VII.

Alvorens ik over ons verblijf in Soerakarta, dat hier kortweg Solo

wordt genoemd, ga schrijven, wil ik toch even met een enkel woord

aanstippen, hetgeen ik over de geschiedenis van de Vorstenlanden

las in het boek van Cabaton. Deze Fransche schrijver verheerlijkt

over het algemeen het Nederlandsch beheer in de koloniën en schrijft

met zeer veel waardeering over de Hollanders. Over de Vorstenlanden

schrijvende, merkt hij op: "Tot in het laatst der 18e eeuw waren de

Vorstenlanden geheel in de handen van den Soesoehoenan (sultan) van

Soerakarta, die bij een opstand der Chineezen in zijn rijk de hulp

der Hollanders inriep. Deze kwamen onmiddellijk ter hulp, brachten

de Chineezen tot rust en lieten zich daarvoor prachtig betalen. Zij

stegen daardoor zoo hoog in de achting van den sultan, dat hij ook het

conflict met een zijner broeders, die hem van den troon wilde werpen,

aan hunne uitspraak onderwierp. De Hollanders, die niet geheel vreemd

waren aan het oogenschijnlijk geheel onschuldige conflict der twee

broeders, spraken een oordeel uit, dat beide partijen bevredigde,

doch dat vooral de toekomstige plannen der Hollanders diende. Zij

verdeelden het rijk in twee deelen en gaven den Soesoehoenan het

stuk, dat 2/3 deel van het geheel besloeg en waarvan Soerakarta

de hoofdstad bleef; het overblijvende derde deel, met Djokjakarta

als hoofdstad, viel zijn oom ten deel, met den titel van Sultan. De

Sultan bleef onderdaan van den Soesoehoenan, hij moest elk jaar met

een indrukwekkende ceremonie hulde komen brengen aan den Soesoehoenan,

daarbij zijne sandalen uittrekken en voor hem nederknielen.

"Het was de bedoeling der Hollanders verdeeldheid te brengen

tusschen deze vorsten, want bij de ceremonie van huldebetuiging waren

steeds een groot aantal Javanen tegenwoordig, die dan een prachtige

gelegenheid hadden om te conspireeren, ten einde zich gezamenlijk

weder van de heerschappij van Nederland te ontdoen. De Sultan werd

daarom herhaaldelijk opgestookt om zich toch aan die vernederende

huldebetuiging te onttrekken, waarmede hij zich de ondergeschikte

van den Soesoehoenan toonde, met dat gevolg, dat na eenige jaren de

Sultan zich op het aangegeven tijdstip in een Hollandsche uniform aan

den Soesoehoenan presenteerde. Ten gevolge van het principe, dat, wie

een Hollandsche uniform draagt, op Java niet mag knielen voor welken

sterveling ook, bleef ook de Sultan voor den Soesoehoenan staan,

die daarop in groote woede de samenkomst verliet.

"De twee vorsten bleven voor een tijd vijandig, beiden zich

onafhankelijk van elkander gevoelende, waarmede de Hollanders volkomen

hun doel hadden bereikt. Om de Sultan nog meer onder hun macht te

krijgen, stelden zij in beide rijken aan het hof een onafhankelijken

prins aan, die wel is waar onderdaan van den Sultan of Soesoehoenan

is, doch die, behalve zijn verplichte tegenwoordigheid bij enkele

hofceremoniën, even vrij zich kan bewegen in het uitgestrekte gebied

als zijn zoogenaamde meester. Deze twee prinsen,--die van Soerakarta

draagt den titel van Pangeran Adipati Mangku Negoro en die van

Djokjakarta dien van Pangeran Adipati Paku Alam--ontleenen hun macht

aan Holland en zijn steeds voor Holland vol dankbaarheid geweest".

Daar de Hollandsche gidsboeken een beetje anders het verhaal

opdisschen van onze macht in de Vorstenlanden en niet alle lezers

van "De Telegraaf" het boek van Cabaton in handen krijgen, heb ik

gemeend hun geen ondienst te bewijzen met eens mede te deelen, hoe

schrijvers van andere natiën over ons beleid in Indië denken. Als

Cabaton gelijk heeft, dan moet ik met hem instemmen en zeggen, dat wij

"slim" zijn geweest.

Van Djokjakarta naar Soerakarta vereischt met den sneltrein nog geen

anderhalf uur. Doch hoe betrekkelijk klein de afstand ook is, die

de beide hoofdsteden der twee keizerrijken scheidt, er bestaat toch

in heel veel opzichten een groot verschil tusschen beide. Opvallend

in Solo is de groote overeenkomst der mannelijke bevolking met de

Sinhaleezen, zooals wij die op Ceylon zagen. Ook hier dragen de mannen

hunne lange haren in een knot opgebonden en boven op het hoofd een kam,

precies als die der Sinhaleezen, Hun sarongs en vooral de snit hunner

baaitjes zijn geheel aan die hunner Ceylonsche broeders gelijk en

evenzeer vertoonen zij dat sterk vrouwelijk type. Er is hier tusschen

de mannen en vrouwen weder bijna geen verschil op te merken. Telkens

vragen wij ons af: is dat nu een man of eene vrouw? In de Kraton in

Djokja hadden wij ook enkele zulke typen opgemerkt, maar dan waren

het meestal kleinzonen van den sultan van Djokja; hier vinden wij

dat Sinhaleesche type onder bijna al de mannen in de straten.

Een groot deel van den arbeid buitenshuis valt in Solo den vrouwen ten

deel. Die vindt men hier in alle mogelijke werk en op de drukbezochte

passars zagen wij bijna uitsluitend vrouwen. Zelfs de geldwisselaars in

de straten, die in alle andere Oostersche landen, die wij tot nu toe

bezochten, mannen waren, zijn hier vrouwen. Het is alleen kopergeld,

dat zij voor zich in groote stapels hebben liggen, centen en halve

stuiverstukken, die zij dan in rijen van tien of vier naast elkaar

uittellen om den wisselaar snel te kunnen bedienen. Meestal waren

het jonge meisjes of jonge vrouwen, die dit vak, het embryonale

bankiersvak, uitoefenen. Op een laag tafeltje hebben zij haar centen

uitgeteld en daarachter zitten zij op haar gekruiste beenen. Het

schijnt, als de meeste bankierszaken, een voordeelige handel te zijn,

want die Javaansche geldwisselaarsters zagen er niet alleen schrander,

doch over het algemeen ook properder en beter gekleed uit dan de

andere vrouwen.

O, wat is het toch afschuwelijk leelijk, die bijna algemeene gewoonte

hier, om de tanden tot op het tandvleesch af te vijlen en dan den

mond zwart te kleuren. Als die vrouwen dan nog de siripruim, die zij

tusschen de lippen houden, een eindweegs buiten den mond laten hangen,

dan is hiermede het meest afzichtelijke beeld, dat men van een vrouw

kan maken, bereikt.

Een geheel anderen indruk dan in het huis van den prins Paku Alam in

Djokja, krijgt men hier in de woning van den onafhankelijken prins

Mangku Negoro. Hoewel ook het huis Mangku Negoro min of meer in

Europeeschen stijl ingericht is, verschilt het toch hemelsbreed van

dat van zijn prinselijken broeder. Wij woonden hier eene receptie bij,

waarop de prins in kolonels-uniform zijne gasten ontving. Zijne vrouw

schijnt ziek te zijn, daarom werd zij vervangen door eene der zusters

van den prins en een zijner dochters. Daar ik echter de Javaansche taal

niet meester ben, kon ik mij noch met den prins, noch met zijne dames

onderhouden en moest alles, wat ik graag wilde weten van een zijner

Europeesche employees vernemen. De oom en broeders van den prins, die

tegenwoordig waren, droegen allen een uniform, die mij heel veel aan

die van de Schotsche Hooglanders herinnerde. Nadat alle gasten aanwezig

waren, ging de prins ons voor om eene wandeling door het geheele groote

huis en door de tuinen te maken. Jammer dat de verlichting, vooral

in de tuinen, niet groot genoeg was, om ons een goeden indruk van

het geheel te geven. Toen wij weder in de ontvangstzaal teruggekeerd

waren, werden wij uitgenoodigd ons in groepjes neer te zetten op de

gemakkelijke canapé's en fauteuils en toen kwamen tal van bedienden,

allen in uniform gekleed en met een kris achter in hun ceintuur,

met zilveren bladen, volgeladen met glazen, gevuld met limonade en

whisky-soda binnen en werden ons deze ververschingen aangeboden. Deze

bedienden kwamen rechtop geloopen binnen en droegen de bladen op hunne

handen boven hunne hoofden. Hier is dus gebroken met het afschuwelijk

systeem van kruipende bedienden. Na de verkoelende dranken werden

verwarmende dranken, port en jenever, rondgediend en daarna verlieten

wij allen tegelijk deze ceremonieele bijeenkomst.

Als men zich, op welk uur van den dag ook, voor een poosje nederzet op

het balcon van het hotel Slier, dan ziet men de dwaaste vertooningen

voorbijtrekken. Toen wij voor het eerst zoo'n optochtje van eenige

mannen zagen, waarvan een paar iets op een zilveren blad of op de

handen droegen, waarover door andere mannen een gouden pajong werd

gehouden en die geëscorteerd werden door eenige mannen in uniform,

die elk een man achter zich hadden, die hun ook een pajong boven het

hoofd hield, dachten wij natuurlijk, dat wij met een heel bijzondere

zending te doen hadden. Niet weinig waren wij verwonderd, toen wij

vernamen, dat zoo'n optocht in den regel niets anders beteekende

dan dat een stuk van een of andere lekkernij, een koek of vrucht,

van de Kraton naar den Rijksbestierder werd gebracht en dat al zulke

boodschapjes nog met den noodigen ouderwetschen luister geschieden.

Wil men het echte Javaansche leven leeren kennen, dan moet men naar

Midden Java gaan, daar ziet men onophoudelijk zaken, die met den

echten kinderlijken eenvoud dezer menschen in volkomen harmonie zijn,

doch die in onze Westersche oogen eene amusante comedie lijken.

Tijdens ons verblijf in Solo, was de Soesoehoenan afwezig; hij bezocht

zijn ziek kind, waarvoor boven in de bergen genezing gezocht wordt. Er

bestaat onder de nakomelingen van den Soesoehoenan tuberculose, een

zijner kinderen is daarvoor nog in Zwitserland. Mij werd verteld,

dat de dochters en kleindochters van den vorst tot hun tiende

jaar geregeld de lagere school bezoeken in Solo en daarna door een

gouvernante thuis verder onderricht worden. Het opgroeiende geslacht,

jongens en meisjes beiden, leert nu dan ook de Hollandsche taal.

Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht was de verwachting niet

groot. In de eerste plaats bevat Solo een geheel andere Europeesche

bevolking dan Djokja en in de tweede plaats moest de vrouw, die hier

alles geleid en geregeld had en van wie de geheele bezieling uitging,

juist eenige dagen te voren Solo verlaten om met haar man en kinderen

naar Holland af te reizen. Toch werden er na de lezing nog 29 nieuwe

leden gewonnen, waarvan er twee bereid waren het correspondentschap

te aanvaarden en zoo den band met de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht

in Holland te vormen.

Maar nu zou ik haast vergeten, iets te vertellen van een receptie

ten huize van den Rijksbestierder, die toch zeer de vermelding waard

is. Alleen het bezichtigen van het groote, mooie marmeren paleis

met zijne vele kunstschatten, zijn heerlijke marmeren badkamers,

zijn verborgen deuren en zijne merkwaardige eetkamer en nog zoo

veel meer, hield ons meer dan een uur bezig. Dit heele paleis

met zijne phantastisch uitgedoste bedienden, honderden in aantal,

het corps inlandsche muzikanten, dat droomerige muziek speelde, de

ververschingen, die werden aangeboden en de wijze, waarop zij werden

aangeboden, het costuum van den Rijksbestierder en dat der heeren en

dames van zijn huis, dat alles deed denken aan een van de Arabische

vertellingen uit de duizend en één nacht. Van de verknochtheid aan

ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de

vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de

Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag

men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd.

Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging

vraag. Ik heb echter al zooveel wat ik hier zie en bijwoon en hoor in

de pen moeten houden, om den lieven vredes wil al meer verzwegen dan

gezegd, dat dit kleine tafereeltje, dat ik hier zag en op mij zoo'n

diepen indruk maakte, hier wel geschetst mag worden. Lieve lezer,

verbeeld u dan te zijn in een mooie, breede allee van tamarinda-boomen,

pisangboomen, kokosnootpalmen en velden met rijp suikerriet op den

achtergrond. Het is midden op den dag, de zon zendt hare stralen

regelrecht naar beneden, zelfs door het dichte geboomte. Alles en

allen zijn onder den invloed der hitte. Slaperig sukkelen onze kleine

paardjes voor het wagentje voort, ons meer dan genoeg tijd gunnende

onze omgeving goed in ons op te nemen. Een, twee, drie, neen meer

groepjes van vrouwen zitten onder de boomen, allen twee aan twee. De

voorsten hebben allen lang, dik loshangend haar en de achter haar

zittende vrouwen woelen daarin met de vingers van beide handen om al

de levende have daaruit te vangen, zoodat er niet een kan ontsnappen,

die dan met graagte verorberd worden, zooals geen aap in Artis haar

verbeteren zou. Bij een groepje krijgen de twee, oogenschijnlijk moeder

en dochter, ruzie. Het jonge meisje keert zich met een ruk om en tracht

een deel van de vangst uit moeders vingers los te krijgen, waarna zij

met eene schittering in hare groote zwarte oogen, het tusschen hare

vingers geperste wild uit moeders hand in den mond steekt en.....smult.

O, hoe dikwijls heb ik het hier op Java reeds betreurd, geen kodak

bij mij te hebben. Ik zag reeds zoo dikwijls iets, dat ik zoo gaarne

in beeld wilde vereeuwigen, waar ik het door woord niet durf doen.

En hiermede stap ik van de Vorstenlanden af, want het zal zeker

niemand interesseeren wat wij hier zagen in de suikerfabrieken, in een

batikschool, en van de kunstnijverheid van midden-Java. Dit is alles

reeds zoo herhaaldelijk beschreven, dat ik er gerust over zwijgen kan.

Wij gaan nu naar Semarang, doch met een kloppend hart, want wij zijn

bang voor de hitte, die ons daar wacht.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 98 / 133 题