VIII.

Van Solo naar Semarang is slechts een reis van eenige uren, de trein

brengt ons echter in dien korten tijd in een geheel ander soort stad

dan wij tot dusver op Java gezien hebben. Het is een stad, die een

bijzonder prettigen indruk maakt, zoowel door de vele mooie huizen,

die allen door goed onderhouden en smaakvol aangelegde tuinen omgeven

zijn, als wel door de zindelijkheid en goed onderhouden straten,

en ook door zijne mooie omgeving. Het is mogelijk, dat mijn smaak

door het zien van zoovele steden in de tropen bedorven is, want ik

moet bekennen, dat ik, in afwijking van al mijne gidsboeken en van

zoovele bewonderaars van Batavia, laatstgenoemde stad maar niet mooi

heb kunnen vinden en in geen geval zoo, dat ik haar verkies boven vele

andere steden op Java of Sumatra. Batavia maakte op ons, want mijne

reisgenoote denkt er ook zoo over, den indruk alsof de gegevens er

zijn om er een mooie stad van te maken, maar dat men nog maar steeds

met den opbouw niet begonnen is. Semarang is daarentegen af, de stad

staat er en mag zich laten zien en bewonderen.

Maar, behalve dat de stad als zoodanig een bezoek waard is, biedt zij

overigens voor toeristen niet veel merkwaardigs. Ook bleven wij er

niet lang genoeg om sociale instellingen te gaan zien. Het nieuwe

hospitaal moet, zooals mij gezegd werd, het beste van heel Java

zijn. Ce n'est pas jurer gros voor dengene, die hier en daar eens

een kijkje genomen heeft, maar ik wil daarmede het nieuwe hospitaal

in Semarang niet afbreken, want ik heb het niet kunnen gaan zien,

doch heb gehoord, dat het up to date is.

Voor onze vergadering kwamen wij er in den slechtsten tijd van

het jaar, want door de vacanties zijn bijna alle onderwijskrachten

naar boven in de bergen en ook vele gezinnen waren uit de stad. Het

is echter onmogelijk om op zoo'n rondreis door Java overal in een

geschikten tijd te komen en daarom hebben wij de vergadering toch

maar doorgezet en hadden het succes bij de ruim dertig daar reeds

bestaande leden nog ruim twintig nieuwe overtuigden te maken en uit

dat aantal den volgenden dag eene afdeeling samen te stellen met een

uitstekend voltallig bestuur. Mevrouw Wallbrink, die hare sporen op

dit gebied reeds verdiend heeft, liet zich de benoeming tot presidente

welgevallen en zal daarin gesteund worden door de vice-presidente,

Mejuffrouw Haverbult, terwijl de beide secretaressen, mevrouw de

Vreede en mevrouw Van den Ende, en de penningmeesteres, mevrouw von

Hombracht, de overige werkzaamheden op zich namen. Over dit gedeelte

van ons verblijf in Semarang waren wij dus alleszins voldaan, doch

overigens dreef ons de warmte zoo snel mogelijk verder.

In Soerabaja hoopten wij ten slotte besliste informatiën te bekomen

omtrent onze verdere route, want nog steeds was het vaag, hoe wij het

best van hier naar Manilla konden komen. Wij kenden wel den gewonen

weg, per paketvaart naar Singapore, van daar naar Hongkong en dan naar

Manilla, maar wij wilden coûte que coûte Singapore vermijden, deze zoo

weinig interessante, heete stad, alwaar wij met op bovengenoemde wijze

te reizen drie dagen zouden moeten verblijven, om de aansluiting naar

Hongkong met een goede boot te krijgen, en dan, wij wilden zoo gaarne

zonder veel tijdverlies nog wat meer van onze koloniën zien. Onze

Manillasche vriend, die wij op onzen tocht naar Sindanglaja ontmoet

hadden, had ons beslist gezegd, dat wij over Celebes konden gaan, met

die boot ook Borneo hier en daar aandoen, van Menado naar Sandaken

in Britsch-Borneo konden komen en vandaar met eene andere boot naar

Zamboanga in de Zuid-Philippijnen. Eenmaal in de Philippijnen zijnde,

zou het zeer gemakkelijk zijn de verdere verbindingen te vinden. Met

zeer veel navraag, getelegrafeer en getelefoneer hadden wij ten slotte

die geheele reis voor elkaar, maar een gewichtige schakel ontbrak. Over

de boot of de verbinding van Menado met Sandaken liepen de inlichtingen

spaak, niemand kon ons iets positiefs daarover berichten, terwijl

het negatieve bericht was, dat men niet geloofde, dat er eene goede

verbinding was. Deze reisroute werd daarom opgegeven.

Er zou evenwel een boot van de Java-China-Japanlijn den 15en van

Soerabaja vertrekken, deze gaat gedurende een week langs de oostkust

van Java lading innemen, gaat dan naar Semarang en vertrekt 24 Juni

van Semarang naar Makassar en vandaar regelrecht naar Hongkong. Op

deze boot hebben wij van Semarang af passage besproken. Wij zullen

nu dan toch nog Makassar zien, daar blijft de boot twee dagen stil

liggen, en dan gaan wij naar Hongkong, zonder Singapore aan te doen.

Maar nu loop ik met mijn verhaal vooruit. Ik dien eerst nog over

Soerabaja en veel andere plaatsen te spreken. Soerabaja is een

handelstad, de eerste handelstad van Java. Dat merkt men in de

drukke, stoffige straten, aan de hooge, leelijke gebouwen, dat

handelskantoren zijn, aan het gekrioel van Chineezen, Javanen,

Arabieren, Europeanen. Mooi is Soerabaja niet. Een aangenamen indruk

verwekt de stad ook niet. Hier gaat men wonen om er zaken te doen,

om er geld te verdienen. Lukt dat laatste in voldoende mate, dan gaat

men er gauw weder uit om òf in Europa, òf in een beter oord op Java de

nog restende levensdagen te profiteeren van het zuur gewonnen kapitaal.

Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht hadden wij niet veel

verwachtingen. Het was ook hier vacantie op school en daardoor velen

afwezig. Maar het viel mee. De vrij groote zaal van het Logegebouw

was geheel bezet met dames en heeren, waarvan na afloop 39 lid van

de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werden. Mevrouw Ingerman, die

alles zoo uitstekend had voorbereid, presideerde de vergadering,

maar daar zij op het punt staat Indië voorgoed te verlaten,

konden wij haar hier niet voor een blijvende kracht behouden. In de

vergadering, den volgenden morgen met verschillende leden gehouden,

werd besloten eene afdeeling Soerabaja te vormen, waarvoor de dames

Broekman en Broese van Groenou (ik wou dat deze laatste talrijke

familie nog tienmaal talrijker was) het presidium en vice-presidium

op zich namen, mevrouw Soesman het secretariaat en mevrouw Derx

het penningmeesterschap. Een tweede secretaresse zal spoedig aan

dit bestuur toegevoegd worden. Hiermede zijn de vergaderingen voor

vrouwenkiesrecht in onze koloniën voor ons afgeloopen, alwaar de

vereeniging nu tien centrale punten heeft, vanwaar verder propaganda

en opvoedende kracht kan uitgaan.

Wij hadden nu nog bijna een week over, alvorens wij in Semarang aan

boord van de "Tjimanoek" behoefden te zijn en wij besloten die dagen

te gebruiken om de mooie omstreken van Soerabaja te gaan zien. Het

zijn wel ver afgelegen omstreken, maar Soerabaja beschouwt ze toch

als te behooren tot zijn gebied en van Soerabaja uit zijn ze ook het

gemakkelijkst te bereiken.

Met den trein van 3.48 verlieten wij Soerabaja Zaterdagmiddag en

kwamen, na ruim twee uren door tal van dessa's gespoord te zijn en met

weldra een prachtig uitzicht op de Welirang- en Ardjoeno-bergen, om 6

uur te Lawang aan. Vooral het laatste uur, toen de zon als een groote

vuurbol achter die bergen onderging en ze met een krachtig gouden licht

overgoot, was 't landschap onbeschrijfelijk mooi. Onwillekeurig komt

de gedachte op, hoe lang zal die berg zijn mooien spitsen kop nog

mogen behouden, wanneer zal het vuur, dat ontegenzeggelijk in zijn

binnenste woedt, dat heele phantastische bovenstuk in duizend deelen

heinde en ver om zich heen werpen en een nieuwe kraterzee vormen?

Lawang, dat 1700 voet hoog ligt, wordt voornamelijk bezocht door

Soerabajers, die slechts over een paar vacantiedagen kunnen beschikken

en in die dagen toch even willen bekomen van de onaangename hitte in

de stad. Het is gemakkelijk te bereiken, bezit een uitstekend hotel

met goede keuken en wat nog meer zegt, een aangenaam koel klimaat en

tal van mooie wandelingen. Wij hadden ons echter voorgenomen ons door

al deze aantrekkelijkheden niet te laten verlokken, doch Zondagmorgen

door te gaan naar het op 4000 voet hoog gelegen Nongo Djadjar, waarvoor

wij reeds van uit Soerabaja reisgelegenheid en kamers besteld hadden.

Om 8 uur Zondagmorgen stond onze équipage voor. Het was een op vier

hooge ijzeren wielen staande houten bak, waarvan den bodem uit wijd

van elkaar liggende latten bestond en waar op twee ijzeren pijlen een

zitgelegenheid voor de reizigers was aangebracht. De heer en dame,

eigenaars van het Lawangsche hotel, meenden ons gerust te moeten

stellen, wij behoefden niet beangst te zijn, want, zeiden zij, de weg

is steil en slecht en alles moet zoo licht mogelijk zijn. Onze bagage,

die wij voor deze rondreis zoo beperkt mogelijk hadden gemaakt, en die

alleen bestond uit onze reistasschen en een mantelrol, werd op twee

bamboestokken geladen en door 4 koelies achter ons aangedragen. Toen

wij opgeladen waren, vleide 't koetsiertje zich aan onze voeten

neder en daarna klommen twee palfreniers achter ons op het wagentje,

die zich aan de ijzeren stangen onzer zitgelegenheid staande hielden

en toen zetten onze halfdoode paardjes het op een loopen. Bang waren

wij niet, maar wij moesten ons toch eerst een beetje oefenen om ons

op onze hooge zitplaatsen te handhaven. De twee palfreniers stonden

daar niet alleen om ons aanzien te verhoogen, wij leerden spoedig

inzien, dat zij ook een andere bestemming hadden. De een toeterde op

een automobielhoorn als er in de verte een kip op den weg liep, of als

wij een stilstaanden wagen voorbij renden, of ook wel, als hij meende

met die muziek ons te amuseeren. De tweede schroefde een houten plank

tegen de ijzeren raderen aan, als wij een helling afgingen, wat door

een zeer vernuftig toestel van achter het rijtuig beredderd kon worden.

Na een half uur rijden arriveerden wij in Poerwodadi, alwaar nog twee

dito paardjes voor de beide andere gespannen en onze begeleiders met

6 mannen vermeerderd werden. De twee vóórpaarden toch luisterden

niet erg naar de wenschen van onzen koetsier, zoodat twee mannen

elk een bij den kop pakten en ze in de goede richting trokken. Twee

andere mannen hielpen de kar van achteren opduwen en twee kwamen op

een gezadeld paard achteraan, misschien met het doel om de een of

ander onzer paarden te vervangen, als die er bij mochten neervallen,

of wel om ons als rijpaard te dienen als onze équipage op den tocht

mocht bezwijken. Het was zoo'n mooie optocht, dat mijn reisgezellin

meende, dat alleen de gouden pajong nog maar ontbrak om den indruk

te verwekken, dat de Soesoehoenan in hoogst eigen persoon kwam

aanrijden. Tot tien uur voelden wij ons trotsch op onze hooge zetels

en met onze schare volgelingen, doch toen kwamen wij in een dorpje

waar halt werd gehouden en onze vier paarden, die niettegenstaande

de pogingen van de drie mannen om ze op het rechte pad te houden,

toch telkens probeerden ons op zijwegen te brengen, vervangen werden

door twee.... zegge twee, koeien. Het waren geen ossen of bullen,

lezers, maar twee melkgevende koeien, waarvan de een nog niet zoo

heel lang geleden gekalfd had. Op onze vraag, wat dat te beteekenen

had, vernamen wij, dat de weg nu zóó steil en slecht werd, dat de

paarden ons niet meer naar boven konden trekken en daarom door koeien

vervangen moesten worden. Mijn trots zonk beneden peil, maar toen

ik mijn metgezellin aanzag, zag ik, dat zij haar gezicht een nog

voldaner plooi had gegeven en stralend merkte zij op: "of course,

two females can do better than four males", en op mijn vraag, of zij

zeker was, dat onze vier paarden tot het sterke geslacht behooren,

antwoordde zij: "yes, females would never have given up their task";

voor deze heerlijke feministische ontboezeming, die ook mij weder in

goede stemming bracht, beloonde ik haar met een Haagsch hopje.

Toen wij eindelijk om één uur in het hotel aangeland waren, konden wij

ons niet voorstellen, dat wij vijf uren achtereen in dat onmogelijke

wagentje gereden hadden. De weg was zóó mooi en zóó vol afwisseling,

dat de tijd was omgevlogen. Toen Wij eerst door suikerplantages en

rijstvelden, daarna door een dicht bosch en door verschillende dessa's

eindelijk aan de koffieplantages geland waren, zagen wij voor het eerst

deze mooie boomen, met hunne mooi gevormde en als gepolijste bladeren,

in volle bloei en in het begin van vruchtzetting. De witte bloemen en

de roode besjes vormden met het donkergroen der bladeren een prachtig

geheel. Zóó hadden wij dit nog niet gezien. Verder werd de weg zeer

verlevendigd door tal van apen, die in de boomen speelden. Het waren

thans in hoofdzaak groote zwarte apen met lange staarten, slechts

enkele kaneelkleurige waren er onder.

Wij hadden den 12 mijlen langen afstand in vijf uren afgelegd;

geraced hebben wij dus niet. Aan het hotel werden wij door den

vriendelijken eigenaar opgewacht, die ons onmiddellijk naar onze

kamers bracht, alwaar wij ons eerst wat konden verfrisschen, alvorens

aan de lunchtafel te verschijnen. Een groote vaas heerlijke frissche,

prachtige rozen stond in elk onzer kamers en van de veranda's hadden

wij zoo'n prachtig uitzicht op het Tenggergebergte, dat wij eerst

eenigen tijd noodig hadden om van onze bewondering te bekomen. Dit

geheele hotel is zoo schilderachtig mooi gelegen, dat ik er geen weerga

nog van heb aangetroffen. Het bestaat uit tal van op zich zelf staande

gebouwtjes, paviljoens, die op verschillende punten van den bergrug

zijn gelegen en allen door overdekte wegen met het hoofdgebouw zijn

verbonden. De groote tuin bevat een schat van bloemen, die het geheele

jaar bloeien en waarvan enkele zeer zeldzame exemplaren zijn.

Behalve dit mooie hotel en een paar andere gebouwen waar Europeanen

wonen, is Nongko Djadjar, een koffie-dessa met alleen inboorlingen. Tal

van mooie wandelingen en grootere uitstapjes kan men van daar doen.

Wij begonnen direct Maandagmorgen met een tocht naar den Ramboetmajo

waterval. Per rijtuig kan men daar niet komen, alleen te paard of

per tandoe moet men gaan. Voor een rit te paard hadden wij nog niet

genoeg moed verzameld, vooral niet nadat wij aan tafel te Lawang

hadden gehoord dat een Zondagsruiter op een kleinen tocht driemaal

onder zijn viervoeter was geraakt en zich erg gelukkig noemde zich

als een gaaf mensch aan tafel te kunnen presenteeren. De draagstoelen

moesten dus weder dienst doen. Om 7 uur vertrokken wij Maandagmorgen

van het hotel. Elke draagstoel werd door 6 man gedragen, twee voor,

twee in het midden en twee van achter. Het was moeilijk deze 6

man zoo te laten loopen dat wij niet onmenschelijk heen en weder

en door elkaar werden geschud, elke verandering in hun gewonen pas

verergerde het. Wij probeerden daarom maar spoedig ons te gewennen

aan deze schommelingen, want het was een lange tocht dien wij voor

ons hadden. Bijna onophoudelijk gingen wij door een dicht bosch vol

groote zwarte apen, vogels en een soort eekhorens, die men hier

boomratten noemt en tal van ander gedierte. Nu en dan piepten de

Inlandsche huisjes door het dichte geboomte door. Het was een zeer

mooie tocht. Zooals in den regel in zulke gevallen was ook hier de

300 voet hooge waterval op zich zelf de moeite van den tocht niet

waard, maar de schilderachtige omgeving waarin hij zich bevindt en

de weg daarheen loonde des te meer alles wat wij er voor gedaan en

geleden hadden.

Het was reeds over één, toen onze dozijn dragers ons veilig, weder

afleverden. Eerst nadat wij de lunch gebruikt en gezamenlijk in een

onzer veranda's zaten om van de vermoeienis te bekomen en van het

prachtig uitzicht te genieten, kwam de vraag over mijn lippen: in welk

land ter wereld is het mogelijk, dat twee dames, geheel ongewapend,

met een dozijn mannen uit het volk, zes uren lang door een dicht bosch

durven trekken, zonder een oogenblik vrees te gevoelen, dat haar iets

onaangenaams wedervaren zal? Deze twaalf mannen wisten, dat wij geld

en andere waarde in onze kleine taschjes bij ons hadden, dat wij hunne

gesprekken niet konden volgen, dat wij slechts enkele inboorlingen,

en dan nog meest kinderen op onzen weg zouden ontmoeten, en toch kwam

geen enkel woord over hun lippen, deden zij geen enkele beweging,

die ook maar voor een oogenblik eenige vrees bij ons deed opkomen.

Twee keer op dien heelen langen tocht zetten zij de tandoes neder;

een keer vroegen zij om "persen" (fooi, drinkgeld) om koffie te

koopen bij 'n uitstallinkje en den tweeden keer, op den terugweg, om

djeroek van een voorbijtrekkenden jongen met een mand sinaasappelen

te koopen. Beide keeren willigden wij hun verzoek in met hen voor

het beoogde doel 50 cts. te geven, waarvoor zij zich zeer erkentelijk

betoonden. Onze dragers waren gedurende den geheelen tocht vroolijk

en levendig, zóó zelfs, dat wij de opmerking maakten, dat zij in

dit opzicht meer op Hindu's geleken dan op de tot dusver ontmoete

Javanen, maar geen onbescheiden woord merkten wij op en zeer zeker

was de decente wijze, waarop zij zich onder het loopen van een deel

hunner kleeding ontdeden en waarop zij, toen wij nabij een riviertje

een oogenblik pauseerden, daar allen een bad namen, opvallend. Van

een volk dat uit zich zelf zoo beschaafd is, moreel en hoog staat,

kan met goede leiding wat goeds groeien. Op die leiding komt 't

echter aan. Van wat zoogenaamde kenners van Java en de Javanen

ons hier soms willen wijs maken, dat de Javaan zoo te zeggen, alle

denkbare ondeugden zou bezitten, is niets waar, kan niets waar zijn,

want waar wij telkens en telkens weder met die menschen in aanraking

komen, ontdekken wij deugden en bijna uitsluitend deugden in hen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 99 / 133 题