Door de Bandoengsche kiesvereeniging was den 22en Mei een vergadering
uitgeschreven, waarin ik over het vrouwenkiesrecht-vraagstuk sprak. De
Bandoengsche kiesvereeniging, hoewel niet aan politiek doende, bestaat
toch uit zeer vooruitstrevende menschen, die op de hoogte van hun tijd
staan. Hoewel de vrouwen hier, in Indië, evenals haar zusters in het
moederland, van kiesrecht en verkiesbaarheid verstoken zijn, heeft
toch de kiesvereeniging van Bandoeng uitdrukkelijk in haar statuten
gestipuleerd, dat ook vrouwen lid van de vereeniging kunnen zijn en
doordat de vereeniging de candidaten kiest voor den gemeenteraad en
deze candidaten tot nog toe steeds tot gemeenteraadslid gekozen zijn,
kunnen dus de Bandoengsche vrouwen indirect invloed uitoefenen op
deze keuze. Mrs. Catt had zich onttrokken om op deze vergadering te
spreken, omdat zij zooveel achterstallig internationaal werk had te
doen en er slechts weinigen onder het publiek zouden zijn, die haar
goed zouden kunnen volgen. Een zeer groote opkomst van het Bandoengsche
publiek toonde, dat het vrouwenkiesrecht-vraagstuk tegenwoordig overal
belangstelling wekt en dat deze belangstellenden voorstanders worden,
zoodra zij over deze belangrijke kwestie tot nadenken worden gebracht.
Na afloop der vergadering bleek, dat meer dan 60 van de aanwezigen de
lijsten geteekend hadden om lid der vereeniging te worden en dat een
keur van vrouwen zich beschikbaar stelde om de Bandoengsche ledengroep
der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te leiden. Als presidente werd
gekozen mevrouw Reitsema--Brutel de la Rivière, die door haar kranige
artikelen in de "Preangerbode" het bewijs reeds heeft geleverd, dat
zij het vrouwenkiesrecht-vraagstuk kent en op waardige wijze weet te
verdedigen. Onder haar kundige leiding zal hier zeker vruchtbaar werk
geleverd worden. Als vice-presidente liet mevrouw Lovius, leerares
aan een school alhier zich benoemen; een passende aanvulling van de
presidente; mevrouw Willy Berton werd eerste en mejuffrouw Becker
tweede secretaresse. Ieder, die mevrouw Berton in de Amsterdamsche
afdeeling aan het werk heeft gezien, zal zich overtuigd gevoelen, dat
het secretariaat in haar handen, met de hulp van mejuffrouw Becker,
onderwijzeres, alleszins goed geplaatst is, en met mevrouw Doyer
tot penningmeesteres en mevrouw Douwes Dekker en mevrouw Gramberg
tot adviseerende leden van dit bestuur, zal er een kracht van kunnen
uitgaan, waarvan de goede gevolgen door de vereeniging in Nederland
zeer zeker gevoeld zullen worden.
Onze oude, stadgenoot, dr. Westhoff, was zoo vriendelijk mij
persoonlijk in zijn mooi ziekenhuis en blindeninstituut rond
te leiden. Deze beide inrichtingen zijn zeer zeker een bezoek
overwaard. Het ziekenhuis voor ooglijders voldoet aan alle redelijke
eischen, die men aan zoo'n inrichting heden ten dage mag stellen,
het voorziet bovendien in een behoefte, zóó groot, dat onwillekeurig
de vraag in ons opkomt: is het wel voldoende in onze koloniën slechts
één zoo'n inrichting te hebben? Hoewel gelukkig op Java en Sumatra
niet zoovele oogziekten voorkomen als in de tropische landen, die wij
vóór dezen bezochten, wij hier slechts bij uitzondering een blinde
tegenkomen, terwijl in Jeruzalem, Egypte, Ceylon, Britsch-Indië, die
stumpers overal op onzen weg te vinden waren, toch zijn hier nog genoeg
van deze ongelukkigen, die misschien bij doelmatige behandeling hun
lot hadden kunnen voorkomen, zoodat het gerechtigd schijnt de vraag
te uiten: zou ook in Oost-Java niet een oogziekenhuis nog voldoende
vruchtbaar werk vinden? Hoe keurig netjes, hoe hygiënisch en hoe
practisch zag alles er uit, wat tot het oogziekenhuis behoort; vele
menschen ontvangen er gratis een doeltreffende behandeling! Ook het
blindeninstituut mag zich laten zien. Met de grootste menschlievendheid
worden de blinden er behandeld en de beste zorgen worden aangewend,
om deze ongelukkigen, die anders zichzelf en anderen tot last zijn,
tot bruikbare menschen in de maatschappij te maken. Niet alleen wordt
hun allerlei handwerk geleerd, waarmede zij later, als zij weder
aan de maatschappij worden afgeleverd, voor zichzelf den kost kunnen
verdienen, maar de geestelijk hooger ontwikkelden ontvangen zooveel
onderwijs, dat zij het onderwijzersexamen kunnen afleggen of het
tot pianostemmer of muziekonderwijzer gebracht hebben. Ook voor goede
voeding en uitspanning van deze stumpers wordt uitstekend gezorgd. Hier
vindt dr. Westhoff, bij zoovele Amsterdammers nog zeker in vriendelijke
en dankbare herinnering, een hoogst belangrijken werkkring. Niemand,
die deze inrichtingen bezichtigt, kan een gevoel van dankbaarheid
onderdrukken voor dezen man, die met het in het leven roepen van beide
gestichten, de menschheid hier een niet te hoog te schatten dienst
bewees. Moge het heerlijke klimaat van Bandoeng, dat oude menschen
jong maakt en elkeen levenslust en werkkracht geeft, nog heel lang
zijn heilzamen invloed ook op onzen oud-stadgenoot uitoefenen.
Met mevrouw Oudemans, de beschermvrouwe van de school, bezocht ik
hier de school voor inlandsche meisjes. De oprichtster en leidster
van deze school is Raden Devi, de vrouw van een inlandschen
onderwijzer. Zij-zelf heeft slechts tot haar twaalfde jaar school
gegaan en verder onderricht, eerst van haar moeder, die een hoogstaande
vrouw moet geweest zijn, en later van haar man, genoten. Acht jaren
geleden, zij was toen reeds moeder van eenige kinderen, gevoelde zij
zich geroepen om van de weinige kennis, die zij bezit, doch die toch
hemelsbreed boven de kennis staat van de meeste Javaansche vrouwen,
zooveel in haar vermogen is aan andere vrouwen mede te deelen. Zij
bracht toen zeven of acht meisjes bijeen en begon die te leeren lezen
en schrijven. Spoedig kwamen andere meisjes vragen, of zij ook mochten
komen, en dat getal breidde zich zóó snel uit, dat thans deze school
230 leerlingen telt. De echtgenooten der opeenvolgende residenten
hebben Raden Devi gesteund in haar pogen door een vereeniging
tot stand te brengen, waarvan de geïnde contributie der leden de
school ten goede komt. Daardoor kon een uiterst primitief lokaal
voor schoollokaal worden ingericht, konden schoolbehoeften worden
aangeschaft en een paar onderwijzeressen worden aangesteld. Ook het
schoolgeld der kinderen helpt een beetje de lasten dragen.
De overheid trekt zich echter van deze hoogst noodige instelling
nog niet veel aan. De aan de school werkzame krachten zijn
niet-gediplomeerde Javaansche meisjes, die, evenals Raden Devi, hare
intellectueele krachten wenschen dienstbaar te maken tot verheffing van
haar Javaansche zusters. Bezoldiging, wat m.i. dien naam mag dragen,
ontvangen zij niet. Het onderwijs strekt zich niet verder uit dan
tot lezen en schrijven van het Javaansch en rekenen. Het sommetje,
dat ik een van die kleine, aardige, bruine kindertjes zag maken,
leek mij al heel practisch, het was direct ontleend aan het leven,
dat haar weldra wacht Zij moest op het bord uitrekenen hoeveel zij te
betalen zou hebben, als zij naar de Passar ging en kocht een flesch
kokosnootolie van 32 cents, een paar sinaasappelen van 6 cents, en
nog iets van 15 cts. Daarna moest zij uitrekenen, hoeveel zij moest
terugontvangen als zij die zaken met een gulden betaalde. Het zeven-
of acht-jarige poppetje, met haar opgestoken haar, en in een sarong
en kabaai gekleed, als een heel mensch, schreef haar antwoorden zóó
vlug op het bord, dat men overtuigd kan zijn, dat zij zich later als
huisvrouw op de passar niet zal laten bedotten, maar die ook bij mij
den wensch deed opkomen, om toch al deze kinderen wat meer onderricht
te doen geven. Wat een macht van ongecultiveerde gaven ligt er voor
ons land nog te oogsten, als wij de Javaansche vrouwen, evengoed als
de mannen, de gelegenheid tot ontwikkeling openen.
Verder werd op die school handwerkles gegeven, in hoofdzaak in nuttige
handwerken, zoodat de leerlingen later in staat zullen zijn haar
eigen kabaaitjes te maken en hun kleeding netjes te verstellen.
Ook wasschen, strijken en koken werd er onderwezen. De kooklessen
zijn er natuurlijk ook alleen op ingericht om de kinderen de Indische
keuken te leeren. De rijsttafel met haar groote verscheidenheid van
bijgerechten werd daar door de meisjes onder goede leiding klaargemaakt
en later gezamenlijk opgegeten.
Als een uitvloeisel van deze school en onder dezelfde omstandigheden en
op denzelfden voet werkende, is er nu een te Garoet opgericht, die het
in een minimum van tijd tot 100 leerlingen bracht. Is er grooter bewijs
noodig, hoezeer goede meisjesscholen hier een levensbehoefte zijn?
Op de school voor opleiding tot inlandsche ambtenaren trof mij het
beschaafde en intelligente uiterlijk van de meeste jongelieden, die
daar tot toekomstige ambtenaren worden opgeleid. Als deze jonge mannen
als staalkaart mogen dienen van de inlandsche mannelijke bevolking op
Java, dan staat die bevolking ongetwijfeld op een hoog standpunt. Het
muziekkorps, door een der leeraren uit deze jongelui samengesteld, dat
hij-zelf onderricht, gaf ook het bewijs, dat de muzikale ontwikkeling
van den Javaan ver verheven is boven die van alle Oostersche volken,
die wij tot nu toe zagen.
Op de Kweekschool voor Inlandsche onderwijzers waren twee meisjes. Het
spijt mij te moeten zeggen, dat deze twee meisjes niet tot de besten
onder hare zusters behooren. Dat zij slechts zeer moeilijk met de jonge
mannen konden meekomen, was op de gezichten te lezen. Voor de meisjes
geldt echter tot verontschuldiging, dat zij niet, evenals de jongens,
een goede voor-opleiding hadden genoten. Het meten van krachten is
ook hier onbillijk, omdat van den aanvang af niet dezelfde zorg aan
de opleiding is besteed.
Iets moet ik nog vertellen, dat op de school van Raden Devi mij zeer
pijnlijk trof. Op geen enkele school heb ik dat nog gezien. Als een van
de meisjes daar voor het bord werd geroepen om iets uit te rekenen of
op te zeggen, dan kwam zij kruipende uit haar bank tot voor de voeten
van de onderwijzeres, boog dan haar hoofd tot bijna op den grond,
raapte het stukje krijt van den grond en verhief zich dan om haar som
uit te rekenen. Op diezelfde kruipende wijze ging zij ook naar haar
bankje terug. Zelfs in de kook-afdeeling bewogen de kinderen zich
kruipende achter ons om. Dat is de adat, werd mij geruststellend
gezegd, maar het is een verderfelijke adat, die niet anders dan
verkeerd kan werken en die liefst zoo gauw mogelijk verdwijnen moet.
Een van de vele avonden, die wij hier doorbrachten, gebruikten wij
om een voorstelling in een Indo-theater bij te wonen. Geisha, zou
worden opgevoerd; wij zouden er wel niets van verstaan, maar wij
kenden den inhoud van dit operettetje genoegzaam om te begrijpen
wat gezegd en gezongen zou worden. Het was een heerlijke avond. Wij
smaakten niet zoozeer muzikaal artistiek of simpel artistiek genot,
maar gelachen hebben wij toch, zelfs, toen wij reeds lang den
schouwburg verlaten hadden. Wat de vele inlanders--want wij tweeën
waren waarschijnlijk de eenige niet-inlanders--in deze voorstellingen
trekt, ben ik niet te weten kunnen komen; er schijnt het geheele jaar
door genoeg belangstelling te bestaan in deze vertooningen, om avond
aan avond volle zalen te trekken. Het was eigenlijk in elk opzicht
een parodie. Het zwakke stemmetje van de prima-donna klonk net als
het gemiauw van een veertiendaagsch katje, en de jeune-premier zong,
alsof hij het met de geheele wereld aan den stok had. Neen, zoo zong
hij eigenlijk niet, want het geluid, dat hij te voorschijn bracht,
mag niet zingen genoemd worden.
Toen de prima-donna besloten had om naar Japan te gaan, om haar
kinderen te zoeken, zag men op het tooneel een zee met grasgroene
golven, die door bandjes op en neer werden bewogen en waar tusschen
de prima-donna, de kapitein en een matroos het schip, waarop zij
zich bevonden, voortrolden. Toen het schip van het eene eind van het
ongeveer twee en een halve meter breede tooneel naar het andere eind
was gerold, verscheen de juffrouw op 't tooneel vóór de golven en
miauwde haar liedje, dat zij aan boord had moeten zingen.
Wij hebben het slot van deze zielverheffende vertooning niet bijgewoond
en zijn er ook niet achter gekomen, of daar op het tooneel Javaansch,
Maleisch of Soendaneesch gesproken werd.
Over een van onze mooie uitstapjes wil ik ook nog wat vertellen. Het
betreft onzen tocht naar den krater van Prahoe. Wij hadden ons
voorgenomen één van de vele kraters op Java te gaan zien en daar wij
waarschijnlijk nergens zoo lang zullen vertoeven als in Bandoeng,
besloten wij tot een bezoek aan Tangkoeban-Prahoe. Wij hadden alles
den dag te voren besteld, zoodat wij nergens oponthoud behoefden te
hebben en den heelen tocht in een halven dag konden doen. Direct na
zonsopgang vertrokken wij in een gemakkelijke auto naar Lembang,
alwaar wij nog voor half acht aankwamen. De weg van Bandoeng naar
Lembang, die zacht bergopwaarts gaat, is verrukkelijk mooi. Overal
die weelderige plantengroei, die bonte bloesems aan allerlei boomen,
dat elegante bamboeriet, dat met zoo'n zwierigen draai zijn kop
naar beneden keert, die kleurige meisjes aan het theeplukken en nog
zooveel meer, dat het oog boeit. In Lembang stonden de beide tandoe's,
elk met vijf koeli's (een om onderweg in te vallen) reeds gereed,
zoodat wij direct uit de auto in den draagstoel konden overwippen
en toen zonder dralen konden verder gaan. Ruim twee uur gingen de
stevige kerels in flinken pas steeds steil naar boven, over een weg,
zoo vol gaten en afgronden, dat wij blij waren, liever de veilige
tandoe, dan een rijpaard voor dezen tocht gekozen te hebben. Eerst
passeerden wij nog eenige theeplantages, hooger gekomen gingen wij
door kina-ondernemingen, tot wij het laatste uur midden door een
oerwoud trokken. Het was een hoogst interessante tocht. Om tien uur
waren wij boven met den krater aan onze voeten. De rookkolommen, die
van verschillende kanten opstegen, de sterke zwaveldampen en de nu en
dan even opkomende borrelingen laten geen oogenblik twijfel bestaan,
dat er in het binnenste van deze kolos nog steeds leven is en hij
best den een of anderen dag eens weder flink aan het sputteren kan
gaan. Wij troffen een zeer helderen dag, waardoor wij een prachtig
vergezicht hadden. Toen wij uitgekeken waren, keerden wij terug. De
schommelingen van de tandoe waren veel gemakkelijker te verdragen,
doordat wij, door ondervinding wijs geworden, de koelies verzochten
niet in de pas te loopen. Dat hielp.
Morgenochtend gaan wij van hier in eens door naar Djokjakarta. Wij
zijn verplicht Garoet uit onzen tocht door Java uit te schakelen. Toen
reeds onze geheele route was vastgesteld en overal de vergaderingen
voor vrouwenkiesrecht waren bepaald, kwam Magelang nog achteraan,
om ook een vergadering te willen hebben. Daardoor moest nu Garoet
vervallen om dien tijd aan Magelang te kunnen besteden.
Met ons vertrek uit Bandoeng, verlaten wij ook de Preanger
Regentschappen. Ik ben hier reeds zoo gewend aan de vraag: "of ik de
Padangsche Bovenlanden mooier vind dan de Preanger Regentschappen",
dat ik mij verbeeld, daarop hier nu ook een antwoord te moeten
geven. Naar mijne meening zijn de Padangsche Bovenlanden en de Preanger
Regentschappen beide zeer mooi, doch met elkander niet te vergelijken,
omdat zij beide zoo geheel iets anders zijn. Van beide kan men zeggen,
dat zij liefelijk mooi zijn, doch beide missen een grootsche natuur.
In de Preanger mist men de schilderachtige Sumatra'sche huizen met
hunne poppige rijsthuisjes, die zoo'n goed effect maken tusschen
het veelkleurige groen; daarentegen vindt men in de Preanger de in
helle kleuren gekleede vrouwen, die aan de omgeving de levendigheid
geven, die ze anders zou missen. De Preanger schoonen durven zich
in bonte kleederen steken. Zij vertoonen daarbij echter niet altijd
goeden smaak. Soms ziet men een jong meisje met een blauwe sarong,
een groen baaitje en een paarse slendang. En de kleuren zijn hard en
leelijk. Hier en daar vertoonen de meisjes neiging om zich Europeesch
te kleeden. Waar ik ze zag, kon ik den smaak der jonge meisjes
niet bewonderen. Het is nog te onbeholpen. Maar waarom zouden zij
niet? Onze Hollandsche dames loopen soms den geheelen dag in sarong
en kabaai en zien er dan dikwijls ook lang zoo goed niet in uit
als de Javaansche vrouwen, waarom zouden deze nu niet, als zij mooi
willen zijn, onze kleederdracht overnemen? Ik zag hier een Javaansche
huwelijksstoet door de straten trekken, bruid en bruidegom en naaste
familie in drie auto's voorop, alle genoodigden in verschillende soort
rijtuigen achteraan. Bruid en bruidegom in Europeesche kleederen en
ook verschillende der genoodigden. Ik geloof echter niet, dat iemand
zich in het ras vergissen zal. Zoo'n Javaansche kop is niet gemaakt
voor een Europeeschen hoed, of omgekeerd. Nabootsen is altijd leelijk,
onverschillig of het door Europeanen of anderen geschiedt.