweekt. De barbier heeft dan ook in den regel
alleen het hoofdhaar te verzorgen, dat, nu de Chineezen hun staart
hebben verloren, op Europeesche wijze gemillimeterd wordt. Bij vele
oudjes, waar het hoofdhaar niet meer zoo vlug aangroeit, verraadt een
zekere rare plek, op het midden van het hoofd, nog zeer sterk waar de
staart gezeten heeft. Hoewel er in China nog wel enkele staartmenschen
zijn, hebben wij toch in heel Canton geen enkelen staart gezien. Dat
kenmerkt eenigszins de stad.