Ik zat naast de vrouw des huizes en had aan den anderen kant den jongen
oogarts. Mrs. Catt zat tusschen den gastheer en den ingenieur. De
anderen zaten daartusschen verdeeld. Ieder gast zat op een mooi zwart
houten Chineesch krukje. De gastheer en ook de andere heeren merkten
met trotsch op, dat de Chineezen gewoon zijn aan tafel te zitten,
doch wanneer wij in Japan ergens zullen worden uitgenoodigd, dat wij
dan op den grond plaats zullen moeten nemen.
Op iedere plaats lag een porseleinen lepeltje, zooals wij voor
medicijnlepeltje gebruiken, en twee ivoren stokjes. De vrouw des
huizes en ook de gastheer schepten beiden met zoo'n klein lepeltje
het een en ander in verschillende kommetjes en ieder kreeg zoo'n mooi
Chineesch kommetje, zooals wij tehuis op onze buffetten hebben staan,
voor zich. Het leek mij zoo'n raar mengsel en daarom vroeg ik wat
dit alles was. Het was een groote vrucht, den Chineeschen naam weet
ik niet meer, het meest gelijkende op pompelmoes, daarvan wordt de
kap afgesneden, het binnenste uitgehold en dit vermengd met stukjes
varkensvleesch, kip, streepjes van het binnenste van bamboe ('t geen
hier veel gegeten wordt), meloenzaad, boontjes, deze laatste waren de
vruchtjes van witte leliën, en nog andere roode en groene vruchtjes
meer. Dit alles wordt dan weder in de vrucht gedaan en gezamenlijk
gekookt. Deze heele vrucht wordt op tafel gebracht en daaruit krijgt
elkeen het zijne. Achter elks kommetje stond een heel klein kopje,
waarin soja was gegoten en waarin men zijn tusschen de stokjes geknepen
stukje van het een of ander doopte, alvorens het te nuttigen.
Nu begon men te eten. Mrs. Catt en ik deden wanhopige pogingen om onze
stokjes in de hand te houden en daarmede de stukjes van den rommel
in ons kommetje naar den mond te brengen. De vrouw des huizes hielp
mij een beetje. Ook mrs. Catt kreeg hulp van haar buurman. Wat was
ik blij als ik zoo'n stukje beet had en naar mijn mond had gebracht,
maar ik vertrouwde mij niet om er eerst mede naar het sojabakje
te gaan en het daar in te dippen, zoo'n lange reis kon ik het niet
vasthouden. De nattigheid, die onder in het kommetje was, werd met
het lepeltje genuttigd. Dat proces ging beter.
Toen kwam het tweede gerecht. Elk kreeg een schoteltje met gekookte
haai-vinnen. Die smaakten eigenlijk net als gekookte vinnen van andere
visschen, misschien iets slijmeriger, maar men zal wel Chinees moeten
zijn om er het fijne van te proeven. Bij de Chineezen gelden haaivinnen
voor een groote delicatesse. Wij twee hadden onze schoteltjes nog niet
half leeg, toen de anderen reeds lang klaar waren en het volgende
gerecht werd opgediend. Dat leek mij zoo raar, zoo wit vleezig en
zoo slijmerig, dat ik mijn buurman eerst vroeg "wat is dit?" "Dat
zijn kikvorschen," zeide hij. Ik moet al een heel bedremmeld gezicht
gezet hebben, want oogenblikkelijk liet hij er op volgen, "maar het
zijn geen kikvorschen, die in slooten en plassen leven, deze worden
door de families zelve op de rijstvelden gekweekt." Wij hadden 's
morgens zooveel levende kikkertjes in de markthalletjes aan touwtjes
zien bengelen, in gezelschap van muizen en ratten, dat ik bevreesd de
vraag opperde: "Eet men hier ook muizen en ratten?" "O ja," was het
eenvoudige antwoord, "muizen, vooral wanneer die een tijd lang goed
gevoed zijn, beschouwen wij als een lekkernij; maar ratten, evenals
honden en katten, worden alleen door de arme menschen gegeten, dat
is een grof voedsel".
Ik kon mijn stukjes kikvorsch niet meer naar den mond brengen,
hoeveel moeite ik er ook voor deed. Mrs. Catt had echter haar bordje
reeds leeggegeten, zonder te weten wat het was, toen de gastheer
haar stralend vroeg of zij ook zoo'n liefhebster van kikvorschen
was. In het zuiden van Frankrijk at men alleen de achterpooten, maar
de ruggen waren juist het lekkerst. Mijn lieve, goede reisgezellin
had een oogenblik moeite haar maaginhoud binnen te houden, en kon
met geen mogelijkheid van het verdere diner nog iets nuttigen. En
toen kwam juist het fijne. Ieder kreeg een schoteltje met hartjes en
levertjes. Men zeide mij, dat het de hartjes van nachtegalen waren,
maar ik wil hopen, dat zij van minder edele vogeltjes afkomstig
zijn. Daarna werd de pièce de résistance opgediend. Elk kreeg weder een
bakje, zooals in het begin, driekwart gevuld met rijst, lekker korrelig
gekookt. In 't midden van de tafel werden een dozijn grootere bakken
gezet, elk gevuld met iets anders. Dat was een formeele rijsttafel,
maar zonder de sambals. Geen enkele kruidenij werd aan tafel gebruikt
en door niemand werd iets gedronken. Er stond trouwens geen glas en
geen drinken.
Elkeen pakte nu met zijn stokjes, waarmede al het voorgaande gegeten
was, uit de verschillende bakjes wat hij of zij wilde hebben en at
dat met de rijst. Mijn buurman bediende mij. Ik vroeg alleen een
stukje eendvogel, wat hij met zijn stokjes op mijn rijst deponeerde,
en toen hij mij nog wat wilde geven, vroeg ik een gebakken ei. Maar,
o, wee, toen ik dat in mijn bakje had, zag ik, dat het een ei met
een kuikentje was. Onze Chineesche tafelgenooten verorberden zoo'n
gevuld ei met bijzonderen smaak, ik vergenoegde mij met een beetje van
mijn stukje eend te eten en wat rijst uit het bakje in mijn mond te
schuiven. Dat is eigenlijk het eenig wat de Chineezen heel onsmakelijk
doen, het eten van rijst met de stokjes. Zij kunnen de rijst niet
met de stokjes pakken, daarom zetten zij het bakje aan den mond en
schuiven de rijst met de stokjes naar binnen. Het leek heel veel op
slobberen. Messen worden aan tafel niet gebruikt, alles wordt in de
keuken zoo klein gesneden, dat men het zoo kan eten. Zij vinden het
zeer onbeschaafd van de Europeanen om zich aan tafel van messen te
bedienen. Voor toespijs kregen wij een heel dun rijstkoekje met een
stukje vette ham er boven op. Daarna kreeg elkeen weder een klein kopje
thee en daarmede was het diner afgeloopen. In de binnengalerij stonden
vruchten en zoetigheidjes op tafel; ieder bediende zich zelf daarvan.
Weldra was het acht uur en toen vroeg de gastheer ons of wij plezier
hadden met het heele gezelschap mede naar een theater te gaan, waar
een echt Chineesch stuk, uit het Chineesche volksleven gegrepen,
door amateur-artisten gegeven zou worden. Wat konden wij meer
wenschen! Voordat wij de woning echter verlieten, bood de vrouw des
huizes, door middel van haren man, ons elk een paar ivoren, met zilver
gemonteerde, stokjes aan, als aandenken aan ons eerste Chineesche
diner. Zij had in elk glazen doosje haar miniatuurkaartje gelegd,
in de hoop, dat wij haar nooit zullen vergeten en haar nog eens van
ons zullen laten hooren. Van alles wat ik van deze reis mede naar
huis zal brengen, zal niets zoo'n waardevol souvenir voor mij zijn,
als deze twee stokjes, omdat zij mij telkens weder den dag zullen te
binnen roepen, die van onze geheele reis de merkwaardigste is en die
mij China en de jong-Chineezen zoo van nabij heeft leeren kennen.
Het stuk, dat opgevoerd zou worden, gaf ons een blik in toestanden,
zooals die vóór de revolutie in China heerschten en die nu gaandeweg
aan het verdwijnen zijn. Het was het huiselijk leven van een
mandarijn, die zich verrijkt had met de zuur verdiende gelden van
het arme volk. Hij is nu oud, verkoopt zijn plaats aan een collega
en vertrekt met zijn gezin naar elders. Zijn eenige zoon is een groot
speler, besteelt zijn vader en verliest al het geld van papa. De oude
mandarijn sterft van verdriet. Als de zoon geen geld meer bezit om te
spelen, verkwanselt hij zijn zusje aan een slecht befaamd huis en ten
slotte hangt hij zichzelf op. De moraal van het stuk: onrechtmatig
verkregen goed gedijt niet. Dat lag er dik op. Het gaf ons echter
een blik in zoovele huiselijke zaken in China, waarvan men wel leest,
maar die men anders nooit voor oogen krijgt en het werd meesterlijk
gespeeld door jonge studenten, die het opvoerden ten voordeele van
de kas der politieke vereeniging, waartoe ook zij behooren.
In het eerste tooneel zien wij den ouden mandarijn met zijne dochter
en de vrouw van zijn zoon. Ieder der huisgenooten heeft een eigen
bediende, die hem of haar als een schaduw volgt en als zij stil
zitten, onophoudelijk koelte met een waaier toe wuift. Dan komt de
zoon tehuis, die voor zijn vader kruipt, maar zijn vrouw en zuster
als een tyran behandelt. Daarna ontvangt de vader bezoek van een
anderen mandarijn, die in rang beneden hem staat en wij zien de
verschillende plichtplegingen van deze twee tegenover elkander. Dan
licht de eerste zijn opvolger in hoe hij de 100.000 dollars, die hij
hem voor de plaats betaald heeft, gemakkelijk in korten tijd weder
uit het volk kan terugwinnen. Dat gaf natuurlijk menig staaltje van
brutale uitzuigerij van deze Manchu-ambtenaren te zien en te hooren.
In het tweede bedrijf heeft de vader bemerkt, dat zijn zoon hem
besteelt en het geld in speelhuizen verliest. Een typische scène
tusschen vader en zoon, waarbij de vader zich zoo opwindt, dat hij
neervalt, ziek wordt en sterft. De dokter-kwakzalver komt aan het
ziekbed en verricht hocus-pocus-kunstjes. De vader sterft en alle
formaliteiten, die bij zoo'n dood voorvallen, zien wij gebeuren. De
priester komt, de duivel wordt verbannen, de familieleden komen,
de begrafenis wordt voorbereid en alles wordt zoo aanschouwelijk
voorgesteld, alsof het in werkelijkheid plaats vindt.
In het derde en laatste bedrijf is de zoon reeds geheel verarmd,
zijn schuldeischers maken het hem lastig, de bruidsschat van zijne
zuster heeft hij ook reeds verkwanseld en dan komen een paar kerels
hem geld voor dat zusje zelf aanbieden. Hij hoopt met dat geld zijn
verloren kapitaal terug te kunnen winnen, zijne zuster zal hij dan
weder bevrijden en zoo brengt hij zijn geweten tot zwijgen en stemt
met den koop in. Het meisje wordt dan gesluierd, aan armen en voeten
gebonden en medegevoerd. Nauwelijks is zij weg of andere schuldeischers
komen hem het pas ontvangen geld afhandig maken tot hij geen cent
over heeft en radeloos hangt hij zich dan op. Wij krijgen dan een
geheel ander beeld van wat voorvalt in het huis van een zelfmoordenaar.
Mrs. Catt en ik hadden elk een jongmensch naast ons zitten, die ons
telkens de vertaling gaf van hetgeen de acteurs zeiden, zoodat geen
woord van het geheele stuk verloren ging. Van het begin tot het eind
waren wij door het stuk en het spel der jongelieden geboeid, wij
gevoelden ons geheel tehuis in de wereld, die ons daar vertoond werd.
Om ruim elf uur was het stuk afgeloopen, waarna onze beide jonge
cavaliers ons in het private stoombootje van onzen gastheer over de
rivier naar het hotel brachten. Het was een prachtige sterrenhemel,
van vele schepen werden weder goede en booze geesten aangenaam bezig
gehouden, kleine bootjes met Boeddhistische nonnen en andere met
monniken zwierven op het water rond, om de watergoden te heiligen, de
eentonige Chineesche muziek werd van verschillende schepen gehoord,
tal van kleine vaartuigjes met gekookte rijst, gebakken of gekookte
visch, vruchten en andere etenswaren gondelden tusschen de groote
schuiten door om nog wat te verkoopen, de hel verlichte stad bood een
phantastisch beeld, dit alles stemde ons met een dankbaar gevoel en
dit prachtig slot aan zoo'n heerlijken dag maakte ons overgelukkig.
Toen wij ten slotte in het middernachtelijk uur op onze kamer
aangekomen waren, keken wij elkander eens goed aan en riepen uit: Wat
een onvergetelijke dag! Maar, vroegen wij ons af, zal men ons willen
gelooven, als wij onze lotgevallen van dezen eenen dag ook nog zoo
eenvoudig mogelijk beschrijven? Zal iemand, die niet hier is geweest,
die de Chineesche toestanden niet kent, onze beschrijving van het
diner en alles wat er opgediend werd voor waarheid aannemen? Zal men
realiseeren wat het beteekent, dat wij tweetjes hier in deze stad, die
nog in staat van beleg verkeert, twee dagen lang hebben rondgedwaald
om vrouwenkiesrecht en vrouwen-parlementsleden op te sporen en die
niet alleen hebben gevonden, maar zelfs met deze Cantonneesche
vrouwen-raadsleden hebben gesproken en met eenigen gedineerd
en dat terwijl zelfs in Canton doktoren, leeraren, de hotelier,
vele zendelingen en anderen ons niet eens wisten te vertellen,
of er zulke vrouwen, eenig in haar soort, in deze stad bestonden
en waar het gebouw is, waar de raadszittingen worden gehouden? Van
den heer Tze Yin Pak hebben wij nu aanbevelingen mede gekregen voor
partijgenooten in Shangai, Nanking en Peking, waardoor wij direct
in aanraking zullen komen met de personen, die wij vóór alles willen
leeren kennen. Treffen wij toevallig dr. Sun ergens aan, dan zullen wij
ons bij hem aandienen, want hij weet van onze komst en de heeren wisten
ons bepaald te verzekeren, dat dr. Sun ons gaarne zal willen spreken.
Ondertusschen zijn wij nu weer in Hongkong teruggekeerd, na een
prachtigen tocht over de schilderachtige Paarlrivier. Van deze
boottochten hoort men hier nooit zoo heel veel gewagen, doch
inderdaad leveren zij meer natuurschoon en meer bezienswaardigs op
dan een tocht langs den Rijn of den Donau, of welke andere bekende
Europeesche rivier.
Morgen willen wij naar Shangai vertrekken en daar zullen wij vernemen,
of het mogelijk is, dat wij naar Peking opgaan. Heel gemakkelijk
zullen wij ons niet laten uit het veld slaan, want wij hopen te zeer
Nanking en Peking te kunnen bezoeken. Voor den tocht naar Canton
had men ons ook zoo bevreesd gemaakt, ieder vertelde, dat wij kans
hadden er niet van terug te keeren en nu verheugen wij ons zoo, dat
wij het plan hebben doorgezet. Maar toch zullen wij voorzichtig zijn,
want de toestanden veranderen hier bij den dag. Toen wij in Canton
waren, werd daar nog heel licht over het doodschieten van de twee
generaals, leden van de Tung Ming Hui, gesproken en hier vernemen
wij, dat de Nationale Raad en zelfs de Tung Ming Hui den president
Yuan om opheldering hebben gevraagd en als die ophelderingen niet
voldoende zijn er dan een leger naar Peking zal worden gezonden en
daar de strubbelingen opnieuw zullen beginnen.
Ondertusschen rust op mij nog de taak om een beknopte beschrijving
te geven van de allerzonderlingste stad Canton en van alle
merkwaardigheden, die wij er zagen. Daaraan zal ik den volgenden
brief wijden, want dit pakket moet heden verzonden worden.