V.

Zooals ik reeds schreef, de stad Canton is de allerzonderlingste stad,

die men zich denken kan. Verbeeldt u een stad van 2 1/2 à 3 millioen

inwoners, een viermaal grootere bevolking dan de stad Amsterdam, geheel

bestaande uit straatjes, nauwelijks een paar meter breed, waar alleen

de zonnestralen zouden kunnen doordringen als de zon zoo hoog aan den

hemel staat, dat zij hare stralen verticaal naar beneden zendt, maar op

dat uur van den dag ziet men van weerskanten van boven de huizen een

mat rolgordijn uitspannen, om die enkele stralen op te vangen. Deze

nauwe straatjes schijnen nog nauwer dan zij in werkelijkheid zijn,

omdat elk huis een winkeltje is en deze winkeltjes alle hun naam en

kwaliteit en wat de Chineesche letters meer mogen uitdrukken op lange,

breede geverniste planken, die aan de intrede van het winkeltje naar

de straat uitsteken of op breede linnen strooken, die in de lucht

wapperen, hebben aangegeven. Deze planken of linnen banden zijn

rood, groen of geel geschilderd en in sterk contrasteerende kleuren

is de naam en reclame aangebracht. Sommige van deze straatjes zijn

een mijl lang en bijna alle bevatten slechts één soort winkeltjes,

waartusschen dan hier en daar een restauratie of een tempel, soms een

schooltje gevestigd is. Men heeft de schoenmakersstraat of straten,

de zilversmeden, de zijdeverkoopers, de straat waar zijden of ander

borduursel verkocht wordt. In al die straten krioelt het den geheelen

dag van menschen; als men, zooals wij, een heelen dag de stad van alle

kanten doorkruist heeft, dan krijgt men het gevoel die millioenen

menschen vrijwel allen gezien te hebben. In Caïro, Damascus en

andere steden, heeft men een gedeelte van de stad, de bazaar, dat

een beetje aan Canton doet denken, maar hier bestaat een stad met

viermaal zooveel inwoners als Amsterdam, geheel uit zulke straten. Op

verschillende plaatsen wordt de stad door kanalen of grachten, die in

de rivier uitmonden, doorbroken en op die plaatsen doet zij iets aan

Venetië denken, maar toch is het weder anders, want op deze kanalen,

hoe nauw zij ook zijn, heerscht een levendigheid en vertier, die men

elders mist.

In het begin gevoelt men zich totaal van streek, in deze nauwe

straatjes, te midden van een zoo vreemd volk, met zulke vreemde

gewoonten; men drukt den zakdoek voor den mond om de lucht niet in

te ademen en de onwelriekende geuren niet op te snuiven en men vraagt

zich verwonderd af, hoe de menschen hier kunnen leven en tieren. Maar

weldra raakt men aan deze omgeving gewend, men laat zich kalm uren

lang door deze drukke, schreeuwende menigte voortdragen en tracht

aan beide zijden tegelijk uit te kijken, om toch vooral zooveel

mogelijk van alles wat rondom geschiedt in zich op te nemen. O,

wat had ik in Canton gemakkelijk voor een paar dozijn oogen werk

gevonden, mijne simpele twee konden het in den regel alleen niet af;

de dragers moesten nu en dan even staan blijven om mij tijd te geven

naar beide zijden, voor en achter en naar onder en boven te kijken.

De marktplaatsen,--bijna elke lange straat begint en eindigt met

'n marktplaats--waren het onaangenaamste om te passeeren. De meest

afzichtelijkste en onsmakelijkst opgemaakte dingen worden daar

verkocht, terwijl de reuk, die deze dingen verspreiden, ongenietbaar

is. Levende ratten en muizen en kikvorschen heb ik in mijn vorig

schrijven reeds vermeld, stukken bloedig vleesch dat een uur in den

wind stonk en visch, die met bloed is overgoten om het frisch te doen

uitzien, en zulke walgelijke dingen zag men daar. Alleen de vruchten-

en groentenstalletjes zagen er goed uit. De overheid in Canton,

dat zijn nu de 120 jonge mannen en vrouwen, die den Raad uitmaken,

heeft reeds het besluit genomen om deze primitieve marktplaatsen op te

heffen en zestien markthallen, rondom de stad, maar buiten de nauwe

straatjes gelegen, te bouwen. De stad zal rondom uitgebreid worden,

de wallen geslecht en daarbuiten zal men trachten breedere straten,

met moderne huizen, aan te leggen. De familie Tze Pak, waar wij

gedineerd hebben, woont nu reeds buiten de oude stad.

Ieder winkeltje is tegelijkertijd de werkplaats, waar het te koop

gebodene gemaakt wordt. Men kan, als men wil, van het begin tot het

einde zien, hoe hetgeen men koopt, gefabriceerd is. En in elk winkeltje

ziet men een hoekje of plaatsje met een kastje, waarvoor een lichtje

brandt of een stokje staat te rooken. In dit kastje worden de geesten

bewaard van de dierbare afgestorvenen. Dat wil zeggen, de eene geest,

dien men mede naar huis neemt. Een Chinees bezit nl. drie geesten. Als

hij sterft gaat er één regelrecht naar den hemel of de hel, al naardat

hij het hier op aarde gemaakt heeft, een er van neemt hij mede in

de kist en de derde wordt door de nabestaanden opgevangen en in een

zeer kunstig gesloten doosje bewaard. Dat doosje wordt thuis in een

kastje gezet, expresselijk en alleen voor dat doel dienende, zoodat

de geest dagelijks verheerlijkt of geheiligd kan worden. Al is de

overledene nog zoo'n onaangenaam mensch geweest en elkeen eigenlijk

blijde was dat hij het heden met het hiernamaals verwisseld heeft,

dan nog doet men na zijn dood alles om zijn geest tevreden te stellen

en in een goed humeur te houden. Alle ongeluk in zaken, alle ziekten,

alle huiselijke onaangenaamheden, worden altijd op rekening van de

geesten van afgestorvenen geschoven, die over gebrek aan toewijding

ontevreden zijn.

Op een oogenblik, dat wij juist een hoek van een straat zouden

passeeren, moesten onze dragers even stilstaan, omdat er een groote

lange processie voorbij toog. Het gold een begrafenis, d.w.z. het lijk

werd naar "de doodenstad" gebracht, waarover later. Vóór de lijkkist,

die door 12 man gedragen werd, liep een man met een voorgebonden zak,

waaruit hij onophoudelijk ronde stukjes zilverpapier naar beide zijden

van de straat strooide. Op onze vraag wat dat beteekende, vernamen wij,

dat die stukjes papier verbeelden geld te zijn. Hij koopt met dat geld

de geesten van de straat om, zoodat zij de ziel van den doode, die in

de kist het lijk vergezelt, ongestoord zullen laten passeeren. Al de

volgelingen van het lijk waren in oranjegele draagstoelen gezeten; de

vrouwen droegen alleen een groot wit jakje over hunne gewone kleeding

en een dito doek los over het hoofd gelegd. Mannen zagen wij niet bij

den stoet. Dat was een bewijs, dat er een vrouw begraven werd. Mannen

vinden het niet noodig het lijk hunner vrouwen naar het doodenhuis

te begeleiden. Als een vrouw sterft, kan zij hem in niets meer van

dienst zijn, over hare begrafenis maakt hij zich niet druk. Somtijds

trouwt hij denzelfden dag reeds met een ander.

Laat men niet vergeten, dat er een oud- en een jong-China

bestaat. Verreweg het grootste deel van de bevolking behoort nog tot

oud-China; het kleiner deel, jong-China, heeft gebroken met tal van

oude gewoonten en gebruiken, dat tracht zooveel mogelijk Europa, of

nog liever Amerika, na te volgen. De menschen, waarmede wij in nauwer

contact zijn gekomen, en verder waarschijnlijk zullen komen, behooren

allen tot jong-China. Zoo kon het ook gebeuren, dat in het gezin van

den heer Tze Pak, de vrouwen mede aan tafel zaten, in een ouderwetsch

Chineesch gezin eten de mannen alleen en daarna pas de vrouwen.

De oranje-gele kleur van de draagstoelen, waarin de volgelingen

van dien lijkstoet gezeten waren, toont aan, dat de familie tot den

Boeddhistischen godsdienst behoort. Er zijn niet veel Boeddhisten

meer in China. In het volkrijke Canton zijn er slechts eenige

duizenden. Verreweg het meerendeel der bevolking is Confucionist. Dit

schijnt, vooral voor de mannen, een zeer gemakkelijk geloof te zijn. De

mannen behoeven slechts den god van den oorlog en den god van den

rijkdom te heiligen, dan zal het hun goed gaan; de vrouwen hebben

daarentegen tal van goden te ontzien, voor alle zaken hebben zij

een afzonderlijk godje, dat zij bewierooken, met gekleurde papieren

poppetjes vermaken en met zilverpapier omkoopen.

Het Boeddhisme is hier evenwel evenals op Ceylon zeer vervalscht;

van het zuivere Boeddhisme, zooals wij dat in Rangoon zagen, is hier

niet veel meer over. Het heeft hier geheel zijn philosophisch karakter

verloren en een zuiver afgodendienst-vorm aangenomen.

Wij bezochten eenige voorname Boeddhisten-tempels. De dwaaste

van alle is wel de tempel der 500 genieën. In dezen tempel zijn

500 levensgroote vergulden mannenbeelden, de discipels van Boeddha

voorstellende. Er waren er met duidelijk Hindoe-type en met Chineesch

type en één Italiaan. Elk van deze beelden gaf door houding en gebaren

te kennen, wat soort discipel hij was. Boeddha zelf wordt in dezen

tempel en de andere tempels die wij zagen geheel anders uitgebeeld

dan de Burma-Boeddha. Hier is hij een vette, vroolijke dikzak, die

het liefst met zijne kinderen speelt. De wijsgeer in hem raakt hier

heelemaal op den achtergrond.

De tweede belangrijke tempel dien wij bezochten was de tempel der

vijf genieën. Hier waren maar vijf mannetjes, maar 't waren de vijf,

die op rammen door de lucht waren komen vliegen en in Canton waren

neergedaald. De versteende rammen liggen aan hunne voeten; maar ik

betwijfel of iemand, zelfs met de sterkst werkende fantasie, uit deze

steenklompen rammen kan herkennen. Deze tempel bevat een merkwaardige

klok, die heel hoog in de lucht hangt en bijna niet in beweging kan

worden gebracht. Deze klok is daar door de vijf genieën duizenden

jaren geleden aangebracht, ter waarschuwing als de stad een ongeluk

dreigt. Als die klok geluid geeft, dan volgt er gewis een of ander

onheil. Tal van verhalen zijn daarvan in omloop, het een al griezeliger

dan het ander. Den laatsten keer dat er geluid uit deze bel kwam, was

in den laatsten oorlog met Engeland. Een Engelsche kogel raakte de bel,

de heele omgeving hoorde het geluid, waarop de Chineezen zich maar

gauw overgaven, toch wetende, dat nu ongeluk hun boven het hoofd hing.

Er is ook een tempel aan een medicinischen god gewijd. Die god geneest

niet alleen alle bestaande ziekten, maar oefent ook alle macht uit

over toekomstige ziekten. Men kon vroeger een bakje vuil water voor

veel geld van hem koopen, dat gedronken, alle bestaande en komende

kwalen als met een tooverslag het veld doet ruimen. De tegenwoordige

regeering heeft echter aan dit gevaarlijke zaakje der priesters paal

en perk gesteld.

De aardigste en kleinste tempel dien wij zagen is aan Boeddha

zelf gewijd. Drie groote beelden van Boeddha, het verleden,

heden en de toekomst voorstellende, stonden in het midden van den

tempel. Er was echter ook een heilige kast, geheel van zilver, die

bevatte een reliquie van Boeddha. Het was de nagel van een van zijn

teenen!!! Pelgrims komen eens in het jaar om dat waardevolle ding

te verheerlijken.

En zoo waren er nog tal van tempels, zonder eenige architectonische

bijzonderheid, noch mooi beeldhouwwerk of van andere artistieke

waarde. Men zegt, dat er meer dan 2000 tempels in Canton zijn. Ook de

tempels der Confucionisten zijn de moeite van een beschrijving niet

waard. Zij zien er alle even vuil en vies uit, niemand schijnt zich

van een schoonmaak iets aan te trekken. In de voorhal van sommige

tempels wordt gewoonweg een zaakje uitgeoefend of heeft een of ander

werkman een tijdelijke werkplaats gemaakt.

Eén groote, hooge pagoda is nog in Canton; die wordt echter niet meer

gebruikt; hij ziet er erg schilderachtig uit, doordat hij in den loop

der tijden van onder tot boven begroeid is met gras en ander groen.

Meer merkwaardig dan mooi is de Clepsydra of de waterklok. Men vertelde

ons, dat er slechts twee zulke klokken op de wereld bestaan, waarvan

dan een in Peking en een in Canton is. Lang voor men van klokken

ooit iets vernomen had, heeft een geniaal Chinees den dag en nacht

in tweemaal twaalf uren verdeeld en een waterklok gemaakt, bestaande

uit vier boven elkaar staande bakken. De bovenste bak wordt vol water

gegoten en deze laat langzaam het water in de tweede lekken. Vandaar

gaat het naar de derde en eindelijk komt het in de vierde bak. Als

de onderste bak een zekere hoeveelheid water bevat, is het één uur,

wat men buiten kan aflezen, en zoo vervolgens elk uur verder. Vroeger

stond een wacht bij die klok, die elk uur dat verstreken was, luide

in de stad verkondigde, zoodat de heele bevolking kon weten hoe laat

het was. Men zegt, dat de arme menschen nog steeds deze klok als hun

tijdmeter gebruiken.

Wij brachten ook een bezoek aan de doodenstad. Dat is een groot

steenen gebouw even buiten de stad gelegen. Er zijn 200 kamertjes in

deze woning, die door een gordijn kunnen worden afgesloten. In al die

kamertjes staat een groote doodkist, de een mooier dan de ander. Als

iemand sterft, dan moet hij na 24 uren begraven worden. Dat is een

te korte tijd voor de familieleden om een goed graf te vinden. Want

niet elk stuk grond is geschikt om een lijk te herbergen.... De grond

mag niet te vochtig zijn, er mogen geen wormen of ander ongedierte

huizen. Fung Shui mag er niet heerschen en zoo meer. Ook mogen er geen

boomen groeien, want bladerengeritsel maakt de geesten zenuwachtig. Het

liefst begraven de Chineezen hunne dooden tegen een hellenden, rotsigen

bergwand. Zoo'n grafplaats wordt met groote zorg gekozen en dikwijls

zeer duur betaald.

Zoolang men er nu nog niet in geslaagd is een geschikt graf te vinden,

bewaart men de dooden in een van de kamertjes in de doodenstad. Voor

drie maanden moet de huur van zoo'n kamertje te voren betaald worden,

ook al verwijlt het lijk er korter. Die huur bedraagt tusschen de

5 tot 2000 dollars. Zoo'n kamertje wordt nu, zoolang het lijk er

vertoeft, echt gezellig ingericht. Er worden door de familieleden een

tafel en stoelen naar toe gebracht, de wanden worden behangen met op

rijstpapier geschilderde figuren, mooie Chineesche vazen worden in de

hoeken gezet, versche bloemen worden dagelijks aangebracht en elken

morgen wordt een kommetje versch gemaakte thee op tafel voor de kist

gezet, zoodat de geest, zoo noodig, zijn dorst kan lesschen. Sommige

van deze kamertjes, waarin een rijke doode vertoefde, zagen er zeer

weelderig en smaakvol uit.

Deze doodenvereering verliest echter alle poëzie, als men er de reden

van verneemt. Het is niet de ware vereering. Men wordt niet door liefde

en aanhankelijkheid voor den doode gedreven, alleen vrees dat de geest

van den doode onheil zal aanbrengen doet de overlevenden alles doen om

den geest aangenaam te stemmen. Elke Chinees tyranniseert zijn familie

na zijn dood veel meer dan hij ooit in zijn leven bij machte is geweest

te doen. Dat geloof aan het werk der geesten is algemeen verbreid en

zelfs onder de verlichtste menschen bestaat altijd nog een twijfel;

zij vinden het maar raadzaam de geesten der dooden te vereeren, men

kan nooit weten. Gelukkig blijven zulke geesten niet eeuwig bestaan,

na 16 jaar komen zij op de aarde terug in een lager of een hooger

wezen, naar gelang zij het vroeger op aarde gemaakt hebben. Als een

vrouw erg goed heeft opgepast, komt haar geest als man terug; een man

wordt voor straf in een vrouw herschapen. De laagste vorm waarin men

kan terugkeeren is een worm.

Met een zeker welbehagen bracht de gids, ook zonder dat wij het

wenschten, ons naar het gevangenisgebouw. Dat is het treurigste wat men

zich denken kan. Vele mannen en vrouwen, gezamenlijk in groote cellen

van zware ijzeren pijlen, geheel gelijkende op wilde beestenhokken,

ongewasschen, ongekamd, in lompen, met de afzichtelijkste huidziekten,

worden daar weken en maanden, soms voor de minste kleinigheid, voor

een ieder zichtbaar, gevangen gehouden. Men zegt, dat het pijnigen

en kwellen der gevangenen onder deze regeering over heel China is

afgeschaft, maar van zeer bevoegde zijde vernamen wij, dat het toch

nog geregeld hier en daar wordt toegepast. Het door de straten van

de stad voortdrijven van een armen gevangene, dien men zware ijzeren

gewichten aan de beenen heeft gebonden, en wiens rug, zoodra hij

staan, blijft, met een gloeienden ijzeren bout van een achter hem

loopenden vent in aanraking komt, wordt nog dagelijks vertoond. En

menschen met een breede, houten, vierkante schijf, voorzien van een

gat, waar het hoofd net tusschen past, uren lang in de zon laten staan

branden, zonder dat zij met hunne handen hun gezicht kunnen bereiken,

was nog niet zoo heel lang geleden zelfs in Hongkong gezien. Gelukkig

werd ons dat gezicht bespaard en ook zagen wij op den executiegrond

geen menschen met afgesneden hoofd liggen. Tot nog voor zeer kort

werden er dagelijks vele lieden in Canton onthoofd en dat wel op de

meest primitieve wijze. Met een gewoon groot mes werden hun gewoon

de koppen afgesneden op een voor een ieder zichtbaar stuk grond en

dagen lang bleven de onthoofde lichamen daar liggen. Nu past men een

beschaafder methode toe; men neemt de gevangenen mede even buiten

de stad en schiet hen dood. Ons werd verteld, dat er kort geleden

op één dag 50 stadgenooten in Canton waren doodgeschoten, doch als

regel helpt men dagelijks niet meer dan tien tot twaalf naar de andere

wereld. Dat de Jong-Chineezen verbetering van het strafwezen op hun

program hebben is dan ook geen weelde.

Terwijl wij in alle tot dusver geziene Oostersche landen den

indruk kregen dat het Oostersch klimaat de menschen, ook de

inboorlingen, traag en lui maakt, bieden de Chineezen een geheel

ander beeld. Onwillekeurig verkrijgt men in China de overtuiging,

dat de Chineezen het nijverste volk der aarde zijn. Den geheelen dag,

van 's morgens tot 's avonds, zagen wij nooit een plek waar de mannen

of vrouwen lui neerzaten of lagen te slapen. Den geheelen dag waren

allen druk in de weer, alles met een zenuwachtigen haast doende;

zelfs toen wij velen midden op den dag in de open restauraties hun

middagmaal zagen nuttigen, schenen zij ook dit met denzelfden haast

te doen. Zij verdienen den naam, de werkbijen van de wereld te zijn.

Er zijn in Canton wel barbierswinkeltjes, open als alle winkeltjes,

maar die zijn niet druk gefrequenteerd, want de meeste Chineezen

gunnen zich geen tijd om van hun werk naar den barbier te gaan;

vlugger gaat het, als de barbier bij hen komt. Overal ziet men dan

ook midden op de straat een barbier zijn werk verrichten. Barbier is

eigenlijk een zeer verkeerde naam voor deze beroepslieden, want bij

een Chinees valt er niet veel te scheren. De meeste Chineezen hebben

gladde, baardelooze gezichten. Eerst op ouderen leeftijd, zooals ook

bij ons sommige vrouwen, beginnen bij den Chinees onder den neus en

aan de kin wat haarstoppels te groeien. Maar geen Chinees zal zich

die lang gewenschte teekenen van manbaarheid laten afscheren. Daar

is hij veel te trotsch mee; met zorg worden die wijd uiteen geplante,

stekelige borsteltjes gekweekt. De barbier heeft dan ook in den regel

alleen het hoofdhaar te verzorgen, dat, nu de Chineezen hun staart

hebben verloren, op Europeesche wijze gemillimeterd wordt. Bij vele

oudjes, waar het hoofdhaar niet meer zoo vlug aangroeit, verraadt een

zekere rare plek, op het midden van het hoofd, nog zeer sterk waar de

staart gezeten heeft. Hoewel er in China nog wel enkele staartmenschen

zijn, hebben wij toch in heel Canton geen enkelen staart gezien. Dat

kenmerkt eenigszins de stad.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 117 / 133 题