Den 9en Mei 's avonds, een halven dag vroeger dan wij verwacht hadden,
voer de "Tambora", een van de mooie booten van de Rotterdamsche Lloyd,
ons van Padang naar Batavia terug. Door deze vervroegde aankomst en
vertrek van de boot werd nog even het afscheidsdiner, door de familie
Kamerling voor ons belegd, in de war gestuurd. Toen de gasten kwamen,
moesten wij afreizen, alleen de vroegkomers konden wij nog even de
hand tot afscheid reiken! De heer Kamerling, die ons, niettegenstaande
't in de war gestuurde diner, toch zelf naar de boot bracht, had van
tevoren gezorgd, dat de bagage bezorgd werd, die reeds netjes op haar
plaats in onze hutten op ons wachtte.
Het waren een paar gezellige, vroolijke dagen, die wij aan boord
sleten. De laatste dagen aan boord van deze Hollandsche mailbooten
worden altijd als feestdagen beschouwd; het afscheidsdiner is een
maaltijd met een begin, maar zonder einde; goede wijn en champagne
wordt dan namens den kapitein den gasten geoffreerd; sigaren voor de
heeren, zoetigheidjes voor de dames en aardige, bruikbare souvenirs
vindt men naast zijn couvert of worden gedurende het diner rondgediend,
en als het oogenblik van de champagne is aangebroken, dan breekt
ook meteen de welbespraaktheid los en vloeien de toasten op elkeen
en ieder van veler lippen. De vroolijkheid behoefde niet met geweld
opgewekt te worden, ze kwam spontaan en 't was duidelijk, dat de vele
reizigers, die eenige weken gezamenlijk dit schip bevolkt hadden,
het te zamen goed hebben kunnen vinden en dat zij ook met den kapitein
en de officieren van het schip goede vriendschap hadden gesloten.
In Tandjong Priok aangekomen, hadden wij weder datzelfde gezeur met
de toelatingsbewijzen. Niettegenstaande wij onze toelatingsbewijzen,
die twee jaren geldig zijn, bij ons hadden, moesten wij toch wachten
tot allen klaar waren, omdat niemand vóór dien tijd van boord mocht
gaan. Op een snikheeten middag eenige uren in de haven van Tandjong
Priok doelloos door te brengen, gun ik mijn vijanden zelfs niet.
Het was in Batavia zoo heet--men vertelde ons, dat in veertig jaren
zoo'n hitte niet voorgekomen was--dat wij besloten zoo spoedig mogelijk
onze zaken aldaar te regelen en naar Buitenzorg te vertrekken en
daarmede onzen toer door Java te beginnen.
In het Hotel Bellevue te Buitenzorg vonden wij vriendelijke opname en
een paar frissche kamers met een wonderschoon uitzicht op den berg
Salak en op de daaronder stroomende rivier. Uren konden wij daar,
op de veranda zittende, doorbrengen met te kijken naar de kleine,
bruine kindertjes, die daar als jonge kikvorschen in en uit de rivier
sprongen en zich daar den geheelen dag amuseerden, terwijl hunne
moeders, tot aan het middel in het water staande, tallooze gekleurde
sarongs en witte baaitjes in den snelvlietenden stroom waschten en
ze dan op den oever te drogen legden. De berg zelf, tot aan den top
begroeid met theeplantages en palmboomen, bood ons een heerlijken,
rustigen aanblik. Drie dagen brachten wij in Buitenzorg door, dagen,
die vol waren met afwisselende indrukken.
Natuurlijk gold ons eerste bezoek de beroemde botanische tuinen,
den trots van Java. Zonder het opzettelijk te willen, maakte
ik toch onwillekeurig vergelijkingen met den mededinger naar de
kroon van de beste en de mooiste in de geheele wereld te zijn, den
Koninklijken Botanischen tuin in Paradenya, op Ceylon. Ik ben blij,
dat ik niet geroepen ben, in dezen uitspraak te moeten doen, want
het zou mij heel zwaar vallen uit te maken, welke van beide den prijs
verdient. Is onze Koninklijke tuin misschien smaakvoller aangelegd,
die in Paradenya bezit het voordeel, dat men bij elken boom en plant
naast den wetenschappelijken Latijnschen naam ook den gebruikelijken
Engelschen naam vermeld vindt, benevens den naam van het land, waar
die boom of plant inheemsch is.
Naast den botanischen tuin interesseerden ons het meest, de eveneens
beroemde kweek- en proeftuinen en de landbouwtuin. Hiermede verbonden
wij meteen een bezoek aan de landbouwschool, alwaar wij van het
onderwijs niet veel konden zien, omdat de jongelieden juist in de
examen-werkzaamheden zaten. Het waren in hoofdzaak jongens, geboren
uit Hollandsche vaders en inlandsche moeders, die de leerlingen vormden
en naar de directeur ons mededeelde, was het voornamelijk om voor deze
jongens een hun passenden werkkring te vormen, dat deze school was in
het leven geroepen. Ik hoop, dat er een hooger en meer algemeen belang
bij de oprichting en instandhouding van deze school beoogd wordt,
al is het resultaat dan ook, dat daarmede bedoelde jongelieden aan
eene maatschappelijke positie geholpen worden.
Ik wil niet opnoemen wat wij in Buitenzorg op zoölogisch, botanisch,
landbouwkundig, chemisch en phytopathologisch gebied meer voor
bijzonderheden zagen, doch met een enkel woord wil ik toch even het
zoö-phytopathologisch museum gedenken, met zijn bekwamen directeur,
den heer Ouwens, aan het hoofd, den man, die zoo met liefde zijn
interessanten arbeid volbrengt. Met hem als gids, brachten wij eenige
onvergetelijke uren in dat museum door, uren, waarin wij omtrent
de dieren in onze koloniën méér leerden, dan wij anders in maanden
zouden hebben gedaan. Wat maakt het toch een oneindig verschil, als het
hoofd van zulk een inrichting zijn taak met belangstelling en liefde
voor de zaak vervult, of, zooals ik ze ook wel eens heb aangetroffen,
zijn betrekking opvat als een baantje, dat hem tot kostwinning dient.
Eene vergadering met de daar bij ons vorig bezoek verkregen leden
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, leidde tot de oprichting
van eene afdeeling Buitenzorg, die met 28 leden haar werk aanvangt.
Donderdagmorgen, 16 Mei, vertrokken wij 's morgens om 7 uur per
kar naar Sindanglaja. Ik schrijf per kar, Kahar Baloon, zooals de
inheemsche naam luidt, want rijtuig durf ik het niet noemen. Maar
hoe ongemakkelijk onze zitplaatsen in dit nauwe, op twee hooge wielen
draaiende karretje ook waren, spoedig hadden wij alle ongerieflijkheden
vergeten door het prachtige gezicht, dat onophoudelijk in tal van
variaties, onze aandacht boeide. Hoewel deze tocht, waarbij wij eerst
door drie, later door vijf paarden naar boven geheschen werden, ruim
zes uren duurde, hebben wij ons geen oogenblik over den langen duur
beklaagd. Niet alleen was het uitzicht op de bergen onbeschrijfelijk
mooi, maar ook de bevolking in de verschillende dorpjes, die wij
doorkwamen, bood ons telkens iets nieuws en gaf stof tot vele
opmerkingen.
Hoe hemelsbreed verschilt deze Soendaneesche bevolking van die
welke wij zoo kort geleden in de Padangsche bovenlanden zagen. De
Soendaneesche vrouwen zijn mooier dan hare Minangkabausche zusters,
maar dat is ook het eenige, dat wij in haar voordeel kunnen
aanvoeren. Zagen wij in de Padangsche bovenlanden overal aan den weg,
op het land, in de passars het werk door vrouwen verrichten, hier
over den Poentjakpas waren het bijna uitsluitend mannen, die het werk
deden, terwijl de vrouwen overal in groepjes bijeenzaten te babbelen,
of met een baby in de armen of aan de borst op den grond zaten en
lusteloos voor zich uitstaarden. Hier was geen spoor meer aanwezig
van de fiere, zelfbewuste houding der Minangkabausche vrouwen, hier
zagen wij moedertjes, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, met
een zwaarmoedig, levensmoe uiterlijk, waaruit elke grein van energie
geweken was. Het verwonderde ons niet, dat ook de kleine kindertjes
reeds die oude-mannen- en oude-vrouwen trek op hun gelaat vertoonden,
kindertjes, die stil neerlagen als ze in het zand gelegd werden,
en op wier gezichtjes, als het rijtuig eens stil hield, of als wij
eens verkozen door een dorp te loopen, in plaats van te rijden, wij
met geen mogelijkheid een lachje konden te voorschijn roepen. Hoe
kunnen zulke energie-looze moedertjes anders dan wezenlooze kinderen
het leven schenken?
In een paar dorpen, die wij doorgingen, was het passar-dag en nu zagen
wij steeds van alle zijden de mannen, zwaar beladen, met groenten,
vruchten en aardappelen ons langs den weg passeeren en passarwaarts
gaan. Geen enkele vrouw was onder hen. Deze mannen dragen hunne zware
vrachten niet, zooals de Minangkabausche vrouwen, op het hoofd, maar
hangende aan een lang juk over een der beide schouders. Dit juk is
meestal van bamboe gemaakt en wordt om beurten over den rechter of
linker schouder geslagen.
Op deze passars zaten mannen achter hunne vruchten- of
groenten-uitstallingen en mannen waren de koopers of verruilden hunne
meegebrachte zaken voor andere.
Nog iets viel ons bij deze menschen op, iets dat wij op Java en
Sumatra nog niet gezien hebben. Het was de onbeschaamdheid waarmede
deze Soendaneesche vrouwen haar bovenlijf onbedekt vertoonden. Het
miste hier geheel den indruk van naïeviteit, van niet beter weten
of van algemeen gebruik, het was veeleer een onverschilligheid,
een te lui zijn, om het jakje aan te trekken of doek om te slaan,
die andere vrouwen gebruiken om het bovenlijf te bedekken.
Alleen op de theeplantages, die wij hier en daar passeerden, waren
vrouwen aan het theeplukken,--een licht en slecht betaald werk,--en
dat was het eenige dat wij op den geheelen langen rit van vrouwenwerk
zagen. Deze Soendaneesche menschen verkeeren blijkbaar reeds in een
verder gevorderd stadium van maatschappelijke ontwikkeling dan de
Minangkabauers, hier is de landbouw, de arbeid, die oorspronkelijk
vrouwenwerk was, reeds geheel in handen van mannen overgegaan. Op
de landbouwschool in Buitenzorg, worden alleen jongens toegelaten,
tot nu toe hebben zich ook nog slechts jongens als leerlingen
opgegeven, maar als er meisjes mochten komen, die eene opleiding
op die school wenschten, dan zou de directeur zich met hand en tand
tegen de toelating verzetten. Voor de meisjes in deze buurten worden
nu door particulieren kant- en weefscholen opgericht, werkzaamheden,
die volgens onze Westersche begrippen meer geschikt zijn voor vrouwen,
en als de meisjes die scholen als volleerde werksters verlaten hebben,
kunnen zij met het aangeleerde nog niet het beetje rijst verdienen,
dat iemand hier voor voedsel noodig heeft.
Toen wij op 't hoogste punt van onzen weg gekomen waren, hielden wij
een oogenblik halt, om langs een mooien weg met prachtig uitzicht even
een bezoek te brengen aan het Telaga warna meer. Dit meertje is een
kratermeer, dat door een dicht geboomte met groote verscheidenheid van
kleur, omgeven is. Dit geboomte wordt in het water weerspiegeld en
verwekt den indruk, alsof het water telkens van kleur wisselt. Bij
fellen zonneschijn, als de zon zich achter een wolk verschuilt,
of als de wind de veelkleurig getinte bladeren dooreenmengelt,
verandert de kleur van het meer.
Op onzen tocht hadden wij een aardige ontmoeting. Zeer spoedig nadat
wij in Buitenzorg het hotel verlaten hadden, zagen wij voor ons een
zelfde soort karretje, ook met drie paarden bespannen, waarin één heer
zat. Toen wij voor den eersten keer uitstapten, stapte ook hij uit,
en begon met ons een gesprek over het doel van onzen tocht. Ook hij
ging naar Sindanglaja en daar hij, alleen gezeten en met zeer weinig
bagage over meer ruimte in zijn karretje beschikken kon dan wij,
nam hij bereidwillig eenige van onze zaken over.
Het is een Spanjaard uit Spaansche ouders, in de Philippijnen geboren,
die zijne opleiding tot advocaat aan de universiteit te Madrid
genoot. Hij is nu in Manilla in een staatsbetrekking. Met echte
Spaansche courtoisie ruimde hij alle moeilijkheden, die onze tocht
medebracht voor ons uit den weg en hij bleek een cavalier te zijn,
zooals wij ons niet beter konden wenschen. Hoewel de man niet ouder dan
35 à 40 jaar kon zijn, kende hij toch zoowat de heele wereld en gaf
ons voor onze verdere reis tal van wetenswaardige inlichtingen. Hij
kende Amerika zoo goed als mrs. Catt en over Holland sprak hij met
een kennis van zaken, die menig Hollander hem benijden kan.
Hij maakt nu een toer door Sumatra en Java, met het doel het geheim
te leeren kennen, waardoor Holland als koloniale mogendheid met beter
resultaten werkt dan de meeste andere landen, die over koloniën te
beschikken hebben. Daar hij in hetzelfde hotel ging logeeren, waren
wij, de twee dagen die hij in Sindanglaja vertoefde, onophoudelijk
met hem samen en hij bleek tot aan het eind de aangename causeur,
de wetenschappelijk ontwikkelde wandelgenoot en de gentleman van top
tot teen te zijn.
Hij schreef het succes van Nederland op Java en Sumatra, het laatste
had hij reeds bezocht, alleen toe, aan onze sociale gelijkstelling van
den Indo-Europeaan met den volbloed Europeaan. Hij had opgemerkt, dat
de geheele geschiedenis door in alle koloniale staten, de opstanden
voor zoover die niet uit godsdienstfanatismus ontstaan--altijd
ontstonden en geleid werden door kleurlingen, d.w.z. door menschen,
uit een mengsel van inlandsche en Europeesche ouders ontstaan. De
inboorling volgt zulke leiders gaarne en gewillig. Doordat bij ons de
Indo-Europeaan als Hollander beschouwd wordt, nemen wij de aanleiding
tot een opstand weg, en mochten de Hollanders op dezen ingeslagen weg
voortgaan, door ook de inlanders als Hollanders te gaan behandelen,
door hun bij gelijke ontwikkeling aanspraak te geven op gelijke
maatschappelijke positie, door hen in onze sociale kringen op te
nemen en hen op voet van gelijkheid te behandelen, dan zou het kleine
Nederland in staat blijven, zijne groote koloniën te behouden, want
dan zou het in de bevolking zelf, een machtigen steun hebben. Dit
was zijne meening. Hij was er niet voor, de koloniën op te voeden
tot zelfregeering, hetgeen Amerika met de Philippijnen voor heeft,
maar wel, om de koloniale bevolking op te voeden tot het peil van
beschaving en ontwikkeling van den staat, die hen regeert, zoodat
zij één wordt met dien staat en de bevolking zich ook één met hare
vroegere overheerschers gevoelt.
Daar onze nieuw verworven vriend den 1en Juli in Manilla terug moest
zijn, reisde hij sneller door Java dan wij, en verliet hij ons na
twee dagen oponthoud in Sindanglaja. In Manilla hopen wij later de
vriendschap voort te zetten.
Een van onze eerste bezoeken van uit Sindanglaja gold de
landbouwkundige tuinen in Tjibodas. Elk in een draagstoel gezeten,
gedragen door vier inlanders, legden wij den steilen steenigen,
slechten weg naar boven, in ongeveer twee uren af. Het was echter een
prachtig uitzicht, dat wij onophoudelijk genoten. Deze botanische
en landbouwkundige tuin, midden in een oerwoud, 1500 meter hoog
gelegen, bevat alle planten, die in de tuinen van Buitenzorg niet
willen bloeien, omdat zij een kouder klimaat behoeven. Deze tuin
kan vergeleken worden met den Ceylonschen tuin in Newrelia, die
om dezelfde reden als de onze een aanhangsel is van den tuin in
Paradenya. Onze Tjibodas-tuin staat echter in menig opzicht, doch
vooral wat aanleg en planten-verscheidenheid betreft, veel hooger
dan de Newrelia'sche. Hier leggen de Engelschen het bij ons af.
Het is maar goed, dat wij in Britsch-Indië door het rijden op kameelen
en olifanten aan het dooreen-schudden gewend geraakt zijn, anders
hadden wij het op dien tocht naar Tjibodas, drie uur heen en terug,
nooit in de draagstoelen uitgehouden. Dat zitten in draagstoelen,
berg-op, berg-af geeft een emotie, die minder goede zeevaarders dan
wij twee zijn, zeker zeeziekte aan land zou bezorgd hebben; het maakte
ons alleen wat duizelig en liet een vage hoofdpijn achter.
Een kwartier wandelen van hier, langs een mooien landweg, in Tjipanas,
ligt het landgoed van den gouverneur-generaal in een prachtig park,
dat vreemd genoeg, voor het publiek gesloten is. Door een toeval
kregen wij gelegenheid om in dit goed onderhouden en idyllisch mooi
gelegen park te wandelen. Als de gouverneur zijn landschap dikwijls
bezocht, zou er misschien reden kunnen zijn, om wandelaars te weren,
maar zelden of nooit komt Z. Exc. er den dag doorbrengen, of er eenige
dagen vertoeven, zoodat deze uitgestrekte bezitting bijna uitsluitend
ten dienste is van het daar wonend ondergeschikt personeel.
Toen wij op onze wandeling door het dorpje een beetje van den grooten
weg afdwaalden, kwamen wij spoedig in een dicht bosch, alwaar op bijna
alle boomen wildgroeiende orchideeën voorkwamen. Het is opmerkelijk,
hoe hier overal langs den weg wild-groeiende orchideeën te vinden
zijn. Hoewel de bloemen niet zoo groot als de bij ons voorkomende,
gekweekte soorten zijn, is de kleur van deze, hier gevondene dikwijls
fijner en zachter. Sommige er van bezitten een heerlijken zoetigen
geur.
Eenige door mij geplukte soorten van deze bloemen, omgeven door een
rand van roodbruine bladeren, van een hier ook in 't wild groeienden
heester, vormde zoo'n mooie bouquet, dat elke bloemist er naar
hunkeren zou.
Het hotel in Sindanglaja, dat tevens tot herstellingsoord dient,
is zeer mooi gelegen en geeft uit bijna alle kamers een mooi
uitzicht op de rondom gelegen bergen. De temperatuur in Sindanglaja
is zeer behagelijk, het is er niet te warm en niet te koud. Het
zou gewis de meest gewenschte plek op aarde zijn voor vele rust-
en herstel-zoekenden, als de huishouding in het hotel een beetje
beter gevoerd werd. Die laat zeer veel te wenschen. Ook klinkt
het een beetje paskwillig, dat eene inrichting, die zich als
"herstellingsoord" publiceert, geen dokter bezit, en er zelfs de
meest gebruikte medicamenten niet te krijgen zijn. Er komt eens per
week een dokter uit een ander oord, die aan den directeur vraagt,
of er ook zieken zijn, en daarna weder verdwijnt.
Niettegenstaande deze bezwaren brachten wij tweetjes toch vier rustige
dagen in Sindanglaja door, dagen die ons geheel restaureerden en die
ons tot de gelukkige ontdekking brachten, dat er met een paar dagen
rust in een koeler klimaat toch nog een beetje van de oude energie
in ons aanwezig is. Wij waren er aan gaan twijfelen.