Niet zoo moeilijk als het was voor ons om in Sindanglaja te komen, was
het om er weder uit te verdwijnen. Wij behoefden daartoe slechts met
een rijtuigje den ongeveer negen kilometer langen weg naar Tjiandjoer,
die geheel bergafwaarts voert, af te leggen. In Tjiandjoer zouden
wij den trein vinden, die ons naar Bandoeng moest brengen. Wij hadden
reeds twee dagen tevoren in het hotel Sindanglaja paarden en rijtuig
besteld, om toch vooral zeker te zijn, dat wij op tijd en zonder
ongelukken ter bestemder plaatse zouden aankomen, en niettegenstaande
de herhaalde verzekeringen van den chef van het hotel, dat het rijtuig
ons in één uur naar beneden aan het station kon brengen en wij dus
niet eerder dan acht uur van Sindanglaja behoefden te vertrekken,
hadden wij toch maar de voorzichtigheid betracht met om zeven uur
weg te rijden. Wij hadden de keuze tusschen een Kahar Baloon of een
dos-à-dos en hadden de laatste gekozen, omdat die rijtuigjes, laag bij
den grond zijnde, ons in de gelegenheid stellen bij bokkesprongen van
de paardjes, er gemakkelijk uit te springen. In een Kahar Baloon is men
meedoogenloos aan de bijna ongetemde grillen van de lieve beestjes,
die men hier paarden noemt en als zoodanig gebruikt, overgeleverd,
want in zoo'n balonkar kan men alleen met behulp van een trapje uit-
en instijgen. Gelukkig, dat wij zooveel voorzorgen getroffen hadden,
want tot tweemaal toe gevoelden wij ons verplicht uit ons karretje
te springen, omdat de twee vurige paardjes meenden genoeg gedaan
te hebben en pogingen aanwendden om zich van den inhoud der kar
te ontdoen, met ons over den dijk te gooien. Ook vertikten zij het
eenige keeren om een stap voorwaarts te gaan, zoodat het koetsiertje,
met behulp van een voorbijgaanden inlander, de beestjes een eindweegs
moest voorttrekken, om er zoodoende weder den gang in te brengen. Dat
alles had ten gevolge, dat wij in Tjiandjoer aankwamen toen de trein
reeds daar was en op het punt van vertrekken stond. Een onzer zorgde,
dat de handbagage in den trein geworpen werd, de ander nam gauw twee
kaartjes, en zoo regelden wij het om op het laatste oogenblik nog in
den trein te komen en mede te kunnen afreizen. Zoo'n trein verzuimen
zegt hier veel in Indië, want er staat maar niet zoo op eens een
tweede trein gereed, zooals wij dat in Holland gewend zijn.
Toen wij eindelijk voortrolden in een gemakkelijken, neen,
zeer gemakkelijken en uiterst zindelijk onderhouden waggon van de
Staatsspoorwegen, toen konden wij ons verlustigen aan den aanblik van
de streek, die wij doortrokken. Wij hadden het getroffen met te zitten
in de achterste waggon, waaraan een balcon verbonden was, dat ons een
ruim en vrij uitzicht bood over de heerlijke vlakten in de Preanger
Regentschappen. De uren, in den trein doorgebracht, vlogen om als
waren het even zoovele minuten en toen wij te Bandoeng aankwamen en
daar aan het station opgewacht en begroet werden door de Bandoengsche
Kiesvereeniging, die mij voor een spreekbeurt had uitgenoodigd,
en door mevrouw Willy Berton, ons vroeger Amsterdamsch bestuurslid
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, verkeerden wij in zoo'n
opgewekte stemming over het genotene, dat wij nauwelijks realiseerden,
dat hier in Bandoeng weder "werken" onze plicht zoude zijn.
Bandoeng is een verrukkelijke stad; er is het geheele jaar door
een temperatuur, die niets te wenschen overlaat. Het is er nooit te
koud en het is er nooit te warm. Daarbij ligt het zoo te midden van
een prachtige natuur, dat men er tal van heerlijke uitstapjes kan
maken. Er wonen juist genoeg Europeanen om gezamenlijk wat kunstgenot
te kunnen betalen en ook noodzakelijke, nuttige instellingen in het
leven te houden.
Waarom vestigen alle groote lichamen hunne hoofdkantoren niet hier,
inplaats van in het door de hitte bijna onbewoonbare Batavia? En waarom
wordt de regeeringszetel niet naar hier overgeplaatst? Als ik het in
Holland niet meer naar mijn zin vind, ga ik naar Bandoeng. Waarom
gaan de menschen naar Italië, naar Zwitserland; wat men daar zoekt
en slechts voor een deel van het jaar vindt, is hier onophoudelijk
te genieten. Voor het onderwijs van de kinderen zoekt men die andere
landen, maar bij genoegzame deelname zijn hier toch ook goede scholen
te stichten. Als er ooit in Indië een universiteit komt, moet die
in Bandoeng gevestigd worden, want hier kunnen de jongelieden met
heldere koppen werken, hier behoeft hunne energie door de hitte niet
verlamd te worden.
Wij rekten ons verblijf in Bandoeng zoolang wij konden, en bleven er
tot na de Pinksterdagen. Dat waren bijzondere drukke dagen voor het
stadje. Niet alleen hielden de kina-kultuurondernemers, de theeplanters
en de koffie dito's er eene bijeenkomst of een congres in die dagen,
maar er had nog een andere bijeenkomst plaats, die ten doel had de
leden der gemeenteraden over heel Java tot een bond te vereenigen, om
zoodoende de belangen der afzonderlijke gemeenten op betere wijze dan
tot nu toe te kunnen behartigen. De bijeenkomst droeg den grootschen
naam van "Decentralisatie-congres", en had plaats ten huize van den
regent van Bandoeng.
Door middel van mijn perskaart kreeg ik toegang tot dit congres. Het
vorige jaar kwamen door de bemoeiingen van het oud-Kamerlid Van Kol
en op zijn initiatief, eenige heeren, allen deel uitmakende van de
verschillende gemeentebesturen uit Nederlandsch-Indië, bijeen, die
de wenschelijkheid gevoelden van de totstandkoming van een bond van
gemeenteraadsleden met een eigen orgaan, zoodat de gemeentebelangen
beter dan tot dusverre behartigd kunnen worden. Het is nog zoo
kort, dat onze broeders in Indië de bevoegdheid verwierven de
gemeentebelangen, voor een deel, zelve te mogen regelen. Vele
gekozenen in de gemeenteraad schijnen hun taak ook met liefde en
toewijding te vervullen, maar zij gevoelen zich als een beginnende
schaatsenrijder, zij hakkelen nog wat in de kunst en weten nog
niet goed of de rechter- dan wel de linkervoet voor moet gaan. Niets
begrijpelijker dan dit. Wijsheid te putten uit de gemeente-handelingen
onzer Nederlandsche groote steden helpt slechts weinig, omdat de
toestanden hier zoo geheel anders zijn. Door elkaar voor te lichten
met wat in de eene gemeente met goed resultaat tot stand kwam, of
wat onvoorziene slechte gevolgen had; door groote belangen, die voor
heel Indië konden gelden, samen te bespreken, kan men elkaar helpen
en steunen en de gemeenten kunnen daarvan de goede vruchten plukken.
Den 26en en 27en Mei had nu de tweede bijeenkomst plaats, die echter
het eerste congres moet worden genoemd, omdat nu voor het eerst eenige
onderwerpen door verschillende sprekers zouden worden ingeleid,
onderling besproken en over de daaruit voortgevloeide stellingen
gestemd zoude worden.
Nadat de oude regent even alle aanwezigen in zijn woning had begroet,
ging hij heen en werd het congres met een kort, passend woord
geopend door den resident van Bandoeng, den heer Oudemans. Deze
had, op verzoek, het presidium voor deze bijeenkomst aanvaard,
omdat de aangewezen president niet tegenwoordig kon zijn en zijn
plaatsvervanger de taak niet aandurfde. Benevens de resident waren
ook nog de heeren Tollenaar, regeerings-vertegenwoordiger, en ons
Eerste Kamerlid, Van Deventer, tegenwoordig. Verder was de opkomst
bedroevend gering. Dat was zeer te betreuren, omdat de onderwerpen,
die ingeleid werden, zeer belangrijk waren, en naar het mij voorkwam,
zeer degelijk werden behandeld.
De heer D. de Jongh Wz. hield de zakelijke openingsspeech, waarin
hij het doel van deze bijeenkomst schetste. Dat is samen te vatten
in de volgende woorden: Dit congres moet de belangstelling wekken
der gemeenteraadsleden en daardoor moet men komen tot een "Bond ter
bevordering van gemeentebelangen".
Daarna sprak de heer Westerveld, Semarangsch gemeenteraadslid, over
"Gemeentelijke grondpolitiek". Helder en goed gedocumenteerd was zijne
voordracht, die gemeentelijk grondbezit aanbeval. De 6 stellingen,
die ten slotte uit de voordracht getrokken, aan stemming onderworpen
werden en met algemeene stemmen werden aangenomen, komen daarop neer:
1. dat de uitbreiding eener gemeente alleen mag geschieden volgens een
door den gemeenteraad vastgesteld uitbreidingsplan. 2. Dat de gemeente
de bevoegdheid deelachtig wordt om ten algemeenen nutte gronden te
onteigenen. 3. Dat gemeentelijk grondbezit in de eerste plaats moet
dienen tot verbetering der volkshuisvesting. 4. Dat bij overname van
door particulieren aangelegde straten de voorwaarde wordt gesteld,
dat de grond kosteloos aan de gemeente wordt afgestaan en tevens een
grooter of kleiner deel van de gekapitaliseerde onderhoudskosten in
de gemeentekas wordt gestort, en 5. Dat het gemeentelijk grondbezit
afzonderlijk beheerd moet worden.
Daarna sprak de heer De Jongh over het Verkeersvraagstuk in de
gemeenten. Ook deze spreker had zijn onderwerp goed bestudeerd
en beschikte over de talenten om op aangename en duidelijke wijze
zijne overtuiging bij zijne hoorders ingang te doen vinden. Hij is
een groot voorstander van gemeente-exploitatie van tramwegen, doch
zoolang dit uit gebrek aan middelen een ideaal moet blijven, wil
hij de particuliere exploitatie aan zeer scherpe voorwaarden binden,
voorwaarden, die het te allen tijde mogelijk maken, dat het bedrijf
door de gemeente op niet al te nadeelige voorwaarden kan worden
overgenomen. Ook deze spreker heeft zijne voordracht in stellingen
samengevat, die ook eenparig werden aangenomen.
Dat in stemming brengen en aannemen van al de stellingen beteekent
eigenlijk niets anders, dan dat het handjevol der daar aanwezige
gemeenteraadsleden van slechts zeer weinige gemeenten in hoofdzaak met
de denkbeelden van den voorsteller kunnen meegaan; verdere beteekenis
mogen wij daaraan vooralsnog niet hechten. In beide deze voordrachten
trof het mij, hoe de belangen van den inlander steeds nummer één werden
gesteld, en hoe men er op voorbedacht is om de gemeentepolitiek in
de eerste plaats dienstbaar te maken aan de belangen der inlandsche
bevolking.
Den tweeden dag werd door mr. Van Wijngaarden het vraagstuk van
"Gemeenteraad en Inlandsche Gemeente" ingeleid, doch dit is zoo'n
ingewikkelde juridische kwestie, dat ik daarvan den inhoud niet
in een kort bestek kan samenvatten, ook al niet, omdat ik er
niet genoeg van begrijp. Dit laatste was toch het geval met de
meeste aanwezigen, waardoor dan ook de stellingen niet in stemming
konden worden gebracht, doch men algemeen van oordeel was, dat
dit vraagstuk grondig moest worden bestudeerd en in een ander
congres opnieuw ter sprake worden gebracht. Daarna sprak de heer
J. E. Stokvis, over Gemeenteraadscommissies. Onnoodig zeker te zeggen,
dat hij een groot voorstander bleek te zijn van zulke lichamen,
of lichaampjes, die in de gemeenteraden eigenlijk het practische
werk verrichten. Toen deze besprekingen afgeloopen waren, werd de
wenschelijkheid besproken van eene definitieve oprichting van eene
"Vereeniging ter bevordering van gemeentebelangen", waarvan elkeen,
ook niet-gemeenteraadsleden, die aan de behartiging dier zaken wil
medewerken, lid kan worden. Uitdrukkelijk wordt in het reglement
door den heer Stokvis samengesteld, uitgesproken, dat vrouwen, onder
dezelfde voorwaarden als de mannen, lid dezer vereeniging kunnen
worden. Dit is een zeer verstandige maatregel, want het zou mij niet
verwonderen, als niet zeer spoedig zal blijken, dat de vrouwen hier
meer belangstelling toonen in de gemeentebelangen dan tot dusverre
de mannen deden, enkele zeer bijzondere gunstige uitzonderingen
daargelaten. De vrouwen in Indië hebben nu gelegenheid van hare
belangstelling te doen blijken, daarmede aantoonende, hoe bekrompen,
en meer de traditie dan het belang der Indische gemeenten dienende,
de uitsluiting der vrouw tot het kiezen van en verkiesbaar zijn voor
gemeenteraadslid in Indië, in de Verkiezingsordonnantie van 19 Januari
1908 is geweest. Was er toen een gouverneur-generaal in Indië geweest
met een helderen kop en met de moed zijner overtuiging, dan had hij,
in het belang der Indische gemeenten, nooit het woordje "mannelijk"
in artikel 2 van de Kiesordonnantie gelascht. De vrouwen, onder welke
er vele zijn, die de gemeentebelangen begrijpen en ze wenschen te
bevorderen, moeten nu eerst den strijd aanbinden om dat woordje uit
artikel 2 verwijderd te krijgen, alvorens zij met vrucht haar werk
ten nutte der gemeente kunnen aanvangen. Dat zij dezen strijd zoo
spoedig mogelijk zullen aanbinden, daarvan zal ieder verzekerd zijn,
die vele der flinke vrouwen hier heeft leeren kennen en waardeeren.
Tijdens mijn verblijf in Sindanglaja vond ik op de leestafel in het
hotel aldaar "het Tijdschrift", een maandblad, dat sedert korten tijd
hier in Bandoeng uitgegeven wordt, onder de bekwame leiding van den
heer Douwes Dekker. Het toeval wilde, dat juist in het nummer dat
in mijne handen kwam het program van de partij of de vereeniging,
waarvan "het Tijdschrift" het orgaan moet zijn, ontwikkeld werd
en dat ik daarin las, dat het doel kort en bondig daarop neerkomt:
"Indië voor de Indiërs". Natuurlijk dacht ik, dus dan toch ook bij
ons, evenals in Britsch-Indië, eene beweging tegen de overheersching
der Europeanen, dus ook hier een begin van opstand, of ten minste
eene poging om zich van den Nederlandschen invloed en Nederlandsche
macht te bevrijden. Het was natuurlijk mijn eerste werk, toen ik in
Bandoeng kwam, om mij te overtuigen van den omvang dezer beweging
en van de reden, die de leden tot verzet noopt. Nu weet ik niet of
ik teleurgesteld of blij moest zijn, toen ik vernam dat er van een
dergelijke beweging in onze koloniën vooralsnog ten minste geen sprake
is, dat de redacteur van "het Tijdschrift" een nog op zichzelf staand
leider is van eene denkbeeldige vereeniging of bond, dat er wel hier en
daar personen gevonden worden, die met zijne inzichten sympathiseeren
(zou er wel ooit iemand eene meening geuit hebben, waarvoor niet hier
en daar geestverwanten gevonden worden), doch dat er onder die personen
nog geene organisatie bestaat. Het komt mij een versnippering van de
intellectueele krachten van den heer Douwes Dekker (een achterneef
van Multatuli, die eenige van de goede eigenschappen van zijn oudoom
overgeërfd heeft) voor, om in onze koloniën deze Britsch-Indische
beweging na te bootsen, ten eerste omdat de conditiën, waaronder onze
inlanders en vooral onze Indo-Europeanen leven, zooveel gunstiger
zijn dan die van dezelfde categorie personen in Britsch-Indië en ten
tweede, omdat onze inlandsche bevolking bij lange na niet staat op
denzelfden trap van ontwikkeling als de Britsch-Indische.
Als wij eens de onderlinge twistpunten, vooral uit verschil van
godsdienst voortspruitende, buiten beschouwing laten, dan kan men
gerust zeggen, dat Britsch-Indië zich zonder de hulp van Engeland
zal kunnen staande houden en zich verder ontwikkelen. Ik bedoel niet
tegenover vreemde mogendheden, maar als een volk op zichzelf. Zij
beschikken over genoeg krachten om scholen te stichten en 't volk
verder te ontwikkelen, terwijl ook hunne industrie op zeer voldoende
wijze in de behoeften van het volk kan voorzien. Daarbij komt,
dat de half-Europeaan, die aan een Europeeschen vader of moeder en
een inlander zijn ontstaan dankt, daar onder de inlanders geteld
wordt en het vooral deze zijn, die de beweging "Indië voor Indiërs"
sterk steunen. Voor deze halfbloed inlanders in Britsch-Indië zijn de
levensvoorwaarden uiterst slecht; geen wonder, dat dezen elk middel
aangrijpen om tot betere omstandigheden te komen.
Vergelijk daarmede eens onze koloniën. Wanneer Nederland Java en
Sumatra thans onafhankelijk maakte, afgezien van het feit, dat andere
mogendheden spoedig en gaarne de voogdijschap zullen overnemen, dan
zouden beide eilanden in minder dan geen tijd terugzinken tot het peil
van beschaving, dat zij een eeuw of langer geleden bezaten. Het volk
beschikt nog niet over genoeg financieele en intellectueele kracht
om zichzelf verder op te heffen, terwijl de industrie nog heelemaal
niet kan voorzien in de behoeften zelfs van den tegenwoordigen
inlander. Voor het eenvoudigste werk heeft men hier de hulp van den
Chinees noodig, en het zal nog heel wat tijd duren, aleer mannen als
de heer Douwes Dekker zich zouden kunnen gelukkig gevoelen in een Java,
geheel onder de macht der Javanen.
Maar dat is ook niet wat de heer Douwes Dekker bedoelt. Hij vat
onder Indiërs samen, allen, die onze koloniën voor vaste woonplaats
hebben gekozen, dus ook alle half-Europeanen, die in onze koloniën
onder de Europeanen gerangschikt worden en wettelijk met hen zijn
gelijk gesteld, en de Europeanen, die zich hier vestigen. Dan wil
hij ook voorloopig nog niet de voogdij van Holland missen; eerst moet
Nederland voor een voldoend aantal scholen zorgen, zoodat de inlandsche
bevolking zich goed kan ontwikkelen; onder deze scholen zal ook eene
voor Indië geschikte universiteit moeten verrijzen en industriescholen
etc. Dan moet onze militaire macht hen voorloopig ook nog beschermen
tegen uit- en inlandsche vijanden en als dit alles hen sterk genoeg
gemaakt heeft om zichzelf te kunnen helpen, dan zou Nederland moeten
zeggen: "kind, ik heb je groot gebracht, je kunt nu op eigen beenen
staan, ga nu je gang". Uit een ethisch oogpunt valt daarvoor veel
te zeggen, maar dan zouden ook alle Europeanen en half-Europeanen
geweerd moeten worden en Java voor de Javanen, Sumatra voor de
Sumatranen moeten blijven, anders zou het nog minder dan een halve
maatregel zijn. Dit schijnt mij vrijwel een hersenschim. Ik gevoel
veel meer om te streven naar eene andere richting en wel deze, die
ook door Snouck Hurgronje in zijne vier bekende lezingen geuit werd,
dat wij, evenals wij een Indo-Europeaan als Nederlander beschouwen,
ook den Javaan, Maleier, etc. als zoodanig beschouwen en hun dezelfde
rechten geven als wij zelf als Nederlanders bezitten en hen ook het
gevoel geven, dat zij zijn in de eerste plaats Nederlander en daarna
Javaan. Ik bedoel in dien geest: een Drentenaar of een Fries voelt
zich toch ook eerst Nederlander en dan Drentenaar of Fries, zoo ook
moet de Javaan en de Maleier zich gaan gevoelen. Het idee, dat wij,
Nederlanders, hunne meerderen zijn, moet er uit; met de macht van
het opvoedingswapen moet dat denkbeeld in de eerste plaats bij de
Nederlanders, die in Indië wonen of er komen en dan bij de inlanders
zelf bestreden worden. Er is geen reden te vinden, waaraan wij het
recht ontleenen op den inlander neer te zien. Zij zijn een ander, wat
van zelf spreekt, maar volstrekt geen lager soort menschen dan wij. Wij
hebben hen noodig om het werk te verrichten, dat wij daar niet kunnen
doen, zij hebben ons noodig om hun de ontwikkeling bij te brengen,
waaraan zij thans behoefte gevoelen. Deze uitwisseling van diensten
kan geschieden op den voet van gelijkwaardigheid, en als dat nu nog
niet kan, omdat wij al veel in dit opzicht hier bedorven hebben, dan
moet toch in die richting gestuurd worden. Ergerlijk is het dikwijls,
hoe Europeeërs en.... Indo-Europeeërs, die intellectueel en moreel
geen cent waard zijn, toch met een toon van meerderheid tegen den
Javaan optreden en hem als een soort slaaf behandelen. Uit den mond
van dezulken heb ik reeds de klacht vernomen, dat het een schande
was, dat men den Javaan niet meer mocht slaan, als hij zijne plichten
niet naar behooren vervulde. Het feit, dat alle hooger ontwikkelden
hier onder de Europeërs en Indo-Europeërs met liefde en waardeering
van den inlander spreken, heeft bij mij den indruk versterkt, dat
de Javanen hooger staan dan men ons, nieuwelingen hier in Java, wel
wil doen gelooven en dat zij door goed geleid onderwijs in eenige
geslachten gebracht kunnen worden tot menschen, die wij met trots
onze landgenooten zullen noemen.
Maar ook hier, evenals op Sumatra, moeten scholen komen, vele en
goede. Onze beste onderwijskrachten in Nederland kunnen hier een mooie
en dankbare taak vinden. Vooral goede onderwijzers en onderwijzeressen
moeten uitgezonden worden, want de taak, die deze hier te vervullen
krijgen, is eene meer opvoedende en meer verantwoordelijke dan die
in Holland, en alleen de beste krachten zijn daarvoor geschikt.
O, daar heb ik mij laten verleiden tot een ontboezeming, die ik had
willen vermijden, omdat zoovele menschen, die lang in Indië wonen of
gewoond hebben, heelemaal met mij van meening zullen verschillen en
ik tevens vrees door kortheid tot onduidelijkheid te zijn gekomen en
nu een hoop tegenspraak (die ik misschien niet onder de oogen krijg)
te wachten heb. Ik beschik echter niet over genoeg tijd om alles nog
eens te wijzigen, want ik heb over Bandoeng nog meer te zeggen en
daarom gaat het maar ongewijzigd de wereld in.