HONGKONG.

Zondag na den middag kwamen wij in Hongkong aan. Reeds des morgens

om tien uur werden de bergen zichtbaar, waarachter deze vrijhaven

zich verbergt. De kapitein had ons uitgenoodigd bij hem op de brug

te komen, waardoor wij een ruimer en vrijer uitzicht genoten en

hij in staat was ons alles te verklaren wat ons in den beginne niet

duidelijk leek. Hoe meer wij nader kwamen des te grootscher werd de

indruk dien de omgeving van deze stad maakt. Mooier binnenkomen in een

havenplaats is niet denkbaar; zooals mij gezegd werd evenaart alleen

Rio de Janeiro in dit opzicht de Chineesche stad Hongkong, die onder

Britsch opperbestuur staat. Het was 'n mooie Zondagmiddag, zoodat

tal van mooi opgetuigde picnic-bootjes, honderden schilderachtige

Chineesche zeilbootjes en vele eigen jachtschepen ons als 't ware

tegemoet voeren, vaartuigen en vaartuigjes alle beladen met menschen

die den vrijen Zondag gebruikten om de heete stadslucht te ontvlieden

en een paar teugen frissche zeelucht te halen. Men beweert dat de

honderden groene rotspunten, die Hongkong omgeven, vóór 1841, toen het

in Britsche handen overging, slechts kale rotsblokken waren en dat de

Britten die hoogten beplant hebben, zoodat enkele er nu als een groot,

groen fluweel veld uitzien, andere vol boomen en heesters staan. Dicht

aan de zee hebben zij echter alle hun kaal koraalrif-aanzien behouden.

De "Tjimanoek" bracht ons niet geheel in Hongkong. Vlak bij den ingang

van de havenmonding is een groote suikerraffinaderij, waar een groote

partij ongeraffineerde Java-suiker moest gelost worden en daar werden

wij op een kleiner stoombootje overgeladen en vlak bij het hotel aan

land gezet.

Nog meer als Singapore is Hongkong cosmopolitisch. Hier zijn nu in

werkelijkheid niet alleen menschen van alle Europeesche, Amerikaansche

en Australische streken aanwezig, maar men ziet hier ook en wel

in de eerste plaats, de Aziatische rassen in alle schakeeringen

vertegenwoordigd. De Engelsche politie bestaat hier uit Hindoes,

komende uit het Noorden van Britsch-Indië. De lange bleeke mannen,

zooals wij die in Lahore en Amritsar ontmoet hebben, met hunne groote,

zwarte oogen en bebaarde gezichten, die, niettegenstaande zij tot de

Sikhs, dat is de oorloglievende kaste behooren, toch een zoo zacht

vrouwelijk voorkomen hebben, zijn in hun net sluitende khaki-uniform

met roode turbans waarlijk mooi te noemen. Nu er voor de Sikhs niet

meer te oorlogvoeren valt, kunnen zij Engeland als politiedienaren in

deze en dergelijke oorden goede diensten bewijzen. Door hun uiterlijk

en uniform merkt men hen in de drukke straten van Hongkong dadelijk op.

Even opvallend zijn hier de Chineesche vrouwen in de straten. Hoe

internationaal het leven in de straten ook moge zijn, de Chineezen

vormen toch verreweg het grootste aantal en men ziet, vooral in de

winkelstraten en op de markten, minstens evenveel vrouwen als mannen

onder hen. Zijn in alle Aziatische landen mannen en vrouwen bijna

gelijk gekleed en is het meestal eerst na eenigen tijd, dat men

uitvindt wat eigenlijk mannen en wat vrouwen zijn, omdat de mannen

er rokken of sarongs of lange jurken dragen, evenals de vrouwen, zoo

ook kleeden de Chineezen zich gelijk, met dit onderscheid alleen,

dat hier de vrouwen evenals de mannen lange broeken en een soort

loshangend overhemd dragen. In kleeding zijn ook hier mannen en

vrouwen gelijk, maar het verschil tusschen beiden valt onmiddellijk

op, omdat de mannen hier bijna allen nu kort-geknipt haar dragen,--de

staart ziet men nog slechts bij groote uitzondering,--en de vrouwen

allen het haar glad naar achter gestreken en met een dubbele knoop

tegen het achterhoofd hebben bevestigd. Jongere vrouwen en meisjes

hebben soms een gedeelte van het voorhaar kort geknipt, ponyhaar,

dat dan als een zwarte, steile franje over het voorhoofd hangt. De

stompvoetjes ziet men hier gelukkig zelden in de straten, maar daarom

kunnen er nog wel velen tehuis zijn, want de arme vrouwen kunnen er

bijna niet op voortsukkelen en moeten meestal op den arm of schouder

van een haar begeleidend kind steunen. De jongere kinderen, die wij in

de straten zien, hebben echter allen hunne natuurlijke voeten, zoodat

na eenige geslachten, deze wreede verminking, evenals de staarten,

wel geheel verdwenen zal zijn.

Maar over de Chineesche vrouwenkleeding moet ik het eens even

hebben. Doelmatiger, vrijer, practischer kleeding, die als men er

eenmaal aan gewend is, niets opvallends heeft en sierlijk staat, is

niet denkbaar. Waarom gaan de vrouwen, die aan reformkleeding doen,

hier niet de modellen zoeken? Het is heel eenvoudig te beschrijven en

is, zooals ik reeds schreef, voor mannen en vrouwen gelijk. Een lange,

zwarte pantalon, somtijds naar den enkel nauw toeloopend, om er zoo

mede op een fiets te springen; daarover heen een loshangend kleed,

in vorm het best te vergelijken met een heerenoverhemd zonder stijf

front. Dit kleed, dat bij de vrouwen niet langer dan tot ongeveer de

knieën, bij mannen dikwijls langer en soms tot de enkels afhangend

is, wordt in den regel van zwarte zijde of zwart, glimmend katoen,

een soort zeildoek, gemaakt, doch wordt ook somtijds heel elegant in

verschillende kleuren gedragen. Jonge meisjes zag ik dikwijls met een

zeer smaakvol blauw overkleed. Hoeden dragen de Chineesche dames in

Hongkong niet. De mannen dragen groote, zeer practische zonnehoeden, de

vrouwen gebruiken voor de zon mooie gekleurde pajongs. Nu de staarten

afgeknipt zijn, beginnen de Chineezen zich ook steeds meer Europeesch

te kleeden en ziet men nu vele Chineesche heeren in witte pakken van

het model als onze heeren in Indië dragen en zetten zij daarbij dan

een witte strooien matelot of een topee op. Over eenigen tijd zal

het aardige van een Chinees heelemaal weg zijn, zij zullen dan nog

maar alleen door hunne naar onder getrokken, buitenste ooghoeken,

van gewone menschen te onderscheiden zijn.

Maar eigenlijk moet ik eerst wat van Hongkong vertellen, alvorens ik

over de bewoners uitweid. De naam beteekent "land van zoet water". Het

is een eiland dat vóór 1841 aan China behoorde en toen zeer dun

bevolkt was met visschersvolk en zeeroovers. In 1841 ging het in

Engelsch bezit over. Nu is het een groote schilderachtige stad met

250.000 inwoners, waarvan een gedeelte de City of Victoria wordt

genoemd. Het is vol groote gebouwen, bankinstellingen, kantoren,

fabrieken, hotels, kazernes, hospitalen, en, hoewel zij niet zeer

in het oog springen, forten. De haven ligt vol vreemde schepen uit

alle landen, waaronder oorlogschepen. Drie bijna parallel loopende

straten, geheel geasphalteerd, loopen dwars door de stad van het eene

einde tot het andere en daarop komen tal van nauwere, bergopwaarts

gaande straten uit. De geheele stad is als 't ware tegen een berg

opgebouwd. Een vreemd, schilderachtig gezicht is het als men in een

der hoofdstraten staat en het leven aanziet in zoo'n soms steil naar

boven gaande straat. Paarden en rijtuigen of automobielen of fietsen

ziet men er niet, alleen door de middelste van de drie breede straten

loopt een electrische tram, voor het overige bedient zich hier een

ieder voor vervoermiddel van een rickshaw of tandoe. De draagstoelen

worden hier slechts door twee man gedragen, die soms uren lang met

zoo'n zwaren dikken Chinees de steile wegen op- en afgaan. Wij hadden

er na eenmaal gebruik genoeg van en probeerden liever de rickshaws,

die echter in sommige steile straten maar half te vertrouwen zijn.

Een zeer mooien tocht maakten wij met de kabeltouwbaan, (dat is geloof

ik een heel mooi woord voor "drahtseilbahn") naar den top van de

Peak, ongeveer 500 meter hoog, waardoor wij een prachtig panoramisch

gezicht op de stad, de haven en de Chineesche zee kregen. In een half

uur wandelt men langs een mooien asphaltweg, en steeds voorbij mooie

villa's, naar de stad terug.

Als ik nu nog eens even op de bevolking in Hongkong terugkom,

dan is het om de groote menigte, "gemengde uiterlijken" die er te

constateeren waren. Het is alsof alle natiën er hare sporen meenen

te moeten achterlaten en Zuid met West, Oost met Noord, zich daar nu

en dan echtelijk, zij het dan ook niet wettig, vereenigt. Deze innige

rassenvermenging heeft wel eens goede resultaten gewrocht.

Wij bleven juist twee volle dagen in Hongkong. Ons plan toch was om nog

van het goede weder te profiteeren en zoo gauw doenlijk naar Manilla af

te reizen, omdat wij in Hongkong toch terug komen. Wij gingen daarom

Maandagmorgen direkt naar het kantoor van Cook om inlichtingen in

te winnen omtrent de beste booten die deze week naar Manilla zouden

vertrekken. Na de ondervinding die wij in de kantoren van Cook op

deze onze reizen hadden opgedaan, zouden wij zeer zeker niet weder

daar inlichtingen zijn gaan inwinnen, ware het niet dat wij een reçu

van pl.m. £ 10 op Cook's office in Hongkong hadden van geld, dat wij

in Rangoon voor kaarten hadden betaald die niet gebruikt waren. Dit

geld was ons niet terugbetaald, maar wij konden er over disponeeren

in Hongkong, met er andere biljetten voor in de plaats te nemen.

Op het kantoor werd ons verteld, dat er den volgenden dag een goed

Engelsch schip zou vertrekken naar Manilla, waarop nog eenige goede

hutten disponibel waren. Wij merkten op, dat wij Zondagmiddag een

mooi Amerikaansch schip in de haven hadden zien liggen, en als dat

schip nog deze week ging, dan zouden wij dat prefereeren. De heeren

wisten ons onmiddellijk te vertellen, dat er geen Amerikaansch schip

deze week naar Manilla ging; dat wij gezien hadden, was juist terug

van Manilla en ging nu naar San Francisco. Bovendien, het schip de

"Tean" was zoo'n bijzonder recommandabele boot, dat zij ons toch

nog zouden raden, dat de voorkeur te geven. Wij lieten ons bepraten,

doch 's avonds vernamen wij, dat het door ons geziene Amerikaansche

schip wel degelijk op weg was naar Manilla en Woensdagmiddag zou

vertrekken. Wij gingen daarop Dinsdagmorgen onmiddellijk weder naar

Cook en vroegen onze kaarten alsnog te ruilen. Met een stalen gezicht

werd ons verzekerd, dat zij dat in ons belang niet mochten doen, omdat

wij de booten niet kenden en de "Tean" een honderdmaal betere boot was

dan de "Saphiro", de Amerikaansche. Nogmaals werd ons verzekerd, dat de

"Tean" door Engelsche officieren bestuurd werd en dat hutten, voedsel

en al wat men op een boot verwacht, van eerste kwaliteit was. Wij

waren stom genoeg, om geloof te slaan aan deze woorden, behielden onze

kaarten en trokken 's middags tegen vier uur per stoombootje van het

Hongkong Hotel naar de "Tean". Onze bagage was ons reeds voorgegaan.

Welk eene ontgoocheling! Wat een teleurstelling! De boot van de

Messageries Maritimes, die ons destijds van Beirût naar Alexandrië

vlak in de quarantaine had gevoerd, kon een waardig zusje van deze

smerige boot zijn. Vuil, onordelijk, oud, vies, is alles wat men

ziet en aanraakt. Het is bovendien een Japansche boot met Japansche

bemanning en alleen een Engelsch sprekende kapitein. Een van het soort,

dat zich aan ons voorstelde met de opmerking, dat in een heet klimaat

whisky en soda de eenige aan te bevelen drank is en van Holland weet,

dat men er zulke lekkere gin maakt. En op deze boot moeten wij tot

Vrijdagmorgen elf uur vertoeven, dat zijn 67 volle uren. Er zijn er nu

gelukkig reeds 31 van verstreken en de barometer voorspelt nog goed

weder, zoodat de overblijvende 36 ook wel zonder ongelukken zullen

voorbij gaan, maar anders.... Wij hebben ons direct voorgenomen,

toen wij met den kapitein hadden kennis gemaakt, dat in geval van

noodweer, wij den kapitein eerst over boord zouden zetten en dan met

ons beiden de orders op de brug zouden gaan uitdeden, om ongelukken

te voorkomen. Men moet zich in alle gevallen weten te redden en wij

hebben op de "Tjimanoek" zooveel zeevaartkundige wijsheid opgedaan,

dat wij met ons beiden er licht meer van weten dan deze kapitein. Hij

is echter reeds vele jaren kapitein en op dit water bekend.

Wij zijn niet de eenige passagiers op deze boot, wij hebben hier nog

twee lotgenooten. Als iemand een jaar lang gezocht had, dan had hij

geen twee passender reisgenooten voor ons kunnen vinden. Eén onzer

reisgezellen is een Roomsch-Katholiek priester, die alleen Spaansch

spreekt. Hij is mijn tafelbuur.

De andere is van het hout, waarvan men Engelsche zendelingen snijdt,

die in Shangai zijn kruit schijnt verschoten te hebben en nu op weg

is naar Manilla. Zoodra hij aan tafel komt, gooit hij steeds zijn

linkerbeen over de linker stoelleuning, leunt dan op zijn rechter

elleboog en tracht zoo, dwars zittende, zijn eten naar den mond te

brengen. Ik geloof het was de heer J. F. die eens in een reisbrief

een Engelschman aan tafel beschreef en die constateerde dat een

Engelschman van netjes eten een heele studie heeft gemaakt en alles

correct verorberde; onze Engelsche tafelgenoot zal echter met die

studie nog moeten beginnen. Onsmakelijker, femelender, ongesoigneerder

vent is niet denkbaar.

Maar wij hebben nog drie andere tafelgenooten. Het zijn drie kleine

Japannertjes, die tot de bemanning van het schip behooren. Zij zijn

aan tafel op zijn ongegeneerdst gekleed, spreken alleen onderling en

hebben zich reeds de gewoonte om met mes, lepel en vork, in plaats van

met stokjes te eten, eigen gemaakt. Wel gebruiken zij deze attributen

in den regel voor doeleinden waarvoor zij juist niet bestemd zijn,

maar dat hindert op dit schip heelemaal niet. Ook zitten zij steeds met

den rechter of linker arm zoo om het bord heen geslagen en hun hoofdje

zoo vlak boven het bord, dat het voor elken indringer onmogelijk is

ook maar een stukje van dat bord weg te kapen. Het kan echter zijn

dat dit om andere reden geschiedt.

Gelegenheid om wat beweging te nemen of ergens comfortabel te zitten,

biedt dit miserabel schip zijn passagiers niet. Het is dan ook geen

wonder dat mijn lieve reisgezellin, die anders alle tegenspoeden zoo

philosophisch kalm opneemt, thans soms radeloos om zich heen blikt

en mij reeds eenige malen verzekerd heeft, waarbij hare zachte,

vriendelijke oogen van bloeddorst schitteren, dat zij, als zij in

Hongkong is teruggekeerd, direkt naar Cook's Office wil gaan "to kill

all the men", die zij daarin zal aantreffen. Zij zweert nu nog meer

dan voorheen bij Hollandsche booten en bij "the Dutch captains".

Gelukkig hebben wij op heel Java geen kantoren van Cook aangetroffen,

maar bij het aldaar toenemend toeristenverkeer, is het niet onmogelijk

dat zij weldra ook daar zullen trachten zich te nestelen. Laat men

er toch voor waken dat die inlichtingsbureaux er nooit komen, wij

hebben er nooit anders dan ellende van ondervonden op allerlei wijze.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 102 / 133 题