II.

Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel

de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, 't matriarchaat,

hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst

bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben

een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele

gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd,

bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door

het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt,

dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke

kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter;

de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo'n uitbouwsel en zoo

gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft

een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter

slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het

geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten,

de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.

In zoo'n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en

kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen

dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze

vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij

opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder,

dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de

nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al

het geld en goed dat zoo'n familie bezit, behoort den vrouwen toe

en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden

onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere

reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke

huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan

treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij

buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk

hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem

verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de

vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets,

wat de vrouwen toebehoort.

Al het werk in zoo'n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het

land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en

bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken,

moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of

niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen

de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en

andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en

verkoopen het daar.

Waar blijven de mannen uit zoo'n gezin?

Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de

Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden

wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen

godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en

de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna

allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te

trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder

tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne

mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar

een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost [3], al naar

gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje,

zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel

waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om

beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning

behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als

een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding

van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een

maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de

kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft,

een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons

in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een

goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja's, suikerriet,

kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen

vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: "Natuurlijk heb

ik vier vrouwen en reeds acht kinderen". En toen vernam ik, dat die

vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze

om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers

zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit

dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in

een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast

zijne woning en 't paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in

een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje

voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar

hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een

of twee dagen een leven als "heer der schepping" te hebben laten

welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen

te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen

om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van

humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open

armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden

keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.

Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet

alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan

bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich

inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw

familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.

Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne

vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo'n gezin

helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook

allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat

zoo'n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen

lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele

familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn,

wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het

werk op de vrouwen neer.

Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke

werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in

Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op

het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen

eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs

vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn

de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en

nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten

bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig 'n

strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje

hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms

een soort hanengevecht te laten houden.

Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk,

vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook

zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid

en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.

De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek

voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger

districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als

geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters

ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters

met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning

in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie

kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie

met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven

voor, dat men zoo'n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen

vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren,

met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte

gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend,

Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee

maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig

doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er

van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder

die attributen.

De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje,

van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie

maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was

een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het

huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan

overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan

daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven,

dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij

eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. 't Jonge

vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er

sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone,

waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met

beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en

altijd bij mij wilde blijven.

Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de

leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar

behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin

gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig

verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich

daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk

gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn,

die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te

voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo

heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn,

vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk

genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu

nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.

Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve

kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers

bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar

vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij

er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk

geschreven, [4] geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende

beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het

vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige

jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en

de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er

komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een

onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres

voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral

ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te

winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken,

dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever

gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat

het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven

van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen

bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de

heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens

kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en

hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel

veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een

beetje tact aan het licht kan worden gebracht.

Toen wij op Prinses Juliana's verjaardag des morgens vroeg waren

opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken,

stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht

om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij

hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben

zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie

bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over

de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij

waren ontevreden over ons zelf!

In Fort de Kock was ter eere van Juliana's geboortedag alles gesloten

en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten

daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe

en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee

paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam

voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen,

waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was

heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk

kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij

in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij

lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes

ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim

4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten

eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door

elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen

tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes

gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in

de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is

jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede

huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis,

die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op

de meest primitieve wijze moet verplaatsen.

Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in

Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig

het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele

natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van

verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons

gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden

en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon

gezicht levert.

De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche

dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den

volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman

maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene

der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale

familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en

goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en

de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh,

het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was

bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij

ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea

en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en

daar hij geen andere vrouwen heeft,--eene tweede vrouw, die hij had,

is gestorven--woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder

in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt,

vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den

smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken,

het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.

Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene

woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden

uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo

aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken,

suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds

van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel

van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet,

het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te

dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost

zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding

kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen

vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld

betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de

invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost

en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een

betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van

de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie

en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper

een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.

Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de

Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk;

men ziet ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig en men ziet

het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen

van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij

brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna

al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij

en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe

werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond,

die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de

rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in

kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 90 / 133 题