Nu ik Java voor goed heb verlaten wil ik, vóór ik overga mijn verdere
reisindrukken neer te schrijven, eerst nog in het kort den algemeenen
indruk weergeven, dien Java bij mij verwekte en het verschil, dat
ik heb meenen op te merken tusschen dit deel van de koloniën en
Britsch-Indië. Dat verschil in een paar regels saam te vatten: In
Britsch-Indië welt telkens de gedachte op, en herhaaldelijk heb ik die
geuit, dat het land aldaar niet bewoonbaar is voor Europeanen, het is
alleen geschikt voor de inboorlingen, die zich aan het klimaat en de
daarmede verbonden bezwaren hebben aangepast, die immuun zijn geworden
voor de verschillende microben, die er overal welig tieren. Europeanen
doen verstandig aldaar zoo kort mogelijk te verblijven. Men gevoelt
er zich geen oogenblik veilig, het gevaar van ziek worden dreigt
steeds van zoovele verschillende kanten. Java daarentegen is in elk
opzicht geschikt gemaakt voor Europeanen en inlanders, om er gezond
en veilig te leven. Vele punten van Java zijn ware lustoorden, bij
uitstek geschikt, om er den levensavond rustig en aangenaam door
te brengen. Nederland heeft van het nog veel warmer Java een land
gemaakt, waar men even rustig en veilig kan leven als in elk ander
beschaafd land.
Het zooveel grooter Britsch-Indië bezit veel meer kunstschatten
dan Java en heeft een oude en zeer belangwekkende geschiedenis. Het
leven der Hindoe's, Mohammedanen, Parsees en andere sekten is voor
toeristen buitengewoon interessant, hoewel niet altijd aangenaam
aandoend. Natuurschoon, behalve in de bergen, bezit Britsch-Indië
niet. Bovendien ontvangt elkeen er den indruk, dat er armoede, gebrek
en ontevredenheid onder de bevolking heerscht en men huivert bij de
gedachte, dat 'n oogstmislukking in een of ander deel van het land
duizenden en duizenden menschen den hongerdood doet sterven. Onder
de photographiën, die de toeristen koopen om zich een blijvend
aandenken van Britsch-Indië te verschaffen, ontbreken nooit de in
elken winkel uitgestalde platen van een "door hongersnood geteisterd
deel der bevolking". Britsch-Indië is voor Groot-Brittannië een niet
te benijden bezit.
Java staat in elk opzicht boven Britsch-Indië. Java is een lustoord,
van het begin tot het eind, indrukwekkend mooi. De natuur is niet
grootsch, maar liefelijk is zij overal. De natuur staat er nooit
stil, overal ziet men het jonge, frissche groen tusschen het oude,
afgedane weder opschieten. Het heele land is tot ontginning gebracht,
overal ziet men de bevolking ijverig werkzaam. Armoede, zooals die
in Britsch-Indië voorkomt, bestaat er niet; welvaart heerscht overal
en maakt zich duidelijk kenbaar. Het weinige, dat de Javaan voor
zijn levensonderhoud noodig heeft, is altijd en overal voor hem te
vinden. Mannen en vrouwen nemen er gezamenlijk deel aan den arbeid
op het veld, op de plantages, in de fabrieken, op de passars, overal
vindt men beide seksen ijverig deelnemen aan het maatschappelijk
werk. Zelfs mijn verkeerden indruk over de vrouwen in de Preanger,
dien ik in een mijner vroegere brieven uitte, moet ik intrekken,
omdat verder de Preanger doorgaande, deze indruk nergens bevestigd
werd. Alleen op onzen tocht over den Poentjakpas, troffen wij die
door mij beschreven vrouwen aan.
Wat zeker wel het meest weldadig aandoet is het beschaafde, rustige,
tevreden optreden der Javaansche bevolking. Er mogen enkele minder
gewenschte elementen onder hen voorkomen, wie zou die onder eene
bevolking van meer dan 30.000.000 niet verwachten, over het algemeen
genomen steken zij echter gunstig af bij menig ander volk, zelfs
bij die, welke het voorrecht van eene verder gaande ontwikkeling
genieten. Ik weet wel, dat er vele Hollanders op Java zijn, die deze
opinie niet deelen, die mij willen diets maken, dat mijne meening
zoude veranderen als ik de Javanen maar als werkkrachten noodig had,
maar daar staat tegenover, dat ik door evenzoovele andere hier wonende
Hollanders mijn indruk bevestigd vond, wier jarenlange ondervinding
als werkgevers of -geefsters deze was, dat de Javaan een trouwe,
goede, eerlijke werkkracht is als men hem maar goed behandelt. Dat
laatste pleit voor den Javaan.
Overal waar wij hier in de verschillende hotels buitenlandsche
toeristen aantroffen, met wie wij op een onzer vele boottochten
in aanraking waren gekomen, hoorden wij met den grootsten lof en
waardeering over Java spreken. Een heer, die de heele wereld kende,
noemde Java het eenige plekje op aarde, waar hij meende, dat de
menschen gelukkig leefden en waar hij zijne laatste levensjaren zou
wenschen door te brengen. Allen roemen de wijze, waarop dit land door
Nederland geregeerd wordt. Het komt mij voor, dat het onzen naam en
ons prestige in het buitenland slechts ten goede kan komen, indien
wij op alle mogelijke wijzen het toeristenverkeer hier trachten te
bevorderen. De gidsboeken moeten dan echter niet vermelden, dat men
in acht of tien dagen Java kan zien en dan een reisroute opgeven, die
Batavia, Buitenzorg met den plantentuin, Djokja met de Boroboedoer,
Soerabaja met Tosari insluit. Daarop afgaande maken vele vreemdelingen
hunne reisplannen, bespreken plaatsen op booten, die hen weder van
Java moeten terugvoeren en zien dan eerst als het te laat is, dat zij
eigenlijk het interessantste van het land niet gezien hebben. Het
is dan voor hen dikwijls te laat, om hunne reisplannen alsnog te
wijzigen. Een goede geschikte reisgids, zooals een Baedeker is,
moet voor Java en onze andere eilanden worden opgemaakt en in
een of meer vreemde talen worden uitgegeven. De Reisgids van de
Koninkl. Paketvaart-Mij. bevat nog te veel leemten.
Toen wij onze plaatskaarten genomen hadden op de "Tjimanoek" en hier
en daar vertelden hoe wij onze reis van plan waren te vervolgen,
ontbrak het nergens aan afkeuring van ons plan. Hoe wij op het dwaze
denkbeeld waren gekomen, om met een vrachtschip verder te reizen, kon
niemand begrijpen. Allerlei dwaze bezwaren werden te berde gebracht
die ons zeker van ons plan zouden hebben doen afzien, als wij wat
gemakkelijker bang te maken waren geweest. Men beweert hier wel
eens, dat men in Indië fatalist wordt; 't kan zijn; wij zijn geen
fatalisten, hoewel wij bij vele onzer goede raadgevers dien indruk
verwekten, toen wij op al hunne bezwaren slechts antwoordden, dat
wij voor een ongeluk niet bang waren en een schipbreukje of zoo iets
een interessant reisavontuur vonden. Zelfs toen men ons kwam zeggen,
dat wij de eenige passagiers eerste klasse op die boot zouden zijn,
dat er nooit anders dan Chineezen mede reisden, kon dit alles bij
ons slechts den lust in dit reisje verhoogen.
De "Tjimanoek" lag voor Semarang in volle zee; met een klein
stoombootje moesten wij het schip bereiken, er was dus geen gelegenheid
om vooraf poolshoogte te nemen. Er was bericht gekomen, dat de
agent ons Dinsdagochtend om elf uur met het bootje zou komen halen
en prompt op tijd stonden wij met onze bagage aan het havenhoofd,
om met hem mede te gaan. Ook hij was op tijd en bracht ons na een
kwartiertje op het schip, dat ongeveer 14 dagen ons tot herberg en
voertuig zal dienen. Wat keken wij verrast op toen wij het groote,
stevige schip, dat er Nederlandsch zindelijk en aanlokkend uitziet,
betraden. Overal vonden wij comfort; de kleine, vriendelijke eetzaal
zoowel als de zes dubbele hutten, de gemakkelijke rieten stoelen en
tafeltjes op het dek, de badkamer en wat daarbij behoort, alles en
alles mooier, geriefelijker en ruimer dan wij het ooit tevoren op
een boot hebben aangetroffen. Wij konden natuurlijk ieder over zoo'n
groote hut beschikken, waarin de bedden beter zijn dan wij ze ergens op
Java of op een boot hebben gehad, waar electrische waaiers onze hutten
koel houden, waarin kasten voor onze kleeren en nog veel meer wat men
op een boot wenscht, doch maar zelden vindt, werd gevonden. Dat wij
de eenige eerste klasse passagiers zijn, is geen nadeel; wij hebben
veel te lezen en te schrijven en de kapitein, de eerste officier en
de eerste machinist zijn aangename en gezellige tafelgenooten.
Woensdag, 26 Juni. De boot glijdt kalm over de stille zee voort, zoo
kalm en zoo onbeweeglijk, dat wij nu en dan eens over de verschansing
moeten kijken om ons te overtuigen, dat wij werkelijk voorwaarts
gaan. Nadat vanochtend de schoonmaak op het schip was afgeloopen,
heerschte er overal een stilte en rust als men zich op zoo'n groot
schip haast niet kan voorstellen. Ieder van de bemanning was op
zijn post en verrichte zijn taak bijna geruischloos, geen onderlinge
gesprekken, geen gezang of luidruchtigheid. De bemanning van de schepen
van de Java-China-Japanlijn bestaat uit Chineezen, wier kundigheid en
plichtsbetrachting door den kapitein zeer geroemd worden. Alleen de
hoofdpersonen op de boot zijn Nederlanders en de kok en tafelbedienden
zijn Maleiers.
Een frissche bries waait en doet ons nog meer waardeeren, dat wij
hier zitten en niet in een der heete kustplaatsen. De keuken is als
op alle Nederlandsche schepen voortreffelijk, goed en overvloedig. Ik
bewonder het Maleische kokje, dat zulke lekkere taartjes kan bakken. Om
6 uur 's avonds genoten wij van een prachtigen zonsondergang en om
tien uur gingen wij naar bed, voldaan over onzen eersten dag op dit
comfortabele schip.
Donderdag, 27 Juni. Dezen dag was er een van rustigen arbeid. Door
een onweder in den afgeloopen nacht koelde de temperatuur zoodanig af,
dat wij onze mantels te voorschijn moesten halen om buiten te kunnen
zitten. Ik gebruikte den heelen dag om te schrijven; alleen gedurende
de maaltijden nam ik aan de conversatie deel. Vannacht gaan wij dicht
bij Makassar voor anker liggen, om morgen om 6 uur te kunnen landen.
Zaterdag, 29 Juni. Prompt om 6 uur lagen wij gisteren aan den steiger
te Makassar en spoedig daarna stonden mrs. Catt en ik gereed om
aan land te gaan. Vóór het ontbijt bezochten wij de passar en de
Chineesche buurt en bestelden een rijtuig, dat ons om 9 uur van de
boot zou afhalen, om een rijtoer door de stad en naaste omstreken te
maken. De oude stad maakte eenigszins een oud-Hollandschen indruk;
overigens is het een vriendelijke, Indische stad, met een mooi plein
en vele mooie lanen. Het interessantste vonden wij den tocht naar Goa
en het bezoek aan het oude koninklijk paleis, met zijn eigen moskee
en schatkamer. Wij hadden ons nu wel niet voorgesteld er een paleis te
zullen vinden, min of meer gelijkstaande met dat van onze Koningin op
het Loo, maar toch verwachtten wij een reeks gebouwen te zullen zien,
die op de een of andere wijze indruk zouden maken. Die verwachting is
in zekeren zin beantwoord, want de reeks oude, vuile, houten woninkjes,
waarin de smerigste vrouwen en kinderen rondliepen, die wij ooit zagen,
vrouwen en kinderen, die allen van koninklijken bloede zijn en waarvan
enkelen nog een jaarlijksche toelage van gouvernementswege ontvangen,
lieten niet na een vreemden indruk achter te laten. De schatkamer
dient nu voor een inlandsche school, waar op dat oogenblik alleen
inlandsche jongens onderricht ontvangen. De Goa'sche jonge dochteren
groeien nog in onschuldige onwetendheid op.
Wij hadden op dezen rijtoer, die ons vier uur bezig hield, gelegenheid
het totale verschil in de menschen en de woningen van dit gedeelte
van Celebes en die van Java en Sumatra op te merken. Deze menschen
hebben een geheel ander type, zijn grooter en steviger gebouwd dan
de Javanen en verschillen in uiterlijk zoowel van den Javaan als van
den Sumatraan. Hoewel hunne kleeding uit dezelfde stukken bestaat,
is toch de kleederdracht anders. De mannen dragen hunne sarongs veel
hooger opgeschort, zoodat de beenen tot boven de knie bloot komen en
mannen en vrouwen beiden kleeden zich bij voorkeur in schitterende
kleuren, waarbij steenrood de hoofdtint is. De vrouwen dragen, in
plaats van een slendang, een tweede sarong om hoofd en schouders,
waardoor zij ons min of meer aan de Hindoe-vrouwen deden denken. De
huizen zijn alle op hooge palen, minstens twee meter hoog, gebouwd,
waaronder het huisgedierte, kippen, eenden, varkens, honden en wat
daartoe meer behoort, een verblijfplaats vindt. Van buiten gezien
zagen die woningen er niet erg netjes en zindelijk uit.
's Middags maakten wij nog een rijtoer, een anderen kant uit en ook
vanmorgen gingen wij nog een paar uur de stad in, maar veel te zien is
er niet in Makassar en nog minder is het de moeite waard er over te
schrijven. Om er met de volkseigenaardigheden op de hoogte te komen,
daarvoor moet men er langeren tijd vertoeven dan waarover wij te
beschikken hadden.
1 Juli. Gistermiddag kregen wij Borneo in 't zicht, alwaar wij om 4
uur in Balik-Papan hoopten te landen. Op het laatste oogenblik had de
kapitein nog bericht gekregen, dat de boot in Balik-Papan moest stoppen
om eene lading paraffinekaarsen mede naar China en Japan te nemen. Wij
waren blij nu toch ook nog gelegenheid te krijgen om onze voeten op
Borneoschen bodem te zetten en hoopten daar minstens een avontuurtje
met een Dajakker of een oerang-oetangetje te zullen hebben. Toen wij
echter dit petroleumplaatsje naderden, bleek er te weinig water in
de zee te zijn, of het lag aan ons schip doch er was geen sprake van
dat wij den steiger konden naderen. Wij bleven voor anker liggen en
konden van af de boot vele petroleumtanks tellen en de huisjes van
Europeanen en inlanders en Chineezen, waarvan er vele op den heuvel en
andere langs het zeestrand gebouwd zijn, bewonderen. Vooral toen kort
daarna overal de lichten in Balik-Papan ontstoken werden, hadden wij
een aardig gezicht op die uitgestrekte, doch eenzame bezitting van de
Koninklijke Petroleum-Maatschappij. Maar vanmorgen gingen wij reeds om
8 uur met den kapitein in een roeibootje aan wal, alwaar ons spoedig
bleek, dat er niet veel te wandelen en nog minder te zien viel. Wij
kregen wel een kijkje in de paraffinekaarsenfabriek, waarvan echter
de finesses stipt geheim gehouden worden en niet voor het publiek te
bezichtigen zijn. Om half elf Waren wij al weder op de "Tjimanoek"
terug, zonder eenigen indruk gekregen te hebben van al de interessante
bijzonderheden, die er op Borneo te vinden zijn. De eenige, sterke
impressie, die wij kregen, was, dat de Petroleum-Mij. zijne ambtenaren
wel met dubbel salaris beloonen mag, opdat zij na jarenlange ontbering
aldaar in dienst van die maatschappij doorgebracht, kunnen terugkeeren
naar Europa of naar een bewoonbaarder oord in Indië, om een leven vrij
van financieele zorgen te kunnen leven. Als een van die ambtenaren
dit onder de oogen krijgt, zal hij wel met een zucht zeggen: ik wou
dat het waar was.
5 Juli. Sedert vier dagen gaat het schip in dezelfde kalmte door; om
ons eerst door de Straat van Makassar, toen door de Straat van Celebes,
daarna door de Suluzee en door de honderden eilandjes heen, alle
behoorende tot de Philippijnen, alwaar eens de Vereenigde Staten hun
Stars and Stripes plantten, in de Chineesche zee te brengen. Sommige
van die eilandjes zijn niets meer dan een stuk koraalrif, onbegroeid en
onbewoond, anderen herbergen eenig visschersvolk of zeeroovers, slechts
een enkele is groot genoeg om eenige menschen en dieren tot woonplaats
te dienen. Wij zijn nu rechtstreeks op weg naar Hongkong, door het
meest gevreesde en onheilspellendste vaarwater, dat de wereld bezit,
en vlak bij, nu reeds achter ons, ligt Manilla, waarheen het doel
van dezen tocht eigenlijk leidt. Hadden wij hier ergens aan wal gezet
kunnen worden, dan zouden wij niet nog eens tweemaal ditzelfde water
behoeven te passeeren. De zee is nu alleen wat woeliger, het schip
rolt een beetje meer dan het tevoren deed, doch de kapitein verzekert,
dat wij geen typhoon te duchten hebben vóór wij Hongkong bereiken.
Zoo'n schip met eene Chineesche bemanning en Hollandsche officieren
brengt zijne eigenaardige bezwaren mede. De officieren verstaan
geen Chineesch en de Chineezen geen Hollandsch. De Engelsche taal
dient nu als spreektaal. Maar het Engelsch dat men te hooren krijgt
is een taaltje, waarvan de beteekenis pas eerst na lang nadenken
aan het licht komt. Een dezer dagen hadden eenige Chineezen een
zware machine te verzetten. Als bij alle native-werklui begint er
een zingende iets te zeggen, dat door allen gezamenlijk luidkeels
herhaald wordt; bij 't laatste woord, waarop een bijzonderen nadruk
wordt gelegd, spannen ze ineens allen tegelijk hunne krachten in om
het te verrichten werk vooruit te brengen. Na verloop van eenigen
tijd zeide onze officier tot den voorzanger, "Zeg, jelui moet daar
niet zoo bij schreeuwen". Onmiddellijk klapt de voorzanger zijne beide
handpalmen saam, brengt de handen tot de hoogte van zijn neus en zegt:
"Officer, Chinaman no cry no can", en onmiddellijk wordt het gezang
weder aangeheven tot het werk is afgeloopen.
Als er geen onverwachte typhoon komt opdagen, die ons op een of
ander van de onbewoonde eilandjes neerzet, alwaar geen postkantoor
is, dan zal ik deze in Hongkong posten, wanneer wij daar Zondag 7
Juli arriveeren.