Alvorens ik over ons verblijf in Soerakarta, dat hier kortweg Solo
wordt genoemd, ga schrijven, wil ik toch even met een enkel woord
aanstippen, hetgeen ik over de geschiedenis van de Vorstenlanden
las in het boek van Cabaton. Deze Fransche schrijver verheerlijkt
over het algemeen het Nederlandsch beheer in de koloniën en schrijft
met zeer veel waardeering over de Hollanders. Over de Vorstenlanden
schrijvende, merkt hij op: "Tot in het laatst der 18e eeuw waren de
Vorstenlanden geheel in de handen van den Soesoehoenan (sultan) van
Soerakarta, die bij een opstand der Chineezen in zijn rijk de hulp
der Hollanders inriep. Deze kwamen onmiddellijk ter hulp, brachten
de Chineezen tot rust en lieten zich daarvoor prachtig betalen. Zij
stegen daardoor zoo hoog in de achting van den sultan, dat hij ook het
conflict met een zijner broeders, die hem van den troon wilde werpen,
aan hunne uitspraak onderwierp. De Hollanders, die niet geheel vreemd
waren aan het oogenschijnlijk geheel onschuldige conflict der twee
broeders, spraken een oordeel uit, dat beide partijen bevredigde,
doch dat vooral de toekomstige plannen der Hollanders diende. Zij
verdeelden het rijk in twee deelen en gaven den Soesoehoenan het
stuk, dat 2/3 deel van het geheel besloeg en waarvan Soerakarta
de hoofdstad bleef; het overblijvende derde deel, met Djokjakarta
als hoofdstad, viel zijn oom ten deel, met den titel van Sultan. De
Sultan bleef onderdaan van den Soesoehoenan, hij moest elk jaar met
een indrukwekkende ceremonie hulde komen brengen aan den Soesoehoenan,
daarbij zijne sandalen uittrekken en voor hem nederknielen.
"Het was de bedoeling der Hollanders verdeeldheid te brengen
tusschen deze vorsten, want bij de ceremonie van huldebetuiging waren
steeds een groot aantal Javanen tegenwoordig, die dan een prachtige
gelegenheid hadden om te conspireeren, ten einde zich gezamenlijk
weder van de heerschappij van Nederland te ontdoen. De Sultan werd
daarom herhaaldelijk opgestookt om zich toch aan die vernederende
huldebetuiging te onttrekken, waarmede hij zich de ondergeschikte
van den Soesoehoenan toonde, met dat gevolg, dat na eenige jaren de
Sultan zich op het aangegeven tijdstip in een Hollandsche uniform aan
den Soesoehoenan presenteerde. Ten gevolge van het principe, dat, wie
een Hollandsche uniform draagt, op Java niet mag knielen voor welken
sterveling ook, bleef ook de Sultan voor den Soesoehoenan staan,
die daarop in groote woede de samenkomst verliet.
"De twee vorsten bleven voor een tijd vijandig, beiden zich
onafhankelijk van elkander gevoelende, waarmede de Hollanders volkomen
hun doel hadden bereikt. Om de Sultan nog meer onder hun macht te
krijgen, stelden zij in beide rijken aan het hof een onafhankelijken
prins aan, die wel is waar onderdaan van den Sultan of Soesoehoenan
is, doch die, behalve zijn verplichte tegenwoordigheid bij enkele
hofceremoniën, even vrij zich kan bewegen in het uitgestrekte gebied
als zijn zoogenaamde meester. Deze twee prinsen,--die van Soerakarta
draagt den titel van Pangeran Adipati Mangku Negoro en die van
Djokjakarta dien van Pangeran Adipati Paku Alam--ontleenen hun macht
aan Holland en zijn steeds voor Holland vol dankbaarheid geweest".
Daar de Hollandsche gidsboeken een beetje anders het verhaal
opdisschen van onze macht in de Vorstenlanden en niet alle lezers
van "De Telegraaf" het boek van Cabaton in handen krijgen, heb ik
gemeend hun geen ondienst te bewijzen met eens mede te deelen, hoe
schrijvers van andere natiën over ons beleid in Indië denken. Als
Cabaton gelijk heeft, dan moet ik met hem instemmen en zeggen, dat wij
"slim" zijn geweest.
Van Djokjakarta naar Soerakarta vereischt met den sneltrein nog geen
anderhalf uur. Doch hoe betrekkelijk klein de afstand ook is, die
de beide hoofdsteden der twee keizerrijken scheidt, er bestaat toch
in heel veel opzichten een groot verschil tusschen beide. Opvallend
in Solo is de groote overeenkomst der mannelijke bevolking met de
Sinhaleezen, zooals wij die op Ceylon zagen. Ook hier dragen de mannen
hunne lange haren in een knot opgebonden en boven op het hoofd een kam,
precies als die der Sinhaleezen, Hun sarongs en vooral de snit hunner
baaitjes zijn geheel aan die hunner Ceylonsche broeders gelijk en
evenzeer vertoonen zij dat sterk vrouwelijk type. Er is hier tusschen
de mannen en vrouwen weder bijna geen verschil op te merken. Telkens
vragen wij ons af: is dat nu een man of eene vrouw? In de Kraton in
Djokja hadden wij ook enkele zulke typen opgemerkt, maar dan waren
het meestal kleinzonen van den sultan van Djokja; hier vinden wij
dat Sinhaleesche type onder bijna al de mannen in de straten.
Een groot deel van den arbeid buitenshuis valt in Solo den vrouwen ten
deel. Die vindt men hier in alle mogelijke werk en op de drukbezochte
passars zagen wij bijna uitsluitend vrouwen. Zelfs de geldwisselaars in
de straten, die in alle andere Oostersche landen, die wij tot nu toe
bezochten, mannen waren, zijn hier vrouwen. Het is alleen kopergeld,
dat zij voor zich in groote stapels hebben liggen, centen en halve
stuiverstukken, die zij dan in rijen van tien of vier naast elkaar
uittellen om den wisselaar snel te kunnen bedienen. Meestal waren
het jonge meisjes of jonge vrouwen, die dit vak, het embryonale
bankiersvak, uitoefenen. Op een laag tafeltje hebben zij haar centen
uitgeteld en daarachter zitten zij op haar gekruiste beenen. Het
schijnt, als de meeste bankierszaken, een voordeelige handel te zijn,
want die Javaansche geldwisselaarsters zagen er niet alleen schrander,
doch over het algemeen ook properder en beter gekleed uit dan de
andere vrouwen.
O, wat is het toch afschuwelijk leelijk, die bijna algemeene gewoonte
hier, om de tanden tot op het tandvleesch af te vijlen en dan den
mond zwart te kleuren. Als die vrouwen dan nog de siripruim, die zij
tusschen de lippen houden, een eindweegs buiten den mond laten hangen,
dan is hiermede het meest afzichtelijke beeld, dat men van een vrouw
kan maken, bereikt.
Een geheel anderen indruk dan in het huis van den prins Paku Alam in
Djokja, krijgt men hier in de woning van den onafhankelijken prins
Mangku Negoro. Hoewel ook het huis Mangku Negoro min of meer in
Europeeschen stijl ingericht is, verschilt het toch hemelsbreed van
dat van zijn prinselijken broeder. Wij woonden hier eene receptie bij,
waarop de prins in kolonels-uniform zijne gasten ontving. Zijne vrouw
schijnt ziek te zijn, daarom werd zij vervangen door eene der zusters
van den prins en een zijner dochters. Daar ik echter de Javaansche taal
niet meester ben, kon ik mij noch met den prins, noch met zijne dames
onderhouden en moest alles, wat ik graag wilde weten van een zijner
Europeesche employees vernemen. De oom en broeders van den prins, die
tegenwoordig waren, droegen allen een uniform, die mij heel veel aan
die van de Schotsche Hooglanders herinnerde. Nadat alle gasten aanwezig
waren, ging de prins ons voor om eene wandeling door het geheele groote
huis en door de tuinen te maken. Jammer dat de verlichting, vooral
in de tuinen, niet groot genoeg was, om ons een goeden indruk van
het geheel te geven. Toen wij weder in de ontvangstzaal teruggekeerd
waren, werden wij uitgenoodigd ons in groepjes neer te zetten op de
gemakkelijke canapé's en fauteuils en toen kwamen tal van bedienden,
allen in uniform gekleed en met een kris achter in hun ceintuur,
met zilveren bladen, volgeladen met glazen, gevuld met limonade en
whisky-soda binnen en werden ons deze ververschingen aangeboden. Deze
bedienden kwamen rechtop geloopen binnen en droegen de bladen op hunne
handen boven hunne hoofden. Hier is dus gebroken met het afschuwelijk
systeem van kruipende bedienden. Na de verkoelende dranken werden
verwarmende dranken, port en jenever, rondgediend en daarna verlieten
wij allen tegelijk deze ceremonieele bijeenkomst.
Als men zich, op welk uur van den dag ook, voor een poosje nederzet op
het balcon van het hotel Slier, dan ziet men de dwaaste vertooningen
voorbijtrekken. Toen wij voor het eerst zoo'n optochtje van eenige
mannen zagen, waarvan een paar iets op een zilveren blad of op de
handen droegen, waarover door andere mannen een gouden pajong werd
gehouden en die geëscorteerd werden door eenige mannen in uniform,
die elk een man achter zich hadden, die hun ook een pajong boven het
hoofd hield, dachten wij natuurlijk, dat wij met een heel bijzondere
zending te doen hadden. Niet weinig waren wij verwonderd, toen wij
vernamen, dat zoo'n optocht in den regel niets anders beteekende
dan dat een stuk van een of andere lekkernij, een koek of vrucht,
van de Kraton naar den Rijksbestierder werd gebracht en dat al zulke
boodschapjes nog met den noodigen ouderwetschen luister geschieden.
Wil men het echte Javaansche leven leeren kennen, dan moet men naar
Midden Java gaan, daar ziet men onophoudelijk zaken, die met den
echten kinderlijken eenvoud dezer menschen in volkomen harmonie zijn,
doch die in onze Westersche oogen eene amusante comedie lijken.
Tijdens ons verblijf in Solo, was de Soesoehoenan afwezig; hij bezocht
zijn ziek kind, waarvoor boven in de bergen genezing gezocht wordt. Er
bestaat onder de nakomelingen van den Soesoehoenan tuberculose, een
zijner kinderen is daarvoor nog in Zwitserland. Mij werd verteld,
dat de dochters en kleindochters van den vorst tot hun tiende
jaar geregeld de lagere school bezoeken in Solo en daarna door een
gouvernante thuis verder onderricht worden. Het opgroeiende geslacht,
jongens en meisjes beiden, leert nu dan ook de Hollandsche taal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht was de verwachting niet
groot. In de eerste plaats bevat Solo een geheel andere Europeesche
bevolking dan Djokja en in de tweede plaats moest de vrouw, die hier
alles geleid en geregeld had en van wie de geheele bezieling uitging,
juist eenige dagen te voren Solo verlaten om met haar man en kinderen
naar Holland af te reizen. Toch werden er na de lezing nog 29 nieuwe
leden gewonnen, waarvan er twee bereid waren het correspondentschap
te aanvaarden en zoo den band met de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht
in Holland te vormen.
Maar nu zou ik haast vergeten, iets te vertellen van een receptie
ten huize van den Rijksbestierder, die toch zeer de vermelding waard
is. Alleen het bezichtigen van het groote, mooie marmeren paleis
met zijne vele kunstschatten, zijn heerlijke marmeren badkamers,
zijn verborgen deuren en zijne merkwaardige eetkamer en nog zoo
veel meer, hield ons meer dan een uur bezig. Dit heele paleis
met zijne phantastisch uitgedoste bedienden, honderden in aantal,
het corps inlandsche muzikanten, dat droomerige muziek speelde, de
ververschingen, die werden aangeboden en de wijze, waarop zij werden
aangeboden, het costuum van den Rijksbestierder en dat der heeren en
dames van zijn huis, dat alles deed denken aan een van de Arabische
vertellingen uit de duizend en één nacht. Van de verknochtheid aan
ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de
vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de
Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag
men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd.
Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging
vraag. Ik heb echter al zooveel wat ik hier zie en bijwoon en hoor in
de pen moeten houden, om den lieven vredes wil al meer verzwegen dan
gezegd, dat dit kleine tafereeltje, dat ik hier zag en op mij zoo'n
diepen indruk maakte, hier wel geschetst mag worden. Lieve lezer,
verbeeld u dan te zijn in een mooie, breede allee van tamarinda-boomen,
pisangboomen, kokosnootpalmen en velden met rijp suikerriet op den
achtergrond. Het is midden op den dag, de zon zendt hare stralen
regelrecht naar beneden, zelfs door het dichte geboomte. Alles en
allen zijn onder den invloed der hitte. Slaperig sukkelen onze kleine
paardjes voor het wagentje voort, ons meer dan genoeg tijd gunnende
onze omgeving goed in ons op te nemen. Een, twee, drie, neen meer
groepjes van vrouwen zitten onder de boomen, allen twee aan twee. De
voorsten hebben allen lang, dik loshangend haar en de achter haar
zittende vrouwen woelen daarin met de vingers van beide handen om al
de levende have daaruit te vangen, zoodat er niet een kan ontsnappen,
die dan met graagte verorberd worden, zooals geen aap in Artis haar
verbeteren zou. Bij een groepje krijgen de twee, oogenschijnlijk moeder
en dochter, ruzie. Het jonge meisje keert zich met een ruk om en tracht
een deel van de vangst uit moeders vingers los te krijgen, waarna zij
met eene schittering in hare groote zwarte oogen, het tusschen hare
vingers geperste wild uit moeders hand in den mond steekt en.....smult.
O, hoe dikwijls heb ik het hier op Java reeds betreurd, geen kodak
bij mij te hebben. Ik zag reeds zoo dikwijls iets, dat ik zoo gaarne
in beeld wilde vereeuwigen, waar ik het door woord niet durf doen.
En hiermede stap ik van de Vorstenlanden af, want het zal zeker
niemand interesseeren wat wij hier zagen in de suikerfabrieken, in een
batikschool, en van de kunstnijverheid van midden-Java. Dit is alles
reeds zoo herhaaldelijk beschreven, dat ik er gerust over zwijgen kan.
Wij gaan nu naar Semarang, doch met een kloppend hart, want wij zijn
bang voor de hitte, die ons daar wacht.