Dinsdagmorgen schraapten wij al onzen moed bijeen en bestelden twee
rijpaarden, om een rit over de dorpjes Bodo en Toetoer te maken. Dit
is een twee uur lange rit te paard, de weg heeft hier en daar een paar
steile hellingen en is vrij wel te beschouwen als een proefrit. Zouden
wij dien tocht goed volbrengen, dan bestond er ook geen bezwaar, om
ons bezoek aan de Bromo, met een omweg over de "de Veths' hoogte"
en terug naar Tosari, te paard te doen. Wij hadden zoo genoeg van
de tandoe's, dat wij besloten, dien grooten tocht alleen te doen,
als wij 't te paard aandurfden.
Onze gastheer en gastvrouw, de heer en mevrouw Teves, hadden voor
een paar makke beestjes en een paar goede geleiders gezorgd en alles
verliep naar wensch. Het was een prachtige landweg, dien wij aflegden,
langs groote groenten-, vruchten- en bloemkweekerijen, (hier groeien
Europeesche vruchten en groenten uitstekend) door koffietuinen
en maïsvelden, met steeds het uitzicht op 't mooie gebergte. Het
Tenggergebergte wint het in schoonheid van de Preanger Regentschappen,
maar deze laatste zijn uitgebreider. Onze twee geleiders hadden
goede instructies medegekregen, bij elke groote kromming of steile
helling grepen zij het paard bij de teugels en geleiden het op het
rechte pad. Verder holden zij naast de paardjes voort, die meer
naar hunne uitroepen dan naar onze leiding luisterden. Wij kwamen
zóó weinig vermoeid tehuis, dat wij onmiddellijk paarden bestelden
voor den volgenden dag. Vóór wij echter 's avonds naar bed gingen,
begon mrs. Catt bang te worden en bestelde een tandoe in plaats van
een paard voor de reis naar de Bromo.
Ongeveer half zes, het morgenlicht was nog niet doorgebroken,
begonnen wij Woensdagmorgen onzen tocht. Ik voorop op een schimmel
met een jongen achter het paard. Mrs. Catt in een tandoe, door 6
mannen gedragen, achter mij aan en gevolgd door twee koelies, die
onze bagage aan een langen bamboestok droegen. De hotelier en zijne
lieve vrouw hadden er voor gezorgd, dat wij vóór wij vertrokken toch
nog een eenvoudig ontbijt kregen en verder hadden zij ons zooveel
sandwiches en vruchten ingepakt voor een tweede ontbijt onderweg,
dat wij er gemakkelijk een heelen dag op hadden kunnen teren,
't Was jammer, dat het nog te donker was, want toen wij uittrokken
was het de moeite waard geweest er een kiekje van te nemen. Spoedig
daarna liet mijn paard de achterhoede in den steek en het kostte
mij een uur studie, om uit te vinden, hoe ik zoo'n Javaansch paard
aan het verstand kon brengen, dat het wat langzamer had te gaan,
of dat het een oogenblikje moest wachten, om de anderen ons te laten
inhalen. Mijn jongen vond het veel gezelliger met de tandoedragers
te converseeren en onderweg wat kattekwaad uit te halen dan achter
mijn paard te hollen en zoo was ik geheel aan de braafheid van het
goede dier overgeleverd. Van angst kon geen sprake zijn, want mijn
geheele aandacht werd in beslag genomen door het prachtige landschap,
aan weerszijden van den weg. De Kletakpas, die ik overtrok, te
beschrijven, is niet mijn bedoeling, ik wil alleen constateeren,
dat ik nog nimmer zoo'n prachtige natuur gezien heb. Het was in dat
vroege morgenuur, onder het opkomende daglicht, een onvergelijkelijk
schoon gezicht. Om 7 uur arriveerde ik in het dorpje Kletak, waar
het paard uit zich zelf, of op mijn verzoek, stilhield en ik kon
afstijgen om op mijn achterhoede te wachten. Na meer dan een half uur
kwam die aan en de jongens maakten ons duidelijk, dat zij nu eerst
geld voor makan moesten hebben. Wij gaven het heele troepje elk een
dubbeltje, en daarvoor zaten zij weldra allen met een verrukkelijk
ontbijt voor zich. Heete koffie en een stuk van een pisangblad vol
rijst met warm gebakken pisangs en allerlei andere lekkernijen die
zoo'n restaurant aan den weg, kan opdisschen. Toen de heeren verzadigd
waren mochten wij verder gaan. Nu was het landschap geheel veranderd;
het mooie, dichte geboomte had plaats gemaakt voor, tot aan den top
van den vrij steilen bergrug aangelegde kool-, aardappel-, uien-
en maïsakkers, waartusschen een rijkdom van bloeiende, wilde kruid-
en heestergewassen. In dit gebergte hebben de Tenggereezen bijna alle
geboomte omgehakt en er moestuinen met Europeesche groenten voor in de
plaats gebracht. Ook dit leverde een mooi gezicht, doch de Moengalpas
haalt het in schoonheid niet bij de Kletakpas.
Toen wij ongeveer half tien op een punt gekomen waren van waar de weg
zich in tweeën verdeelt en linksaf naar Tosari voert, het einddoel
van onzen tocht, wilden de jongens ons met geweld dien weg opdrijven,
in plaats van door te gaan tot de Bromo. Het kostte ons alle moeite
om hen te dwingen, met ons door te gaan. Ik ging eenvoudig met mijn
paard recht door, maar het duurde vrij lang eer de tandoedragers
met hun kostbaren last en mijn jongen mij volgden. Om tien uur hield
ik halt en wachtte hen op en toen zij aangekomen waren, maakten wij
kennis met een echt staaltje van inlandsche nukken. Nauwelijks was
de tandoe neergezet, of een der jongens gooide zich in het gras,
trok heele leelijke gezichten en uitte allerlei rare geluiden. Ajoe,
ajoe, ajoe; hij had overal pijn. De anderen zeiden, dat zij niet
verder wilden gaan, den zieken broeder konden zij niet alleen laten,
wel wilden zij ons terugbrengen naar Tosari. Ik zag heel gauw, dat de
man kunstjes maakte, vertelde de mannen zoo goed mij mogelijk was,
dat zij ons naar de Bromo moesten brengen en steeg te paard met het
vaste idee, dat zij dan wel zouden volgen. Toen ik een kwartier op
weg was en niets zag of hoorde naderen en ook op mijn geroep geen
antwoord kreeg, bleef ik wachten, en toen zag ik na eenigen tijd
mrs. Catt met mijn jongen te voet den steilen bergpas opklauteren. De
koelies hadden haar aan het verstand gebracht, dat zij niet verder
wilden gaan, doch dat de weg niet ver meer was. Door om beurten toen
van het paard gebruik te maken, bereikten wij om elf uur de zandzee,
waarin de Bromo zich bevindt.
Welk een schouwspel! Het is heel natuurlijk dat de Inlanders hier
aan bovenmenschelijke invloeden gelooven en deze plek niet durven
naderen, zonder offeranden te brengen aan de geesten die in de kraters
huizen. De dikke, grijze, wittige rook, die onophoudelijk uit de Bromo
opstijgt, verdicht zich onmiddellijk tot wollige wolken die slechts
langzaam stijgen en boven den krater een dikke wolkenlaag vormen.
Gaat men naar boven, naar den top van den Moengalpas, dan krijgt men
eerst een goed overzicht over het geheel. Het is een volstrekt eenig
met niets te vergelijken natuurtafereel, dat men dan voor zich ziet. In
die enorme, grijs-grauwe zandvlakte, die men de zandzee noemt, stijgen
drie vulkanen op, waarvan twee, de Batok en Widodaren reeds uitgewoed
hebben, maar daarom niet minder indrukwekkend zijn, terwijl de Bromo
door zijn uitstootende rookwolken toont, dat het nog altijd laait in
zijn binnenste. En daar achter, ver weg doch bedriegelijk dichtbij,
steekt boven alles de Sméroe uit, die telkens met eenige tusschenpoozen
eveneens doet zien, dat in zijn binnenste het vuur steeds woedt.
Hoewel het er niets op lijkt, in geen enkel opzicht er mede te
vergelijken is, bracht toch dit schouwspel op den Moengalpas dezelfde,
droomerige stemming bij mij teweeg, die ook de woestijn in Egypte,
met zijn raadselachtige pyramiden en sphynx op mij uitoefende. Dit
komt waarschijnlijk, door die indrukwekkende stilte, die veelzeggender
is dan de grootste drukte.
Aan de zandzee hadden wij twee heeren te paard ontmoet, die uit Tosari
kwamen en daar ook weder heengingen. Wij vertelden hun ons wedervaren
en vroegen hun als zij aankwamen, onmiddellijk voor ons een tweede
rijpaard te willen zenden, of een paar mannen voor de tandoe. Zij
beloofden ons, onmiddellijk onze eigen tandoe op te zenden. Mocht
het inderdaad waar zijn, dat de eene jongen ziek was, dan kon een van
hunne jongens hem vervangen en zij zouden zoolang voor den zieken man
zorgdragen. Zij geloofden echter, even als ik, dat de heele ziekte een
voorwendsel was. Na ruim een uur kwam inderdaad den tandoe met alle
zes jonge mannen aanzetten, de zieke man was heelemaal beter en op den
geheelen terugweg hebben wij van ziek-zijn niets meer gemerkt. Zouden
kinderen niet evenzoo handelen om te probeeren verlost te worden van
een taak, die hen niet bevalt?
Tosari wordt het Darjeeling van Java genoemd. Het heeft met Darjeeling
gemeen, dat het ongeveer even hoog ligt, het ligt slechts 1000 voet
lager en verder wordt het ook bezocht door personen, die voor de
gezondheid eens een koeler klimaat behoeven, of die eens een kouden
neus willen halen. Maar overigens lijken die twee niets op elkaar. Ik
wil hiermede niet zeggen, dat Darjeeling, in Britsch-Indië, mooier
of belangwekkender is, maar het is geheel anders. Als men maar alleen
bedenkt, dat men in Darjeeling het gezicht op sneeuwbergen heeft en de
bergen er tot aan den top begroeid zijn met boomen en heesters, terwijl
in Tosari de bergen bijna geheel van het oorspronkelijke woud ontdaan
zijn, en de kale bergranden tot boven toe in goed aangelegde moestuinen
zijn herschapen, dan voelt men al wel het verschil in het landschap.
Maar ook de bevolking in beide bergstreken verschilt hemelsbreed. In
Darjeeling vijf of zes verschillende stammen, die alle in uiterlijk,
kleeding en gewoonten van elkaar verschillen en aan de plaats
eene groote levendigheid geven; in Tosari alleen de Tenggereezen,
een interessant volkje, doch die stil voor zich leven en zich den
toerist niet opdringen. Het verschil in levendigheid der beide
plaatsen spreekt ook wel daaruit, dat men in Darjeeling na eene
vermoeide wandeling, in welke richting ook, overal jinrickshaw-mannen
met hun lichte voertuigjes vindt, die je voor een paar centen weder
bergopwaarts voeren, terwijl in Tosari alleen paarden of tandoes bij
vooruitbestelling te bekomen zijn.
Ik zou Tosari een rozenoord willen noemen, bij uitstek geschikt
om overspannen zenuwen tot kalmte te brengen. Alles ademt er rust
en vrede. Vooral de morgens zijn er heerlijk, 's Middags hangt er
voor een groot deel van het jaar een dichte mist, die het uitzicht
belemmert en nat-koud aandoet. Wel wordt beweerd, dat die mist niet
nat zoude zijn, en dat Tosari een droge atmosfeer heeft, maar wie
dat gelooft moet wel nimmer de kille koude gevoeld hebben van die
alles doordringende wolkenlaag. Toch is, niettegenstaande dien mist,
Tosari het drukst bezochte plekje in Java. Er heerscht een mondaine
drukte. Men speelt er tennis, men maakt er toilet, er wordt geflirt,
er worden gezamenlijke uitstapjes ondernomen en verder alles wat in
un monde où l'on s'amuse voorvalt. Tosari heeft eene veel grootere
bekendheid dan Nongko Djadjar, alwaar men zich in alle eenvoud
amuseert en waar men heengaat om van de prachtige natuur en van de
hooge berglucht te genieten.
De Tenggereezen in het Tenggergebergte zijn een merkwaardig volkje. Zij
hebben geen tempels, kerken of Moskeeën. Een bepaalden godsdienst
bezitten zij niet. Voor een deel zijn zij nog Hindoes. Daaraan doen de
gekleurde hoofddoeken der vrouwen en de aschmerken op het voorhoofd
van velen hunner ook uiterlijk het meest denken. Zij hebben zich
vroeger aan den invloed der Mohammedanen weten te onttrekken door
op deze bergtoppen, die bijna ongenaakbaar waren, een schuilplaats
te zoeken. Elk dorp heeft een soort priester, die als een soort
wonderdokter ziekten bezweert en andere priesterlijke werkzaamheden
verricht en eens in het jaar in de voorhoede loopt, als zij gezamenlijk
naar de Bromo trekken, om daar aan de in de daarin huizende geesten
te offeren. De Tenggereezen zien er uiterlijk veel onbeschaafder uit
dan de andere Javanen, hun kleeding is minder proper, en hun geheele
voorkomen geeft aan, dat daarboven gebrek aan water bestaat en dat
het er, om veel te baden te koud is. Hunne huizen en dorpjes zien er
van buiten echter opvallend netjes uit. Nog slechts een jaar verheugen
zij zich in het bezit van een school, waarvan onmiddellijk een groot
gebruik werd gemaakt, zoodat de opkomende jeugd nu tenminste lezen
en schrijven zal leeren. Rijstvelden ziet men in het Tenggergebergte
niet, omdat de Tenggereezen gelooven, dat het hun om godsdienstige
redenen verboden is rijst te telen. Zij voeden zich veel meer met
maïs en groenten, die er op groote schaal verbouwd worden.
Van Tosari wilden wij per auto naar Passoeroean terug om daar den
trein te nemen, die ons naar Soerabaja zou terugvoeren. Maar de auto
was voor reparatie afwezig en zoo moesten wij van Tosari naar Poespo
per paard of tandoe en van Poespo naar Passoeroean per karretje. De
ondervinding, den laatsten keer met de tandoe opgedaan, deed mrs. Catt
ook besluiten, ditmaal het rijpaard als vervoermiddel te gebruiken. In
allen eenvoud, met slechts één jongen voor beide paarden, verlieten
wij 's middags om drie uur Tosari en arriveerden anderhalf uur later
behouden in Poespo. Onze paardjes waren zoo tam en kenden zoo goed
den weg, dat wij niets anders te doen hadden, dan ons in 't zadel
in evenwicht te houden, verder konden wij onze oogen den kost geven
en ons aan het mooie landschap rondom ons verlustigen. Nog voor het
laatst wilde ik genieten van al het schoone, dat het Tenggergebergte
den bezoeker biedt, en er zooveel mogelijk van in mij opnemen, om
den indruk een blijvende te doen zijn.
In Poespo bleven wij den avond en nacht doorbrengen in het hotel, dat
eene dependance is van het sanatorium in Tosari. Poespo is aanmerkelijk
lager gelegen dan Tosari en daardoor minder koud. Ook verkeert het niet
een deel van den dag in een nevelmeer. Het wordt als tusschenstation
voor zieken en zwakken gebruikt, voor wie een direct opgaan naar het
6000 voet hoog gelegen Tosari, niet raadzaam is. Jammer, dat het hotel
aldaar niet comfortabeler is, want het kleine dorpje bevat overigens
alle gegevens om er eenigen tijd zeer aangenaam te verblijven. Het
is er boschrijk, men heeft er prachtige vergezichten, de temperatuur
is een zeer aangename en nog tal van andere gegevens wettigen het
stichten van een goed herstellingsoord aldaar, maar dan moet er een
modern hotel met moderne geriefelijkheden verrijzen.
Van Poespo over Pasrepan naar Passoeroean in een karretje, was den
volgenden morgen een ware marteling. Het ding schudde zoo geweldig, dat
wij ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uitgeslingerd
te worden. Hoewel de tocht slechts twee-en-een-half uur duurde,
kwamen wij toch zoo geradbraakt in Passoeroean aan, dat wij moeite
hadden ons staande te houden. Wij moesten er een uur wachten, alvorens
de eerstvolgende trein ons naar Soerabaja zou brengen en dien tijd
gebruikten wij om op een bank ons uit te strekken om zoo de trillende
leden tot rust te brengen.
In Soerabaja viel ons de drukkende warmte weder erg tegen en reeds den
volgenden morgen om 6 uur verlieten wij deze stad om naar Semarang
terug te keeren, alwaar wij spoedig de boot verwachten die ons van
Java voor goed zal wegvoeren.