Van Solo naar Semarang is slechts een reis van eenige uren, de trein
brengt ons echter in dien korten tijd in een geheel ander soort stad
dan wij tot dusver op Java gezien hebben. Het is een stad, die een
bijzonder prettigen indruk maakt, zoowel door de vele mooie huizen,
die allen door goed onderhouden en smaakvol aangelegde tuinen omgeven
zijn, als wel door de zindelijkheid en goed onderhouden straten,
en ook door zijne mooie omgeving. Het is mogelijk, dat mijn smaak
door het zien van zoovele steden in de tropen bedorven is, want ik
moet bekennen, dat ik, in afwijking van al mijne gidsboeken en van
zoovele bewonderaars van Batavia, laatstgenoemde stad maar niet mooi
heb kunnen vinden en in geen geval zoo, dat ik haar verkies boven vele
andere steden op Java of Sumatra. Batavia maakte op ons, want mijne
reisgenoote denkt er ook zoo over, den indruk alsof de gegevens er
zijn om er een mooie stad van te maken, maar dat men nog maar steeds
met den opbouw niet begonnen is. Semarang is daarentegen af, de stad
staat er en mag zich laten zien en bewonderen.
Maar, behalve dat de stad als zoodanig een bezoek waard is, biedt zij
overigens voor toeristen niet veel merkwaardigs. Ook bleven wij er
niet lang genoeg om sociale instellingen te gaan zien. Het nieuwe
hospitaal moet, zooals mij gezegd werd, het beste van heel Java
zijn. Ce n'est pas jurer gros voor dengene, die hier en daar eens
een kijkje genomen heeft, maar ik wil daarmede het nieuwe hospitaal
in Semarang niet afbreken, want ik heb het niet kunnen gaan zien,
doch heb gehoord, dat het up to date is.
Voor onze vergadering kwamen wij er in den slechtsten tijd van
het jaar, want door de vacanties zijn bijna alle onderwijskrachten
naar boven in de bergen en ook vele gezinnen waren uit de stad. Het
is echter onmogelijk om op zoo'n rondreis door Java overal in een
geschikten tijd te komen en daarom hebben wij de vergadering toch
maar doorgezet en hadden het succes bij de ruim dertig daar reeds
bestaande leden nog ruim twintig nieuwe overtuigden te maken en uit
dat aantal den volgenden dag eene afdeeling samen te stellen met een
uitstekend voltallig bestuur. Mevrouw Wallbrink, die hare sporen op
dit gebied reeds verdiend heeft, liet zich de benoeming tot presidente
welgevallen en zal daarin gesteund worden door de vice-presidente,
Mejuffrouw Haverbult, terwijl de beide secretaressen, mevrouw de
Vreede en mevrouw Van den Ende, en de penningmeesteres, mevrouw von
Hombracht, de overige werkzaamheden op zich namen. Over dit gedeelte
van ons verblijf in Semarang waren wij dus alleszins voldaan, doch
overigens dreef ons de warmte zoo snel mogelijk verder.
In Soerabaja hoopten wij ten slotte besliste informatiën te bekomen
omtrent onze verdere route, want nog steeds was het vaag, hoe wij het
best van hier naar Manilla konden komen. Wij kenden wel den gewonen
weg, per paketvaart naar Singapore, van daar naar Hongkong en dan naar
Manilla, maar wij wilden coûte que coûte Singapore vermijden, deze zoo
weinig interessante, heete stad, alwaar wij met op bovengenoemde wijze
te reizen drie dagen zouden moeten verblijven, om de aansluiting naar
Hongkong met een goede boot te krijgen, en dan, wij wilden zoo gaarne
zonder veel tijdverlies nog wat meer van onze koloniën zien. Onze
Manillasche vriend, die wij op onzen tocht naar Sindanglaja ontmoet
hadden, had ons beslist gezegd, dat wij over Celebes konden gaan, met
die boot ook Borneo hier en daar aandoen, van Menado naar Sandaken
in Britsch-Borneo konden komen en vandaar met eene andere boot naar
Zamboanga in de Zuid-Philippijnen. Eenmaal in de Philippijnen zijnde,
zou het zeer gemakkelijk zijn de verdere verbindingen te vinden. Met
zeer veel navraag, getelegrafeer en getelefoneer hadden wij ten slotte
die geheele reis voor elkaar, maar een gewichtige schakel ontbrak. Over
de boot of de verbinding van Menado met Sandaken liepen de inlichtingen
spaak, niemand kon ons iets positiefs daarover berichten, terwijl
het negatieve bericht was, dat men niet geloofde, dat er eene goede
verbinding was. Deze reisroute werd daarom opgegeven.
Er zou evenwel een boot van de Java-China-Japanlijn den 15en van
Soerabaja vertrekken, deze gaat gedurende een week langs de oostkust
van Java lading innemen, gaat dan naar Semarang en vertrekt 24 Juni
van Semarang naar Makassar en vandaar regelrecht naar Hongkong. Op
deze boot hebben wij van Semarang af passage besproken. Wij zullen
nu dan toch nog Makassar zien, daar blijft de boot twee dagen stil
liggen, en dan gaan wij naar Hongkong, zonder Singapore aan te doen.
Maar nu loop ik met mijn verhaal vooruit. Ik dien eerst nog over
Soerabaja en veel andere plaatsen te spreken. Soerabaja is een
handelstad, de eerste handelstad van Java. Dat merkt men in de
drukke, stoffige straten, aan de hooge, leelijke gebouwen, dat
handelskantoren zijn, aan het gekrioel van Chineezen, Javanen,
Arabieren, Europeanen. Mooi is Soerabaja niet. Een aangenamen indruk
verwekt de stad ook niet. Hier gaat men wonen om er zaken te doen,
om er geld te verdienen. Lukt dat laatste in voldoende mate, dan gaat
men er gauw weder uit om òf in Europa, òf in een beter oord op Java de
nog restende levensdagen te profiteeren van het zuur gewonnen kapitaal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht hadden wij niet veel
verwachtingen. Het was ook hier vacantie op school en daardoor velen
afwezig. Maar het viel mee. De vrij groote zaal van het Logegebouw
was geheel bezet met dames en heeren, waarvan na afloop 39 lid van
de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werden. Mevrouw Ingerman, die
alles zoo uitstekend had voorbereid, presideerde de vergadering,
maar daar zij op het punt staat Indië voorgoed te verlaten,
konden wij haar hier niet voor een blijvende kracht behouden. In de
vergadering, den volgenden morgen met verschillende leden gehouden,
werd besloten eene afdeeling Soerabaja te vormen, waarvoor de dames
Broekman en Broese van Groenou (ik wou dat deze laatste talrijke
familie nog tienmaal talrijker was) het presidium en vice-presidium
op zich namen, mevrouw Soesman het secretariaat en mevrouw Derx
het penningmeesterschap. Een tweede secretaresse zal spoedig aan
dit bestuur toegevoegd worden. Hiermede zijn de vergaderingen voor
vrouwenkiesrecht in onze koloniën voor ons afgeloopen, alwaar de
vereeniging nu tien centrale punten heeft, vanwaar verder propaganda
en opvoedende kracht kan uitgaan.
Wij hadden nu nog bijna een week over, alvorens wij in Semarang aan
boord van de "Tjimanoek" behoefden te zijn en wij besloten die dagen
te gebruiken om de mooie omstreken van Soerabaja te gaan zien. Het
zijn wel ver afgelegen omstreken, maar Soerabaja beschouwt ze toch
als te behooren tot zijn gebied en van Soerabaja uit zijn ze ook het
gemakkelijkst te bereiken.
Met den trein van 3.48 verlieten wij Soerabaja Zaterdagmiddag en
kwamen, na ruim twee uren door tal van dessa's gespoord te zijn en met
weldra een prachtig uitzicht op de Welirang- en Ardjoeno-bergen, om 6
uur te Lawang aan. Vooral het laatste uur, toen de zon als een groote
vuurbol achter die bergen onderging en ze met een krachtig gouden licht
overgoot, was 't landschap onbeschrijfelijk mooi. Onwillekeurig komt
de gedachte op, hoe lang zal die berg zijn mooien spitsen kop nog
mogen behouden, wanneer zal het vuur, dat ontegenzeggelijk in zijn
binnenste woedt, dat heele phantastische bovenstuk in duizend deelen
heinde en ver om zich heen werpen en een nieuwe kraterzee vormen?
Lawang, dat 1700 voet hoog ligt, wordt voornamelijk bezocht door
Soerabajers, die slechts over een paar vacantiedagen kunnen beschikken
en in die dagen toch even willen bekomen van de onaangename hitte in
de stad. Het is gemakkelijk te bereiken, bezit een uitstekend hotel
met goede keuken en wat nog meer zegt, een aangenaam koel klimaat en
tal van mooie wandelingen. Wij hadden ons echter voorgenomen ons door
al deze aantrekkelijkheden niet te laten verlokken, doch Zondagmorgen
door te gaan naar het op 4000 voet hoog gelegen Nongo Djadjar, waarvoor
wij reeds van uit Soerabaja reisgelegenheid en kamers besteld hadden.
Om 8 uur Zondagmorgen stond onze équipage voor. Het was een op vier
hooge ijzeren wielen staande houten bak, waarvan den bodem uit wijd
van elkaar liggende latten bestond en waar op twee ijzeren pijlen een
zitgelegenheid voor de reizigers was aangebracht. De heer en dame,
eigenaars van het Lawangsche hotel, meenden ons gerust te moeten
stellen, wij behoefden niet beangst te zijn, want, zeiden zij, de weg
is steil en slecht en alles moet zoo licht mogelijk zijn. Onze bagage,
die wij voor deze rondreis zoo beperkt mogelijk hadden gemaakt, en die
alleen bestond uit onze reistasschen en een mantelrol, werd op twee
bamboestokken geladen en door 4 koelies achter ons aangedragen. Toen
wij opgeladen waren, vleide 't koetsiertje zich aan onze voeten
neder en daarna klommen twee palfreniers achter ons op het wagentje,
die zich aan de ijzeren stangen onzer zitgelegenheid staande hielden
en toen zetten onze halfdoode paardjes het op een loopen. Bang waren
wij niet, maar wij moesten ons toch eerst een beetje oefenen om ons
op onze hooge zitplaatsen te handhaven. De twee palfreniers stonden
daar niet alleen om ons aanzien te verhoogen, wij leerden spoedig
inzien, dat zij ook een andere bestemming hadden. De een toeterde op
een automobielhoorn als er in de verte een kip op den weg liep, of als
wij een stilstaanden wagen voorbij renden, of ook wel, als hij meende
met die muziek ons te amuseeren. De tweede schroefde een houten plank
tegen de ijzeren raderen aan, als wij een helling afgingen, wat door
een zeer vernuftig toestel van achter het rijtuig beredderd kon worden.
Na een half uur rijden arriveerden wij in Poerwodadi, alwaar nog twee
dito paardjes voor de beide andere gespannen en onze begeleiders met
6 mannen vermeerderd werden. De twee vóórpaarden toch luisterden
niet erg naar de wenschen van onzen koetsier, zoodat twee mannen
elk een bij den kop pakten en ze in de goede richting trokken. Twee
andere mannen hielpen de kar van achteren opduwen en twee kwamen op
een gezadeld paard achteraan, misschien met het doel om de een of
ander onzer paarden te vervangen, als die er bij mochten neervallen,
of wel om ons als rijpaard te dienen als onze équipage op den tocht
mocht bezwijken. Het was zoo'n mooie optocht, dat mijn reisgezellin
meende, dat alleen de gouden pajong nog maar ontbrak om den indruk
te verwekken, dat de Soesoehoenan in hoogst eigen persoon kwam
aanrijden. Tot tien uur voelden wij ons trotsch op onze hooge zetels
en met onze schare volgelingen, doch toen kwamen wij in een dorpje
waar halt werd gehouden en onze vier paarden, die niettegenstaande
de pogingen van de drie mannen om ze op het rechte pad te houden,
toch telkens probeerden ons op zijwegen te brengen, vervangen werden
door twee.... zegge twee, koeien. Het waren geen ossen of bullen,
lezers, maar twee melkgevende koeien, waarvan de een nog niet zoo
heel lang geleden gekalfd had. Op onze vraag, wat dat te beteekenen
had, vernamen wij, dat de weg nu zóó steil en slecht werd, dat de
paarden ons niet meer naar boven konden trekken en daarom door koeien
vervangen moesten worden. Mijn trots zonk beneden peil, maar toen
ik mijn metgezellin aanzag, zag ik, dat zij haar gezicht een nog
voldaner plooi had gegeven en stralend merkte zij op: "of course,
two females can do better than four males", en op mijn vraag, of zij
zeker was, dat onze vier paarden tot het sterke geslacht behooren,
antwoordde zij: "yes, females would never have given up their task";
voor deze heerlijke feministische ontboezeming, die ook mij weder in
goede stemming bracht, beloonde ik haar met een Haagsch hopje.
Toen wij eindelijk om één uur in het hotel aangeland waren, konden wij
ons niet voorstellen, dat wij vijf uren achtereen in dat onmogelijke
wagentje gereden hadden. De weg was zóó mooi en zóó vol afwisseling,
dat de tijd was omgevlogen. Toen Wij eerst door suikerplantages en
rijstvelden, daarna door een dicht bosch en door verschillende dessa's
eindelijk aan de koffieplantages geland waren, zagen wij voor het eerst
deze mooie boomen, met hunne mooi gevormde en als gepolijste bladeren,
in volle bloei en in het begin van vruchtzetting. De witte bloemen en
de roode besjes vormden met het donkergroen der bladeren een prachtig
geheel. Zóó hadden wij dit nog niet gezien. Verder werd de weg zeer
verlevendigd door tal van apen, die in de boomen speelden. Het waren
thans in hoofdzaak groote zwarte apen met lange staarten, slechts
enkele kaneelkleurige waren er onder.
Wij hadden den 12 mijlen langen afstand in vijf uren afgelegd;
geraced hebben wij dus niet. Aan het hotel werden wij door den
vriendelijken eigenaar opgewacht, die ons onmiddellijk naar onze
kamers bracht, alwaar wij ons eerst wat konden verfrisschen, alvorens
aan de lunchtafel te verschijnen. Een groote vaas heerlijke frissche,
prachtige rozen stond in elk onzer kamers en van de veranda's hadden
wij zoo'n prachtig uitzicht op het Tenggergebergte, dat wij eerst
eenigen tijd noodig hadden om van onze bewondering te bekomen. Dit
geheele hotel is zoo schilderachtig mooi gelegen, dat ik er geen weerga
nog van heb aangetroffen. Het bestaat uit tal van op zich zelf staande
gebouwtjes, paviljoens, die op verschillende punten van den bergrug
zijn gelegen en allen door overdekte wegen met het hoofdgebouw zijn
verbonden. De groote tuin bevat een schat van bloemen, die het geheele
jaar bloeien en waarvan enkele zeer zeldzame exemplaren zijn.
Behalve dit mooie hotel en een paar andere gebouwen waar Europeanen
wonen, is Nongko Djadjar, een koffie-dessa met alleen inboorlingen. Tal
van mooie wandelingen en grootere uitstapjes kan men van daar doen.
Wij begonnen direct Maandagmorgen met een tocht naar den Ramboetmajo
waterval. Per rijtuig kan men daar niet komen, alleen te paard of
per tandoe moet men gaan. Voor een rit te paard hadden wij nog niet
genoeg moed verzameld, vooral niet nadat wij aan tafel te Lawang
hadden gehoord dat een Zondagsruiter op een kleinen tocht driemaal
onder zijn viervoeter was geraakt en zich erg gelukkig noemde zich
als een gaaf mensch aan tafel te kunnen presenteeren. De draagstoelen
moesten dus weder dienst doen. Om 7 uur vertrokken wij Maandagmorgen
van het hotel. Elke draagstoel werd door 6 man gedragen, twee voor,
twee in het midden en twee van achter. Het was moeilijk deze 6
man zoo te laten loopen dat wij niet onmenschelijk heen en weder
en door elkaar werden geschud, elke verandering in hun gewonen pas
verergerde het. Wij probeerden daarom maar spoedig ons te gewennen
aan deze schommelingen, want het was een lange tocht dien wij voor
ons hadden. Bijna onophoudelijk gingen wij door een dicht bosch vol
groote zwarte apen, vogels en een soort eekhorens, die men hier
boomratten noemt en tal van ander gedierte. Nu en dan piepten de
Inlandsche huisjes door het dichte geboomte door. Het was een zeer
mooie tocht. Zooals in den regel in zulke gevallen was ook hier de
300 voet hooge waterval op zich zelf de moeite van den tocht niet
waard, maar de schilderachtige omgeving waarin hij zich bevindt en
de weg daarheen loonde des te meer alles wat wij er voor gedaan en
geleden hadden.
Het was reeds over één, toen onze dozijn dragers ons veilig, weder
afleverden. Eerst nadat wij de lunch gebruikt en gezamenlijk in een
onzer veranda's zaten om van de vermoeienis te bekomen en van het
prachtig uitzicht te genieten, kwam de vraag over mijn lippen: in welk
land ter wereld is het mogelijk, dat twee dames, geheel ongewapend,
met een dozijn mannen uit het volk, zes uren lang door een dicht bosch
durven trekken, zonder een oogenblik vrees te gevoelen, dat haar iets
onaangenaams wedervaren zal? Deze twaalf mannen wisten, dat wij geld
en andere waarde in onze kleine taschjes bij ons hadden, dat wij hunne
gesprekken niet konden volgen, dat wij slechts enkele inboorlingen,
en dan nog meest kinderen op onzen weg zouden ontmoeten, en toch kwam
geen enkel woord over hun lippen, deden zij geen enkele beweging,
die ook maar voor een oogenblik eenige vrees bij ons deed opkomen.
Twee keer op dien heelen langen tocht zetten zij de tandoes neder;
een keer vroegen zij om "persen" (fooi, drinkgeld) om koffie te
koopen bij 'n uitstallinkje en den tweeden keer, op den terugweg, om
djeroek van een voorbijtrekkenden jongen met een mand sinaasappelen
te koopen. Beide keeren willigden wij hun verzoek in met hen voor
het beoogde doel 50 cts. te geven, waarvoor zij zich zeer erkentelijk
betoonden. Onze dragers waren gedurende den geheelen tocht vroolijk
en levendig, zóó zelfs, dat wij de opmerking maakten, dat zij in
dit opzicht meer op Hindu's geleken dan op de tot dusver ontmoete
Javanen, maar geen onbescheiden woord merkten wij op en zeer zeker
was de decente wijze, waarop zij zich onder het loopen van een deel
hunner kleeding ontdeden en waarop zij, toen wij nabij een riviertje
een oogenblik pauseerden, daar allen een bad namen, opvallend. Van
een volk dat uit zich zelf zoo beschaafd is, moreel en hoog staat,
kan met goede leiding wat goeds groeien. Op die leiding komt 't
echter aan. Van wat zoogenaamde kenners van Java en de Javanen
ons hier soms willen wijs maken, dat de Javaan zoo te zeggen, alle
denkbare ondeugden zou bezitten, is niets waar, kan niets waar zijn,
want waar wij telkens en telkens weder met die menschen in aanraking
komen, ontdekken wij deugden en bijna uitsluitend deugden in hen.