I.

Den 22en April verlieten wij 's morgens Batavia, om ons met de

"Bantam" van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij naar Padang

en de Padangsche Bovenlanden te begeven. Van Batavia naar Padang

met de Kon. Paketvaart-Mij. is een tocht vol afwisseling, omdat

men onophoudelijk dicht langs de kust vaart en tal van plaatsjes

aandoet. Tegen ongeveer het middaguur verlieten wij Tandjong Priok en

genoten nog eens van het gezicht op de mooie haven en de vele kleine

eilandjes. Even vóór zes uur lagen wij stil op de reede van Anjer om

tal van inlanders en eenige vrachtgoederen aan boord te nemen. Tevoren

hadden wij nog bij daglicht het gezicht op Krakatou, het verlaten

eiland, en het lange eiland genoten, want toen wij er later op den

avond veel nader bij kwamen, was het te donker om er iets van te zien.

Om 6 uur den volgenden morgen lagen wij voor Kotô Agoëng stil,

om menschen en goederen te laden en te lossen. Kotô Agoëng is

een dorpje van de Lampongsche districten. Wij tweetjes stonden bij

aankomst reeds kant en klaar en toen wij den kapitein onzen wensch te

kennen gaven om aan wal te gaan, werd het stoomsloepje onmiddellijk

neergelaten en werden wij aan wal gestoomd. Een klein roeibootje,

bemand met twee inlanders, was achter aan 't stoomsloepje gebonden,

om ons uit de sloep zooveel verder te roeien en te trekken, tot

wij droogvoets aan wal konden stappen. Wij moesten toch nog een ver

sprongetje maken om niet door een opkomende golf verrast te worden,

doch toen wij daar eindelijk aan wal stonden tusschen die tallooze

toegestroomde inlanders, met wie wij geen woord konden wisselen,

hadden wij toch voldoening van onze daad, al moesten wij elkander

ook even glimlachend aankijken en ons zelf een paar avonturiersters

noemen. Wij waren de eenige passagiers, die aan wal waren gegaan.

Eerst namen wij een kijkje op de passar, waar vooral de vrouwen

zeer bedrijvig waren. Tal van jonge vrouwen zaten er neergehurkt,

ieder in eigen kringetje, met in 't midden een gat in den grond,

daarboven een houtvuurtje en op dat houtvuurtje een pan gloeiend

vet of olie, waarin allerlei soort bananen en ook sommige andere

vruchten gebakken werden. Rondom ieder houtvuurtje een troepje

inlanders, die de gebakken vruchten zoodra zij gereed waren, voor

een of meer centen kochten en ze dan onmiddellijk nuttigden. Sommige

oudere vrouwen kochten bij de verschillende gelegenheden eene kleine

verscheidenheid van gebakken vruchten, die in een groot groen blad

gerold, mede huiswaarts genomen werden. Ook kon men er hoopjes rijst

of rijstkoekjes koopen, met of zonder een bestrooisel van geraspte

kokosnoot. Wij zagen er meer soorten van ananas, dan wij ooit vermoed

hadden dat er bestonden. Opmerkelijk was daar de stilte en kalmte,

die onder deze menschenmassa heerschte. Men hoorde er nauwelijks

eenig geluid.

Toen wij op de passar waren uitgekeken, gingen wij het dorp in. Een

net en welvarend dorpje. Aan het eind van den langen hoofdweg stond

de controleurswoning met het kantoor en de gevangenis, de eenige

gouvernementsgebouwen, die daar bestaan, doch die zich onmiddellijk

van alle andere gebouwen onderscheiden. De controleur zat in de

voorgalerij en toen hij bemerkte, dat wij zijn erf opkwamen, kwam hij

ons vriendelijk tegemoet. Hij is de eenige Europeaan, die daar woont

en zijne kennismaking was voor ons bijzonder aangenaam, omdat hij

uitstekend Engelsch sprak. Hij stond op het punt het gebergte in te

gaan, waar sedert eenige avonden onheilspellende aardbevingsschokken

vernomen waren, die de instorting van eenige bouwvallige woningen

ten gevolge hadden gehad en waarover de inlandsche bevolking zich

zeer verontrustte. Hij moest nu den stand van zaken gaan opnemen en

zooveel mogelijk de bevolking geruststellen.

Over de daar wonende Lampongsche bevolking gaf hij ons eenige zeer

wetenswaardige bijzonderheden. Er bestaat daar een soort overgangsvorm

tusschen het matriarchaat en het patriarchaat. De Lampongsche jonge

meisjes worden door de vaders voor een zekere som, soms 2000 à 3000

gulden, aan den toekomstigen echtgenoot verkocht en gaan dan van het

ouderlijk huis in het ouderlijk huis van den man over. Zij moeten dan

in het nieuwe tehuis 't werk verrichten, dat haar door echtgenoot

en schoonmoeder wordt opgedragen. In zekeren zin is zoo'n vrouw

dan de slavin van haar schoonmoeder en van haar man. Kan de huwbare

man echter de kostende som voor zijne bruid niet bijeenbrengen, dan

begeeft hij zich in dienstbaarheid bij haar vader. De dochter en de

jonge echtgenoot blijven dan in de woning van de ouders der vrouw en

de jonge man wordt de slaaf van zijn schoonvader en misschien ook

wel van zijne vrouw. De kinderen uit dat huwelijk dragen in zoo'n

geval den familienaam van de moeder en behooren haar toe. Wanneer een

vader geen zonen en maar één dochter heeft, dan wil hij alleen onder

de laatste voorwaarde zijn dochter uithuwelijken, omdat anders zijn

familie uitsterft.

Bijzonder interesseerden mrs. Catt en ik ons nu voor hetgeen wij

vernamen, omdat daaruit bleek, dat onder de Lampongsche jonge vrouwen

een geest van verzet zich begon te openbaren, nu de zaken niet meer

gaan zooals zij dat wenschen. De som van twee à drieduizend gulden,

die de vaders tegenwoordig voor hunne dochters eischen, kan n.l. in

den regel niet door een jongen man opgebracht worden en om die

reden worden de meisjes nu maar al te vaak uitgeleverd aan oudere

of oude bokken, die voor een groen spruitje een groote som over

hebben. De jonge meisjes van Kotô Agoëng en omstreken zijn nu sedert

geruimen tijd een strike begonnen: zij zijn overeengekomen om niet

anders dan een huwelijk aan te gaan, waarbij de nieuwe jonge man in

dienst treedt van haar vader en zij de rechten behoudt op kinderen

en ouderlijk erfdeel. De reden is duidelijk. De jonge vrouwtjes

vertikken het langer om uitgehuwelijkt te worden aan oude snoepers;

zij geven den jongen, frisschen echtgenoot de voorkeur. Deze strike

der jonge dames heeft reeds zoo'n omvang aangenomen, dat de hoofden

van Kotô Agoëng met den controleur eene vergadering hebben belegd,

om te zien wat er in dezen gedaan moet worden, omdat er in de laatste

maanden geen huwelijken meer gesloten worden. De controleur vertelde

ons, dat er nog geen oplossing voor dit penible vraagstuk was gevonden.

Wij hadden gaarne nog eens een kijkje genomen in de peperplantages,

waaraan dit district zijne beteekenis grootendeels ontleent, maar die

plantages zijn ongeveer twee uur ver in het gebergte gelegen en alleen

per paard of te voet konden wij er komen. Zoo lang durfden wij echter

niet van het schip verwijderd blijven. Na nog een mooie verzameling

eigengemaakte fotografieën van het district en zijn bewoners van

den controleur Kriebel bewonderd te hebben, namen wij van onzen

vriendelijken gastheer afscheid, die daar wel eenzaam leeft, doch

zijne eenzaamheid met opgewektheid draagt en er al het interessante

van gevoelt. Even voorkomend als wij aan land gebracht waren, werden

wij ook weder naar het schip teruggevoerd.

Midden in den nacht kwamen wij in Kroë aan en vertrokken van daar

ook weder nog vóór de dag was aangebroken. Van aan wal gaan dus geen

sprake. Grooter was evenwel de teleurstelling, toen wij Woensdagavond

ook eerst Benkoelen bereikten, nadat het nachtelijk duister reeds

lang was ingetreden. In Benkoelen waren wij zoo gaarne aan wal

gegaan en wij hadden daarop vrij zeker gerekend. Er was echter geen

sprake van, want het aan wal gaan geschiedt, door de groote deining,

die er bestaat, niet zonder gevaar en de afstand van het schip naar

den wal is minstens een half uur roeien in een primitieve prauw. Aan

boord blijven was dus de boodschap. Wij konden niets anders doen dan

den volgenden morgen vroeg opstaan, om vóór wij Benkoelen verlieten,

van het dek van het schip met een goeden scheepskijker een kijkje te

nemen van het voor ons onbereikbare stadje.

Vrijdagmorgen, om zes uur, landden wij in Padang. Van het mooie

binnenkomen konden wij ook al weder, doordat het daglicht nog niet

was doorgebroken, weinig genieten. Alleen even vóór wij vastgemeerd

lagen was het daglicht helder genoeg om ons een kijkje te gunnen en

een vermoeden te geven van wat wij gemist hadden.

Niettegenstaande het zeer vroege ochtenduur, stonden er op den wal

toch reeds drie dames op ons te wachten, die ons het welkom in Padang

brachten, de zorg voor onze bagage namen en ons per auto langs den

mooien weg van de Emmahaven naar de stad en in het gastvrije huis van

den heer en mevrouw Kamerling afleverden. In dat vriendelijke, oude

echtpaar, mevrouw vierde dien dag haar 72en geboortedag, vonden wij een

paar warme voorstanders van Vrouwenkiesrecht, die daar in Padang de

voorbereiding voor onze komst geheel geleid en met behulp van eenige

andere dames ook verricht hebben. Een hartelijker ontvangst is niet

denkbaar. Voor alles was gezorgd. Omdat wij kwamen op een oogenblik,

dat de Juliana-feesten in volle voorbereiding waren, was het beter de

vergadering voor vrouwenkiesrecht uit te stellen totdat wij het bezoek

aan de Padangsche bovenlanden hadden gebracht en voor dit bezoek waren

alle stappen gedaan, om het voor ons zoo gemakkelijk, aangenaam en

vruchtdragend mogelijk te maken. Aan alle assistent-residenten en

hotels in de verschillende plaatsjes was onze komst aangekondigd

en gevraagd om ons het verblijf te vergemakkelijken. Wij besloten

daarom, om maar direct Zaterdagmorgen naar boven te gaan, omdat wij

vóór alles Zondag in Pajacombo, het eindpunt van de reis, wilden zijn.

Vrijdagavond hadden echter mijnheer en mevrouw Kamerling tal van

Padangsche heeren en dames uitgenoodigd, om kennis met ons te maken

en ons met dezen in kennis te brengen, van welke uitnoodiging een

ruim gebruik was gemaakt. Wij kwamen hierdoor ook in de gelegenheid

tal van bijzonderheden te vernemen aangaande den tocht, dien wij

den volgenden morgen vroeg zouden aanvangen. Omdat twee logé's voor

onze lieve oudjes wat veel was, maakte mrs. Catt gaarne gebruik van

de vriendelijke uitnoodiging van de buren der familie Kamerling,

den heer en mevrouw de Keth, om daar te gaan logeeren.

Toen mr. De Keth ons den volgenden morgen vroeg naar het station

bracht, bleek ook daar, hoe voorkomend de oude heer Kamerling alles

voor ons had voorbereid. De stationschef was van onze komst verwittigd;

hij had op verzoek een 1e klasse waggon met balcon vóór aan den trein

gehaakt, (de locomotief staat achter den trein en duwt hem naar boven)

en daarop een paar bankjes geplaatst, zoodat wij een onbelemmerd

uitzicht genoten van den prachtigen weg, dien wij aflegden.

Eerst ging het eenige uren lang links, langs tuinen met klapperboomen,

pisangpalmen, mangoboomen en zoovele andere tropische boomen

waarvan wij den naam niet weten en hier zagen wij ook in groote

verscheidenheid den varenboom, dien wij op Ceylon hadden leeren

kennen, terwijl rechts reeds heel spoedig eene reeks van bergtoppen,

het Barisangebergte, tot aan den top met palmen begroeid, zich aan ons

oog vertoonde. Schilderachtig lagen tusschen dat veelkleurige groen

de houten woninkjes met hunne donkerbruine, rieten daken, daken,

die alle gracieus, boogvormig zijn, eene eigenaardigheid waardoor

Sumatra'sche, inlandsche woningen zich kenmerken. Wat verder op kregen

wij ook aan den linkerkant eene bergreeks, het Danaugebergte, totdat

wij eindelijk de kloof van Anek naderden, en de trein tusschen eene

nauwe bergengte met watervallen, gorges en snel vlietende stroompjes,

zich naar boven werkte.

Als men den tropischen plantengroei, de donkerkleurige bevolking en

de Sumatra'sche huisjes wegdacht, zou men zich in een van de mooie

gedeelten van Zwitserland in den zomer verplaatst kunnen gevoelen, maar

juist deze drie zaken maken dezen weg tot eene nog schilderachtiger.

De bruine, rieten daken der woningen waren langzamerhand verdwenen en

in de plaats daarvan zagen wij nu wit geschilderde, houten huisjes,

met zinken daken, die in de zon hel schitterden.

Opmerkelijk is overal de kalmte van onzen inlander, hetzij hij

Javaan of Maleier is. Hoe sterk steekt die af bij de rumoerigheid van

den Britsch-Indiër. Als in Britsch-Indië een trein aan een station

stilhoudt, dan kan men van de drukte, het door elkaar geschreeuw, het

lawaaiig doen van den inlander, niets hooren of zien van 'tgeen een

doortrekkende reiziger soms gaarne hooren of zien wil en des nachts is

die drukte aan de stations even groot als bij dag, zoodat de nachtrust,

die men in de Britsch-Indische treinen zou kunnen genieten, daarbij

zeer veel inboet. Als drie of vier Britsen-Indiërs bij elkaar staan,

dan converseeren zij met elkaar op een wijze, die elkeen moet doen

vermoeden, dat het onmiddellijk op een hevige kloppartij zal uitloopen,

terwijl het toch niets anders dan een vriendelijk praatje geldt.

Hoe voornaam, stil, kalm haast, doet daarentegen onze inlander. In

lange rijen staan zij achter elkander aan het loketje, om een

plaatskaartje te nemen; geen luid woord wordt vernomen, ieder

wacht kalm zijn beurt af. Als de trein stilstaat, stappen zij haast

geruischloos in; wanneer men niet vooraf gezien had, dat er zoovele

passagiers op het perron stonden te wachten, zou men zich niet kunnen

verbeelden, dat er menschen uit of in den trein gestapt waren.

Toen wij te ruim twaalf uur in Padang Pandjang aankwamen, stond de

hotelier van het hotel Merapi zelf op het perron, om de noodige hulp

te bieden, terwijl de assistent-resident zijn rijtuig had gezonden,

om daarvan gebruik te maken. Hij zelf was voor dienstzaken elders,

doch mevrouw Tubergen, de vrouw van den assistent-resident, had

er voor gezorgd, dat een vaas met geurige en wondermooie bloemen

in onze kamer in het hotel ons een vriendelijke welkomstgroet in

Padang-Pandjang bracht.

Ofschoon wij in het midden van den dag, waarop het dus het heetst is,

aankwamen, was de temperatuur toch niet hooger dan op een matig warmen

zomerdag in Holland. Na al die heete dagen, die wij in den laatsten

tijd hadden doorgemaakt, leefden wij in Padang-Pandjang weer eens

heelemaal op, tegen den avond moesten zelfs de doekjes voor den

dag komen. Van het bordes van het hotel genoten wij 't gezicht op

den altijd rookenden Merapi. Er lag echter 's middags zoo'n vlokkige

witte wolk op den top van den vulkaan, als ware de kop met een groote

slaapmuts overtrokken, zoodat wij van het al of niet rooken niet

veel bespeuren konden. Tegen den avond herinnerde de zwaveldamp,

die de atmosfeer had doortrokken, ons echter aan het bestaan en de

nabijheid van dezen vuurspuwenden berg.

Het één bataillon groote garnizoen geeft vrij wat levendigheid aan

het interessante plaatsje. Voor de kinderen van deze militaire

ambtenaren is natuurlijk een Europeesche school met Europeesche

onderwijzers noodig, het spoorwezen heeft er eenige ambtenaren,

zoo ook het kantoor van den assistent-resident en door al deze

Europeeërs ademt er een geest van civilisatie, waardoor het voor

toeristen doenlijk is, er eenige dagen te vertoeven. Daardoor is het

ook mogelijk, dat een tamelijk goed hotelletje zich er staande kan

houden, en dat niet alleen toeristen, maar ook herstelde zieken, die

een tijdlang een koeler klimaat en een mooie omgeving noodig hebben,

om verloren krachten te herwinnen, zich daar kunnen ophouden. Maar

over Padang-Pandjang ga ik later schrijven, want het diende ons alleen

om er te overnachten, om den volgenden ochtend vroeg van daar naar

Pajacombo te kunnen vertrekken, waar des Zondags de groote Passar

gehouden wordt, waaraan deze plaats haar vermaardheid voornamelijk

dankt. Wij zullen eerst Pajacombo en Fort de Kock bezoeken om daarna

terug te keeren naar Padang-Pandjang en van daaruit eenige uitstapjes

te maken en 't merkwaardige van 't stadje te zien.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 89 / 133 题