IX.

Dinsdagmorgen schraapten wij al onzen moed bijeen en bestelden twee

rijpaarden, om een rit over de dorpjes Bodo en Toetoer te maken. Dit

is een twee uur lange rit te paard, de weg heeft hier en daar een paar

steile hellingen en is vrij wel te beschouwen als een proefrit. Zouden

wij dien tocht goed volbrengen, dan bestond er ook geen bezwaar, om

ons bezoek aan de Bromo, met een omweg over de "de Veths' hoogte"

en terug naar Tosari, te paard te doen. Wij hadden zoo genoeg van

de tandoe's, dat wij besloten, dien grooten tocht alleen te doen,

als wij 't te paard aandurfden.

Onze gastheer en gastvrouw, de heer en mevrouw Teves, hadden voor

een paar makke beestjes en een paar goede geleiders gezorgd en alles

verliep naar wensch. Het was een prachtige landweg, dien wij aflegden,

langs groote groenten-, vruchten- en bloemkweekerijen, (hier groeien

Europeesche vruchten en groenten uitstekend) door koffietuinen

en maïsvelden, met steeds het uitzicht op 't mooie gebergte. Het

Tenggergebergte wint het in schoonheid van de Preanger Regentschappen,

maar deze laatste zijn uitgebreider. Onze twee geleiders hadden

goede instructies medegekregen, bij elke groote kromming of steile

helling grepen zij het paard bij de teugels en geleiden het op het

rechte pad. Verder holden zij naast de paardjes voort, die meer

naar hunne uitroepen dan naar onze leiding luisterden. Wij kwamen

zóó weinig vermoeid tehuis, dat wij onmiddellijk paarden bestelden

voor den volgenden dag. Vóór wij echter 's avonds naar bed gingen,

begon mrs. Catt bang te worden en bestelde een tandoe in plaats van

een paard voor de reis naar de Bromo.

Ongeveer half zes, het morgenlicht was nog niet doorgebroken,

begonnen wij Woensdagmorgen onzen tocht. Ik voorop op een schimmel

met een jongen achter het paard. Mrs. Catt in een tandoe, door 6

mannen gedragen, achter mij aan en gevolgd door twee koelies, die

onze bagage aan een langen bamboestok droegen. De hotelier en zijne

lieve vrouw hadden er voor gezorgd, dat wij vóór wij vertrokken toch

nog een eenvoudig ontbijt kregen en verder hadden zij ons zooveel

sandwiches en vruchten ingepakt voor een tweede ontbijt onderweg,

dat wij er gemakkelijk een heelen dag op hadden kunnen teren,

't Was jammer, dat het nog te donker was, want toen wij uittrokken

was het de moeite waard geweest er een kiekje van te nemen. Spoedig

daarna liet mijn paard de achterhoede in den steek en het kostte

mij een uur studie, om uit te vinden, hoe ik zoo'n Javaansch paard

aan het verstand kon brengen, dat het wat langzamer had te gaan,

of dat het een oogenblikje moest wachten, om de anderen ons te laten

inhalen. Mijn jongen vond het veel gezelliger met de tandoedragers

te converseeren en onderweg wat kattekwaad uit te halen dan achter

mijn paard te hollen en zoo was ik geheel aan de braafheid van het

goede dier overgeleverd. Van angst kon geen sprake zijn, want mijn

geheele aandacht werd in beslag genomen door het prachtige landschap,

aan weerszijden van den weg. De Kletakpas, die ik overtrok, te

beschrijven, is niet mijn bedoeling, ik wil alleen constateeren,

dat ik nog nimmer zoo'n prachtige natuur gezien heb. Het was in dat

vroege morgenuur, onder het opkomende daglicht, een onvergelijkelijk

schoon gezicht. Om 7 uur arriveerde ik in het dorpje Kletak, waar

het paard uit zich zelf, of op mijn verzoek, stilhield en ik kon

afstijgen om op mijn achterhoede te wachten. Na meer dan een half uur

kwam die aan en de jongens maakten ons duidelijk, dat zij nu eerst

geld voor makan moesten hebben. Wij gaven het heele troepje elk een

dubbeltje, en daarvoor zaten zij weldra allen met een verrukkelijk

ontbijt voor zich. Heete koffie en een stuk van een pisangblad vol

rijst met warm gebakken pisangs en allerlei andere lekkernijen die

zoo'n restaurant aan den weg, kan opdisschen. Toen de heeren verzadigd

waren mochten wij verder gaan. Nu was het landschap geheel veranderd;

het mooie, dichte geboomte had plaats gemaakt voor, tot aan den top

van den vrij steilen bergrug aangelegde kool-, aardappel-, uien-

en maïsakkers, waartusschen een rijkdom van bloeiende, wilde kruid-

en heestergewassen. In dit gebergte hebben de Tenggereezen bijna alle

geboomte omgehakt en er moestuinen met Europeesche groenten voor in de

plaats gebracht. Ook dit leverde een mooi gezicht, doch de Moengalpas

haalt het in schoonheid niet bij de Kletakpas.

Toen wij ongeveer half tien op een punt gekomen waren van waar de weg

zich in tweeën verdeelt en linksaf naar Tosari voert, het einddoel

van onzen tocht, wilden de jongens ons met geweld dien weg opdrijven,

in plaats van door te gaan tot de Bromo. Het kostte ons alle moeite

om hen te dwingen, met ons door te gaan. Ik ging eenvoudig met mijn

paard recht door, maar het duurde vrij lang eer de tandoedragers

met hun kostbaren last en mijn jongen mij volgden. Om tien uur hield

ik halt en wachtte hen op en toen zij aangekomen waren, maakten wij

kennis met een echt staaltje van inlandsche nukken. Nauwelijks was

de tandoe neergezet, of een der jongens gooide zich in het gras,

trok heele leelijke gezichten en uitte allerlei rare geluiden. Ajoe,

ajoe, ajoe; hij had overal pijn. De anderen zeiden, dat zij niet

verder wilden gaan, den zieken broeder konden zij niet alleen laten,

wel wilden zij ons terugbrengen naar Tosari. Ik zag heel gauw, dat de

man kunstjes maakte, vertelde de mannen zoo goed mij mogelijk was,

dat zij ons naar de Bromo moesten brengen en steeg te paard met het

vaste idee, dat zij dan wel zouden volgen. Toen ik een kwartier op

weg was en niets zag of hoorde naderen en ook op mijn geroep geen

antwoord kreeg, bleef ik wachten, en toen zag ik na eenigen tijd

mrs. Catt met mijn jongen te voet den steilen bergpas opklauteren. De

koelies hadden haar aan het verstand gebracht, dat zij niet verder

wilden gaan, doch dat de weg niet ver meer was. Door om beurten toen

van het paard gebruik te maken, bereikten wij om elf uur de zandzee,

waarin de Bromo zich bevindt.

Welk een schouwspel! Het is heel natuurlijk dat de Inlanders hier

aan bovenmenschelijke invloeden gelooven en deze plek niet durven

naderen, zonder offeranden te brengen aan de geesten die in de kraters

huizen. De dikke, grijze, wittige rook, die onophoudelijk uit de Bromo

opstijgt, verdicht zich onmiddellijk tot wollige wolken die slechts

langzaam stijgen en boven den krater een dikke wolkenlaag vormen.

Gaat men naar boven, naar den top van den Moengalpas, dan krijgt men

eerst een goed overzicht over het geheel. Het is een volstrekt eenig

met niets te vergelijken natuurtafereel, dat men dan voor zich ziet. In

die enorme, grijs-grauwe zandvlakte, die men de zandzee noemt, stijgen

drie vulkanen op, waarvan twee, de Batok en Widodaren reeds uitgewoed

hebben, maar daarom niet minder indrukwekkend zijn, terwijl de Bromo

door zijn uitstootende rookwolken toont, dat het nog altijd laait in

zijn binnenste. En daar achter, ver weg doch bedriegelijk dichtbij,

steekt boven alles de Sméroe uit, die telkens met eenige tusschenpoozen

eveneens doet zien, dat in zijn binnenste het vuur steeds woedt.

Hoewel het er niets op lijkt, in geen enkel opzicht er mede te

vergelijken is, bracht toch dit schouwspel op den Moengalpas dezelfde,

droomerige stemming bij mij teweeg, die ook de woestijn in Egypte,

met zijn raadselachtige pyramiden en sphynx op mij uitoefende. Dit

komt waarschijnlijk, door die indrukwekkende stilte, die veelzeggender

is dan de grootste drukte.

Aan de zandzee hadden wij twee heeren te paard ontmoet, die uit Tosari

kwamen en daar ook weder heengingen. Wij vertelden hun ons wedervaren

en vroegen hun als zij aankwamen, onmiddellijk voor ons een tweede

rijpaard te willen zenden, of een paar mannen voor de tandoe. Zij

beloofden ons, onmiddellijk onze eigen tandoe op te zenden. Mocht

het inderdaad waar zijn, dat de eene jongen ziek was, dan kon een van

hunne jongens hem vervangen en zij zouden zoolang voor den zieken man

zorgdragen. Zij geloofden echter, even als ik, dat de heele ziekte een

voorwendsel was. Na ruim een uur kwam inderdaad den tandoe met alle

zes jonge mannen aanzetten, de zieke man was heelemaal beter en op den

geheelen terugweg hebben wij van ziek-zijn niets meer gemerkt. Zouden

kinderen niet evenzoo handelen om te probeeren verlost te worden van

een taak, die hen niet bevalt?

Tosari wordt het Darjeeling van Java genoemd. Het heeft met Darjeeling

gemeen, dat het ongeveer even hoog ligt, het ligt slechts 1000 voet

lager en verder wordt het ook bezocht door personen, die voor de

gezondheid eens een koeler klimaat behoeven, of die eens een kouden

neus willen halen. Maar overigens lijken die twee niets op elkaar. Ik

wil hiermede niet zeggen, dat Darjeeling, in Britsch-Indië, mooier

of belangwekkender is, maar het is geheel anders. Als men maar alleen

bedenkt, dat men in Darjeeling het gezicht op sneeuwbergen heeft en de

bergen er tot aan den top begroeid zijn met boomen en heesters, terwijl

in Tosari de bergen bijna geheel van het oorspronkelijke woud ontdaan

zijn, en de kale bergranden tot boven toe in goed aangelegde moestuinen

zijn herschapen, dan voelt men al wel het verschil in het landschap.

Maar ook de bevolking in beide bergstreken verschilt hemelsbreed. In

Darjeeling vijf of zes verschillende stammen, die alle in uiterlijk,

kleeding en gewoonten van elkaar verschillen en aan de plaats

eene groote levendigheid geven; in Tosari alleen de Tenggereezen,

een interessant volkje, doch die stil voor zich leven en zich den

toerist niet opdringen. Het verschil in levendigheid der beide

plaatsen spreekt ook wel daaruit, dat men in Darjeeling na eene

vermoeide wandeling, in welke richting ook, overal jinrickshaw-mannen

met hun lichte voertuigjes vindt, die je voor een paar centen weder

bergopwaarts voeren, terwijl in Tosari alleen paarden of tandoes bij

vooruitbestelling te bekomen zijn.

Ik zou Tosari een rozenoord willen noemen, bij uitstek geschikt

om overspannen zenuwen tot kalmte te brengen. Alles ademt er rust

en vrede. Vooral de morgens zijn er heerlijk, 's Middags hangt er

voor een groot deel van het jaar een dichte mist, die het uitzicht

belemmert en nat-koud aandoet. Wel wordt beweerd, dat die mist niet

nat zoude zijn, en dat Tosari een droge atmosfeer heeft, maar wie

dat gelooft moet wel nimmer de kille koude gevoeld hebben van die

alles doordringende wolkenlaag. Toch is, niettegenstaande dien mist,

Tosari het drukst bezochte plekje in Java. Er heerscht een mondaine

drukte. Men speelt er tennis, men maakt er toilet, er wordt geflirt,

er worden gezamenlijke uitstapjes ondernomen en verder alles wat in

un monde où l'on s'amuse voorvalt. Tosari heeft eene veel grootere

bekendheid dan Nongko Djadjar, alwaar men zich in alle eenvoud

amuseert en waar men heengaat om van de prachtige natuur en van de

hooge berglucht te genieten.

De Tenggereezen in het Tenggergebergte zijn een merkwaardig volkje. Zij

hebben geen tempels, kerken of Moskeeën. Een bepaalden godsdienst

bezitten zij niet. Voor een deel zijn zij nog Hindoes. Daaraan doen de

gekleurde hoofddoeken der vrouwen en de aschmerken op het voorhoofd

van velen hunner ook uiterlijk het meest denken. Zij hebben zich

vroeger aan den invloed der Mohammedanen weten te onttrekken door

op deze bergtoppen, die bijna ongenaakbaar waren, een schuilplaats

te zoeken. Elk dorp heeft een soort priester, die als een soort

wonderdokter ziekten bezweert en andere priesterlijke werkzaamheden

verricht en eens in het jaar in de voorhoede loopt, als zij gezamenlijk

naar de Bromo trekken, om daar aan de in de daarin huizende geesten

te offeren. De Tenggereezen zien er uiterlijk veel onbeschaafder uit

dan de andere Javanen, hun kleeding is minder proper, en hun geheele

voorkomen geeft aan, dat daarboven gebrek aan water bestaat en dat

het er, om veel te baden te koud is. Hunne huizen en dorpjes zien er

van buiten echter opvallend netjes uit. Nog slechts een jaar verheugen

zij zich in het bezit van een school, waarvan onmiddellijk een groot

gebruik werd gemaakt, zoodat de opkomende jeugd nu tenminste lezen

en schrijven zal leeren. Rijstvelden ziet men in het Tenggergebergte

niet, omdat de Tenggereezen gelooven, dat het hun om godsdienstige

redenen verboden is rijst te telen. Zij voeden zich veel meer met

maïs en groenten, die er op groote schaal verbouwd worden.

Van Tosari wilden wij per auto naar Passoeroean terug om daar den

trein te nemen, die ons naar Soerabaja zou terugvoeren. Maar de auto

was voor reparatie afwezig en zoo moesten wij van Tosari naar Poespo

per paard of tandoe en van Poespo naar Passoeroean per karretje. De

ondervinding, den laatsten keer met de tandoe opgedaan, deed mrs. Catt

ook besluiten, ditmaal het rijpaard als vervoermiddel te gebruiken. In

allen eenvoud, met slechts één jongen voor beide paarden, verlieten

wij 's middags om drie uur Tosari en arriveerden anderhalf uur later

behouden in Poespo. Onze paardjes waren zoo tam en kenden zoo goed

den weg, dat wij niets anders te doen hadden, dan ons in 't zadel

in evenwicht te houden, verder konden wij onze oogen den kost geven

en ons aan het mooie landschap rondom ons verlustigen. Nog voor het

laatst wilde ik genieten van al het schoone, dat het Tenggergebergte

den bezoeker biedt, en er zooveel mogelijk van in mij opnemen, om

den indruk een blijvende te doen zijn.

In Poespo bleven wij den avond en nacht doorbrengen in het hotel, dat

eene dependance is van het sanatorium in Tosari. Poespo is aanmerkelijk

lager gelegen dan Tosari en daardoor minder koud. Ook verkeert het niet

een deel van den dag in een nevelmeer. Het wordt als tusschenstation

voor zieken en zwakken gebruikt, voor wie een direct opgaan naar het

6000 voet hoog gelegen Tosari, niet raadzaam is. Jammer, dat het hotel

aldaar niet comfortabeler is, want het kleine dorpje bevat overigens

alle gegevens om er eenigen tijd zeer aangenaam te verblijven. Het

is er boschrijk, men heeft er prachtige vergezichten, de temperatuur

is een zeer aangename en nog tal van andere gegevens wettigen het

stichten van een goed herstellingsoord aldaar, maar dan moet er een

modern hotel met moderne geriefelijkheden verrijzen.

Van Poespo over Pasrepan naar Passoeroean in een karretje, was den

volgenden morgen een ware marteling. Het ding schudde zoo geweldig, dat

wij ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uitgeslingerd

te worden. Hoewel de tocht slechts twee-en-een-half uur duurde,

kwamen wij toch zoo geradbraakt in Passoeroean aan, dat wij moeite

hadden ons staande te houden. Wij moesten er een uur wachten, alvorens

de eerstvolgende trein ons naar Soerabaja zou brengen en dien tijd

gebruikten wij om op een bank ons uit te strekken om zoo de trillende

leden tot rust te brengen.

In Soerabaja viel ons de drukkende warmte weder erg tegen en reeds den

volgenden morgen om 6 uur verlieten wij deze stad om naar Semarang

terug te keeren, alwaar wij spoedig de boot verwachten die ons van

Java voor goed zal wegvoeren.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 100 / 133 题