Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel
de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, 't matriarchaat,
hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst
bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben
een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele
gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd,
bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door
het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt,
dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke
kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter;
de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo'n uitbouwsel en zoo
gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft
een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter
slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het
geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten,
de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.
In zoo'n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en
kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen
dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze
vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij
opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder,
dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de
nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al
het geld en goed dat zoo'n familie bezit, behoort den vrouwen toe
en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden
onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere
reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke
huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan
treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij
buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk
hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem
verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de
vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets,
wat de vrouwen toebehoort.
Al het werk in zoo'n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het
land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en
bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken,
moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of
niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen
de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en
andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en
verkoopen het daar.
Waar blijven de mannen uit zoo'n gezin?
Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de
Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden
wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen
godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en
de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna
allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te
trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder
tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne
mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar
een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost [3], al naar
gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje,
zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel
waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om
beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning
behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als
een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding
van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een
maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de
kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft,
een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons
in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een
goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja's, suikerriet,
kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen
vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: "Natuurlijk heb
ik vier vrouwen en reeds acht kinderen". En toen vernam ik, dat die
vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze
om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers
zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit
dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in
een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast
zijne woning en 't paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in
een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje
voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar
hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een
of twee dagen een leven als "heer der schepping" te hebben laten
welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen
te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen
om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van
humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open
armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden
keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.
Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet
alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan
bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich
inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw
familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.
Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne
vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo'n gezin
helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook
allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat
zoo'n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen
lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele
familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn,
wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het
werk op de vrouwen neer.
Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke
werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in
Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op
het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen
eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs
vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn
de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en
nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten
bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig 'n
strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje
hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms
een soort hanengevecht te laten houden.
Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk,
vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook
zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid
en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.
De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek
voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger
districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als
geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters
ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters
met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning
in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie
kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie
met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven
voor, dat men zoo'n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen
vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren,
met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte
gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend,
Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee
maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig
doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er
van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder
die attributen.
De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje,
van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie
maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was
een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het
huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan
overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan
daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven,
dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij
eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. 't Jonge
vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er
sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone,
waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met
beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en
altijd bij mij wilde blijven.
Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de
leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar
behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin
gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig
verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich
daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk
gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn,
die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te
voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo
heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn,
vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk
genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu
nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.
Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve
kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers
bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar
vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij
er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk
geschreven, [4] geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende
beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het
vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige
jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en
de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er
komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een
onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres
voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral
ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te
winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken,
dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever
gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat
het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven
van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen
bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de
heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens
kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en
hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel
veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een
beetje tact aan het licht kan worden gebracht.
Toen wij op Prinses Juliana's verjaardag des morgens vroeg waren
opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken,
stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht
om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij
hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben
zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie
bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over
de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij
waren ontevreden over ons zelf!
In Fort de Kock was ter eere van Juliana's geboortedag alles gesloten
en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten
daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe
en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee
paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam
voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen,
waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was
heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk
kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij
in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij
lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes
ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim
4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten
eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door
elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen
tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes
gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in
de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is
jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede
huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis,
die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op
de meest primitieve wijze moet verplaatsen.
Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in
Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig
het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele
natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van
verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons
gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden
en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon
gezicht levert.
De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche
dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den
volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman
maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene
der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale
familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en
goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en
de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh,
het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was
bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij
ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea
en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en
daar hij geen andere vrouwen heeft,--eene tweede vrouw, die hij had,
is gestorven--woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder
in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt,
vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den
smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken,
het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.
Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene
woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden
uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo
aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken,
suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds
van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel
van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet,
het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te
dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost
zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding
kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen
vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld
betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de
invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost
en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een
betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van
de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie
en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper
een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.
Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de
Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk;
men ziet ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig en men ziet
het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen
van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij
brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna
al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij
en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe
werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond,
die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de
rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in
kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.