III.

Den 9en Mei 's avonds, een halven dag vroeger dan wij verwacht hadden,

voer de "Tambora", een van de mooie booten van de Rotterdamsche Lloyd,

ons van Padang naar Batavia terug. Door deze vervroegde aankomst en

vertrek van de boot werd nog even het afscheidsdiner, door de familie

Kamerling voor ons belegd, in de war gestuurd. Toen de gasten kwamen,

moesten wij afreizen, alleen de vroegkomers konden wij nog even de

hand tot afscheid reiken! De heer Kamerling, die ons, niettegenstaande

't in de war gestuurde diner, toch zelf naar de boot bracht, had van

tevoren gezorgd, dat de bagage bezorgd werd, die reeds netjes op haar

plaats in onze hutten op ons wachtte.

Het waren een paar gezellige, vroolijke dagen, die wij aan boord

sleten. De laatste dagen aan boord van deze Hollandsche mailbooten

worden altijd als feestdagen beschouwd; het afscheidsdiner is een

maaltijd met een begin, maar zonder einde; goede wijn en champagne

wordt dan namens den kapitein den gasten geoffreerd; sigaren voor de

heeren, zoetigheidjes voor de dames en aardige, bruikbare souvenirs

vindt men naast zijn couvert of worden gedurende het diner rondgediend,

en als het oogenblik van de champagne is aangebroken, dan breekt

ook meteen de welbespraaktheid los en vloeien de toasten op elkeen

en ieder van veler lippen. De vroolijkheid behoefde niet met geweld

opgewekt te worden, ze kwam spontaan en 't was duidelijk, dat de vele

reizigers, die eenige weken gezamenlijk dit schip bevolkt hadden,

het te zamen goed hebben kunnen vinden en dat zij ook met den kapitein

en de officieren van het schip goede vriendschap hadden gesloten.

In Tandjong Priok aangekomen, hadden wij weder datzelfde gezeur met

de toelatingsbewijzen. Niettegenstaande wij onze toelatingsbewijzen,

die twee jaren geldig zijn, bij ons hadden, moesten wij toch wachten

tot allen klaar waren, omdat niemand vóór dien tijd van boord mocht

gaan. Op een snikheeten middag eenige uren in de haven van Tandjong

Priok doelloos door te brengen, gun ik mijn vijanden zelfs niet.

Het was in Batavia zoo heet--men vertelde ons, dat in veertig jaren

zoo'n hitte niet voorgekomen was--dat wij besloten zoo spoedig mogelijk

onze zaken aldaar te regelen en naar Buitenzorg te vertrekken en

daarmede onzen toer door Java te beginnen.

In het Hotel Bellevue te Buitenzorg vonden wij vriendelijke opname en

een paar frissche kamers met een wonderschoon uitzicht op den berg

Salak en op de daaronder stroomende rivier. Uren konden wij daar,

op de veranda zittende, doorbrengen met te kijken naar de kleine,

bruine kindertjes, die daar als jonge kikvorschen in en uit de rivier

sprongen en zich daar den geheelen dag amuseerden, terwijl hunne

moeders, tot aan het middel in het water staande, tallooze gekleurde

sarongs en witte baaitjes in den snelvlietenden stroom waschten en

ze dan op den oever te drogen legden. De berg zelf, tot aan den top

begroeid met theeplantages en palmboomen, bood ons een heerlijken,

rustigen aanblik. Drie dagen brachten wij in Buitenzorg door, dagen,

die vol waren met afwisselende indrukken.

Natuurlijk gold ons eerste bezoek de beroemde botanische tuinen,

den trots van Java. Zonder het opzettelijk te willen, maakte

ik toch onwillekeurig vergelijkingen met den mededinger naar de

kroon van de beste en de mooiste in de geheele wereld te zijn, den

Koninklijken Botanischen tuin in Paradenya, op Ceylon. Ik ben blij,

dat ik niet geroepen ben, in dezen uitspraak te moeten doen, want

het zou mij heel zwaar vallen uit te maken, welke van beide den prijs

verdient. Is onze Koninklijke tuin misschien smaakvoller aangelegd,

die in Paradenya bezit het voordeel, dat men bij elken boom en plant

naast den wetenschappelijken Latijnschen naam ook den gebruikelijken

Engelschen naam vermeld vindt, benevens den naam van het land, waar

die boom of plant inheemsch is.

Naast den botanischen tuin interesseerden ons het meest, de eveneens

beroemde kweek- en proeftuinen en de landbouwtuin. Hiermede verbonden

wij meteen een bezoek aan de landbouwschool, alwaar wij van het

onderwijs niet veel konden zien, omdat de jongelieden juist in de

examen-werkzaamheden zaten. Het waren in hoofdzaak jongens, geboren

uit Hollandsche vaders en inlandsche moeders, die de leerlingen vormden

en naar de directeur ons mededeelde, was het voornamelijk om voor deze

jongens een hun passenden werkkring te vormen, dat deze school was in

het leven geroepen. Ik hoop, dat er een hooger en meer algemeen belang

bij de oprichting en instandhouding van deze school beoogd wordt,

al is het resultaat dan ook, dat daarmede bedoelde jongelieden aan

eene maatschappelijke positie geholpen worden.

Ik wil niet opnoemen wat wij in Buitenzorg op zoölogisch, botanisch,

landbouwkundig, chemisch en phytopathologisch gebied meer voor

bijzonderheden zagen, doch met een enkel woord wil ik toch even het

zoö-phytopathologisch museum gedenken, met zijn bekwamen directeur,

den heer Ouwens, aan het hoofd, den man, die zoo met liefde zijn

interessanten arbeid volbrengt. Met hem als gids, brachten wij eenige

onvergetelijke uren in dat museum door, uren, waarin wij omtrent

de dieren in onze koloniën méér leerden, dan wij anders in maanden

zouden hebben gedaan. Wat maakt het toch een oneindig verschil, als het

hoofd van zulk een inrichting zijn taak met belangstelling en liefde

voor de zaak vervult, of, zooals ik ze ook wel eens heb aangetroffen,

zijn betrekking opvat als een baantje, dat hem tot kostwinning dient.

Eene vergadering met de daar bij ons vorig bezoek verkregen leden

van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, leidde tot de oprichting

van eene afdeeling Buitenzorg, die met 28 leden haar werk aanvangt.

Donderdagmorgen, 16 Mei, vertrokken wij 's morgens om 7 uur per

kar naar Sindanglaja. Ik schrijf per kar, Kahar Baloon, zooals de

inheemsche naam luidt, want rijtuig durf ik het niet noemen. Maar

hoe ongemakkelijk onze zitplaatsen in dit nauwe, op twee hooge wielen

draaiende karretje ook waren, spoedig hadden wij alle ongerieflijkheden

vergeten door het prachtige gezicht, dat onophoudelijk in tal van

variaties, onze aandacht boeide. Hoewel deze tocht, waarbij wij eerst

door drie, later door vijf paarden naar boven geheschen werden, ruim

zes uren duurde, hebben wij ons geen oogenblik over den langen duur

beklaagd. Niet alleen was het uitzicht op de bergen onbeschrijfelijk

mooi, maar ook de bevolking in de verschillende dorpjes, die wij

doorkwamen, bood ons telkens iets nieuws en gaf stof tot vele

opmerkingen.

Hoe hemelsbreed verschilt deze Soendaneesche bevolking van die

welke wij zoo kort geleden in de Padangsche bovenlanden zagen. De

Soendaneesche vrouwen zijn mooier dan hare Minangkabausche zusters,

maar dat is ook het eenige, dat wij in haar voordeel kunnen

aanvoeren. Zagen wij in de Padangsche bovenlanden overal aan den weg,

op het land, in de passars het werk door vrouwen verrichten, hier

over den Poentjakpas waren het bijna uitsluitend mannen, die het werk

deden, terwijl de vrouwen overal in groepjes bijeenzaten te babbelen,

of met een baby in de armen of aan de borst op den grond zaten en

lusteloos voor zich uitstaarden. Hier was geen spoor meer aanwezig

van de fiere, zelfbewuste houding der Minangkabausche vrouwen, hier

zagen wij moedertjes, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, met

een zwaarmoedig, levensmoe uiterlijk, waaruit elke grein van energie

geweken was. Het verwonderde ons niet, dat ook de kleine kindertjes

reeds die oude-mannen- en oude-vrouwen trek op hun gelaat vertoonden,

kindertjes, die stil neerlagen als ze in het zand gelegd werden,

en op wier gezichtjes, als het rijtuig eens stil hield, of als wij

eens verkozen door een dorp te loopen, in plaats van te rijden, wij

met geen mogelijkheid een lachje konden te voorschijn roepen. Hoe

kunnen zulke energie-looze moedertjes anders dan wezenlooze kinderen

het leven schenken?

In een paar dorpen, die wij doorgingen, was het passar-dag en nu zagen

wij steeds van alle zijden de mannen, zwaar beladen, met groenten,

vruchten en aardappelen ons langs den weg passeeren en passarwaarts

gaan. Geen enkele vrouw was onder hen. Deze mannen dragen hunne zware

vrachten niet, zooals de Minangkabausche vrouwen, op het hoofd, maar

hangende aan een lang juk over een der beide schouders. Dit juk is

meestal van bamboe gemaakt en wordt om beurten over den rechter of

linker schouder geslagen.

Op deze passars zaten mannen achter hunne vruchten- of

groenten-uitstallingen en mannen waren de koopers of verruilden hunne

meegebrachte zaken voor andere.

Nog iets viel ons bij deze menschen op, iets dat wij op Java en

Sumatra nog niet gezien hebben. Het was de onbeschaamdheid waarmede

deze Soendaneesche vrouwen haar bovenlijf onbedekt vertoonden. Het

miste hier geheel den indruk van naïeviteit, van niet beter weten

of van algemeen gebruik, het was veeleer een onverschilligheid,

een te lui zijn, om het jakje aan te trekken of doek om te slaan,

die andere vrouwen gebruiken om het bovenlijf te bedekken.

Alleen op de theeplantages, die wij hier en daar passeerden, waren

vrouwen aan het theeplukken,--een licht en slecht betaald werk,--en

dat was het eenige dat wij op den geheelen langen rit van vrouwenwerk

zagen. Deze Soendaneesche menschen verkeeren blijkbaar reeds in een

verder gevorderd stadium van maatschappelijke ontwikkeling dan de

Minangkabauers, hier is de landbouw, de arbeid, die oorspronkelijk

vrouwenwerk was, reeds geheel in handen van mannen overgegaan. Op

de landbouwschool in Buitenzorg, worden alleen jongens toegelaten,

tot nu toe hebben zich ook nog slechts jongens als leerlingen

opgegeven, maar als er meisjes mochten komen, die eene opleiding

op die school wenschten, dan zou de directeur zich met hand en tand

tegen de toelating verzetten. Voor de meisjes in deze buurten worden

nu door particulieren kant- en weefscholen opgericht, werkzaamheden,

die volgens onze Westersche begrippen meer geschikt zijn voor vrouwen,

en als de meisjes die scholen als volleerde werksters verlaten hebben,

kunnen zij met het aangeleerde nog niet het beetje rijst verdienen,

dat iemand hier voor voedsel noodig heeft.

Toen wij op 't hoogste punt van onzen weg gekomen waren, hielden wij

een oogenblik halt, om langs een mooien weg met prachtig uitzicht even

een bezoek te brengen aan het Telaga warna meer. Dit meertje is een

kratermeer, dat door een dicht geboomte met groote verscheidenheid van

kleur, omgeven is. Dit geboomte wordt in het water weerspiegeld en

verwekt den indruk, alsof het water telkens van kleur wisselt. Bij

fellen zonneschijn, als de zon zich achter een wolk verschuilt,

of als de wind de veelkleurig getinte bladeren dooreenmengelt,

verandert de kleur van het meer.

Op onzen tocht hadden wij een aardige ontmoeting. Zeer spoedig nadat

wij in Buitenzorg het hotel verlaten hadden, zagen wij voor ons een

zelfde soort karretje, ook met drie paarden bespannen, waarin één heer

zat. Toen wij voor den eersten keer uitstapten, stapte ook hij uit,

en begon met ons een gesprek over het doel van onzen tocht. Ook hij

ging naar Sindanglaja en daar hij, alleen gezeten en met zeer weinig

bagage over meer ruimte in zijn karretje beschikken kon dan wij,

nam hij bereidwillig eenige van onze zaken over.

Het is een Spanjaard uit Spaansche ouders, in de Philippijnen geboren,

die zijne opleiding tot advocaat aan de universiteit te Madrid

genoot. Hij is nu in Manilla in een staatsbetrekking. Met echte

Spaansche courtoisie ruimde hij alle moeilijkheden, die onze tocht

medebracht voor ons uit den weg en hij bleek een cavalier te zijn,

zooals wij ons niet beter konden wenschen. Hoewel de man niet ouder dan

35 à 40 jaar kon zijn, kende hij toch zoowat de heele wereld en gaf

ons voor onze verdere reis tal van wetenswaardige inlichtingen. Hij

kende Amerika zoo goed als mrs. Catt en over Holland sprak hij met

een kennis van zaken, die menig Hollander hem benijden kan.

Hij maakt nu een toer door Sumatra en Java, met het doel het geheim

te leeren kennen, waardoor Holland als koloniale mogendheid met beter

resultaten werkt dan de meeste andere landen, die over koloniën te

beschikken hebben. Daar hij in hetzelfde hotel ging logeeren, waren

wij, de twee dagen die hij in Sindanglaja vertoefde, onophoudelijk

met hem samen en hij bleek tot aan het eind de aangename causeur,

de wetenschappelijk ontwikkelde wandelgenoot en de gentleman van top

tot teen te zijn.

Hij schreef het succes van Nederland op Java en Sumatra, het laatste

had hij reeds bezocht, alleen toe, aan onze sociale gelijkstelling van

den Indo-Europeaan met den volbloed Europeaan. Hij had opgemerkt, dat

de geheele geschiedenis door in alle koloniale staten, de opstanden

voor zoover die niet uit godsdienstfanatismus ontstaan--altijd

ontstonden en geleid werden door kleurlingen, d.w.z. door menschen,

uit een mengsel van inlandsche en Europeesche ouders ontstaan. De

inboorling volgt zulke leiders gaarne en gewillig. Doordat bij ons de

Indo-Europeaan als Hollander beschouwd wordt, nemen wij de aanleiding

tot een opstand weg, en mochten de Hollanders op dezen ingeslagen weg

voortgaan, door ook de inlanders als Hollanders te gaan behandelen,

door hun bij gelijke ontwikkeling aanspraak te geven op gelijke

maatschappelijke positie, door hen in onze sociale kringen op te

nemen en hen op voet van gelijkheid te behandelen, dan zou het kleine

Nederland in staat blijven, zijne groote koloniën te behouden, want

dan zou het in de bevolking zelf, een machtigen steun hebben. Dit

was zijne meening. Hij was er niet voor, de koloniën op te voeden

tot zelfregeering, hetgeen Amerika met de Philippijnen voor heeft,

maar wel, om de koloniale bevolking op te voeden tot het peil van

beschaving en ontwikkeling van den staat, die hen regeert, zoodat

zij één wordt met dien staat en de bevolking zich ook één met hare

vroegere overheerschers gevoelt.

Daar onze nieuw verworven vriend den 1en Juli in Manilla terug moest

zijn, reisde hij sneller door Java dan wij, en verliet hij ons na

twee dagen oponthoud in Sindanglaja. In Manilla hopen wij later de

vriendschap voort te zetten.

Een van onze eerste bezoeken van uit Sindanglaja gold de

landbouwkundige tuinen in Tjibodas. Elk in een draagstoel gezeten,

gedragen door vier inlanders, legden wij den steilen steenigen,

slechten weg naar boven, in ongeveer twee uren af. Het was echter een

prachtig uitzicht, dat wij onophoudelijk genoten. Deze botanische

en landbouwkundige tuin, midden in een oerwoud, 1500 meter hoog

gelegen, bevat alle planten, die in de tuinen van Buitenzorg niet

willen bloeien, omdat zij een kouder klimaat behoeven. Deze tuin

kan vergeleken worden met den Ceylonschen tuin in Newrelia, die

om dezelfde reden als de onze een aanhangsel is van den tuin in

Paradenya. Onze Tjibodas-tuin staat echter in menig opzicht, doch

vooral wat aanleg en planten-verscheidenheid betreft, veel hooger

dan de Newrelia'sche. Hier leggen de Engelschen het bij ons af.

Het is maar goed, dat wij in Britsch-Indië door het rijden op kameelen

en olifanten aan het dooreen-schudden gewend geraakt zijn, anders

hadden wij het op dien tocht naar Tjibodas, drie uur heen en terug,

nooit in de draagstoelen uitgehouden. Dat zitten in draagstoelen,

berg-op, berg-af geeft een emotie, die minder goede zeevaarders dan

wij twee zijn, zeker zeeziekte aan land zou bezorgd hebben; het maakte

ons alleen wat duizelig en liet een vage hoofdpijn achter.

Een kwartier wandelen van hier, langs een mooien landweg, in Tjipanas,

ligt het landgoed van den gouverneur-generaal in een prachtig park,

dat vreemd genoeg, voor het publiek gesloten is. Door een toeval

kregen wij gelegenheid om in dit goed onderhouden en idyllisch mooi

gelegen park te wandelen. Als de gouverneur zijn landschap dikwijls

bezocht, zou er misschien reden kunnen zijn, om wandelaars te weren,

maar zelden of nooit komt Z. Exc. er den dag doorbrengen, of er eenige

dagen vertoeven, zoodat deze uitgestrekte bezitting bijna uitsluitend

ten dienste is van het daar wonend ondergeschikt personeel.

Toen wij op onze wandeling door het dorpje een beetje van den grooten

weg afdwaalden, kwamen wij spoedig in een dicht bosch, alwaar op bijna

alle boomen wildgroeiende orchideeën voorkwamen. Het is opmerkelijk,

hoe hier overal langs den weg wild-groeiende orchideeën te vinden

zijn. Hoewel de bloemen niet zoo groot als de bij ons voorkomende,

gekweekte soorten zijn, is de kleur van deze, hier gevondene dikwijls

fijner en zachter. Sommige er van bezitten een heerlijken zoetigen

geur.

Eenige door mij geplukte soorten van deze bloemen, omgeven door een

rand van roodbruine bladeren, van een hier ook in 't wild groeienden

heester, vormde zoo'n mooie bouquet, dat elke bloemist er naar

hunkeren zou.

Het hotel in Sindanglaja, dat tevens tot herstellingsoord dient,

is zeer mooi gelegen en geeft uit bijna alle kamers een mooi

uitzicht op de rondom gelegen bergen. De temperatuur in Sindanglaja

is zeer behagelijk, het is er niet te warm en niet te koud. Het

zou gewis de meest gewenschte plek op aarde zijn voor vele rust-

en herstel-zoekenden, als de huishouding in het hotel een beetje

beter gevoerd werd. Die laat zeer veel te wenschen. Ook klinkt

het een beetje paskwillig, dat eene inrichting, die zich als

"herstellingsoord" publiceert, geen dokter bezit, en er zelfs de

meest gebruikte medicamenten niet te krijgen zijn. Er komt eens per

week een dokter uit een ander oord, die aan den directeur vraagt,

of er ook zieken zijn, en daarna weder verdwijnt.

Niettegenstaande deze bezwaren brachten wij tweetjes toch vier rustige

dagen in Sindanglaja door, dagen die ons geheel restaureerden en die

ons tot de gelukkige ontdekking brachten, dat er met een paar dagen

rust in een koeler klimaat toch nog een beetje van de oude energie

in ons aanwezig is. Wij waren er aan gaan twijfelen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 93 / 133 题