Ik zit nu aan boord van de "Dilwara", die ons van Rangoon naar Penang
zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten
wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig
schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard,
het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels
zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn
zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de
positie der vrouwen betreft.
Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen,
naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar
naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier
afgaande, naar Rangoon terug.
Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag
toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den
volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin
verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op
haar bed liggen, in Hindoe's costuum, zooals zij het geliefde te noemen
en vast besloten "den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo'n
hitte niet te verduren is". Ik toog er toen moedig alleen op uit en
vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is,
dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat
er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en
de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer
wij het in Rangoon reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk
ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten
wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder
te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter
tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien
tijd naar Penang ging.
Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen
genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend
woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma's vrouwen
te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam
energie te verzamelen om haar Hindoe's voor een geciviliseerd
toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een
victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost
waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar
wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een
zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden,
dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten,
evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt
gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn
ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit
een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert
eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden
met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich
bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het
adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben,
omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis,
hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.
Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds
bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier
in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale
instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij
was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria
als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie
ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot
de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen
is er 'n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche
meisjes, die nu, voor zoover 't de hoogere en middenklasse der
bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie
voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar
in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden
door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels
Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden
een geheelen morgen 't onderwijs in de verschillende klassen van
een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de
Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes
en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen
zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de
universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met
een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres
het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de
hoofdleiding van 'n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene
ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur
voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben
hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde
ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen,
zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald
kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de
medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.
Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken,
hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden
tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes
gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te
zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag
gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door 'n eenvoudig huiselijk of
familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma'sche priester den band
tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje
in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit
en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes
verdienen, ook in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de
mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben
haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf
geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan
daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs
geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even
gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van
beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar
zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen
dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige
dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner
vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam
is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt
dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt
verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De
huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde
gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de
boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje
uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is,
gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder,
keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde
bedeesd: "Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben". Maar
toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist
ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het
in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed
van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken
dan de mond onder woorden kan brengen.
Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het
over zielsverhuizing. Die les werd in 't Burmeesch gegeven, doch
alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde,
vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te
maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den
geest der Hindoe's. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den
kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld
van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten
afstand van de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich
nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende
macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah,
of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht,
die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder
vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht,
die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje,
het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje
gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht
had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had
slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.
Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik
Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht
aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos
daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze
zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een
liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan
de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden
gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes,
met hunne poppige bébé's en de altijd vriendelijke en hulpvaardige
mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit
volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer,
dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs,
dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen,
en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker
kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook
zoo heel veel van hen te leeren.
Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma
hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de "Dilwara". Dit
is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer
van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu
gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot
tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor
passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt,
het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen opeens heeft
uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken
zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of
in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden
en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die
elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet
gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De
medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen,
die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk
vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter
dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van
over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. 't Zijn allen
natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van
bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat
is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij
beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein,
geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het
ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten,
drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De
tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij
hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij
gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij
wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer
zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte
gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen
niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen
en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden,
geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die
dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons
voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander,
geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen
tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen
hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.
Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier
overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd
kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. Een Engelschman
houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van
sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor
de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en
vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet
bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd,
dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine
schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman,
wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer
smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande,
zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen
den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en
Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer
dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te
vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons
potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was
onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met
hem op de tonen der muziek "rond te zwieren", dan beproefde hij zijn
geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen,
dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar
rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo'n opgewekte toon, er was den
geheelen dag zoo'n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding,
dat de 2 1/2 dag omvlogen.
Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen
en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren
voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren,
want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein
Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje,
haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de
"lady-doctor" werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen,
doch toen bleek, dat zij niets meer dan een "trained nurse" is, die
door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in
Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal
te Penang genoten.
Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee
doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van pest onder de
tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen
nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse
passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger
geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit
schip gemaakt hebben.