III.

Onze inlandsche geleider bracht ons vervolgens naar een plek, die

allermerkwaardigst is en ook in de Padangsche bovenlanden eenig is

in haar soort. Het was de plaats, waar de hoofden van het district

Matoër alle drie maanden hunne bijeenkomst houden. Het is een groot

open terrein, in de rondte afgepaald met honderd en twintig zerken,

even zoovele hoofden als er zijn; zerken, die alle zeer verschillen in

hoogte en breedte. Tijdens eene vergadering zit elk hoofd voor zijn

eigen zerk en naarmate zijn gezag of stand hooger is, naar die mate

is ook de afmeting van den steen, waarvoor hij zit. Er is er een van

naar gissing twee meter hoog en er zijn er die geen vijf-en-twintig

centimeter boven den grond uitsteken.

In de inlandsche school op Matoër, waarvan het hoofd der school

uitstekend Hollandsch sprak, konden wij ons, beter dan in eene

der voorgaande scholen, die wij bezochten, overtuigen van de

bevattelijkheid der inlandsche leerlingen. Hier liet het hoofd der

school de kinderen eenige proeven van bekwaamheid afleggen. Het

meest verbaasden wij ons over de vlugheid, waarmede de zeven en

achtjarige joggies en meisjes, die nog slechts zeven maanden de

school hadden bezocht, eenvoudige rekensommen met krijt op het bord

uitrekenden. Geene der kinderen, die wij zelf uit de klasse mochten

uitpikken, maakte een enkele fout in de eenvoudige vermenigvuldig-

en aftreksommetjes, die wij hun opgaven, terwijl zij daarbij zeer

duidelijke en gelijkmatige cijfers op het bord schreven. Trouwens

over het mooie schrijven der inlandsche schoolkinderen verbazen

wij ons steeds, daarmede kunnen de kinderen op onze scholen niet

wedijveren. Het hoofd der school had voor eigen rekening de laagste

klasse genomen; toen ik hem vroeg, waarom hij zelf de laagste klasse

onderrichtte, gaf hij ten antwoord: "dat doe ik om twee redenen:

de eerste is, omdat ik de eerste klasse het belangrijkste vind;

als de grond eerst goed bereid is, gaat het volgend onderricht veel

gemakkelijker; de tweede is, omdat het onderricht in de aanvangklasse

het moeilijkst is en ik als hoofd der school het moeilijkst

werk voor eigen rekening moet nemen". Worden in Amsterdam niet de

onderwijzeressen in de aanvangklassen geplaatst en meent de overheid

daar niet, dat dit het minst belangrijke werk van de school is?

Wij bezochten in Fort de Kock o.a. ook de kweekschool voor inlandsche

onderwijzers. Deze school, die acht-en-dertig jaar geleden met het oog

op vijftig leerlingen was ingericht, bevat nu reeds honderd-en-twintig

leerlingen. De jongelui zijn daar allen intern. Zij hebben ieder een

eigen frisch en licht kamertje met ledikant, stoel, tafel, waschtafel

en kast, dat hun gratis wordt verstrekt, alleen de kamerversiering moet

door de jongens zelf worden aangebracht. Boven de zeer goede kost en

inwoning, die het gouvernement dezen jongelingen kosteloos verschaft,

ontvangen deze toekomstige onderwijzers maandelijks nog eene geldelijke

toelage. Op deze school zijn ook enkele inlandsche meisjes, die voor

onderwijzeres worden opgeleid. Aan inlandsche onderwijzeressen is

zeer groote behoefte; in alle inlandsche scholen in Sumatra, die

wij bezochten werd door het hoofd der school geklaagd, dat hij geen

vrouwelijke leerkracht had, met een onderwijzeres aan de school zou

hij beter de vrouwelijke leerlingen in de klasse kunnen houden, die

nu op veel te jongen leeftijd de school verlaten, omdat zij dan niet

meer dagelijks alleen met mannen in contact mogen komen. Een gevolg

van de Mohammedaansche invloeden. Niettegenstaande de behoefte aan

onderwijzeressen worden de meisjes aan de kweekschool toch niet met

open armen ontvangen. Zij moeten bijzonder uitmunten, willen zij

toegelaten worden, zij moeten zelf voor kost en inwoning zorgen en

ontvangen geen maandelijksche toelage en bovendien werden er bij de

laatste toelating zes meisjes geweigerd, die een uitstekend examen

hadden afgelegd, omdat de klasse te vol zou worden en er voor een

gesplitste klasse geen leerkrachten aanwezig zijn. Is dat niet meten

met twee maten? Dit is natuurlijk niet aan de directie van de school

te wijten, maar wel aan de directie van Onderwijs in Batavia. Hoezeer

ook de Minangkabausche vrouwen naar onderricht verlangen, is er toch

voor haar nog maar een begin gemaakt om haar te ontwikkelen.

Het had mijne reisgezellin en mij reeds lang gehinderd, dat wij er

niet achter konden komen wat toch de naam Minang Kabau te beteekenen

heeft, maar eindelijk gelukte het ons toch van een der inlandsche

onderwijzers eene uitlegging te verkrijgen. Deze uitlegging, die ons

door andere inlanders bevestigd werd, is te merkwaardig om haar niet

hier mede te deelen. Zij luidt aldus: De Maleiers van de Padangsche

bovenlanden lagen onophoudelijk in twist en tweedracht met een naburige

groep Maleiers. Deze onophoudelijke twisten kostten beide partijen

steeds menschenlevens, have en goed en daarom kwam men overeen door

één flinken strijd de veete uit den weg te ruimen. De overwinnende

partij zou werkelijk daarna de overmacht krijgen. Wat deden nu deze

primitieve menschen? Zij lieten niet hunne flinke, gezonde, krachtige

jonge mannen een strijd op leven en dood aangaan en zoodoende de beide

partijen berooven van de beste elementen uit hunne samenleving, maar

zij kozen beiden hun sterksten os en lieten die twee samen de zaak

uitvechten. De os van de Padangsche bovenlanders overwon en sedert

dien tijd noemen zij zich Minang, in het Maleisch overwinnaar, en

Kabau, wat os beteekent. Ook de boogvormige daken ontleenen daaraan

hun oorsprong. De middelste groote boog heeft den vorm van de beide

hoorns van een kabau en de kleinere uitbouwsels stellen elk één hoorn,

de helft van de twee, voor.

Wat mij in dezen oorlog zoo bijzonder trekt, is het feit, dat

de Maleiers, die in dien tijd nog allen in matriarchaat leefden,

vorstinnen bezaten, die het oppergezag uitoefenden, al werd zoo'n

vorstin naar buiten uit toen reeds vertegenwoordigd door Radjas. Deze

vrouwen moeten het dus geweest zijn, die het oorlogvoeren toen

reeds in de ware beteekenis hebben opgevat, als een strijd om wie

de physiek sterkste is, een strijd, die evengoed door een paar ossen

als door gehuurde soldaten kan worden uitgevochten. Zouden wij alle

Europeesche landen niet er toe kunnen brengen hunne veeten ook op die

wijze te bevechten, het zou jaarlijks honderden millioenen aan leger-

en vlootuitgaven sparen; gelden, die in alle landen zooveel beter

dienst kunnen doen, en onze jonge mannen, die nu als kanonnenvleesch

gebruikt worden, zouden dan voor nuttiger doeleinden kunnen strekken.

Fort de Kock is een heel mooi plaatsje met een heerlijk koel klimaat,

maar bezit ongelukkig geen goede hotelgelegenheid, zoodat wij ons

verblijf er zeer kort maakten en naar Padang Pandjang terugkeerden. Het

eerste wat wij daar vernamen, was dat de Merapi dien morgen opnieuw

eene uitbarsting had gehad, zoo mooi als slechts zelden gezien

werd. Dat hadden wij dus weder gemist en ik vrees, dat wij er nu wel

geene meer zien zullen.

Wij zagen in dat lieve, vriendelijke stadje allerlei andere dingen. Den

geheelen dag stootte de Merapi nog mooie gele vlokkige wolken uit,

die zich langzaam in het heelal oplosten. Nu en dan werd eens een klein

pufje vernomen, dat aantoonde, dat de kolossus een beetje buikpijn had,

maar tot eene regelrechte uitbarsting kwam het toch niet meer.

Hadden wij op Ceylon de kaneeltuinen gezien, hier konden wij ons

verrijken met de kennis van het verder proces, dat de kaneelpijp

ondergaat, alvorens het in Holland voor vijf cents een heele zakvol in

de winkels verkocht wordt. Omdat die onschuldige kaneelstokjes, die in

gemalen vorm meestal zoo--ongekookt en ongewasschen--genuttigd worden,

een bron van ziekte kunnen opleveren, wil ik er op wijzen. Van dat de

takken de rose-getinte boompjes verlaten hebben, totdat zij buiten in

de zon gedroogd, gesorteerd en in bundels bijeengebracht zijn, gaan

zij door tal van inlandershanden. Dan staan die bundels kaneelstokken

open en bloot uren, soms dagen, voor een station opgestapeld en

worden zoo naar de markt afgeleverd. Hoe gemakkelijk kunnen zij niet

de overbrengers zijn van tal van besmettelijke ziekten, die min of

meer onder de inlanders voorkomen. Ik weet wel, dat ditzelfde geldt

voor vele andere specerijen, die in menig gezin ongewasschen gebruikt

worden, maar ik wilde op dit eene voorbeeld wijzen, misschien zal

dan wel de gevolgtrekking gemaakt worden, beter te doen, met al de

specerijen wat zindelijker te werk te gaan.

Van Padang Pandjang uit zijn vele interessante uitstapjes te maken, die

ons dubbel belang inboezemden, omdat overal de sawahs geel stonden,

zoodat de vrouwen allen druk op het veld bezig waren om de paddi

binnen te halen. Dit was bijna uitsluitend vrouwenwerk, slechts in

enkele gevallen hielpen daarbij mannenhanden. Het schilderachtige,

het poëtische van dit werk is reeds zoo dikwijls door daarvoor beter

in staat zijnde pennen, dan de mijne beschreven, dat ik mij gerust

ontheven kan achten voor Hollandsche lezers daarop te wijzen. Voor

ons was het gezicht op die drukwerkende vrouwen daarom zoo vol

interesse, omdat deze opgewekte, gelukkig uitziende menschen zoo'n

heerlijk contrast vormden met de zwaarmoedige, met haar lot ontevreden

uitziende vrouwen in Egypte en Britsch-Indië. Wil men zich overtuigen

dat de vrouw slechts gelukkig kan zijn, als verantwoordelijke arbeid

op hare schouders rust, dat de aard van de vrouw medebrengt, dat zij

nuttig bezig is en dat zij zich alleen onder zulke omstandigheden

tevreden kan gevoelen, men begeve zich naar de Padangsche bovenlanden

en vergelijke deze werkzame vrouwen met die in de landen, waar de

ontwikkeling der nijverheid of de heerschende zeden en gewoonten, haar

alle nuttige werkzaamheden gaandeweg uit de handen hebben genomen. De

geheele vrouwenbeweging, overal in de beschaafde wereld, die zich

oogenschijnlijk beweegt op verschillende paden, heeft toch feitelijk

geen andere oorzaak en geen ander doel, dan het willen terugwinnen

van de beteekenis, die de vrouw in de oorspronkelijke wereld voor het

ras bezat, het weder willen deelnemen aan het werk voor het algemeen,

weder verantwoordelijk gesteld worden voor de helft van den arbeid, die

gedaan moet worden tot instandhouding van het ras en den vooruitgang

der menschheid.

Maandag 6 Mei, verlieten wij reeds vroeg Padang Pandjang, omdat wij

nog dienzelfden dag in Padang moesten spreken in eene vergadering door

warme voorstanders van vrouwenkiesrecht aldaar voor ons belegd. Was het

niet, dat wij om die reden beneden moesten zijn, dan hadden wij ons

verblijf in de bovenlanden nog wat gerekt, waar wij zulke heerlijke

dagen hadden doorgebracht. Dat ons kort verblijf aldaar zoo vol

afwisseling was, dat wij in dien korten tijd, om zoo te zeggen, alles

zagen, wat er voor ons bezienswaardig en van belang was, danken wij

grootendeels aan de niet genoeg te waardeeren vriendelijkheid van den

gouverneur van Sumatra's Westkust, die te voren de assistent-residenten

en de controleurs der verschillende plaatsen, die wij gingen bezoeken,

schriftelijk had verzocht, ons bij ons bezoek in elk opzicht van dienst

te willen zijn. Aan dit schriftelijk verzoek hadden wij het te danken,

dat deze heeren, die zich allen op de meest voorkomende wijze van

deze taak hebben gekweten, van onze komst op de hoogte waren en ons

daardoor zoo goed hebben kunnen helpen.

In Padang werden wij met de grootste hartelijkheid bij onze beide

gastvrouwen en gastheeren ontvangen. De vergadering was tegen 7 uur

uitgeschreven en toen wij op dien tijd in het logegebouw aankwamen,

was de vergaderzaal reeds geheel gevuld met een belangstellend

publiek, zoowel heeren als dames. Ook hier bleek, dat het

vrouwenkiesrechtvraagstuk thans aller aandacht trekt, en dat men het

slechts heeft te bespreken om uit de belangstellenden voorstanders

te maken. Wel werd er na afloop der voordrachten van mrs. Catt en mij

gebruik gemaakt van de gelegenheid om bezwaren te opperen of vragen te

stellen, maar geen der aanwezigen scheen eenig bezwaar te hebben, wel

wenschte men op enkele punten nadere inlichtingen. Van een kant werd

de vraag geopperd, of niet de vrouwen het kiesrecht zouden deelachtig

worden, ook zonder dat er voor gestreden werd, of wel de tijd rijp

was voor de invoering ervan en of de mannen 't ons niet zouden geven,

ook wanneer wij er niet om vragen, doch deze illusie kon gemakkelijk

en met succes bestreden worden. Het gevolg van deze vergadering was,

dat er ook in Padang eene afdeeling tot stand kwam.

Van de vier dagen, die wij nog in Padang moesten vertoeven, alvorens

de boot ons weder naar Batavia zal terugvoeren, maakten eenige goede

vrienden gebruik, om diners, een gardenpartij, een automobieltocht

enz., te arrangeeren, en stelden ons daardoor in de gelegenheid niet

alleen met de ingezetenen van het schilderachtige stadje, maar ook

met zijne mooie omgeving kennis te doen maken.

Maar van die gardenpartij moet ik iets meer zeggen. De heer en

mevrouw Schlüter hadden die voor ons belegd. Hun prachtige tuin, die

met lampions en lichtpotjes feeëriek geïllumineerd was, leende zich

bij uitstek voor zulk een feest. Wat echter voor ons het bijzonder

aantrekkelijke was en ons dien dag nooit zal doen vergeten, dat

waren de Indische muziek en de Indische amusementen, waarmede wij

voor het eerst kennis maakten. Midden op een groot groen grasveld,

fantastisch beschenen door het licht uit de ontelbare lichtpotjes

rondom geplaatst, speelde de gamelan en werd er door eene Javaansche

schoone, in hofgewaad, getandakt, nu en dan in hare mooie, gracieuze

bewegingen bijgestaan door een mannelijken tandakker. En was het fijne,

Javaansche poppetje--'t was alsof zij van porselein was--moe dan

zweeg de gamelan en dan keerden wij onze stoelen om en verlustigden

ons in het gezicht van een groote groep mannen, die mêmantjakten,

dat is krijgsdansen en schermutselingen uitvoerden, waarbij hun eigen

opgewekt, melodieus gezang de maat aangaf. Wat steekt dat dansen van

deze inlanders, dat eigenlijk niets anders dan elegante, rhytmische

bewegingen is, toch hemelsbreed gunstig af bij onze danspartijen! Wat

staan hunne amusementen toch veel hooger dan de onze!

De Indische bevolking, die op de muziek van de gamelan van heinde en

ver was toegestroomd en in honderden zich driestweg in den tuin had

gewaagd, schaarde zich zittende en staande rondom de gamelan en de

dansende Maleiers en vormde in hare schilderachtige bonte kleeding

een achtergrond, die niet mooier kon worden uitgedacht. Ook bij deze

gelegenheid toonde de bevolking weder haar hoog peil van beschaving;

uit deze tallooze menigte werd geen luide stem vernomen; stil,

bijna geruischloos, waren zij binnengekomen en stonden daar even

bewonderend als wij naar het tandakken en mêmantjakken te zien. Alleen

als wij de uitvoerders door handgeklap toejuichten, waren het in

hoofdzaak de inlandsche kinderen, die ons in dit tevredenheidsbewijs

steunden. Onder deze vertooningen, waarbij ook nog de muziek van een

Chineesch orkest gevoegd moet worden, werden de gasten onophoudelijk

van spijzen en verfrisschende dranken voorzien, en ook daarbij werd

van de aanwezigheid van zooveel inlanders, waaronder toch ook vele

kinderen, niet de minste overlast ondervonden. Vergelijk met dit

alles eens iets dergelijks in ons land!

Padang en de Padangsche bovenlanden hebben op ons beiden een

diepen, blijvenden indruk gemaakt. Noch de prachtige natuur, noch

de buitengewone omstandigheden, waaronder de bevolking daar leeft,

noch de vele hartelijke menschen, die wij er hebben ontmoet,

die ons vriendschappelijk tegemoet zijn getreden en ons bezoek

zoo vruchtdragend hebben gemaakt, zullen ooit uit onze herinnering

verdwijnen. Sumatra's Westkust is alleen een bezoek aan onze koloniën

waard.

Nu wij op het punt staan, Sumatra voorgoed te verlaten, wil ik met een

enkel woord den indruk weergeven, dien over het algemeen de Maleier

op mij heeft gemaakt, omdat wij dezen nu niet meer zullen ontmoeten

en in hoofdzaak met den Javaan kennis maken.

Het is niet gemakkelijk, in een paar woorden te omschrijven, welke

die indruk is en daarom neem ik mijn toevlucht tot eene vergelijking

van de Maleiers, zooals wij die hier op Sumatra's Westkust ontmoet

hebben, met de inlanders in andere landen..

In Zuid-Afrika boezemden de inlanders mij groote sympathie in;

ik gevoelde voor hen als een moederlijke vriendin. Ik beschouwde

hen als kinderen, die met tact moeten worden opgevoed, waarbij er

waren met moeilijke karakters, maar zoo zeer velen, die slechts

goede leiding noodig hebben om tot bruikbare, zeer goede menschen

op te groeien. Van de Afrikaansche inlanders is m.i. alles te maken;

komen zij niet of niet goed terecht, dan kunnen wij dat toeschrijven

aan de verkeerde leiding, aan de dikwijls verdervende omstandigheden,

waaronder zij opgroeien.

In Britsch-Indië heeft de inlander mijn sympathie niet kunnen

verwerven. De weerzinwekkende indruk, dien de Hindoe in het Zuiden

van het land op mij maakte is wel langzamerhand wat verzacht, maar de

druk-doende, schreeuwerige Hindoe en Mohammedaan in Britsch-Indië,

de slimheid en geslepenheid in zijn optreden, zijn aanstellerige

manier om zijn godsdienst en kaste aan de wereld te openbaren door

middel van groene, gele en roode verf op zijn gezicht te smeren, maar

vooral ook zijn geloof en ongeloof, zijn afgodsdienst enz. zijn zoo

walgingwekkend, dat ik mij in geen enkel opzicht met deze menschen

verwant kan gevoelen.

De Maleische bevolking in Padang, doch vooral in de Padangsche

bovenlanden, hebben heelemaal niet den indruk verwekt, dat wij zoo

ver boven hen staan. Hun zelfbewust, waardig optreden, hun kalme

natuur, hun werkzame aard, (vooral wat de vrouwen betreft), hun

getoonde behoefte aan ontwikkeling, stellen hen op nagenoeg één lijn

met ons zelven, Wij mogen hen beschouwen als een jongeren vriend,

die goede leiding noodig heeft, die intellectueel hoog genoeg staat,

maar wien tot dusver de noodige opleiding onthouden is en die, zoodra

de gelegenheid tot geestelijke ontwikkeling maar genoegzaam geboden

wordt, met reuzensprongen zal vooruitgaan, om weldra in menschelijke

ontwikkeling geheel met ons gelijkgesteld te kunnen worden.

Men zegt hier: "de Maleier is lui"; in Deli vindt men den Maleier

ongenegen om koeliewerk voor ons te verrichten, maar dat laatste

stempelt hem in mijn oog hooger dan den Javaan en den Chinees,

die zich daarvoor wel gebruiken laten. Dat de Maleiers, en dit

geldt alleen voor de mannen, lui zouden zijn, is ook voor een deel

toe te schrijven aan de rechtsverhouding, waaronder deze menschen

nog leven. Hun rechtstoestand dateert nog van vele eeuwen her,

toentertijd was het misschien wijs en rechtvaardig, hunne wetgeving

zoo in te richten zooals die nu nog is, maar met hunne tegenwoordige

ontwikkeling en levensopvatting is deze dikwijls zeer in strijd.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 91 / 133 题