IV.

Ik zat naast de vrouw des huizes en had aan den anderen kant den jongen

oogarts. Mrs. Catt zat tusschen den gastheer en den ingenieur. De

anderen zaten daartusschen verdeeld. Ieder gast zat op een mooi zwart

houten Chineesch krukje. De gastheer en ook de andere heeren merkten

met trotsch op, dat de Chineezen gewoon zijn aan tafel te zitten,

doch wanneer wij in Japan ergens zullen worden uitgenoodigd, dat wij

dan op den grond plaats zullen moeten nemen.

Op iedere plaats lag een porseleinen lepeltje, zooals wij voor

medicijnlepeltje gebruiken, en twee ivoren stokjes. De vrouw des

huizes en ook de gastheer schepten beiden met zoo'n klein lepeltje

het een en ander in verschillende kommetjes en ieder kreeg zoo'n mooi

Chineesch kommetje, zooals wij tehuis op onze buffetten hebben staan,

voor zich. Het leek mij zoo'n raar mengsel en daarom vroeg ik wat

dit alles was. Het was een groote vrucht, den Chineeschen naam weet

ik niet meer, het meest gelijkende op pompelmoes, daarvan wordt de

kap afgesneden, het binnenste uitgehold en dit vermengd met stukjes

varkensvleesch, kip, streepjes van het binnenste van bamboe ('t geen

hier veel gegeten wordt), meloenzaad, boontjes, deze laatste waren de

vruchtjes van witte leliën, en nog andere roode en groene vruchtjes

meer. Dit alles wordt dan weder in de vrucht gedaan en gezamenlijk

gekookt. Deze heele vrucht wordt op tafel gebracht en daaruit krijgt

elkeen het zijne. Achter elks kommetje stond een heel klein kopje,

waarin soja was gegoten en waarin men zijn tusschen de stokjes geknepen

stukje van het een of ander doopte, alvorens het te nuttigen.

Nu begon men te eten. Mrs. Catt en ik deden wanhopige pogingen om onze

stokjes in de hand te houden en daarmede de stukjes van den rommel

in ons kommetje naar den mond te brengen. De vrouw des huizes hielp

mij een beetje. Ook mrs. Catt kreeg hulp van haar buurman. Wat was

ik blij als ik zoo'n stukje beet had en naar mijn mond had gebracht,

maar ik vertrouwde mij niet om er eerst mede naar het sojabakje

te gaan en het daar in te dippen, zoo'n lange reis kon ik het niet

vasthouden. De nattigheid, die onder in het kommetje was, werd met

het lepeltje genuttigd. Dat proces ging beter.

Toen kwam het tweede gerecht. Elk kreeg een schoteltje met gekookte

haai-vinnen. Die smaakten eigenlijk net als gekookte vinnen van andere

visschen, misschien iets slijmeriger, maar men zal wel Chinees moeten

zijn om er het fijne van te proeven. Bij de Chineezen gelden haaivinnen

voor een groote delicatesse. Wij twee hadden onze schoteltjes nog niet

half leeg, toen de anderen reeds lang klaar waren en het volgende

gerecht werd opgediend. Dat leek mij zoo raar, zoo wit vleezig en

zoo slijmerig, dat ik mijn buurman eerst vroeg "wat is dit?" "Dat

zijn kikvorschen," zeide hij. Ik moet al een heel bedremmeld gezicht

gezet hebben, want oogenblikkelijk liet hij er op volgen, "maar het

zijn geen kikvorschen, die in slooten en plassen leven, deze worden

door de families zelve op de rijstvelden gekweekt." Wij hadden 's

morgens zooveel levende kikkertjes in de markthalletjes aan touwtjes

zien bengelen, in gezelschap van muizen en ratten, dat ik bevreesd de

vraag opperde: "Eet men hier ook muizen en ratten?" "O ja," was het

eenvoudige antwoord, "muizen, vooral wanneer die een tijd lang goed

gevoed zijn, beschouwen wij als een lekkernij; maar ratten, evenals

honden en katten, worden alleen door de arme menschen gegeten, dat

is een grof voedsel".

Ik kon mijn stukjes kikvorsch niet meer naar den mond brengen,

hoeveel moeite ik er ook voor deed. Mrs. Catt had echter haar bordje

reeds leeggegeten, zonder te weten wat het was, toen de gastheer

haar stralend vroeg of zij ook zoo'n liefhebster van kikvorschen

was. In het zuiden van Frankrijk at men alleen de achterpooten, maar

de ruggen waren juist het lekkerst. Mijn lieve, goede reisgezellin

had een oogenblik moeite haar maaginhoud binnen te houden, en kon

met geen mogelijkheid van het verdere diner nog iets nuttigen. En

toen kwam juist het fijne. Ieder kreeg een schoteltje met hartjes en

levertjes. Men zeide mij, dat het de hartjes van nachtegalen waren,

maar ik wil hopen, dat zij van minder edele vogeltjes afkomstig

zijn. Daarna werd de pièce de résistance opgediend. Elk kreeg weder een

bakje, zooals in het begin, driekwart gevuld met rijst, lekker korrelig

gekookt. In 't midden van de tafel werden een dozijn grootere bakken

gezet, elk gevuld met iets anders. Dat was een formeele rijsttafel,

maar zonder de sambals. Geen enkele kruidenij werd aan tafel gebruikt

en door niemand werd iets gedronken. Er stond trouwens geen glas en

geen drinken.

Elkeen pakte nu met zijn stokjes, waarmede al het voorgaande gegeten

was, uit de verschillende bakjes wat hij of zij wilde hebben en at

dat met de rijst. Mijn buurman bediende mij. Ik vroeg alleen een

stukje eendvogel, wat hij met zijn stokjes op mijn rijst deponeerde,

en toen hij mij nog wat wilde geven, vroeg ik een gebakken ei. Maar,

o, wee, toen ik dat in mijn bakje had, zag ik, dat het een ei met

een kuikentje was. Onze Chineesche tafelgenooten verorberden zoo'n

gevuld ei met bijzonderen smaak, ik vergenoegde mij met een beetje van

mijn stukje eend te eten en wat rijst uit het bakje in mijn mond te

schuiven. Dat is eigenlijk het eenig wat de Chineezen heel onsmakelijk

doen, het eten van rijst met de stokjes. Zij kunnen de rijst niet

met de stokjes pakken, daarom zetten zij het bakje aan den mond en

schuiven de rijst met de stokjes naar binnen. Het leek heel veel op

slobberen. Messen worden aan tafel niet gebruikt, alles wordt in de

keuken zoo klein gesneden, dat men het zoo kan eten. Zij vinden het

zeer onbeschaafd van de Europeanen om zich aan tafel van messen te

bedienen. Voor toespijs kregen wij een heel dun rijstkoekje met een

stukje vette ham er boven op. Daarna kreeg elkeen weder een klein kopje

thee en daarmede was het diner afgeloopen. In de binnengalerij stonden

vruchten en zoetigheidjes op tafel; ieder bediende zich zelf daarvan.

Weldra was het acht uur en toen vroeg de gastheer ons of wij plezier

hadden met het heele gezelschap mede naar een theater te gaan, waar

een echt Chineesch stuk, uit het Chineesche volksleven gegrepen,

door amateur-artisten gegeven zou worden. Wat konden wij meer

wenschen! Voordat wij de woning echter verlieten, bood de vrouw des

huizes, door middel van haren man, ons elk een paar ivoren, met zilver

gemonteerde, stokjes aan, als aandenken aan ons eerste Chineesche

diner. Zij had in elk glazen doosje haar miniatuurkaartje gelegd,

in de hoop, dat wij haar nooit zullen vergeten en haar nog eens van

ons zullen laten hooren. Van alles wat ik van deze reis mede naar

huis zal brengen, zal niets zoo'n waardevol souvenir voor mij zijn,

als deze twee stokjes, omdat zij mij telkens weder den dag zullen te

binnen roepen, die van onze geheele reis de merkwaardigste is en die

mij China en de jong-Chineezen zoo van nabij heeft leeren kennen.

Het stuk, dat opgevoerd zou worden, gaf ons een blik in toestanden,

zooals die vóór de revolutie in China heerschten en die nu gaandeweg

aan het verdwijnen zijn. Het was het huiselijk leven van een

mandarijn, die zich verrijkt had met de zuur verdiende gelden van

het arme volk. Hij is nu oud, verkoopt zijn plaats aan een collega

en vertrekt met zijn gezin naar elders. Zijn eenige zoon is een groot

speler, besteelt zijn vader en verliest al het geld van papa. De oude

mandarijn sterft van verdriet. Als de zoon geen geld meer bezit om te

spelen, verkwanselt hij zijn zusje aan een slecht befaamd huis en ten

slotte hangt hij zichzelf op. De moraal van het stuk: onrechtmatig

verkregen goed gedijt niet. Dat lag er dik op. Het gaf ons echter

een blik in zoovele huiselijke zaken in China, waarvan men wel leest,

maar die men anders nooit voor oogen krijgt en het werd meesterlijk

gespeeld door jonge studenten, die het opvoerden ten voordeele van

de kas der politieke vereeniging, waartoe ook zij behooren.

In het eerste tooneel zien wij den ouden mandarijn met zijne dochter

en de vrouw van zijn zoon. Ieder der huisgenooten heeft een eigen

bediende, die hem of haar als een schaduw volgt en als zij stil

zitten, onophoudelijk koelte met een waaier toe wuift. Dan komt de

zoon tehuis, die voor zijn vader kruipt, maar zijn vrouw en zuster

als een tyran behandelt. Daarna ontvangt de vader bezoek van een

anderen mandarijn, die in rang beneden hem staat en wij zien de

verschillende plichtplegingen van deze twee tegenover elkander. Dan

licht de eerste zijn opvolger in hoe hij de 100.000 dollars, die hij

hem voor de plaats betaald heeft, gemakkelijk in korten tijd weder

uit het volk kan terugwinnen. Dat gaf natuurlijk menig staaltje van

brutale uitzuigerij van deze Manchu-ambtenaren te zien en te hooren.

In het tweede bedrijf heeft de vader bemerkt, dat zijn zoon hem

besteelt en het geld in speelhuizen verliest. Een typische scène

tusschen vader en zoon, waarbij de vader zich zoo opwindt, dat hij

neervalt, ziek wordt en sterft. De dokter-kwakzalver komt aan het

ziekbed en verricht hocus-pocus-kunstjes. De vader sterft en alle

formaliteiten, die bij zoo'n dood voorvallen, zien wij gebeuren. De

priester komt, de duivel wordt verbannen, de familieleden komen,

de begrafenis wordt voorbereid en alles wordt zoo aanschouwelijk

voorgesteld, alsof het in werkelijkheid plaats vindt.

In het derde en laatste bedrijf is de zoon reeds geheel verarmd,

zijn schuldeischers maken het hem lastig, de bruidsschat van zijne

zuster heeft hij ook reeds verkwanseld en dan komen een paar kerels

hem geld voor dat zusje zelf aanbieden. Hij hoopt met dat geld zijn

verloren kapitaal terug te kunnen winnen, zijne zuster zal hij dan

weder bevrijden en zoo brengt hij zijn geweten tot zwijgen en stemt

met den koop in. Het meisje wordt dan gesluierd, aan armen en voeten

gebonden en medegevoerd. Nauwelijks is zij weg of andere schuldeischers

komen hem het pas ontvangen geld afhandig maken tot hij geen cent

over heeft en radeloos hangt hij zich dan op. Wij krijgen dan een

geheel ander beeld van wat voorvalt in het huis van een zelfmoordenaar.

Mrs. Catt en ik hadden elk een jongmensch naast ons zitten, die ons

telkens de vertaling gaf van hetgeen de acteurs zeiden, zoodat geen

woord van het geheele stuk verloren ging. Van het begin tot het eind

waren wij door het stuk en het spel der jongelieden geboeid, wij

gevoelden ons geheel tehuis in de wereld, die ons daar vertoond werd.

Om ruim elf uur was het stuk afgeloopen, waarna onze beide jonge

cavaliers ons in het private stoombootje van onzen gastheer over de

rivier naar het hotel brachten. Het was een prachtige sterrenhemel,

van vele schepen werden weder goede en booze geesten aangenaam bezig

gehouden, kleine bootjes met Boeddhistische nonnen en andere met

monniken zwierven op het water rond, om de watergoden te heiligen, de

eentonige Chineesche muziek werd van verschillende schepen gehoord,

tal van kleine vaartuigjes met gekookte rijst, gebakken of gekookte

visch, vruchten en andere etenswaren gondelden tusschen de groote

schuiten door om nog wat te verkoopen, de hel verlichte stad bood een

phantastisch beeld, dit alles stemde ons met een dankbaar gevoel en

dit prachtig slot aan zoo'n heerlijken dag maakte ons overgelukkig.

Toen wij ten slotte in het middernachtelijk uur op onze kamer

aangekomen waren, keken wij elkander eens goed aan en riepen uit: Wat

een onvergetelijke dag! Maar, vroegen wij ons af, zal men ons willen

gelooven, als wij onze lotgevallen van dezen eenen dag ook nog zoo

eenvoudig mogelijk beschrijven? Zal iemand, die niet hier is geweest,

die de Chineesche toestanden niet kent, onze beschrijving van het

diner en alles wat er opgediend werd voor waarheid aannemen? Zal men

realiseeren wat het beteekent, dat wij tweetjes hier in deze stad, die

nog in staat van beleg verkeert, twee dagen lang hebben rondgedwaald

om vrouwenkiesrecht en vrouwen-parlementsleden op te sporen en die

niet alleen hebben gevonden, maar zelfs met deze Cantonneesche

vrouwen-raadsleden hebben gesproken en met eenigen gedineerd

en dat terwijl zelfs in Canton doktoren, leeraren, de hotelier,

vele zendelingen en anderen ons niet eens wisten te vertellen,

of er zulke vrouwen, eenig in haar soort, in deze stad bestonden

en waar het gebouw is, waar de raadszittingen worden gehouden? Van

den heer Tze Yin Pak hebben wij nu aanbevelingen mede gekregen voor

partijgenooten in Shangai, Nanking en Peking, waardoor wij direct

in aanraking zullen komen met de personen, die wij vóór alles willen

leeren kennen. Treffen wij toevallig dr. Sun ergens aan, dan zullen wij

ons bij hem aandienen, want hij weet van onze komst en de heeren wisten

ons bepaald te verzekeren, dat dr. Sun ons gaarne zal willen spreken.

Ondertusschen zijn wij nu weer in Hongkong teruggekeerd, na een

prachtigen tocht over de schilderachtige Paarlrivier. Van deze

boottochten hoort men hier nooit zoo heel veel gewagen, doch

inderdaad leveren zij meer natuurschoon en meer bezienswaardigs op

dan een tocht langs den Rijn of den Donau, of welke andere bekende

Europeesche rivier.

Morgen willen wij naar Shangai vertrekken en daar zullen wij vernemen,

of het mogelijk is, dat wij naar Peking opgaan. Heel gemakkelijk

zullen wij ons niet laten uit het veld slaan, want wij hopen te zeer

Nanking en Peking te kunnen bezoeken. Voor den tocht naar Canton

had men ons ook zoo bevreesd gemaakt, ieder vertelde, dat wij kans

hadden er niet van terug te keeren en nu verheugen wij ons zoo, dat

wij het plan hebben doorgezet. Maar toch zullen wij voorzichtig zijn,

want de toestanden veranderen hier bij den dag. Toen wij in Canton

waren, werd daar nog heel licht over het doodschieten van de twee

generaals, leden van de Tung Ming Hui, gesproken en hier vernemen

wij, dat de Nationale Raad en zelfs de Tung Ming Hui den president

Yuan om opheldering hebben gevraagd en als die ophelderingen niet

voldoende zijn er dan een leger naar Peking zal worden gezonden en

daar de strubbelingen opnieuw zullen beginnen.

Ondertusschen rust op mij nog de taak om een beknopte beschrijving

te geven van de allerzonderlingste stad Canton en van alle

merkwaardigheden, die wij er zagen. Daaraan zal ik den volgenden

brief wijden, want dit pakket moet heden verzonden worden.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 116 / 133 题